In de avond hoor ik doffe tikken op het raam aan de balkonzijde. Ik zie kleine schaduwen met vereende kracht proberen door het raam te komen. In de spiegeling van mezelf zie ik de oorzaak: nachtvlinders, ze komen af op het licht dat mijn lamp verspreidt. Het doet me denken aan een boek uit mijn jeugd, De Ozon Expres van Diana Ozon. Vaag herinner ik me hoe de hoofdpersoon in het eerste hoofdstuk een motvlinder laat ontsnappen uit de coupé van de trein. Toen hadden de treinen nog ramen die open konden. Het boek staat niet meer in mijn kast.

De volgende ochtend zie ik een motvlinder liggen op het balkon. Het ligt op de rug en krioelt wanhopig met de pootjes in de lucht. Wanhopig, althans dat is mijn menselijk gevoel, of de vlinder dat zo ervaart, dat weet ik niet. Hoe dan ook, ik pak een papiertje en draai het beestje voorzichtig om. Het blijft uitgeput zitten. Langzaam begint het dan te lopen, de pootjes werken nog. Centimeter voor centimer kruipt het vooruit, totdat het vanuit de schaduw in de zon terecht gekomen is. Het blijft weer stil zitten, even uitblazen, zo stel ik me voor. Dan zie ik dat de vleugels langzaam verschuiven en ineens ontvouwen ze zich en vliegt het beestje op. Eerst botst het nog tegen één van de spijlen van het hek, maar dan vindt het de vrijheid, de zon tegemoet. In gedachten wens ik het beestje een behouden reis en waarschuw voor het licht. Niet al het licht is hoopgevend.