Elke keer trap weer ik in die valkuil wanneer ik laat in de avond zit te lezen en mijn gedachten beginnen te dagdromen. Er dienen zich zinnen aan die een belofte voor een tekst doen vermoeden. Onthouden, denk ik dan, onthouden, morgenvroeg schrijf ik het op, nu wil ik verder lezen. Maar in de nacht heeft de gedachten­versnipperaar zijn werk gedaan en de volgende ochtend kan ik slechts flarden naar boven halen die zich niet meer tot een tekst laten smeden.

Soms voel ik een lichte paniek als het schrijven niet meer wil lukken. Dan draai ik mijn stoel weg van het bureau, weg van het verwijtende lege digitale papier. Ik leg mijn voeten op het bed onder het raam en kijk naar buiten, naar het licht dat op het groen van de bomen valt, naar het blikkeren van de geparkeerde auto's of naar de scholieren die luidkeels voorbij fietsen. De tijd dat ik dan een shaggie zou draaien en mezelf moed tot voortgaan zou inhaleren is voorbij.

Ik las in Wildcamera van Martin Reints en ik dacht: ik zou willen dat ik gedichten en beschouwingen zou kunnen schrijven zoals hij dat doet. De kunst om met schijnbaar eenvoudige zinnen lading te geven aan eenvoudige waarnemingen. Die kunst beschouwde ik ooit als een ideaal. Maar ik ben geen dichter, ik kan slechts hopen dat mijn ideaal zo nu en dan in het wit tussen mijn regels schemert.

Wat we zien
zien we door het licht dat erop valt

maar wat we zien
zien we door de schaduwen die het werpt.

Martin Reints Wildcamera, 86

PS. En zo denk ik toch nog een antwoord gevonden te hebben op vragen van een lezer wat me zo aanspreekt aan de Daodejing, wat het boek zo bijzonder maakt en waarom het me zo raakt. Daarom dus.