Wanneer ik in de vroege ochtend aan mijn bureau mijn ontbijt eet, zie ik hoe langzaam maar zeker aan de overkant het duister tussen de bomen van het bos plaats maakt voor licht. De ruimte tussen de bomen wordt zichtbaar, het loof glinstert in de ochtendzon, het bos nodigt mij uit.

Toch steek ik maar zelden de weg over, de weg waarover de wereld aan mij voorbijtrekt, van links naar rechts, van rechts naar links, de lopende mens, de fietsende mens, mensen in auto's, bussen en werkverkeer. 's Ochtends gaan ze naar hun werk of school, 's middags maken ze dezelfde reis de andere kant op.

Een enkele keer zie ik mijn zoontje voorbij fietsen naar school. Soms kijkt hij op, ziet mij zitten in het licht van de bureaulamp en dan zwaaien we naar elkaar.

Het raam als lens op de wereld? Nee, ik ben beslist geen fotograaf. Of het raam als een doorzichtige scheidingswand tussen daar en hier, buiten en binnen, waarbij ik me kan afvragen of ik nu voor of achter het raam zit?

Als in de loop van de ochtend de zon naar binnen schijnt en een teveel aan licht mij belet te lezen, dan draai ik de luxaflex zo dat het binnen weer donker genoeg wordt. Is de dag bewolkt, dan draai ik de luxaflex zo dat ik die lelijke, geparkeerde blikken vervoersmiddelen niet meer zie, maar nog slechts de boomtoppen en het wolkendek.

Onlangs werd ik vijftig jaar. Hoe is het om vijftig jaar te zijn? Kijk naar het gebladerte van de bomen, hoe het aan de buitenkant langzaam verkleurt naar herfst: het verval is begonnen, maar de kleuren zijn mooi!

Bomen vertellen ons wat kunst is. Als het waait tonen zij wat onzichtbaar is, laten zij horen wat onhoorbaar is. Kunst toont waarover niet gesproken kan worden en of kunst daarbij verwijst naar een aan- of afwezigheid, dat komt op hetzelfde neer. De eerste karakters van Het boek van de Tao zouden mijn poëtica kunnen zijn: De eeuwige Tao kan niet in woorden worden uitgedrukt. De eeuwige naam kan niet worden genoemd. Maar of ik daarmee iets gezegd heb?

Kom, wandel, laat ons verhalen vertellen, fluistert het bos.

Ik lees en schrijf nog steeds achter mijn bureau en wanneer het buiten duister wordt en ik mijn spiegelbeeld in het raam zie oplichten, dan voel ik weer die verbondenheid met vroeger tijden en moet ik onwillekeurig denken aan de woorden van Miriam Van hee: ik zie de nacht en mijn gezicht / wat binnen is en buiten / wordt verward. Sommige woorden vergezellen mij een leven lang.