'Zeg Poeh, waarom heb jij het eigenlijk niet druk?' zei ik.

'Omdat het zo'n mooie dag is,' zei Poeh.

'Ja, maar –'

'Waarom zou ik die bederven?' zei hij.

'Maar je zou toch iets Belangrijks kunnen doen?' zei ik.

'Doe ik ook,' zei Poeh.

'O ja? Wat dan?'

'Luisteren,' zei hij.

'Luisteren? Waarnaar?'

'Naar de vogels. En die eekhoorn daarginds.'

'Wat zeggen die dan?' vroeg ik.

'Dat het zo'n mooie dag is,' zei Poeh.

'Maar dat wist je toch al?'

'Ja, maar 't is altijd fijn om te horen dat iemand anders er net zo over denkt,' zei hij.

Benjamin Hoff Tao van Poeh, 110-111