«   i   »

1718

31 maart 2019

Op zondag 24 maart overleed mijn moeder. Op de crematieplechtigheid afgelopen vrijdag heb ik onderstaande woorden gesproken.

[ vooraf klonk deze muziek ]

Lieve mensen,

Lieve mama,

Weet je nog mama, die dag dat papa overleed, die dag in augustus 2014? Ik bracht je 's avonds thuis met de auto. Ik probeerde me te concentreren op de weg, maar jij was boos, zo boos, dat papa eerder gegaan was dan jij. Dat had je nooit verwacht, je voelde je in de steek gelaten, je had het gevoel dat papa je een laatste streek geleverd had. Ik luisterde naar je, ik had verdriet verwacht, maar niet dit, alhoewel boosheid en verdriet soms heel dicht bij elkaar liggen. Ik liet je praten, maar ik was ook verbaasd dat je niet door had gehad hoe slecht het met papa ging en hoezeer hij klaar was geweest met alles.

Op de crematie van papa heb ik gesproken en je wist dat ik dat ook voor jou zou doen en daar sta ik dan nu, ruim vier en een half jaar later.

In augustus 2017 zocht ik je op, drie jaar nadat papa overleden was. Je was kort daarvoor weer naar het ziekenhuis geweest en ik begon me af te vragen wat ik nu eigenlijk moest vertellen over mijn moeder op een toekomstige crematie-plechtigheid? Dus besloot ik je te gaan interviewen.

Het was niet moeilijk om je aan het praten te krijgen, je vertelde graag over jezelf en zoals dat vaak gaat boven een bepaalde leeftijd, je herinneringen aan je kindertijd en jeugd waren helderder dan ooit. Uren heb je verteld, je kon ontzettend uitweiden over alle onderwerpen en ik moest je vaak bij de les houden als we te veel zijwegen hadden bewandeld. Op de eerste dag waren we gestopt toen je ging trouwen met papa en Marian geboren werd. Ik had de volgende dag verder willen gaan, maar tegelijkertijd had ik het gevoel dat dit niet ging werken. Want, hoe boeiend je ook vertelde, op één of andere manier kreeg ik toch geen beeld van wie je was als kind, als tiener. Je kon me soms zeer gedetailleerd allerlei anekdotes vertellen, maar wat jij er van vond of wat jij er bij voelde, daar kreeg ik geen hoogte van. Dus besloot ik het over een andere boeg te gooien en stelde ik voor om de volgende dag een rondrit te maken langs enkele plaatsen die je had genoemd.

De reis naar Holwerd, de plaats waar je was geboren, was al typerend. Je was gespannen en bezorgd of we wel de goede weg namen. Moest ik niet die andere weg nemen? Kon ik niet beter ... Ik verzekerde je steeds dat we alle tijd hadden, dat we er wel zouden komen en geniet nou maar van het mooie weer en het uitzicht, maar dat lukte je niet.

In Holwerd liepen we langs het graf van je moeder. Je herkende veel namen op andere grafstenen en soms wist je nog precies het beroep dat ze hadden uitgeoefend, de smid, de bakker ... Je liep aan mijn arm en ik merkte dat je niet veel energie meer had, het lopen ging moeizaam. Je wilde graag nog je geboortehuis zien en terwijl ik met de auto door de smalle straatjes probeerde te navigeren, zocht je naar een pleintje met een oude waterpomp. We vonden uiteindelijk het pleintje, maar de straat waar jij geboren was, was op dat moment niet toegankelijk voor autoverkeer en je zag het niet zitten om uit te stappen en ernaar toe te wandelen.

Dus reden we door naar Bergum, de plaats waarnaartoe je vader als hoofd van de politie in de Tweede Wereldoorlog, in 1942, door de Duitsers was overgeplaatst. Je vertelde me met pretoogjes dat pake in Holwerd een reputatie had. Streng en rechtvaardig was hij geweest. Met plezier herinnerde je een reünie van de lagere school en hoe de mensen reageerden als ze erachter kwamen dat je er één van Wiersma was. Je vertelde altijd met respect over je vader en ik denk dat je trots op hem was. Een mooi detail vond ik in één van je verhalen dat pake altijd in uniform naar de kerk ging en dat hij daarbij een sabel droeg en dat jij dan, toen je nog een klein meisje was, tijdens de dienst met het koord van de sabel speelde. Gevraagd naar je moeder was je heel resoluut: beppe was de goedheid zelve, volgzaam en sprak pake alleen tegen als het echt nodig was.

