Ga weg zei hij, ga weg, ik wil niet dat je meekijkt, dan kan ik het niet en anders speel ik nooit weer!

Zijn vader had hem noten leren spelen. Op een dag had hij het hem gevraagd, wil je me leren orgel spelen? Hij had altijd met enig ontzag geluisterd hoe zijn vader muziek maakte en tegen zijn moeder gezegd, dat hij dat ook wel wilde. Vraag aan papa of hij het je wil leren, had zij gezegd, en hij had het gevraagd. Zo leerde hij de muzieknoten lezen terwijl hij nog niet eens letters kon lezen.

Hoelang zijn vader hem les gegeven heeft, dat weet hij niet meer. Wel herinnert hij zich dat de lessen steeds vaker ontaardden in boosheid en ruzie. Papa had geen geduld en hoe meer hij geïrriteerd raakte, hoe meer fouten hij maakte. Op een dag wilde vader geen les meer geven en was hij zelf verder gegaan. Dat was de dag dat hij autodidact werd. Schijnbaar had hij voldoende basis om langzaam maar zeker de lesboeken door de nemen. Het ging vlot, hij leerde snel en was trots op wat hij zelf bereikte en iedereen mocht het weten, moest het horen. Kijk wat ik kan, knap hè?

Als er visite was, mocht hij wel eens voorspelen. Trots speelde hij wat hij kon en misschien ging hij wel eens wat te lang door. Maar soms stond zijn vader achter hem en begon hem te plagen als hij fouten maakte, dan kromp hij ineen. Hij werd zenuwachtig, nerveus en daardoor maakte hij steeds meer fouten. Zijn vader lachte, de visite lachte, althans, zo herinnert hij het zich. Natuurlijk lachten ze hem niet uit, dat begreep hij nu ook wel (al was hij daar niet zeker van), maar hij ervoer het wel zo. Hij kreeg wel complimenten, maar hij geloofde ze niet meer. Het maakte hem onzeker, zijn trots begon te verdwijnen en hij begon de lat steeds hoger te leggen: vanaf nu moest het altijd perfect. Hij wilde niet meer voor visite spelen, behalve als zijn vader niet meekeek, die moest dan de kamer uit. Op een avond had zijn vader gedaan alsof hij de kamer had verlaten, maar was hij stiekem in de woonkamer gebleven en verraste hem door plotseling weer achter hem op te duiken, kritiek te leveren, te lachen. Vanaf dat moment wilde hij niet meer voorspelen.

Hij noemde het één van de oerscènes uit zijn leven. Of het allemaal precies zo gebeurd was, dat wist hij niet, maar zo herinnerde hij het zich, er kwamen zelfs beelden boven. Andere pijnlijke herinneringen waren omgeven met waas. Plagerijen waarbij hij boos werd, waardoor ze alleen nog maar harder gingen lachen en als hij in tranen uitbarstte ook nog te horen kreeg dat jongens niet hoorden te huilen. Of die dag dat hij de woonkamer binnenkwam en zijn grote broer voorlas uit een schriftje waarin hij verhaaltjes schreef en iedereen moest lachen. Het was misschien niet kwaad bedoeld, maar hij schaamde zich diep en schreef niet meer. Daar is mijn eventuele schrijverschap in de knop geknakt, zei hij. Op de lagere school was hij een onzeker jongetje met rood haar die ook nog van moeilijke muziek hield. Je zult begrijpen dat ik nogal eens het slachtoffer van spot was, zei hij, en al trok ik me er zo min mogelijk van aan, nu begrijp ik dat het langzaam maar zeker en alles bijelkaar opgeteld, onbewust zijn verwoestende werking heeft gedaan. Ik heb de middelbare school met de hakken over de sloot nog afgemaakt, maar daarna is elke volgende opleiding een ramp geworden. Nou ja, hij had zijn typediploma en zijn rijbewijs nog gehaald.

Nog steeds, zei hij, nog steeds voel ik die blik over mijn schouder. Vooral als het een situatie betreft waarin ik moet presteren, als er druk op staat. Dan krijg ik plankenkoorts. Als ik schrijf mag niemand meelezen en niemand mag het lezen als ik erbij ben. Ik ga de kamer uit als ik het iemand laat lezen, ik vrees de reactie. Soms als ik door een straat loop in een stad, dan voel ik al die blikken die op mij gericht zijn uit al die huiskamers. Ze zijn er niet, toch voel ik ze. Maar het allerergste is, wanneer ik achter mijn laptop op zoek ben naar een baan en een brief moet schrijven. Dan begint mijn lichaam te trillen, moet ik bijna huilen, dan word ik weer helemaal die kleine jongen die uitgelachen wordt. Weet u, mijn vader, dat is de maatschappij geworden. O, ik zorg goed voor mezelf hoor, maar nu snapt u waarom ik liever alleen ben in mijn eigen huiskamer met al die boeken om me heen die me niet uitlachen, die niet oordelen, die geen kritiek hebben. Nu begrijpt u waarom ik liever in het bos wandel, tussen al die bomen die niet lachen en me niet op fouten wijzen. Daarom hecht ik ook zo aan die paar mensen die ik kan vertrouwen, die me trouw zijn, die hun oordeel over mij kunnen opschorten en die me werkelijk toelachen als ik iets doms gedaan heb. En mijn kinderen, mijn schatten, die heb ik bovenal lief.

Er viel een stilte tussen ons. Ik was onder de indruk van zijn verhaal, veel puzzelstukjes begonnen op hun plaats te vallen. Ik keek van hem weg en zag hem in de spiegel zitten, een man die best intelligent was, zoveel mogelijkheden, een prater overvol van gedachten, ergens wel charmant ook en tegelijkertijd onmachtig ineengekrompen, een man die alle successen in zijn leven bagatelliseerde tot er niets van over bleef. Nu moest ik hem de vraag stellen: wil je dat deel van jezelf aanpakken en beheersbaar maken of vind je het wel goed zo, zoals het gaat, want eigenlijk was hij best gelukkig als hij zich wist te onttrekken aan de wereld. In zekere zin zou ik hem moeten laten lijden.

Maar ik hoefde de vraag niet te stellen, hij keek me diep in de ogen aan en zei: ik wil blijven zoals ik ben, maar ik wil ook van die verlammende angst af. Kun jij me helpen, alsjeblieft? Zodat ik een goede vader word?