Op een dag tijdens het ontbijt, terwijl Ella haar havermoutpap at en doorratelde over haar broer, herkende ik in een nederige flits dat ze precies hetzelfde deed als ik als schrijver de afgelopen jaren heb gedaan: in mijn boeken stonden fictionele personages me toe om te begrijpen wat voor mezelf moeilijk was om te begrijpen (wat, voor zover ik kan overzien, bijna alles was). Net als Ella had ik een overschot aan woorden, waarvan de rijkdom de zielige limieten van mijn biografie ver overschreed. Ik had narratieve ruimte nodig zodat ik mezelf erin kon uitstrekken; ik had meer levens nodig; ook ik had een extra stel ouders nodig, en iemand anders dan mezelf om mijn metafysieke driftbuien de wereld in te helpen. Ik had die avatars bekokstoofd in de soep van mijn immer veranderlijke ik, maar zij waren niet ik – ze deden wat ik niet wilde of niet kon. Luisteren naar Ella die razend en eindeloos de Mingus-verhalen uitspinde, begreep ik dat de noodzaak om verhalen te vertellen diep in onze geest zit verankerd en onlosmakelijk verweven is met het mechanisme dat taal genereert en absorbeert. Narratieve verbeeldingskunst – en daarom fictie – is basaal evolutionair overlevingsgereedschap. Wij verwerken de wereld door het vertellen van verhalen en produceren menselijke kennis door onze betrokkenheid met ons imaginaire ik.

Aleksandar Hemon Het boek van mijn levens, 247-248