Hij hield van zijn werk, maar het werd hem soms zwaar te moede. Een enkele keer stond hij op om de wachtenden in de ruimte nog eens goed te bekijken. Het waren er honderden, allemaal met vragen, opmerkingen, verhalen die hij nog verwerken moest vandaag. Hij wilde iedereen de aandacht geven die hij of zij verdiende, maar het lukte hem niet meer om over iedereen een rapport te schrijven.

Het was vrijwilligerswerk en hij deed het graag, maar hij wist dat hij elk moment weggeroepen kon worden voor een betaalde klus. Eigenlijk wilde hij tussendoor ook nog een verslag schrijven om aan zijn collega's voor te leggen, maar het ontbrak hem aan moed.

Er stonden nu meerdere klanten aan zijn bureau die om beurten en door elkaar hun verhaal kwamen halen. Hij wilde geduldig luisteren, maar als ze doorelkaar gingen praten, moest hij een enkeling vragen om even te herhalen wat hij zojuist gezegd had.

Nee, het begon behoorlijk uit de hand te lopen. Vanochtend en aan het begin van de middag had hij nog tientallen de deur gewezen, maar ondertussen waren er alweer vele nieuwelingen binnen gekomen. Sommigen had hij eerder gezien en daar waren ze alweer, met een nieuw pak papier.

De ontevredenheid onder de wachtenden was groot. Ze begrepen niet waarom de één zolang moest wachten, terwijl een nieuweling soms direct aan de beurt was. Kafkaeske toestanden, had iemand tegen hem geroepen, totale willekeur! Denk je dat ik ooit nog aan de beurt kom?

Hij had hem niet gemogen, zijn stijl beviel hem niet, maar hij antwoordde in alle eerlijkheid: geen idee, beste vriend, ik weet ook niet hoeveel tijd ik nog heb. Is het nu het einde van de middag, het begin van de avond? Of is het al bijna middernacht?