Misschien kwam het omdat ik ditmaal 's middags was gaan lopen. De winterzon stond al laag aan de hemel, het licht verdween langzaam achter de boomtoppen. Door de gesmolten sneeuw bestonden de paden uit zuigend modder. Ik nam vandaag een andere weg. Ook daar kwam ik geen mens tegen, ik was alleen met een enkele vogel, met de bomen en de struiken, met de gevallen bladeren en naalden op het pad. De gedachte kwam bij mij op: wat nu als ik hier een hartaanval of een beroerte zou krijgen, dat ik hier bewusteloos zou neervallen, sterven wellicht, hoe lang zou het duren voordat ze mij gevonden hebben? Dat de gedachte mij niet verontrustte, kwam niet omdat ik niet gehecht zou zijn aan het leven, integendeel, maar omdat het mij een mooie dood zou lijken, ver van de idiote mensheid, midden in de onverschillige natuur.