«   i   »

1648

11 maart 2018

er is geen weg (6)

I need an island, somewhere to sink a stone
I need an island, somewhere to bury you,
Somewhere to go.

Heather Nova

Ben jij gelukkig? vroeg ze terwijl ze een kopje thee naar haar mond bracht en haar linkerhand haar rechterarm bij de elleboog onder­steunde.

Hij legde de vraag op tafel als een opengevouwen wegenkaart, zo'n kaart uit vroeger tijden toen er nog geen google maps was. Hij herinnerde zich de zondagmiddagen waarop hij uren boven zo'n kaart kon hangen om de kortste, snelste of in ieder geval de mooiste route naar de vakantie­bestemming in Oostenrijk te vinden.

Was hij toen gelukkig? Hij had dat altijd een impertinente vraag gevonden, een ongemakkelijke vraag ook, want wat moest je daar nu op antwoorden? En zat in zijn aarzeling om direct volmondig ja of nee te zeggen niet al een antwoord besloten?

Eerder had hij het gevoel in een soort niemandsland te verkeren, ergens tussen geluk en ongeluk in. De mensen kenden hem toch als een rustig en tamelijk gelijkmatig persoon? Natuurlijk had hij momenten en periodes in zijn leven gehad, dat hij zich ongelukkig had gevoeld, het waren soms tijden van diepe ellende geweest. De laatste jaren op de middelbare school, de eenzaamheid tijdens zijn studie als hij H. miste en bovenal toen bleek dat zijn huwelijk op drijfzand gebouwd was. Maar dan had hij zich intens ongelukkig gevoeld, maar hij had nooit het gevoel gehad dat hij ongelukkig was. Het waren eilandjes en eilanden van wanhoop geweest, maar altijd temidden van een zee van hoop en geluk. Ook al kon hij verdwalen op zo'n eiland en soms zelfs het ruisen van de zee niet meer horen, hij had altijd geweten dat als hij maar bleef lopen hij vanzelf weer op het strand terecht zou komen. Alles komt goed, ook als het niet goed komt, zei hij vaak ironisch, alhoewel het eigenlijk een diepgeworteld vertrouwen was.

Waar kwam dat vertrouwen vandaan? Toch zeker niet uit zijn opvoeding. Zijn moeder zag altijd beren op de weg, zag altijd het negatieve en je wist dat de frase ik wil niet klagen hoor, maar ... de frase van haar leven was. Vader was ergens onderweg het vertrouwen kwijtgeraakt, al proefde hij soms bij hem de aanwezigheid van gelatenheid, humor zelfs. Of was het zijn protestantse opvoeding geweest, het idee dat er altijd iemand over je waakt? Zou het kunnen dat dat vertrouwen een laatste restant was van een gekoesterde illusie, terwijl de basis allang weggeslagen was? Of was het gewoon toeval, had hij bij zijn geboorte eenvoudigweg een gunstige chemische samenstelling meegekregen, voldoende goede stofjes in zijn hersenen, waardoor hij gevrijwaard werd van een al te persistent gevoel van ongeluk? Misschien was het beter het antwoord niet te weten.

Nee, hij zat graag aan de vloedlijn, liet het water zijn voeten kriebelen. Soms trok hij de broekspijpen omhoog en ging hij pootje baden en als het hem te heet onder de voeten werd, zwom hij in zee, maar nooit te ver, want je moest het geluk ook niet tergen. Maar hij kwam ze wel tegen op het strand, mensen die altijd met de rug naar de zee zaten. Hij begreep ze niet, ze hoefden zich maar om te draaien. Dat er ook mensen waren die alleen maar eb zagen, die het water steeds vaker en verder zagen terugtrekken totdat de zee helemaal verdwenen was, die mensen kende hij alleen van horen zeggen, het waren mensen die uiteindelijk de laatste deur namen. Met hen had hij compassie, dat zij niet het vermogen (meer) hadden om de zee te kunnen zien, zij moesten werkelijk ongelukkig zijn, zij konden zelfs niet kiezen voor geluk. Niet dat hij dacht dat geluk een keuze was, dat was voor mensen die er een soort calvinistisch genoegen in schiepen om anderen het gevoel te geven dat hun ongeluk altijd hun eigen schuld was. Nee, er is geen weg naar geluk, daarvan was hij ondertussen ook wel overtuigd geraakt, maar om een gelukkige weg te vinden, daarvoor moest je ook wel een beetje geluk hebben.

Hij had een pauze laten vallen en bracht zijn kopje thee naar zijn mond. Hij hield niet van thee – gekookt water met een smaakje, blèh –, vooral niet van rooibos. Toch dronk hij er goedmoedig van en terwijl hij het kopje weer neerzette, keek hij haar aan in die mooie bruine verbaasde ogen en zei glimlachend: natuurlijk, ben ik gelukkig!

Natuurlijk.