Ineens hoorde ik achter mij een tak breken, in een reflex draaide ik me om. Het kraken ging over in ruisen van bladeren, het neerkomen op de grond klonk als een zucht. Het viel naast het pad en gelukkig maar, want anders zou ik er onwillekeurig één of andere misplaatste symboliek in zien. Toch was het alsof het bos me een antwoord gaf op een ongestelde vraag.

Ik moet altijd aan hem denken als ik een wandeling maak, het is alsof hij met mij meeloopt. Eén gedachte komt altijd ter sprake, de gedachte dat mensen zo graag in de natuur zijn omdat de natuur geen oordeel over hem heeft. Mensen oordelen voortdurend, daar is geen ontkomen aan. Mensen wíllen ook oordelen en vooral beoordeeld worden. Ze zijn altijd bezig met de rol die ze spelen, met de indruk die ze al of niet maken. Of ze wel de juiste kleding dragen, in de juiste auto rijden, de juiste boeken lezen, de juiste opvattingen hebben. Het is dodelijk vermoeiend, maar er is weinig aan te doen, het is inherent aan ons bewustzijn en onze taal.

Het groepje mensen valt op door de felle kleuren van hun sportkleding. Ik zie ze in de verte staan, zwaaiend met hun armen, lachend, druk, luidruchtig, waarschijnlijk bezig met een warming up, voordat ze rennend als een sociale roedel aan hun conditie gaan werken. Het doet me stilstaan en ik denk aan de tegenstelling mens en natuur, ook wel omschreven als tegenstelling cultuur en natuur. Waar in de natuur alles zijn vanzelfsprekende gang gaat, daar lijkt de mensenwereld zo verschrikkelijk kunstmatig en gekunsteld. De noten van Bach, de teksten van Nietzsche, de films van Tarkovski, de schilderijen van Hammershøi, hoe mooi ik het allemaal ook vind, uiteindelijk is het allemaal bedacht, geconstrueerd, kunstmatig en gekunsteld. Een vogel fluit als het fluit, een boom ruist als het waait, een kikker springt, de mieren krioelen omdat het hun aard is.

De mens is ook een dier, een dier dat zijn hersens ontwikkelde, bewustzijn kreeg, talig werd en zeer succesvol was in overleven, zozeer zelfs dat het nu als parasiet op de aarde leeft. Zou het mogelijk zijn dat de mens als diersoort een groot uitsterven wacht omdat het natuurlijk evenwicht hersteld gaat worden? Is de mens in de evolutie slechts een kleine zijsprong, een dramatische aberatie en anomalie die zichzelf weer corrigeert door eenvoudigweg te verdwijnen? Welk levend wezen zal dan straks nog weet hebben van die kortstondige geologische periode die wel het antropoceen wordt genoemd? De mens als mislukt experiment, dat bevalt me wel. Wir haben ihn getödtet, – ihr und ich!, een vrolijke wetenschap.

Ik vervolg het pad over de open ruimte, een heideveld in het bos. Aan het einde staat een jonge boom los van de andere bomen. Het heeft nog niet de hoogte bereikt van de omringende naaldbomen, maar het ziet er fris en gezond uit na de regen van de afgelopen dagen. Stil en krachtig staat het daar, klaar om de stormen van de tijd te doorstaan. Het heeft geen idee.