– Is er iemand, eind negentiende eeuw, die een duidelijk idee heeft van wat dichters uit sterker tijden inspiratie noemden? Zo niet, dan zal ik 't beschrijven. – Met het geringste restje bijgeloof in je zou je inderdaad de voorstelling dat je niet meer dan incarnatie, niet meer dan mondstuk, niet meer dan medium van hogere machten bent, nauwelijks van je kunnen afzetten. Het begrip openbaring, in die zin dat er ineens, met onuitsprekelijke zekerheid en finesse, iets zichtbaar, hoorbaar wordt, iets wat je ten diepste treft en van je stuk brengt, geeft de feitelijke toedracht goed weer. Je hoort, je zoekt niet; je neemt, je vraagt niet wie er geeft; als een bliksem flitst een gedachte op, onafwendbaar, zonder aarzeling in de juiste vorm, – ik heb nooit een vrije keus gehad.

Friedrich Nietzsche Ecce homo, 98