Het was al laat in de avond toen hij het gevoel kreeg niet langer alleen te zijn. Hij durfde niet om te kijken, maar iemand had plaatsgenomen in de stoel tussen de piano en de boekenkast. Het kostte hem geen moeite om zich voor te stellen wie het was, daarvoor hoefde hij die cynische, wellicht sarcastische grijns niet te zien, die voelde hij. Het liefste had hij hem bij de kladden gepakt en hem het huis uitgetrapt, maar hij wist dat dat niet zou gaan, hij moest het gesprek aangaan.

Wat kom je doen?

Stoor je niet aan mij, ga gerust verder met schrijven, misschien wordt het nog eens wat.

Fijn, dank je, maar ik geloof niet dat je hier bent om mij te stimuleren, om mij wat zelfvertrouwen te schenken.

Hij hoorde hem met heel zijn lijf grinniken, de stoel kraakte ervan.

Niet zo negatief, ik wilde gewoon eens zien hoe het met je gaat, wat er van je geworden is.

Hij draaide zich om.

Onzin, maak dat jezelf wijs! Nooit heb je echt belangstelling gehad. Voor de vorm ja, maar je vroeg nooit door, het interesseerde je niet echt. Vaak heb ik getwijfeld of jij wel wilde dat ik er was, of je niet heftig teleurgesteld was, dat je je zoon anders had voorgesteld. Waarom kon je niet eenvoudigweg trots op me zijn, waarom moest je altijd kritiek hebben, waarom kon jij het uiteindelijk altijd beter. Laat mij het maar doen, dan komt het tenminste goed. Ja, je zorgde ervoor dat het allemaal goed geregeld was, dat ik niets tekort kwam, dat je deed wat je behoorde te doen. Het kacheltje brandde, maar er was geen warmte. Heb je me ooit aangeraakt sinds ik geen kleuter meer was? Een schouderklopje, een aai over mijn bol? Heb je ooit gezegd dat je me leuk vond, dat je van mij hield? En waarom niet? Wat deed ik dan verkeerd? Was ik te onhandig? Hield ik van de verkeerde muziek? Las ik te moeilijke boeken? Was ik niet sportief genoeg? Was ik te weinig mannelijk?

Stilte. De man in de stoel keek weg. Chagrijnig. Zijn handen werden onrustig. Hij wist wel wat hij wilde, dat wilde hij zelf ook. Naar buiten. Lopen. Een sigaret roken. De woede eruit banjeren en dan verdrietig worden, terug komen, spijt hebben, maar het niet zeggen, misschien later, als de spanning van de ketel was. God, wat leken ze op elkaar!

Weet je, ik knuffel mijn kinderen wel, ik zeg wel dat ik van ze hou, ik stimuleer ze, ik vind ze fantastisch en lief, ik zeg dat ik trots op ze ben, want dan ben ik! Ik toon het! Waarom kon jij dat niet?

Hij was opgestaan om door de kamer te ijsberen. Hij had het gezegd, maar vreesde de reactie, vooral de reactie de niet zou komen. Hij kon het niet. Gevoelens! Moeilijk!

Het bleef stil en toen hij weer achter zijn laptop ging zitten, voelde hij zich weer alleen, er was niemand meer. Hoe lang had het geduurd?

Toen zijn handen weer boven het toetsenbord zweefden, realiseerde hij het zich ineens. Wat had dat eigenlijk goed gevoeld! Er was ineens ruimte geweest, alsof er iets uit hem was getreden. Maar toen hij naar zijn spiegelbeeld keek, daar in het raam, brak het besef pas echt door. Hoe hard en liefdeloos was hij voor zichzelf! Was hij al die jaren niet doorgegaan met zichzelf te vertellen dat hij niets kon, niets was. Bagatelliseerde hij niet alle complimenten die hij kreeg? Geloofde hij eigenlijk nog wel in zichzelf? Alle liefde die hij voor zijn kinderen voelde, voelde hij niet voor zichzelf. Alles wat er mis ging bij anderen bedekte hij met de mantel der liefde, van zichzelf eiste hij een onbereikbare, compromisloze perfectie! En dus deed hij niets, kwam er niets uit zijn handen en zou het nooit wat worden. Waarom kon hij niet tegen zichzelf zeggen, dat hij best trots op zichzelf mocht zijn, op wat hij kon en op wat hij wel voorelkaar gekregen had.

Zeg het! Zeg het dan godverdomme nou eens één keer tegen jezelf en meen het dan ook eens een keer: ik ben trots op mezelf!

Hij kon het niet en hoorde zichzelf grijnzen. Cynisch, wellicht sarcastisch.