er is geen weg (5)

dat alles treurig was
vergankelijk en prachtig

Miriam Van hee

Daar zaten zij, naast elkaar, elk op een stoel, naar elkaar toe gebogen, tegen elkaar aan. Er hing een tintelende stilte tussen hen. Ze sloeg een arm om hem heen. Hij wilde zeggen 'ik geloof dat ik verliefd op je ben', maar hij zei het niet. Hij wilde vragen 'hou je ook van mij?', maar hij vroeg het niet. In de stilte hoorde hij het antwoord, zij wist het, ze voelde zijn verwarring en zij aarzelde. Misschien wachtte zij op een teken van hem, een gebaar, maar wat hij ook voelde, hij kwam niet in beweging.

Hoelang ze daar zo gezeten hebben, zij met haar arm om hem heen, tegen elkaar aan, daar in die kerk waar het maanlicht door de ramen schemerde, hoe lang ze daar in die stilte gezeten hebben kan hij zich niet herinneren. Zij keek hem aan met een glimlach, bemoedigend, misschien wel troostend, verwachtingsvol op wat hij niet ging zeggen. Hij keek alleen maar naar de grond, voelde haar aanwezigheid, haar blik, haar lichaam en hoopte dat dit moment nooit voorbij zou gaan. Hij wilde haar zoenen, maar hij deed het niet. Hij wilde daar alleen maar zitten, tot in eeuwigheid, amen.

Toen hij voelde dat zij haar arm langzaam terugtrok, keek hij op. Ze wees, zullen we gaan? Hij knikte, het momentum was voorbij, ze liepen samen de kerk uit.

Nog vaak, bij een mooie gedachte in een gedicht, bij een passage of een enkele noot in de muziek of wanneer hij dromend uit het raam keek – zoals 's avonds in de trein vanuit zijn werk, kijkend naar het voorbijglijdende landschap – dan dacht hij nog vaak aan haar, dan wilde hij haar schrijven, dan wilde hij haar zien, maar dan was ze er niet en voelde hij zich somber.

Zoals het schuimende water achter een varend schip langzaam maar zeker weer tot rust komt in de onmetelijke zee, zo vervaagden zijn herinneringen. Maar toch kon hij haar aanwezigheid soms nog voelen alsof ze echt naast hem zat, terwijl hij wist, dat als hij zijn ogen zou openen, ze er niet zou zijn. Tijd kon je niet bevriezen, dat wist hij zolangzamerhand wel en als hij zijn ogen zou openen zou het ogenblik weer vloeibaar worden. Hij zou weer weten dat hij in een andere ruimte, in een andere tijd was en de beelden zouden verdwijnen in het zinderende stof in het binnenvallende zonlicht.

Zijn borrelende maag vertelde hem dat het tijd werd om op te staan en zijn weg te vervolgen, er moest gegeten worden. Ga je mee, zei hij in gedachten tegen haar, dan gaan we een bakkerij zoeken. Ze glimlachte als antwoord. Hij hees zijn rugzak over een schouder. In het gastenboek schreef hij: deze kerk verdient een andere deur. Buiten was de zon boven de daken geklommen.