«   i   »

1660

16 mei 2018

'Wat heb ik daaraan, ik ben hier nog altijd gestrand,' zuchtte Welsend nadat er een uur voorbij was gegaan zonder dat zich iemand had gemeld. Hij bekeek het briefje met Ariëlles routebeschrijving zonder er wijs uit te kunnen worden. Nieuwsgierig vroeg hij zich af hoe hij vroeger zou hebben gereageerd, wanneer hem zoiets als dit zou zijn overkomen. Zou hij geïrriteerd zijn geweest? Fay Lastage had hem verteld dat hij voor zijn operatie met een 'eeuwige ironische grijns' op zijn gezicht had rondgelopen, misschien wel uit angst dat de wereld hem te na zou komen. Maar als de wereld dat niet deed, was het ook weer niet goed – dus was hij in melancholie weggezonken en besluiteloos geworden en was zijn zwaarmoedigheid af en toe afgegleden naar neerslachtigheid en was er weinig meer uit zijn hoofd en handen gekomen.

Hoe ze dat wist.

Ze wist het.

Hij vroeg zich af of het waar was, maar had erom gelachen. Opgelucht. Hij was gewoon geweest.

Allard Schröder Sebastiaans neus, 218-219