In Bergum vonden we al snel het raadhuis en dus de woning ertegenover waar jij met pake en beppe en je zusje Sjoerdje de oorlogsjaren hebt doorstaan. Je vertelde over de verduisteringen en hoe je bij kaarslicht je huiswerk moest maken. Pake speelde als politieagent een dubbelrol, hij hielp ook het verzet. 's Nachts had hij tijdens een patrouille een been gebroken en was met paard en wagen naar het ziekenhuis gebracht, je herinnerde je de ongerustheid van je moeder. Je vertelde met smaak over de overval op het gemeentehuis waar distrubutiebonnen buit gemaakt werden. Het verzet had de telefoondraden daar doorgeknipt en pake had de Duitsers bij de deur weggejaagd toen ze bij jullie de telefoon wilden gebruiken. 'Pake was brutaal', zei je met een glinstering in je ogen en je zag de Duitsers nog terugdeinzen en struikelen over de struiken in de tuin. Je herinnerde hoe je na spertijd vanaf de familie Wolters, die achter het gemeentehuis woonden, in het duister onopgemerkt weer naar huis ging, je kon precies vertellen hoe je dat deed. Je raakte bevriend met Tine Wolters.

Tine Wolters woonde weer in Bergum en we zochten haar op. Ze was thuis. Ik weet niet wat er met je gebeurde, maar toen we bij Tine aan de thee zaten, zag ik je veranderen. Het was alsof jullie samen weer de vriendinnen werden uit de jaren '40, toen jullie nog jong waren, toen het leven voor jullie nog open lag. Je was op dat moment even mijn moeder niet meer, je was Baukje geworden. Anekdotes vlogen over de tafel, er werd gelachen, herinneringen werden aan elkaar getoetst. Alles in het Fries natuurlijk. Toen we weer naar huis reden was je moe, maar voldaan.

Na de oorlog maakte je de mulo af en er volgde een periode met verhuizingen en verschillende baantjes. Je begon te werken op de dag dat je 16 werd, bij een kantoor voor ziektewetuitkeringen. Pake had graag gezien dat je onderwijzeres was geworden, maar jij wilde niet meer naar school, je wilde werken, je eigen centjes verdienen. Toen pake les ging geven in Bilthoven op de De Varenkamp, moest je meeverhuizen, je was nog niet meerderjarig. Na een tijdje thuis zitten, kreeg je een baantje bij een schildersbedrijf waarvoor je de kwitanties moest innen. Je vertelde over het baantje bij de Amerikanen, waar je zorgde voor de kinderen, je ving ze op uit school, kookte eten voor ze en gaf ze Nederlandse les. In deze tijd leerde je ook de familie Lubbers kennen via de catechisatie en dus uiteindelijk ook papa toen hij weer uit Indië terugkwam. Je vertelde over een andere jongen waar je verliefd op was geraakt, maar die verhuisde met zijn ouders naar Australië. Je mocht mee, maar dat mocht niet van pake. Jullie zouden schrijven, maar je ontving nooit brieven terug. Later bleek dat pake de brieven had onderschept en verscheurd. Je had ook met de Amerikanen mee gekund toen die weer naar Amerika verhuisden, dat mocht wel van pake, maar dat wilde papa niet, hij wilde niet op je wachten en je koos voor papa. Je vertelde dat je toen bij de spoorwegen ging werken in Amsterdam, bij een douanekantoor vlak bij Artis, je kon soms de leeuwen horen brullen. Je vertelde dat je ging werken bij een professor in Rotterdam en als een soort au pair voor de kinderen ging zorgen.

Toen je ging trouwen met papa, moest je stoppen met werken. Zo ging dat in die tijd, zei je. Het was onrechtvaardig, vond je. Ergens had je de wens zelfstandig te zijn en op eigen benen te staan, je was geëmancipeerder dan papa wilde toestaan. Of: papa was ouderwetser dan je lief was. Je was geen huisvrouw in hart en nieren. Toen Jouke en Marian groot genoeg waren, had je weer willen gaan werken, maar toen kwam ik om een spaak in het wiel te steken. Je bleef wegen zoeken om actief te blijven. Je ging bij mensen thuis het huishouden doen om te sparen voor een reis naar Curaçao waar je zus en zwager ondertussen met hun zoon woonden. Je werd actief bij de plattelandsvrouwen, je hebt zelfs in het bestuur gezeten als ik het me goed herinner. Je liet je opleiden tot lerares volksdansen en je ging volksdansles geven, vooral aan ouderen. Ik zie je nog bezig in de keuken met je cassetterecorder, ik kan de muziek nog horen, ik zie je de passen oefenen. Je verdiende daarmee wat eigen centjes en je bleef dat stug volhouden tot ongenoegen van papa. En het voordeel van dit werk was, zo vertelde je me later, dat je thuis kon zijn ,voor mij, als ik uit school kwam. Want dat was de rol die op de eerste plaats kwam: je was moeder en dus wilde je goed voor je kinderen zorgen. Maar het moederschap bracht ook iets anders mee, iets wat je niet meer hebt losgelaten: je werd zorgelijk, soms was je niet meer Baukje, maar 'de moeder'.

