Hij stond en zag uit over het land, begreep de vreemde woordeloze geluiden die het verstoorden: hoe een blaffende vos kon klinken alsof die aan de andere kant van de boerderij was, hoe de doortastende nacht de illusie kon opwekken van een nabijgelegen zee. Hij luisterde ernaar, stil als het leek: de wind die over de bomen aan kwam waaien en zich dan liet vallen en door heggen en over land tuimelde met het verre geluid van golven die stuk slaan en over elkaar rollen. En de gelijkenis was zo sterk dat hij er niet zeker van was dat dit niet het geluid was van de veranderende getijden die van de kust werden aangedragen die een paar mijlen ver verborgen lag.

Hij keek op naar de kale takken van de es, beweeglijk en toch op een of andere manier majestueus, scherp afgetekend tegen de lage strijklichten, ze bewogen nauwelijks, waardoor het geluid van ver leek te komen. Een ver ruisen. Een ruisen dat in zich het primitieve sussende gefluister draagt van de onvergankelijkheid van onmeetbaar grote dingen.

Het geluid leek tastbaar in de lucht, al het andere leek er stil door. De schapen briesten en maalden, de poten van het vee sopten terwijl ze zich door de modder bewogen. De ketting van de hond ratelde als muntjes in een donkere zak. Maar dit geluid bracht een zekere stilte.

Terwijl hij de gitzwarte nacht in staarde kwam een kerkuil het strijklicht in vliegen, gleed geruisloos tussen de schuren door en was weer verdwenen, hij leek een soort schim van zichzelf achter te laten, een soort niet te meten witheid in de lucht.

Cynan Jones De burcht, 18-19