Zij wilde samen wandelen. Ze namen de trein en stapten uit op een onbekend station. Ze vonden een pad om te wandelen. Was het zomer? Het moet op een doordeweekse dag geweest zijn, toch kwamen ze andere mensen tegen, zij wilden ook wandelen. Spraken ze of deden ze dartel en speels als een verliefd stelletje? Ze liepen zoveel mogelijk in een rechte lijn, dat wel, totdat ze bij een grote weg kwamen. Ze waren moe nu. Zij wilde linksaf, dan zouden ze het station vinden. Daarvoor moesten ze rechtsaf, wist hij. Iemand moest inbinden, het was een voorteken. Ze bereikten het station. Hij zei niet: zie je wel, maar zij, zij zou het gedacht hebben.