er is geen weg (3)

De weg was smal, auto's zouden elkaar nauwelijks kunnen passeren. Er waren witte lijnen aangebracht om aan te geven waar de fietsers rechts konden houden. Aan de rand brokkelde het asfalt af en de berm liep enigszins schuin naar beneden, zodat hij tegen zijn zin op het harde asfalt moest lopen. Hier en daar een boom met bloesem of een verdorde struik langs de weg, soms een muurtje van gestapelde stenen die het bezit van een stuk land markeerde. Elektriciteitskabels waren hoog langs de weg gespannen tussen betonnen palen, de lampen in de top brandden niet meer. Zolang hij deze draden zou volgen, zou hij wel in de bewoonde wereld blijven. Hij passeerde lanen naar links of rechts, naar woningen waar nog geen leven te ontdekken viel, metalen luiken waren neergelaten voor de ramen.

De eerste kilometers was hij zich altijd bewust van de omgeving, zag hij de details van de weg, het afval in de berm en vroeg hij zich af waarom hij hier liep, waarom? Hij wist dat het maar tijdelijk was, op een gegeven moment zouden zijn gedachten het overnemen van zijn ogen, zou hij in gesprek raken met zichzelf en zou hij niet meer de vraag stellen naar het waarom. Dan vertraagde zijn pas en merkte hij niet eens meer op dat langzaam maar zeker het landschap ontwaakte in het ochtendlicht.

In het volgende dorpje was geen bakker of kruidenier te bekennen, waarschijnlijk niet rendabel met zo weinig inwoners. Vaak vroeg hij zich in dit soort dorpjes af waar iedereen toch was, er moesten toch mensen wonen, er waren immers huizen, maar hij kwam zelden iemand tegen. De huizen oogden zonder uitzondering oud en vervallen. Ook hier gesloten luiken, alleen een enkele geparkeerde auto of een op de grond gesmeten fiets deed vermoeden dat nog niet alle mensen weggetrokken waren. Hij hield van deze verlatenheid.

Om een hoek werd hij getroffen door de aanblik van een kerk, waarvan de gele stenen oplichten in het zonlicht. Het was van ouderdom weggezakt in de aarde tussen de graven die als een slotgracht om het gebouw lagen. Steunberen probeerden het nog manmoedig overeind te houden. Hij bleef staan om met zichzelf te overleggen. Zijn rammelende maag vroeg om eten, maar deze kerk trok hem aan. De lage vierkante toren met een piramidevormig dak en een enorme, ijzeren kruis op de punt kwam hem bekend voor, waardoor hij het gevoel kreeg hier eerder geweest te zijn. Toch was de naam van het dorpje hem niet bekend voorgekomen, al was hij de naam alweer vergeten, zo bewust had hij het niet opgemerkt. Nog voordat hij een beslissing genomen had, wisten zijn benen en voeten het al en namen de weg naar beneden, de weg die naar de ingang moest leiden.