De vogel was zwart en leek een rode kuif te hebben, maar de afstand was te groot om het goed te kunnen zien. Ik bleef staan om te kijken. Speelde de vogel een spelletje met mij? Steeds verdween het achter een boomstronk om dan links, rechts of in het midden koket met zijn kop tevoorschijn te komen. Kiekeboe! Ik verroerde me niet, lachte stil. De vogel vloog naar een boom en de wijze waarop hij nu omhoog hipte en verdween achter de stam deed bij mij de gedachte opkomen dat het een specht zou kunnen zijn. Weer dat spelletje, om de hoek kijken, staat dat dier er nog? Even was ik de vogel kwijt, maar toen ik zag hem lager op de stam zitten en was het alsof hij op deze ontdekking gewacht had om dan ogenblikkelijk weg te vliegen.

Na deze ontmoeting liep ik verder. Ik had het geluk gehad nog geen mens tegen te komen en dat gaf me een tevreden gevoel. Het was een uitzonderlijke mooie wandeling. Bewolkte hemel, geen wind, veel geluiden van vogels waaronder het geroffel van spechten. De akoestiek van het bos gaf de geluiden diepte, maakte er muziek van. Ongekunstelde muziek die klinkt en weer verdwijnt, kortstondige passages in een eeuwigdurende improvisatie.

Bij het kruisen van twee paden zag ik haar lopen. Had zij de afslag genomen, omdat zij mij in de verte had zien aankomen? Zoals ik zelf mensen probeer te ontwijken door snel een ander pad te kiezen? Ik zag haar van mij weg lopen en er was iets in haar tred en haar bewegingen, er was iets in haar verschijning dat klopte. Ik herkende haar zonder te weten wie ze was. Ze had de juiste stilte, ze had de juiste afwezighed. Was ik niet blijven kijken bij de zwarte specht, dan waren we elkaar natuurlijk gepasseerd, dan hadden we elkaar wellicht gegroet, dan hadden onze blikken elkaar gekruist en had ik misschien gedacht: precies de juiste diepte. Maar dat was niet gebeurd. Ik keek haar een tijdje na en hoopte dat ze om zou kijken.