Het is boeiend om te lezen hoe natuurkunde en scheppings- en ontstaansmythen soms langs elkaar schuren. Bij het lezen van totaal verschillende boeken kreeg ik de neiging om zo nu en dan de verschillende belevingswerelden van de schrijvers inelkaar te schuiven. Toch is het natuurkundige 'niets', het vacuüm, wat anders dan het Taoïstische 'niets' en zijn de positieve en negatieve energieën uit de natuurkunde wat anders dan het yin en yang uit het Taoïsme. Bijna zou ik zeggen: het is het verschil tussen proza en poëzie, maar ook dat is wat kort door de bocht. De verwondering blijft.

Negen hoofdstukken geleden stelden we onszelf de vraag 'Waaruit is alles ontstaan?' Na meer dan tweeduizend jaar aan ideeën voorbij te hebben zien komen zijn we aanbeland bij het antwoord zoals het op dit moment luidt: 'Alles is uit niets ontstaan.' De hedendaagse natuurkunde acht het mogelijk dat het heelal uit het vacuüm is voortgekomen. Een opmerkelijker verband dan de koppeling tussen 'niets' en 'iets' waar we het hier over hebben is nauwelijks denkbaar. Iets populairder geformuleerd: 'Misschien hebben we het heelal toch echt in de schoot geworpen gekregen.' Het idee is dat ons heelal mogelijk een gigantische quantumfluctuatie is met een totale 'virtuele' energie die zo dicht bij nul ligt, dat de levensduur ervan mogelijk ontzaglijk lang is. Dat dit kan, komt doordat er in het heelal, als gevolg van de alles doordringende aantrekking van de zwaartekracht, zowel positieve als negatieve energieën schuilgaan.

Frank Close Niets, 152

In Laozi 1 wordt Tao dus 'niets' genoemd. Er was 'niets' voordat hemel en aarde, de tienduizend dingen, dit universum, bestonden. Dit klinkt ons misschien wat merkwaardig in de oren, want wij leven in een wereld waarin alles 'iets' is: een vorm, een levend wezen, een stukje natuur, zelfs een gedachte of gevoel is 'iets'. Al deze 'ietsen' hebben met elkaar gemeen dat ze eens ontstaan zijn, een tijdlang bestaan, waarna zij ophouden te bestaan. Alleen gedurende hun bestaan hebben zij een vorm, en daarom zijn zij 'iets', maar zij danken hun functie aan het niets. Wanneer de vorm verdwijnt – b.v. wanneer de vaas breekt – dan blijft de lege ruimte die de vaas zijn functie gaf bestaan. Zo is Tao overal aanwezig, maar nooit gebonden aan enige vorm.

We zouden ook kunnen zeggen dat er voor het ontstaan van ons universum alleen maar pure energie bestond. Energie gezien als energetisch veld dat alle mogelijke patronen in de kiem bevat. Geen enkele daarvan heeft vorm, er is in dit veld nog niets geopenbaard. In die zin is dit veld nog 'niets'. Uit dit informatieloze krachtveld ontstaat dit universum. Geleidelijk aan worden al die patronen getransformeerd tot zichtbare vormen, zij worden 'iets'.

(...)

Met dit niets wordt Tao bedoeld. Met iets wordt de schepping van deze wereld bedoeld, hier 'de moeder' genoemd.

Elly Nooyen Hart voor Tao, 40-41