Soms loopt zij naast hem als hij wandelt. Dan zwijgen ze, ze kunnen goed naar elkaar luisteren. Vooral als hij wijst naar een boom die in zijn val is opgevangen door een andere boom. Of naar die enorme boom die met zijn wortels als een reusachtige knuist in de aarde grijpt.

Op het heideveld knipperen hun ogen in het licht van de zon die vlak boven de bomen tevoorschijn is gekomen. Er is zoveel morgenrood dat nog nooit geschenen heeft, heeft hij ergens gelezen. Zij weet dan al wat hij gaat zeggen. 'Kijk, daar is mijn vriend, de eenzame, gespleten boom...'. En zij zal aanvullen '... maar de takken dansen met elkaar'.

Ze lopen met dezelfde trage pas, ze kunnen elkaar goed bijhouden. Eénmaal staan ze stil en kijken omhoog. Tussen het klagende gekraak van de bomen hadden ze een ander, regelmatig geluid gehoord. Alsof een eekhoorn met een dennenappel zijn cursus morse aan het oefenen was. Maar ze zagen niets en liepen verder.

'Wat goed van jou, dat jij die zo verlangt naar horizon, de horizon kan vinden in het bos', zei zij. 'Overal drijven wolken aan de hemel' zei hij en dacht, 'mijn vader hield ook van het bos, mijn moeder niet.'

Aan het einde van de wandeling staan ze nog even bijelkaar. 'Dag', zegt ze en hij zegt ook 'dag'. Ze legt een hand op zijn schouder – dezelfde hand waarmee ze straks het ongeschreven boek zal openslaan –, draait zich om en loopt weg. Hij kijkt haar nog even na en gaat dan ook.

Meer verlangt hij niet.