Als ze niet bij mij komen, dan moet ik maar naar hen. Dus ging ik het bos in, want daar weten ze me te vinden. Maar hoe ik ook mijn oren verwachtingsvol te luisteren legde, ze kwamen niet. Toen ik begon te zoeken, wist ik, dat ik me zou vergissen, maar als mijn aanwezigheid niet genoeg was, dan moest ik ze een handje helpen. Nergens doemden ze op, niet in het geritsel van de bladeren, niet in het kraken van de boomstammen, niet vanuit het wuiven van de takken en zelfs niet bij het rimpelen van het water.

Urenlang liep ik en luisterde ik, het was hopeloos. Uiteindelijk ging ik midden op de hei op een heuveltje staan, keek eens goed rond en spitste nogmaals mijn oren. Leegte en stilte benam me de adem, ik raakte in paniek: wat als ze nooit meer zouden komen, dan zou ik met stomheid geslagen zijn, ik zou stilvallen, sterven misschien als er geen gedachte zich nog van mij meester zou maken. Ik wilde schreeuwen, maar er kwam slechts een flauw fluisteren en ik snikte: kom nou toch, waar blijven jullie? Geen antwoord, slechts een onheilspellend karig briesje zweefde boven het winterse landschap, er was geen woord om mee aan te vangen.

Toen het donker werd, besloot ik naar huis te gaan. Maar het mocht geen nederlaag zijn, ik zou niet opgeven, uiteindelijk zouden ze me wel vinden. Ik had de deur van mijn flat nog maar nauwelijks geopend en ik werd uit alle hoeken besprongen met een luid verrassing! Daar waren ze, onverwachts als altijd. Ik probeerde een goede gastheer te zijn en schikte de tafel.