Waar wil deze hele filosofie met al haar omwegen naartoe? Doet zij meer dan een voortdurende en hevige drang als het ware in rede te vertalen, een drang naar milde zon, heldere en beweeglijke lucht, zuidelijke planten, ademtocht van de zee, lichtverteerbare voeding met vlees, eieren en vruchten, heet water als drank, dagenlange stille omzwervingen, weinig spreken, spaarzaam en voorzichtig lezen, eenzaam wonen, zindelijke, sobere en bijna soldateske gewoonten, een drang kortom naar alle dingen die juist mij het best smaken, juist mij het best bekomen? Een filosofie die in laatste instantie het instinct voor een persoonlijk dieet is? Een instinct dat naar mijn lucht, mijn hoogte, mijn weersgesteldheid, mijn soort gezondheid streeft via de omweg van mijn hoofd? Er zijn vele andere en beslist ook veel hogere zaligheden van de filosofie, en niet alleen zulke die duisterder en pretentieuzer zijn dan de mijne, – misschien zijn ook zij alles bij elkaar niets anders dan intellectuele omwegen van dergelijke persoonlijke voorkeuren? – Intussen kijk ik met nieuwe ogen naar het heimelijke en eenzame fladderen van een vlinder, hoog tegen de rotsoever van het meer, waar veel goede planten groeien: hij vliegt rond zonder zich erom te bekommeren dat hij nog maar één dag te leven heeft en dat de nacht te koud zal zijn voor zijn gevleugelde broosheid. Ook voor hem zou wel een filosofie te vinden zijn: ofschoon het niet de mijne zal zijn. –

Friedrich Nietzsche Morgenrood §553