Ik moest het opschrijven voordat de beelden en de woorden langzaam maar zeker oplosten in de werkelijkheid.

Scène. Ik keek haar diep in de ogen aan, ik herkende haar, ze was het echt. Toch klopte er iets niet, er klopte veel niet, maar ik moest dit moment vasthouden, het was belangrijk. Ik was zo dicht bij haar, ik moest het nu weten.

Waarom had ze trouwens met moeder gesproken en niet met mij? Wat was het dat ze aan mijn moeder verteld had? En waarom leek mijn moeder niet op mijn moeder?

Een deel van het raadsel werd voor mij duidelijk bij een andere scène, de scène op het station. Ik was haar stiekem achterna gegaan, maar ik zag haar niet meer. Toen een trein wegreed, stond zij precies aan de andere kant. We keken elkaar aan, ze kwam naar mij toe en omhelsde mij innig. Hierdoor wist ik, dat de film Beyond the hills die ik de afgelopen dagen had bekeken, zich met het verhaal vermengde. Zo was mijn moeder mijn moeder niet, absoluut niet, maar wellicht deels de moeder uit de film, die overigens niet letterlijk een moeder was, maar een moeder-overste.

Terug naar de scène. We zaten in een treincoupé tegenover elkaar. Ik was zo blij haar te zien, maar ik was ook boos. Daarom moest ik het weten, waarom had ze het aan iemand anders vertelt en waarom vertelde ze het niet zelf aan mij? Wat moest 'mijn moeder' mij morgen vertellen, vroeg ik haar. Ik vermoedde het antwoord, ik wist het antwoord, ze hoefde het alleen nog maar uit te spreken. Ik ga dood, Jan-Willem, ik ben ziek. Het overviel me niet, ik wist het al, want dat kon de enige reden zijn. Ze had het glimlachend gezegd alsof ze mij bij voorbaat wilde troosten. Een groot verdriet en wanhoop overviel mij, alsof ik in haar plaats verdrietig en wanhopig was. Waarom kwam ze me dit na tientallen jaren afwezigheid vertellen? Was het alleen maar omdat ze dacht en wist dat het belangrijk voor mij was?

Ineens voelde ik dat de trein al enige tijd stil stond en dat we snel moesten uitstappen. Ze liep van mij weg, maar ik volgde haar. Ik wilde en moest bij haar blijven, ik zou haar immers definitief verliezen. De afstand werd steeds groter. Ze ging een monumentaal gebouw binnen – een universiteit, een ziekenhuis? – na eerst een wachtwoord tegen een portier gezegd te hebben. Ik aarzelde, ik wist het wachtwoord niet, hoe moest ik binnen komen? Ik zag anderen gewoon naar binnen gaan, dus ik probeerde het ook. De portier vroeg me niets, alsof hij mij verwacht had.

Volgende scène. Ze ligt in een bed met een infuus, maar de omgeving lijkt niet op een ziekenhuis. Zijn we bij haar thuis? Weer kijken we elkaar aan. Wist je niet dat ik in T. zo verschrikkelijk verliefd op je was? Nog steeds die lieve glimlach. Was je toen verliefd op mij dan? Zou ze het werkelijk nooit geweten hebben? Ik heb nooit zo van iemand gehouden als van jou! Ze kijkt me blij aan, stapt uit bed en loopt om een muurtje naar een keuken en gaat afwassen. Ik word me bewust van de ruimte waarin ik ben, het lijkt op een filmset. Allerlei mensen lopen rond, jong en oud. Zijn het haar kinderen, is het familie, heb ik ze eerder ontmoet? Ze verbazen zich niet over mijn aanwezigheid, al lijken ze te willen zeggen dat het nu wel lang genoeg geduurd heeft. Ik moet gaan, maar ik wil niet, ik wil bij haar blijven, nu het nog kan, ik wil haar niet weer verliezen. Ik roep haar naam, ze kijkt niet om.

Omdraaien, verder slapen, ik wil terug, pijn in mijn rug, geen houding kunnen vinden. Ik ga op de rand van het bed zitten en zie dat het tijd is om op te staan. Ik moet het opschrijven voordat de beelden en de woorden langzaam maar zeker oplossen in de werkelijkheid. Niet te lang uitstellen, vandaag nog.