Schijnbaar liep ik van oost naar west, want toen de ochtendzon doorkwam viel mijn schaduw precies voor mij. Even was ik de wandelaar en zijn schaduw, maar voordat ik een gesprek kon aanknopen was hij alweer verdwenen.

Het deed me denken aan een vraag die iemand mij onlangs stelde. Schrijven is een manier om tevoorschijn te treden, vind je dat eng? Ik moest erover nadenken, al was mijn eerste reactie nee, natuurlijk niet. Misschien is 'eng' niet het juiste woord. En misschien wilde ik met mijn schrijven wel helemaal niet 'tevoorschijn' treden, maar juist verdwijnen, verdwijnen achter mijn tekst.

Nee, schrijven is voor mij niet louter een vorm van verdwijnen, maar het is ook niet ik die tevoorschijn treed. Daarvoor ben ik te zeer afhankelijk van wat zich aandient en daarvoor moeten de omstandigheden gunstig zijn. Het creëren van deze omstandigheden is net zo tegenstrijdig als 'proberen spontaan te zijn'. Dergelijke momenten van ontvankelijkheid komen altijd onverwacht, wanneer ik er niet op bedacht ben, ze lichten op uit het wit tussen de regels, ze springen op uit het duister van de catacomben van mijn geheugen, het is het grijs van de overdrijvende wolken tussen de stilte en de storm.

Als ik ga wandelen met het idee dat er zich dan wel een stukje zal aandienen, dan kom ik bedrogen uit. Toch heb ik altijd het gevoel dat als ik mijn wandelschoenen aantrek ik ook, zoals de dichter K. Michel schreef, mijn innerlijk aantrek. De gesprekken met mezelf tijdens het lopen kunnen in de weg zitten, de gesprekken die maken dat, zoals de Japanse leraar Nan-in ooit beweerde, mijn kop te vol zit. Maar toch, zelfs dan, bij het oplichten van mijn schaduw door de stralen van de ochtendzon, kan er ineens een eerste zin ontstaan die dan weken eenzaam tussen de aantekeningen staat om later uitgewerkt te worden tot een lapje tekst.

Nee, schrijven is voor mij niet tevoorschijn komen, het is evenmin verdwijnen. Het is een vorm van wandelen in gedachten met gedachten. Het is de wind een hand geven, het is de horizon begroeten.