Mijn ogen kijken door de ogen van de ander en door de ogen van de ander lees ik mezelf.

Daar is een leeslint in mijn gedachten.

Er is een blik die me weerloos maakt, er is een paradox die ik niet kan oplossen.

Wie schrijft er?
Wordt er geschreven om de ander uit te wissen?
Wie leest de woorden die niet geschreven kunnen worden?

Was ik maar die ik ben gebleven, dichtte Faverey. Ik zou willen schrijven: was ik maar niet die ik ben gebleven, die mij wil wegdoen / zodra ik niet langer / meer spreek.

Mijn ogen spreken door de ogen van de ander en door de ogen van de ander spreek ik u toe:

Dacht ik het niet.