Wellicht uitte je je liefde in die bezorgdheid. Altijd was je bang dat ons iets zou overkomen, dat het niet goed met ons zou gaan. Je ging piekeren en je kon er vaak niet van slapen. Niet dat je ons opsloot in je zorgen, maar als ik zelfstandig naar de middelbare school ging fietsen, was jij bezorgd. Toen ik op kamers ging wonen, maakte jij je zorgen of het allemaal wel goed zou komen. Ik weet nog mijn trouwdag, je kwam aan in Doetinchem, liep op me af en je eerste reactie was, dat je opgelucht was dat ik er netjes uitzag, je had je zorgen gemaakt. Daarnaast leidde je zorgelijkheid ook tot een hang naar controle. Graag wilde je dat alles verliep zoals jij het wenste, graag hield je de regie in eigen handen. Je ging je eigen rol en taken afschermen en mopperde als papa weer eens een en ander voor je had weggenomen.

Soms denk ik, dat het moederschap je niet lag, maar je had ervoor gekozen dus nam je je verantwoordelijkheden. Was je wel gelukkig als moeder? Niet dat je me ooit het gevoel hebt gegeven dat wij als kinderen een last waren. Integendeel, je zorgde uitstekend voor ons en je was op jouw manier een liefhebbende moeder. Maar had je niet liever de mogelijkheden gehad die jongere generaties vrouwen nu wel hebben?

Je haalde je eigen moeder naar Menaldum en ging voor haar zorgen toen ze verschijnselen van dementie vertoonde, je vond het je plicht, maar het was ongetwijfeld meer dan dat. Het liefste had je haar in huis genomen, maar daar stak papa een stokje voor.

Ondertussen werd je hartpatiënt en je raakte in het ziekenhuis. Je zus wist je te ontlasten door te zorgen dat beppe in een verzorgingstehuis terecht kwam. Dat was moeilijk voor je en toen begon een tijdperk van het trouw op een neer reizen naar Toutenburg. Soms ging ik met je mee en zag ik hoeveel energie en hoeveel verdriet het je kostte. Toen papa er niet meer was, had je wellicht gehoopt dat je kinderen met dezelfde intensiteit voor jou zouden gaan zorgen en je kon maar moeilijk begrijpen dat dat niet ging lukken.

Met je gezondheid kwam het niet meer goed. Je moest gedotterd worden en uiteindelijk kreeg je een bypass. Je moest stoppen met volksdansen. Papa was ondertussen met pensioen, de kinderen allang het huis uit. Er kwamen kleinkinderen en jullie waren dol op ze. Jullie gingen nog samen op vakantie, iets waar je volgens mij van genoot, want je had gehoopt dat als papa met pensioen was en de kinderen het huis uit, je meer van de wereld zou kunnen zien. Toch, als ik dan vroeg hoe de vakantie geweest was, kwam er het antwoord 'van mij had het niet gehoeven, maar ik doe het nog voor je vader' en als ik het papa vroeg kreeg ik de variant 'van mij had niet gehoeven, maar je moeder wilde het zo graag'.

Soms zag ik een teleurgestelde vrouw, die in de loop der jaren steeds minder wilde en klagerig werd. Naar de buitenwereld was je altijd vriendelijk, geïnteresseerd en hartelijk, maar wij kinderen zagen maar al te vaak de andere kant van de medaille. Toen papa na een aantal tia's passiever, rustiger en milder werd, begon je er moeite mee te krijgen dat 'die man altijd maar thuis zat'. Papa was tot steeds minder in staat en dat maakte je onrustig. Toen hij op een dag zomaar dood naast je neerviel, had hij je in de steek gelaten en was je boos.

