Doe alle muziek weg! Ban de muziek uit je leven! Cd's weg, bladmuziek weg, alle digitale muziek van je laptop verwijderen! Een verbazingwekkende gedachte voor iemand voor wie muziek altijd zo belangrijk is geweest in zijn adolescente jaren. Elke dag luisterde ik naar muziek. Tijdens het huiswerk maken, maar ook in het schemerdonker in een stoel, ogen gesloten, geconcentreerd opgaan in een wereld van klanken. Had ik niet geprobeerd studie te maken van muziek? Toch kwam deze gedachte de laatste jaren steeds vaker bij mij op. Wat was er veranderd?

Het moet begonnen zijn in de tijd, dat ik in een vaste relatie verzeild raakte. Ondanks vele raakpunten liep onze behoefte aan muziek niet synchroon. Desalniettemin was er gelegenheid genoeg om naar muziek te luisteren, al dan niet samen. Een grotere aanslag op mijn tijd voor muziek was werk. Elke dag op en neer naar Amsterdam maakte dat ik overdag geen gelegenheid had en 's avonds te moe was. Toen het vaderschap zich aandiende was de muziek weliswaar niet uit mijn leven verdwenen, maar marginaal geworden. Ik vond het geen groot probleem, want er was een ander zwaartepunt in mijn leven gekomen: boeken lezen. Ik had altijd wel veel gelezen, maar nu noemde ik het vaak gekscherend een levensvoorwaarde: een dag niet gelezen is een dag niet geleefd.

Mijn werk is weggevallen en ook mijn relatie is ten einde, ik leef nagenoeg weer alleen. Enerzijds voel ik de neiging om weer aan te sluiten bij mijn vroegere leven, anderzijds weet ik maar al te goed dat dat niet gaat. Is de wens om de muziek uit mijn leven te halen een heimelijke wens om helemaal opnieuw te beginnen? Is het de stem van de kluizenaar in mij die oproept tot stilte?

Nietzsches geestelijke gezondheid stond al op instorten toen hij schreef: Wat is er toch weinig nodig voor geluk! De klank van een doedelzak. – Zonder muziek was het leven een vergissing. De Duitsers stellen zich God zelfs zingend voor. Dat ene zinnetje wordt vaak geciteerd, in het Duits: Ohne Musik wäre das Leben ein Irrthum, maar wie het in de context van zijn boek Afgodenschemering leest, begint te twijfelen of Nietzsche het wel zo positief bedoelde. Nietzsche klinkt cynisch en sarcastisch, breekt heilig huisjes af en het zou me niet verbazen wanneer dit fragment ook een sneer is naar zijn vroegere idool Wagner (de titel van het boek is dat immers al en bovendien liet Wagner goden zingen).

Op een avond dempte ik het licht, ging in een gemakkelijke stoel zitten, zette een strijkkwartet van Haydn op en sloot mijn ogen. Na jarenlange muzikale ascese werd ik genadeloos in een vergeten wereld van schoonheid gezogen, de mysterieuze wereld van georganiseerde klanken. De magie was niet verdwenen, het was al die jaren latent aanwezig gebleven, het had slechts sluimerend afgewacht tot het weer tot leven mocht komen. Ik was blij dat ik zo slecht naar mezelf geluisterd had. Mijn leven zonder muziek was een vergissing.