Wat ons vrijstaat. – Men kan als een tuinier met zijn driften omgaan en, wat weinigen weten, de kiemen van de woede, van het medelijden, van het piekeren, van de ijdelheid zo weelderig en vruchtdragend doen groeien als prachtig fruit aan spalieren; men kan het doen met de goede of de slechte smaak van een tuinier en als het ware op de Franse, Engelse, Hollandse of Chinese manier, men kan ook de natuur haar gang laten gaan en slechts hier en daar voor wat versiering en schoonmaak zorgen, men kan tenslotte ook zonder enige kennis of nadenken de planten laten op­groeien in hun natuurlijke, gunstige of ongunstige omstandig­heden en ze hun onderlinge strijd laten uitvechten, – men kan zelfs aan een dergelijke wildernis zijn vreugde beleven en juist op deze vreugde uit zijn, ook al kost dat de grootste moeite. Dit alles staat ons vrij: maar hoeveel mensen hebben er eigenlijk weet van dat dit ons vrijstaat? Geloven niet de meesten aan zichzelf als aan volledig uitgegroeide feitelijkheden? Hebben grote filosofen niet ook nog hun stempel op dit vooroordeel gedrukt, met de leer van de onveranderlijkheid van het karakter?

Friedrich Nietzsche Morgenrood §560