In zijn roman De opdracht werkt het. Een kortademige stijl vol herhalingen. Het duurde even, maar na bijna honderd bladzijden van het vuistdikke boek had ik de smaak te pakken. Toen zat ik als lezer vast in het hoofd van de verteller, een hoofd vol angsten, verwachtingen, euforie, voornemens, teleurstellingen. Wessel te Gussinklo roept een beklemmende sfeer op waarbij je langzaam maar zeker kopje onder gaat, zonder dat je maar iets aan het lot van de personages kunt veranderen. Een enkele keer wekt de hortende en stotende herhalingen ergernis op als Te Gussinklo te lang de spanning probeert op te bouwen, maar de stijl versterkt de inhoud en dat maakt het boek tot een bijzondere leeservaring.

In zijn essay Wij zullen aan God gelijk zijn werkt het niet. De kort­ademigheid van de roker en de drinker aan de toog die enthousiast met grote gebaren aan het vertellen is over veel te brede onderwerpen, schiet zijn doel voorbij. Zoals ik met vrienden wel eens de problematiek van de wereld en het leven doorneem, waarbij wij natuurlijk altijd achter ons glas wijn de juiste analyses en oplossingen weten. Te Gussinklo doet het niet voor minder. Ideologieën, religies en de hele geschiedenis komt langs. Ik zie hem verwoed typen, struikelend over zijn woorden, een niet te stuiten gedachtenstroom. Niet dat Wessel te Gussinklo geen interessante ideeën heeft, integendeel, zijn analyses van vergelijkbare partronen in opkomst, succes en neergang van ideologieën zijn zeker de moeite waard. Maar het boek had door het schrappen van de vele herhalingen, door het bekorten van de eindeloze zinnen met bijzinnen, gedachtenstreepjes, tussen haakjes en daarbinnen ook nog eens tussen haakjes, zeker de helft dunner kunnen zijn en ik vrees dat er dan een flinterdun verhaal was overgebleven. Helemaal ergerniswekkend is dat Te Gussinklo zelf signaleert dat hij herhaalt ('ik zeg het nog maar eens', 'zoals ik al eerder zei') en zelfs herhaalt dat hij zichzelf herhaalt. Te Gussinklo kan geen maat houden, is vol van zijn boodschap en dat maakt het essay tot een drammerig boek. Anderen zullen het wellicht bevlogenheid noemen. Ik betrap mezelf erop dat ik bij elke volgend hoofdstuk hoop op iets nieuws of op z'n minst de suggestie van ontwikkeling, maar ik krijg eigenlijk steeds hetzelfde met een andere garnering opgediend. Dat stelt teleur en dan verlang je naar het einde van het boek, want uitlezen zal ik het, dat dan weer wel.