Mystieke verklaringen gaan door voor diep;
de waarheid is dat ze nog niet eens oppervlakkig zijn.

Friedrich Nietzsche De vrolijke wetenschap §126

Waarschijnlijk is het een diep gevoelde menselijke behoefte om een (transcendentale) eenheid achter de verschijnselen te denken. Wanneer zou die behoefte ontstaan zijn? Is het een bijproduct van het menselijke bewustzijn? Is het een bijproduct van de menselijke taal? Voelen andere dieren die behoefte ook?

Vragen waar ik geen antwoord op weet. Vragen die, zo vermoed ik (ja werkelijk, ik kan dit alleen maar vermoeden), verwant zijn aan vragen als 'waar komen wij vandaan', 'waarom zijn wij hier, wat is het doel ervan' of 'waarom is er überhaupt iets en niet niets'. Het zijn niet alleen godsdienstige, spirituele vragen. De metafysische verwondering heeft evenzeer geleid tot de nieuwsgierigheid die aan de basis staat van de rationele, natuurwetenschappelijke methode. Grofweg zou ik kunnen zeggen dat er een lijn loopt van de eerste pogingen van de presocratici de oerstof van alle verschijnselen te ontdekken en te formuleren tot aan de wens een theorie van alles te ontwikkelen in de moderne tijd. Zou het kunnen zijn dat deze archetypische behoefte om achter de wereld van voortdurende verandering een wereld te weten die blijvend is, die stabiel is en waarop te vertrouwen valt, dat wellicht de bron is van al het leven en waar het leven in oplost na de dood – zou het kunnen zijn dat deze behoefte de bron is van alle menselijke cultuur?

En wat nu als dat niet zo is? Dat er geen eenheid vormend principe is? Dat er geen voor, na, boven, onder, dieper is? Zouden we die gedachte überhaupt kunnen denken? Zouden we die gedachte kunnen toelaten? Is dat psychisch mogelijk?

Ik denk het niet. Wanneer ik speel met de gedachte dat er geen oerstof of oerbron is waar alles uit voortgekomen is, dat er geen sluitende allesomvattende theorie of formule mogelijk is, dat er niets is buiten mijn zintuigelijke werkelijkheid, dan nog kan ik niet ontkomen aan de paradox dat er iets afwezig is. Altijd weer dat tot wanhoop drijvende irritante woordje er dat mij gevangen houdt in een snijpunt van tijd en ruimte. Geen ontkomen aan. Hooguit zou ik achter de zintuiglijke wereld van de verschijnselen een grote afwezigheid kunnen vermoeden, een niets, een diepe stilte en dat is voor mij al voldoende.