er is geen weg (1)

Hij had besloten op te staan voordat de anderen wakker zouden worden. Buiten was het donker, binnen werd nog vrolijk gesnurkt. Voorzichtig ritste hij zijn slaapzak open en zwaaide zijn benen buiten boord. Met zijn slaapzak en zijn kleren onder de arm liep hij zo geruisloos mogelijk naar de deur, opende en sloot deze met beleid en haalde weer adem op de gang. Snel trok hij zijn kleren en zijn schoenen aan en bedacht zich dat hij zijn rugzak vergeten was. Ditmaal kraakte de vloer onder zijn schoenen, hij sloop naar het bed en tilde de rugzak over zijn linkerschouder. Toen hij zich omdraaide keek hij in de ogen van de jonge vrouw die gisteravond haar hele leven aan hem verteld had. Hij glimlachte, stak aarzelend zijn hand op bij wijze van groet en fluisterde sorry.

Buiten was het aangenaam fris. De klok op de kerktoren gaf kwart over vier aan, de tijd dat sommige monniken al hun zinloze gebeden zeggen om de wereld te redden. Hij snoof de heldere lucht op, voelde nog eens of zijn rugzak goed zat en begon te lopen.