Ik herkende hem meteen, ging voor hem staan en keek hem eens recht in de ogen. Ik wilde in zijn neus knijpen en aan zijn baard trekken, ik wilde hém nu eens de waarheid zeggen. Maar ik aarzelde, ik had immers de verhalen allemaal uit de tweede hand. Al dat geouwehoer op marktpleinen, zijn gezagsgetrouwe pleidooi voor de rechter en al die onzin over ideeën en wedergeboorte, kon ik het hem wel aanrekenen?

Nee, het zijn de woorden van zijn leerling die ik de laatste tijd aan het lezen ben. Ik moest wel, vond ik, want eeuwenlang is impliciet en expliciet naar hem verwezen, dus werd het tijd om die boeken maar eens tot me te nemen. O, ik begrijp wel waarom die boeken zo bijzonder zijn, maar bij Zeus, zo verschrikkelijk saai!

Dus keek ik hem nog eens goed aan en vroeg wat er nu allemaal waar was van al dat schijnheilige getwijfel. En dat altijd iedereen maar instemde als hij naar hun mening vroeg. Waarom omringde hij zich voortdurend met laffe jaknikkers?

Hij zweeg en bleef stoïcijns in de verte kijken, alsof hij wist dat ik wist dat hij wist dat hij niets wist. Ik wilde nog zeggen dat hij helemaal niet stoïcijns kón kijken, dat hadden ze immers veel later uitgevonden! Toen las ik het papiertje naast hem: Socrates, Romeinse kopie. O vandaar, dacht ik nog, er is echt niks origineel aan die man!

Socrates
Rijksmuseum van Oudheden