Elk boek waar ik in begin te lezen zal ik uitlezen, ook al vind ik het slecht, oninteressant of waardeloos, ook al moet ik er jaren over doen en staat het jaren genegeerd met een uitstekende boekenlegger in de kast. Voorbeelden: De gouden tak van Frazer (boekenlegger op bladzijde 328, nog ruim 500 te gaan) en A history of anarchism van Peter Marschall (geen boekenlegger, maar wel een aantal keren opnieuw begonnen, maar waarschijnlijk nooit verder gekomen dan bladzijde 100 van 665). Deze onhebbelijkheid maakt dat ik bij elke aankoop behoorlijk kritisch ben geworden, want ik koop boeken om te lezen en ik wil mezelf behoeden voor teveel boeken die een teleurstelling en een langjarig project worden. Het maakt dat ik steeds vaker en steeds beter een boekhandel zonder aankoop kan verlaten. Het behoedt me voor een faillissement.

Het vierde deel in de nieuwe reeks Geschiedenis van de Nederlandse literatuur was zo'n boek, ik heb er bijna drie jaar over gedaan om het uit te krijgen. Waren de eerst twee delen geschreven door Frits van Oostrom ronduit fantastisch, was het derde deel van Herman Pleij al wat moeizamer, het vierde deel was nagenoeg niet om doorheen te komen. Niet dat ik iets wil afdoen aan de wetenschappelijkheid, de eruditie van het boek, integendeel, maar ik had voortdurend het gevoel dat ik door een zee van feitjes, namen, titels aan het zwemmen was, zonder dat er ook maar ergens vaste land te bekennen was. Het boek is indrukwekkend, maar verzuipt in het enthousiasme van de schrijvers die niets onvermeld willen laten, althans zo lijkt het. Soms moest ik denken aan die oom die op verjaardagspartijen maar niet uitgesproken raakt over zijn hobby postzegels verzamelen (ik noem maar iets), eindeloos van de hak op de tak springt en maar door gaat, zodat je uiteindelijk aan je buurvrouw vraagt of zij misschien ook nog iets wil drinken en als je dan een paar minuten later terugkomt met de drankjes, ontdekt dat die oom nog steeds aan het praten is, zonder dat hij gemerkt heeft dat je even weg was. Je mag die oom graag, maar een beetje compassie met jou als gespreksgenoot zou geen kwaad kunnen. Gelukkig waren er hoofdstukjes waarin ik op adem kon komen, waren er zelfs momenten dat ik opleefde, maar het waren, helaas, uitzonderingen. Het is jammer, want dit deel omvat juist de periode 1560-1700, de tijd van Vondel, Hooft, Cats om er maar een paar te noemen. De periode waarin de Republiek zelfstandig werd en een eigen karakter begon te vormen.

(...) de talloze en opvallend gelijklopende verhalen van buitenlanders, voor wie een reis naar Holland een soort exotische ervaring was. Uiteraard met de eensgezindheid van de toeristische clichés bewonderden deze reizigers – zonder blind te zijn voor een zekere lompheid in de omgang – de vrijheid van spreken, de pragmatische verdraagzaamheid, de handelsgeest, de netheid, de fraaie steden, de positie van de vrouw, de goed uitgebouwde communicatiesystemen, de ernstige omgang met de religie en het hoge niveau van de algemene ontwikkeling: onderwijs, techniek, wetenschap, schilderkunst. Volgens de recenste – indrukwekkende – interdisciplinaire studie waarin de Nederlandse cultuur van omstreeks 1650 tegen haar Europese achtergrond wordt beschouwd, lag het karakter van de Republiek uiteindelijk gevat in haar eendrachtige verscheidenheid en de speelruimte die zij bood aan andersdenkenden, haar zin voor overleg en discussie, voor gedogen, voor inspraak, uiteraard binnen soms acuut conflictueuze spanningen, want de verhoudingen waren lang niet altijd even harmonisch. Burgerzin, een hoog arbeidsethos, een gevoel voor uitverkiezing en verbondenheid, gehechtheid aan de lokale identiteit, en vooral een pragmatische omgang met verschillen maakten de kracht uit van de samenleving.

Karel Porteman & Mieke B. Smits-Veldt Een nieuw vaderland voor de muzen, 884-885

Misschien is er toch niet zoveel veranderd in de loop der eeuwen.