XLVII

Op een buitensporig duidelijke dag,
Dag waarop men zin heeft veel gewerkt te hebben
Om daarop juist niet te werken,
Zag ik een glimp, gelijk een weg tussen de bomen,
Van wat wellicht is het Grote Geheim,
Dat Grote Mysterie waarvan de onechte dichters spreken.

Ik zag dat er geen Natuur is,
Dat Natuur niet bestaat,
Dat er bergen zijn, valleien, vlakten,
Dat er bomen zijn, bloemen en grassen,
Dat er stenen zijn, rivieren,
Maar dat er geen geheel is waartoe dit behoort,
Dat een ware, werkelijke samenhang
Een ziekte van ons denken is.

De Natuur bestaat uit delen zonder een geheel.
Misschien is dit dat zogenaamd mysterie waar ze het over hebben.

Dit was wat ik zonder denken of bij stilstaan
Begreep dat de waarheid moest zijn, de waarheid
Die allen uit vinden gaan zonder te vinden
En die ik alleen, omdat ik niet uit vinden ging, gevonden heb.

Fernando Pessoa Gedichten, 66