De grote stilte trad in. Je huis werd steeds meer een eilandje in de grote wereld. De buren hielden een oogje in het zeil en hielpen je me praktische zaken en daar was je ze heel dankbaar voor. Daarnaast kwamen de zusters 's ochtends en 's avonds voor de steunkousen. Je bezocht op donderdag je vriendin, mevrouw Braaksma, op zondag ging je nog met de auto naar Franeker om mevrouw Hoeksema op te zoeken. Op vrijdag kwam de vaste hulp Joke met wie je al gauw een goede band opbouwde. Marian deed je administratie en hield je ook goed in de gaten, maakte rond feestdagen uitstapjes met je en stond zonodig voor je klaar. Blij vertelde je me aan de telefoon wanneer Yvonne weer eens langs geweest was of in de tijd dat Jouke nog wel eens met de bus langsreed, dat hij dan even toeterde. Tante Sjoerdje belde je elke maandagavond en ik belde je geregeld – zolang ik maar niet belde als je je series aan het kijken was – en dan praatte je me bij over de ontwikkelingen in de Tour de France of de Giro, in de winter waren er de schaatswedstrijden en in de tijd dat Nederland het nog goed deed met voetballen, wist jij precies wat er allemaal goed en mis was gegaan. Maar ook dat er een einde gekomen was aan het trouw bezoeken van de kerk op zondagochtend en dat je nu de kerkdiensten op televisie bekeek, waarbij je met een ondeugende glimlach in je stem vertelde dat het dan wel een katholieke dienst was. Maar zo'n priester kon ook goed preken hoor, stelde je me gerust. IJverig spelde je elke dag de krant uit, aan dezelfde tafel waaraan ook je vader vroeger de krant gelezen had. De kruiswoordpuzzel in de krant moest altijd af, want de buren met wie je de kranten deelde mochten niet zien dat je iets niet geweten had. En of ik ook wel eens naar De slimste mens keek. Je wilde mentaal actief blijven, je was bang dat je je moeder achterna zou gaan en je was trots op alles wat je nog wist.

Gekscherend zei ik wel eens dat als je je medicijnen maar nam, je wel honderd kon worden. Maar of je dat geloofde? Het mocht niet zo zijn. Natuurlijk had ik wel gezien dat je fysiek steeds verder achteruit ging en natuurlijk had ik me zorgen gemaakt. Je liet je ook wel eens ontvallen dat het allemaal niet meer hoefde, maar met mijn ontregelende grapjes wist ik vaak nog een glimlach in je stem te toveren. Maar dat je op een ochtend anders zou opstaan dan dat je de avond tevoren naar bed was gegaan, dat een herseninfarct de laatste illusies wegnam, dat had ik niet voorzien. Toen ik je in Leeuwarden opzocht zag ik een vrouw die de slag verloren had. Ik heb een goed leven gehad, zei je, er mag nu wel een einde aan komen. Toen je naar St. Annaparochie werd gebracht, kwam het tragische besef dat je niet meer naar huis zou gaan, dat je uit je vertrouwde wereld was weggerukt en dat het niet meer goed zou komen. Je had het zolang volgehouden om zelfstandig te wonen. Het enige thuis dat je nog wilde was niet van deze wereld.

Toen ik je met Marian, Hans en Jouke afgelopen zondag aantrof, lag je zwaar ademend in bed. We hadden zo met je te doen en we vermoedden dat het einde waarnaar je verlangde in aantocht was. De arts kwam je onderzoeken en deed het hoofdeinde van het bed omhoog. Je kwam uitgeput tot rust. Wij haalden opgelucht adem en terwijl de arts uitlegde dat deze fase nog wel een aantal dagen kon duren, merkten we op dat je niet meer ademde. Alsof je gewacht had tot we allemaal aan je bed stonden, alsof je er stiekem tussenuit kneep. Het was volbracht en ik wist dat ik nu ook een thuis verloren had.

Vogels floten noch vlogen
anders dan anders, die zondag,
en, in tig tinten gebroken wit
waaiden wolken traag voorbij –

terwijl toen toch echt de lente
doodgewoon begon.

[ het gedicht IN MEMORIAM van Mark Iske ]

Maar soms, soms zal ik uit het raam kijken en dan zal ik een auto zien arriveren met papa achter het stuur en jij ernaast. Altijd minimaal een half uur eerder dan afgesproken. Dan zal het 'daar zijn ze al' klinken. En dan zie ik je binnenkomen, beladen met allemaal tassen en voordat we rustig kunnen gaan zitten, voordat ik je kan vragen of je koffie of thee wilt, worden de tassen uitgepakt met de droge worst voor mij, de chocolade voor Wendy, de snoep en speelgoed voor de kleinkinderen en soms ook nog een suikerbrood uit de supermarkt. Pas dan mag je jas uit, pas dan mogen we gaan zitten, pas dan mogen we de koffie en de thee maken en het lekkers presenteren dat jij ook nog meegenomen hebt. Pas dan zit de reis erop en mag de rust en de stilte neerdalen.

Mama, weet je nog, dat toen ik net op kamers was gaan wonen, je me 's avonds wel eens gewoontegetrouw riep als de koffie klaar was, maar dat je je dan pas realiseerde dat ik niet meer thuis was? Zo zal ik de komende tijd wel eens de telefoon pakken omdat ik je dan nodig weer eens moet bellen. Maar het 'met mama' zal ik niet meer horen en verdorie, wat zal ik dat toch missen.

[ na afloop klonk deze muziek ]