Sinds Faroek voor het eerst de zee had gezien, verraste ze hem iedere keer weer met haar veranderende verschijning. Haar kleur, de hoogte en de frequentie van haar golven, de snelheid en de richting waarin ze die uitrolde, de vorm en de kleur van de schuimkoppen, haar spel met de lucht en het licht... Niets bleef wat het was, alles bewoog, verschoof, vervaagde en vervormde: de kleurvlakken, de lichtvlekken, de rimpeling van haar oppervlak. Ondanks die grilligheid had ze ook haar vaste gewoonten: de trage gulzigheid waarmee ze stukken land verorberde, de gelatenheid waarmee ze zich later weer terugtrok, de furieuze kracht waarmee ze keer op keer de kliffen trotseerde. En dan had je de albatrossen, haar vreemde schepsels, die met hun witte lijfjes onvermoeibaar tegen de wind bleven botsen.

Er steeg een eenzaamheid op uit haar diepten die zo onnoemelijk veel groter was dan de zijne, dat het hem troost gaf. De blinde kracht waarmee ze soms tekeerging en die hij bij rustig weer onder haar kalme oppervlak voelde woelen, voerde hem terug naar tijden die nog niet door mensenhand waren vastgelegd, toen de kleitabletten nog niet waren uitgevonden en de eerste geschiedschrijvers hun kronieken in het natte zand schreven, bij de branding, om ze aan de zee te schenken.

Sana Valiulina Didar en Faroek, 316-317