Bijna niemand verlangt meer dat we moeten geloven in een god. Des te meer schijnen we in onszelf te moeten geloven. Daarbij schijnt iedereen te weten wat dat is, je 'zelf', terwijl het uiteindelijk net zo onbekend of onzeker is als het bestaan van een god.

Maar waar moeten we dan, o grote wijze jwl, in geloven?
In elkaar. Of is dat te klef?

Wat ons zou kunnen verbinden (man, bouw toch niet altijd onzekerheid in, schrijf: wat ons kan verbinden), wat de Grote Kloof (moet dat nou, die ironie?) zou kunnen overbruggen – de kloof tussen arm en rijk, links en rechts, laag of hoog opgeleid (oei, had hij daar bijna geschreven: domheid en intelligentie), oost en west, noord en zuid en ga zo maar door – is het simpele feit dat we uiteindelijk allemaal hopen uit wanhoop (welja, maak het maar weer dramatisch). Als we dat nu in gedachten houden, dan wordt de mensheid een stuk grappiger, dan kunnen we om elkaar lachen (nou, ik lig dubbel hoor, ik kan echt niet lachen om IS).