Nergens zal hij beweren dat de gedachte waar is. Nee, het is een typische vorm van filosoferen die je bij hem wel vaker aantreft: stel nu dat .... Misschien is het een absurd gedachtenexperiment, maar daar hield hij wel van, het had voor hem een therapeutische waarde. Hij was geen man van theoretische excercities waarbij eventuele antwoorden geen enkele invloed op zijn leven hadden.

De charme van zijn gedachte aan een eeuwige wederkeer van het gelijke zal voor hem ongetwijfeld gelegen hebben in het onchristelijke karakter ervan. Het gaat in tegen het laatste oordeel, ontkent een ultieme zin of doel in het leven, er is geen belofte van hemel of hel, geen einde van de geschiedenis. Nee, zijn gedachte hangt een ander gewicht aan onze handelingen, aan onze 'fouten' en 'gewoonten'.

De vraag is of de gedachte niet te zwaar is, het zou ook gemakkelijk tot de vraag kunnen leiden of we überhaupt nog willen leven. Het kan een machteloos gevoel oproepen wanneer men niet in staat is vorm of richting te geven aan het eigen leven. Zelfs wanneer het zou lukken om met een vriendelijk en mild egoïsme – laten we zeggen: een ethisch egoïsme – zo te leven dat een eeuwige herhaling van datzelfde leven draaglijk zou zijn, dan nog zou men een groot deel van zijn geleefde leven mee moeten slepen waarin dat streven ontbrak.

Je moet je lot liefhebben, had hij gezegd, alle voorspoed en tegenslagen omarmen, omdat het jouw leven is. Bovendien ging het hem er niet om dat je daadwerkelijk zou leven alsof het in alle eeuwigheid herhaalt zou worden, maar dat je de vraag eens zou stellen, dat je de gedachte eraan zou laten dansen in je hoofd. Voor hem was het toelaten van die gedachte aan een eeuwige wederkeer de grootst mogelijke acceptatie van het leven zelf.

Ik liet het dansen in mijn hoofd, een wilde pas de deux, maar hoe ondraaglijk licht de muziek ook klonk, mijn voeten kwamen niet van de grond.