Kijk hem daar nou zitten in zijn rokerstoel, zijn armen over de leuningen, voeten naast elkaar, in gedachten verzonken. Zijn ogen ogen bezorgd, maar wanneer hij een gedachte heeft die hem bevalt (zijn intellectuele ijdelheid streelt, zou hij zelf schamperen) zie ik een glimlach verschijnen. Stille wateren, diepe gronden zeiden ze vaak tegen hem toen hij nog een kind was. Toen leek hij al ouder dan hij was. Hij probeert zijn emoties te beheersen om maar niet kwetsbaar te zijn, maar hoe lang houdt hij die druk nog vol?

We bleven zitten en luisterden naar orgelmuziek van Bach. Hij wilde een stuk laten horen dat hij zelf nog gestudeerd had toen hij jong was. Zo nu en dan zag ik zijn vingers op en neer gaan, zij herinnerden zich nog de bewegingen die ze moesten maken. Pas op latere leeftijd had hij zich gerealiseerd hoe moeilijk die stukken van Bach eigenlijk waren, dat het kinderlijke naïviteit was geweest om ze te willen spelen en dat het hem nog redelijk gelukt was ook!

Wanneer had hij die onbevangenheid verloren? Dat moest natuurlijk een geleidelijk proces zijn geweest, maar het kantelmoment was ongetwijfeld die zomer aan het einde van de middelbare school. Toen had hij die hand op zijn schouder gevoeld, toen had hij in die ogen gekeken, toen was hij nog nooit zo dichtbij geweest. Het was op een teleurstelling uitgelopen. Jarenlang had hij voortgemodderd met zijn studie en zijn onvermogen een intieme relatie aan te gaan.

De muziek was afgelopen. Hij stond op om het schijfje uit de cd-speler te halen. Ik heb gefaald, zei hij, gefaald! Niets is uit mijn handen gekomen. Ik heb geen enkele studie afgemaakt, ik ben mijn baan kwijt en nu is ook mijn huwelijk gestrand. God geve dat ik een goede vader mag zijn! Hij ging weer zitten en keek me aan, wachtte. Ik zag hoe zijn handen verkrampten en houvast zochten naarmate de stilte langer duurde. Toen sprong hij op en beende weg. Ik wilde achter hem aan gaan, maar wat kon ik nog voor hem betekenen? Ik ging in zijn stoel zitten.