De wederkeer van het gelijke.
Ontwerp.

1. De inlijving van de fundamentele dwalingen.

2. De inlijving van de hartstochten.

3. De inlijving van het weten en van het resignerende weten. (Hartstocht van de kennis)

4. De onschuldige. De enkeling als experiment. De verlichting van het leven, verlaging, verzwakking – overgang.

5. Het nieuwe zwaartepunt: de eeuwige wederkeer van het gelijke. Oneindig belang van ons weten, ons dwalen, onze gewoonten, onze leefwijzen voor al het komende. Wat doen we met de rest van ons leven – wij die het grootste deel ervan in volslagen onwetendheid hebben doorgebracht? Wij verkondigen de leer – het is het krachtigste middel haar bij onszelf in te lijven. Onze vorm van gelukzaligheid, als leraar van de meest grandioze leer.

Begin augustus 1881, in Sils Maria,
6000 voet boven de zeespiegel en veel hoger boven alle
menselijke aangelegenheden! –

Friedrich Nietzsche Nagelaten Fragementen. Deel 3 11[141], 373

136. An Heinrich Köselitz in Venedig

Sils-Maria den 14 August 1881.

Nun, mein lieber guter Freund! Die Augustsonne ist über uns, das Jahr läuft davon, es wird stiller und friedlicher auf Bergen und in dem Wäldern. An meinem Horizonte sind Gedanken aufgestiegen, dergleichen ich noch nicht gesehn habe – davon will ich nichts verlauten lassen, und mich selber in einer unerschütterlichen Ruhe erhalten. Ich werde wohl einige Jahre noch leben müssen! Ach, Freund, mitunter läuft mir die Ahnung durch den Kopf, daß ich eigentlich höchst gefährliches Leben lebe, denn ich gehöre zu den Maschinen, welche zerspringen können! Die Intensitäten meines Gefühls machen mich schaudern und lachen – schon ein Paarmal konnte ich das Zimmer nicht verlassen, aus dem lächerlichen Grunde, daß meine Augen entzündet waren – wodurch? Ich hatte jedesmal den Tag vorher auf meinem Wanderungen zuviel geweint, und zwar nicht sentimentale Thränen, sondern Thränen des Jauchzens; wobei ich sang und Unsinn redete, erfüllt von einen neuen Blick, den ich vor allen Menschen voraus habe.

Friedrich Nietzsche Briefwechsel III 1 136, 112

341

Het grootste gewicht. – Als jou nu eens, op een dag of een nacht, een demon achterna sloop tot in je eenzaamste eenzaamheid en tegen je zei: 'Dit leven, zoals je het thans leeft en geleefd hebt, zul je nog eens en nog ontelbare malen moeten leven; en er zal niets nieuws aan zijn, maar elke pijn en elke lust en elke gedachte en verzuchting en al het onuitsprekelijke kleine en grote van je leven moet terugkomen, en wel allemaal in dezelfde rang- en volgorde – en ook deze spin, ook dit maanlicht tussen de bomen, ook dit ogenblik en ikzelf. De eeuwige zandloper van het bestaan wordt telkens weer omgedraaid – en jij ook, stofje van het stof!' – Zou je je niet plat er aarde werpen en tandenknarsend de demon vervloeken die zo praatte? Of heb je ooit zo'n onbeschrijflijk ogenblik meegemaakt, waarop je hem zou antwoorden: 'je bent een god, en nooit hoorde ik iets goddelijkers!' Wanneer die gedachte je in haar macht zou krijgen, ze zou je, zoals je bent, veranderen en misschien vermorzelen; de vraag bij alles en iedereen: 'wil je dit nog eens en nog ontelbare malen?' zou als de grootste nadruk op je handelingen liggen! Of op hoe goede voet zou je moeten staan met jezelf en het leven, om naar niets meer te verlangen dan naar deze uiteindelijke eeuwige bevestiging en bezegeling? –

Friedrich Nietzsche De vrolijke wetenschap, 201-202

En die langzame spin die in de maneschijn kruipt, en die maneschijn zelf, en ik en jij bij de poort, samen fluisterend, over eeuwige dingen fluisterend – moeten wij er niet allemaal al eens zijn geweest?

– En moeten wij niet terugkomen en door die andere straat lopen, vooruit, vóór ons, door die lange griezelige straat – moeten wij niet eeuwig terugkeren? –

Friedrich Nietzsche Zo sprak Zarathoestra, 145

Ik ga nu de geschiedenis van de Zarathustra vertellen. De conceptie die aan het werk ten grondslag ligt, de gedachte van de eeuwige wederkeer, deze hoogste formule van de beaming die denkbaar is –, valt in augustus van het jaar 1881: zij is neergekrabbeld op een velletje, met eronder geschreven: '6000 voet voorbij mens en tijd'. Ik liep op de dag bij het meer van Silvaplana door de bossen; bij een machtig piramidaal oprijzend rotsblok niet ver van Surlei hield ik halt. Toen viel mij deze gedachte in.

Friedrich Nietzsche Ecce homo, 94

commons.wikimedia.org