Bosch en Duin 1986-1989 III (3)

De zomermaanden waren overleefd, de colleges waren weer begonnen, de herfst diende zich aan. Schoorvoetend probeerde ik me voor te bereiden op het tentamen alfacursus. Ik kocht de readers voor een nieuwe reeks colleges, dramaturgie opera. Van die colleges herinner ik me niets meer en als ik lees over gesprekken bij de koffieautomaat met andere studenten, komen sommige namen me niet onbekend voor, maar de gezichten zijn verdwenen uit mijn geheugen. Ik kocht poëzie van Stéphane Mallermé en een boek over Wagner in Venetië, maar ik geloof niet dat ik die boeken ooit gelezen heb. Misschien is de passage Het weer was hutspot vandaag; soms net genoeg regen om even nat te worden, maar dan gewoon weer zon. En zo is mijn leven bijkans ook. (dinsdag 13 september) tekenend voor de stemming waarin ik verkeerde. Hutspot.

Het contact met H. werd intensiever. H. belde vaker en de brieven werden steeds dikker. Het waren vooral haar avonturen met een zekere J. (een getrouwde man die ze in het kerkkoor ontmoette) die haar in de pen deed klimmen en waarover ze opbelde. Hij wilde een relatie, zij niet, maar ze wilde hem ook niet kwetsen, omdat ze hem wel aardig vond. Natuurlijk was er een overeenkomst met onze situatie, al was ik dan niet getrouwd en een stuk jonger. Ik stelde me op als een luisterende vriend die zijn eigen emoties even minder belangrijk vond.

H. deed erg haar best om dan weliswaar niet 'de' vriendin, maar dan toch in ieder geval 'een' vriendin te zijn. Ik koesterde haar energie, haar wellevendheid, om het vervolgens na elk contact weer vreselijk te moeten missen. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken, dat onze vriendschap in deze tijd het meest intiem geweest moet zijn. Maar er zat een tijdbom onder en ik moet dat aangevoeld hebben. Ondanks al haar vriendelijkheid, enthousiasme en humor wist ik dat er iets verzwegen werd. Ik deed daar zelf even hard aan mee. Al heb ik geen kopieën van mijn eigen brieven aan haar, zo nu dan vang ik er een glimp van op in haar brieven aan mij. Allereerst bedankt voor je uitermate opwekkende brief. Ik zat hem gisteravond in bed te lezen en moest zo lachen om die anekdote van de auto, dat E. bezorgd kwam informeren of alles wel in orde was. Misschien deed het zwijgen haar geen kwaad en waar ik soms wanhoopte, leek zij door het leven te dartelen, leek zij alle tegenslagen weg te kunnen relativeren en bleef zij optimistisch. In dezelfde brief laat ze aan het einde weten dat ze op mijn verjaardagsfeest zal komen. Tegelijkertijd werd ik uitgenodigd om een week later op een feest van haar en haar huisgenote E. te komen.

Heb ik het indertijd wel voldoende beseft hoe bijzonder het was dat al mijn vrienden, soms van heel ver weg, elke keer maar weer hun best deden om op mijn verjaardagsfeesten te komen? Heb ik wel voldoende beseft hoe spannend het voor H. geweest moet zijn om naar een feest te gaan met louter jongens waarvan ze alleen de gastheer kende en de anderen hooguit uit verhalen en anekdotes? Ik weet nog dat ze heel laat kwam, ik had me bezorgd gemaakt. Ik weet ook nog dat ik haar binnen liet en het liefste er meteen met haar vandoor gegaan was, ik wilde alleen met haar zijn. Ik hoefde me geen zorgen te maken over haar contact met mijn vrienden, ze had charme genoeg om er een amusante avond van te maken. Ik zag het allemaal goedmoedig aan, ik volgde haar gesprekken met P. en probeerde ook voor de anderen een gastheer te zijn. In mijn dagboek noteerde ik de volgende dag: Ik moet zeggen dat de avond geslaagd was en ook Ik was erg zwijgzaam (zaterdag 8 oktober). Dat laatste kwam waarschijnlijk ook door de alcohol, ik dronk veel die avond en nacht. Zij en een paar andere vrienden bleven slapen en deden dat in een andere, leegstaande kamer. Ik sliep slecht, de drank had de verkeerde uitweg gekozen en ik stond vroeg op. H. had minstens zo weinig geslapen, maar kwam vrolijk mijn kamer binnen. Zo wilde ik elke ochtend wel opstaan. Natuurlijk kwam ook het moment van afscheid nemen op het station. De extra kus vlak voor het instappen zal ik niet snel vergeten.

Een week later ging ik naar het feestje van haar en E. Zo kwam ik voor een avond even in haar sociale wereld terecht. E. had ik wel eens eerder ontmoet en A. kende ik nog uit Taizé '86. Daarnaast leerde ik haar zus kennen en haar ex-vriendje P. Aan de avond zelf heb ik verder weinig herinneringen, behalve dan dat ik H. voor het eerst en misschien ook wel voor het laatst zag roken. Ik bleef slapen en ik bleef de volgende dag als enige rondhangen. We bekeken al haar fotoalbums en we hebben veel gelachen (dinsdag 18 oktober). Toen we samen met de tram naar het station gingen, sloeg ik mijn arm om haar heen en legde zij haar hoofd op mijn schouder. We zwegen in een treurige stemming, niet alleen om het naderende afscheid, maar ook om het onvermogen om meer dan vrienden te kunnen zijn.