er is geen weg (4)

In het dorp waar hij opgegroeid was, stond de kerk op een terp. Hoog torende het gebouw boven de huizen uit. Wanneer hij naar de kleuterschool liep, nam hij vaak het uitgesleten paadje onder de hoge heg die de dodenakker afscheidde van de wereld der levenden. Tussen de takken en de bladeren door kon hij de grafstenen zien, een vreemde stille wereld tussen de aangeharkte paadjes. Het was een verboden wereld, als je er niets te zoeken had, hoorde je daar niet te zijn. Bovendien, de doden waren weliswaar dood, maar je wist maar nooit. Waarom zouden er anders zulke zware stenen op hun rustplaatsen gelegd zijn? Natuurlijk kwamen ze 's nachts als geest tevoorschijn en dan kon je maar beter veilig in bed liggen. Overdag was het kerkgebouw een baken in het weidse platteland. Als hij van de middelbare school naar huis fietste zag hij het al van verre liggen. Of als hij met zijn ouders op vakantie was geweest, dan was het zien van de kerk een teken dat ze bijna thuis waren. Misschien dat hij daarom naar kerken toegetrokken werd, ook al was hij atheïst, het gaf hem altijd een gevoel van thuiskomen.

De deur was hemelsblauw geverfd, een metalen deur met luchtroosters en een kastje waarin een papier met informatie over de kerk en de diensten was opgehangen. Een Romaanse kerk uit de elfde eeuw, elke zondag een mis om half tien. Deze deur kwam zeker niet uit de elfde eeuw en het contrast met het timpaan erboven kon niet groter zijn. Klein en omgeven door rozetten bevond zich daar een cirkel met vier vakken. In elk vak letters: LX DI VRA en ST. In het midden op het kruispunt van een horizontale en verticale lijn stond de letter E. Lang geleden was hij eerder zo'n middeleeeuwse rebus tegengekomen en hij wist nu dat je de E moest toevoegen aan de overige letters om er woorden van te maken: LEX DEI VERA EST, hetgeen zoiets betekende als 'Gods wet is waarheid'.

Voorzichtig probeerde hij of de deur niet op slot zat. Voorzichtig, want het was uiteindelijk het huis van God dat hij ging betreden, als ongelovige nog wel! De deur gaf mee, hij kreeg toestemming.

Wat hield hij toch van deze sobere oude kerken, hij ademde eens diep in. De wanden waren egaal van kleur, alleen de spitsbogen waren niet gestuukt waardoor de ruimte ritme kreeg. Een houten preekstoel hing links aan de muur, een paar fresco's waren waarschijnlijk bij de laatste restauratie tevoorschijn gekomen. Achter enkele traptreden bevond zich het koor met het altaar, alles even eenvoudig. Er was niemand. Er daalde een eeuwenoude rust over hem heen. Het voelde weldadig, maar anderzijds werd hij ook onrustig van die ongewilde religieuze gevoelens. Eigenlijk wilde hij de kerk meteen verlaten, maar eerst wilde hij de schoonheid van deze ruimte goed in zich opnemen. Hij liet de rugzak van zijn schouders glijden, ging op een klapstoeltje zitten en keek rond. Hij voelde hoe moe hij was, had hij maar niet zo vroeg op moeten staan. Toen hij zijn ogen sloot om de stilte beter te kunnen proeven, wist hij dat zij er was.