Lieve A.,

Die twinkel in je ogen, die zag ik ineens weer voor me toen ik in gedachten liep te mopperen. Ik had een andere afslag genomen op mijn wandeling om andere paden te verkennen en was gestuit op een omheining waarachter een groot terrein werd afgegraven. Waren de bomen daar omgehakt? Wat waren ze daar aan het doen? Ze gingen daar toch niet vakantiewoningen bouwen of één of andere economische activiteit? Gelukkig stond er een informatiebord. Ooit had een kleiduif­schietvereniging daar haar activiteiten gehad en nu werd de grond gesaneerd om alle achtergebleven loodhoudende kogeltjes te verwijderen. Uiteindelijk zou deze open plek weer heide worden. Sorry voor de overlast. Ja, jij zou om mijn aanvankelijke wantrouwen en gemopper gelachen hebben en al helemaal toen bleek dat ik me onnodig boos had gemaakt.

Dat oeverloze vertrouwen en optimisme van jou heb ik nooit kunnen delen. Niet dat ik een pessimist ben, dat weet je ook wel. Uiteindelijk heb ik een onredelijk vertrouwen dat alles weer goed komt (ook als het niet goed komt, voeg ik daar altijd aan toe). Nee, de wereld is hard en vol tegenslagen en dat tempert maar al te vaak mijn vertrouwen en optimisme. Toch wist jij in de tijd dat de we nog lange gesprekken voerden altijd weer de zon aan een wolkeloze hemel te laten schijnen. Toen deelden we nog een religieuze houding waar ons vertrouwen op gestoeld was. In al het leven zou een goddelijke vonk aanwezig zijn en als we dat nu maar zouden blijven zien, zou het allemaal goed komen. Ik vermoedde die vonk eveneens in levenloze dingen, want in alles kun je een vorm van schoonheid zien en dus moest in alles op de wereld zo'n vlammetje, hoe klein en onbeduidend ook, aanwezig zijn. Ik denk met weemoed terug aan die tijd, de tijd van fabelachtige zekerheden.

Nu weet ik dat onze zienswijze een vorm van pantheïsme was (of wellicht beter: panentheïsme). Onlangs vond ik het via een omweg weer terug, in het essay Nature van Ralph Waldo Emerson. Had ik zijn werk dertig jaar eerder maar gelezen! Toen wist ik al dat Nietzsche hem graag las en hem bleef lezen. Ik heb geen idee waarom ik het zo lang heb uitgesteld, maar je weet, ik ben er heilig van overtuigd dat boeken zich altijd op het juiste moment aandienen (sta me deze illusie dan tenminste toe!), dus het zal wel een reden hebben. Niet dat Emerson een pantheïst was, hij behoorde tot de beweging van het transcendentalisme. Bij hem niet zozeer een goddelijke vonk, maar hij ziet de natuur als een vingerwijzing naar een andere, spirituele wereld. Door de zichtbare wereld kunnen we die andere wereld ervaren.

In the woods, we return to reason and faith. There I feel that nothing can befall me in life, – no disgrace, no calamity, (leaving me my eyes,) which nature cannot repair. Standing on the bare ground, – my head bathed by the blithe air, and uplifted into infinite space, – all mean egotism vanishes. I become a transparent eye-ball; I am nothing; I see all; the currents of the Universal Being circulate through me; I am part or particle of God.

Ralph Waldo Emerson Essays and Lectures, 10

Je weet dat ik ondertussen niets meer van transcendentie of immanentie wil weten. De dood van God (en voor God mag je elke religieuze entiteit of ideologische basis invullen) heeft een leegte, een grote afwezigheid achtergelaten en als er al iets moet zijn dat de eenheid achter de verscheidenheid borgt, dan is het wel deze afwezigheid. De waarde van die leegte ligt in de ruimte die het creëert, ik heb dat geprobeerd in #1523 te verwoorden. Dat is de paradox waar ik op stuit en dat is misschien ook een antwoord op vragen die ik wel eens krijg naar mijn belangstelling voor religie terwijl ik een atheïst ben. Mensen vullen die leegte, die afwezigheid voortdurend op met allerlei prachtige religieuze, wereldbeschouwelijke, filosofische verhalen. Het is niet dat die leegte in plaats van godsdienst moet komen, het is een leegte de ruimte biedt om juist creatief te zijn en de meest fantastische zingevende verhalen de verzinnen. Het is een basis voor kunst. Het enige waar ik me daarbij tegen verzet is de verabsolutering van die verhalen en de veelal negatieve gevolgen daarvan. Ik ben geen godsdienst-basher, zo'n atheïst die elke opvliegende duif met zijn wetenschappelijke methode en argumenten probeert neer te knallen. Liever zie ik iemand die oprecht gelovig is of op z'n minst oprecht veinst dat hij gelovig is.

Terug naar Emerson, want eigenlijk gaat het me in deze brief niet eens zozeer om zijn theorie, maar om de wijze waarop hij schrijft. Ik herkende ogenblikkelijk vanaf de eerste bladzijde dat vertrouwen en optimisme, die twinkeling waar jij zo patent op hebt. De wijze waarop hij over de natuur kan schrijven, doet me denken aan die prachtige taal van de Engelse romantici waartoe jij me altijd probeerde te verleiden. Kijk ook eens naar alle foto's en portretten van Emerson, bijna altijd een glimlach en vriendelijke ogen.

Misschien was het voor hem gemakkelijker om de natuur zo'n grote waarde toe te dichten. Hij leefde in een Amerika zonder auto's, zonder vliegtuigen, zonder internet met zijn sociale media en nog nauwelijks industriële ontwikkeling. Ik stel me voor dat hij zo uit zijn huis een immens prachtige natuur kon inlopen. Het was ook op zijn landgoed dat Henry David Thoreau zijn hut bouwde en er zijn wandelingen maakte. Vergelijk dat eens met het bos waarin ik soms wandel, waar het nooit echt stil is, altijd hoor je er het gebrom van de economisch snelweg of het voorbijruisen van de treinen. Maar zelfs dan ervaar ik een stilte die ruimte tot gedachten biedt die meer zijn dan de som der delen, het sijpelt zo nu en dan door in mijn schrijfsels. Als dat voor mij geldt, dan zou dat helemaal voor Emerson kunnen gelden. Of voor Nietzsche die urenlang door de Zwitserse Alpen wandelde. Ik kan me voorstellen dat hij meer affiniteit voelde met Emerson dan met de donkere gedachten van Schopenhauer of met de grootheidswaanzin van Wagner.

Soms zou ik wensen dat ik even in de tijd terug kon reizen, naar de wereld van Ralph Waldo Emerson. Maar op een dag ga ik jou opzoeken, naar jouw plekje midden in de bergen en dan gaan we samen wandelen om onze gesprekken voort te zetten. Dan zal ik ongetwijfeld weer mopperen op de mensheid en dan zal ik je aankijken, die twinkel weer zien, het vertrouwen en optimisme weer voelen. Het komt allemaal weer goed, ook als het niet goed komt. Vooralsnog laaf ik mij aan de taal van Emerson.

Vaert wel ende levet scone,
jwl