Jan-Willem Lubbers
Taizé zomer 1986: my beautiful demon
≡
1
Mijn middelbare school heb ik niet vreselijk succesvol doorlopen. De eerste jaren gingen nog wel, maar de laatste twee jaren waren een ramp. De cijfers daalden, ik spijbelde steeds meer. Had ik last van mijn leeftijd? Het examenjaar dreigde een ramp te worden. Ik deed helemaal niets. Uit het schoolonderzoek kwam ik met vijf onvoldoendes. In plaats van de te leren las ik Doktor Faustus van Thomas Mann of lag ik op bed te luisteren naar Tristan und Isolde van Richard Wagner. In de eerste examenronde lukte het mij om twee onvoldoendes voldoende te maken. Bij de herexamens moest ik minimaal nog een onvoldoende ophalen om mijn diploma VWO te halen. Ik koos voor Frans en Aardrijkskunde, Wiskunde was hopeloos. Vrijdagochtend 27 juni 1986 werd er 's ochtends rond 10.30 u gebeld, ik lag uiteraard nog op bed en sliep nog half. Mijn vader nam op en even later kwam hij mijn slaapkamer binnen. Jongen, je moet opstaan, we gaan vanmiddag je diploma halen, je bent geslaagd. Ik hees mezelf uit bed.
Heb ik het toen beseft? Keerpunten in je leven gaan soms ongemerkt voorbij. Trok ik me iets aan van het verschil tussen nog een jaar Atheneum of eerstejaars Universiteit? Nog een jaar thuis of op kamers?
De diploma-uitreiking herinner ik me nog vaag. De wiskundeleraar die me kwam feliciteren met de opmerking dat hij het nooit had verwacht dat ik nog zou slagen. Hoe had ik dat voorelkaar gekregen? Ik antwoorde dat je gewoon moet doorgaan. De godsdiensleraar zou ik twee dagen later weer ontmoeten, maar ik bedankte hem met nadruk: D. bedankt voor die geweldige godsdienstlessen, maar ik vrees dat ik nu niet meer geloof. Dat was een halve waarheid en dat wist hij. Twee dagen later zaten we namelijk met een grote groep in de trein naar Taizé.
112 | 16.12.2003
2
Dagboekfragmenten
Trein Roosendaal – Parijs, zondag 29 juni 1986
Ben ik eergister geslaagd voor het Atheneum, nu op dit moment al onderweg naar mijn vakantiebestemming Taizé, samen met zo'n 30 anderen. Ik verheug me er erg op en de trein kan niet snel genoeg gaan.. Het is nu nacht en erg rumoerig, een erg warme droge lucht, de lichten zijn nog aan, van slapen zal wel niet veel komen. Ik probeer mezelf tot rust te brengen maar dat lukt niet erg. Ik zal blij zijn als we in Parijs zijn en de metro gehad hebben. Bijna de helft ligt nu op de grond te slapen. Hoe kan men slapen terwijl men in ijltempo kilometer na kilometer aflegt. (…)
Gare de Lyon ±9.00 u.
Wat is ontroerender dan op het perron zitten en naar mensen kijken en je overgeven aan overpeinzingen.
In mijn studietijd had al eens een boek van Coetzee gelezen, een boek dat toen erg veel indruk op mij maakte. Sindsdien heb ik de Coetzee onthouden en in de loop der jaren kwam ik de naam steeds vaker tegen. Er verschenen lovende recensies in kranten, maar ik las zijn boeken niet. De uitzending met Coetzee in Van de schoonheid en de troost van Wim Kaizer zal ik nooit vergeten. Coetzee wilde eigenlijk niet en als hij wat zei was het vreselijk bedachtzaam en deed hij eindeloos over zijn zinnen. Hij wilde precies formuleren. Deze 'mislukte' uitzending vond ik één van de mooiste. Zonder precies te kunnen uitleggen waarom begreep ik die rare Zuid-Afrikaan wel.
Na het lezen van Portret van een jongeman begrijp ik het gevoel van verwantschap. Alhoewel het boek sterk autobiografisch heet te zijn is het niet in de ik-vorm geschreven. Zo autobiografisch zal het dus niet zijn. In hoeverre de overeenkomst tussen Coetzee en de jongeman in het boek gaat weet ik niet en is ook niet echt interessant. Het zal ongetwijfeld meer in de geest zijn dan dat alles precies zo gebeurd is.
Maar de herkenning van mezelf in dit portret is confronterend. Verander Zuid-Afrika in Friesland en London in Utrecht en de werdegang van de jongeman vertroont ontzettend veel trekken die ik herken. Een jongeman die wiskunde studeert maar eigenlijk kunstenaar wil worden (dichter). Hij laat het bekrompen Zuid-Afrika achter en gaat naar London want daar zou het gebeuren (we schrijven eind jaren '50). Zijn beeld van een kunstenaar is bijna lachwekkend clichématig: een kunstenaar moet vooral lijden, veel lijden en wachten op de grote liefde die natuurlijk door zijn saaiheid heen de grote kunstenaar in hem zal herkennen. Het wordt helemaal niks. Hij vindt slechts saaie baantjes en met de vrouwen wil het al helemaal niet. Alhoewel het boek dreigt te eindigen in één grote ellende, gloort er ook wat berusting. In wezen is het een geweldig portret van een onzekere dromende jongen naar zijn volwassenheid. Met die vage ontdekking van de realiteit lijkt het boek te eindigen. Met de schrijver Coetzee is het uiteindelijk goedgekomen.
De stijl van Coetzee is prachtig. Niet iedereen zal zijn spaarzaamheid kunnen waarderen. Het doet ergens zeer hollands aan. Het zijn doeltreffende zinnen zonder franje. Hoe Coetzee het doet weet ik niet, maar hij roept met die zinnen toch een wereld op die vol is van spanning en emotie. Juist die kale zinnen brengen zo goed de onmogelijkheid tot communicatie van mensen tot uitdrukking. Ook in dit boek zijn die relaties gedomineerd door machtsverhoudingen. De hoofdpersoon is in die wereld volkomen machteloos.
Hij is niet gek. Als minnaar heeft hij een geringe staat van dienst, en dat weet hij. Nooit heeft hij in het hart van een vrouw iets ontketend wat hij vurige hartstoch zou willen noemen. Sterker nog, als hij terugblikt, kan hij zich niet herinneren ooit het voorwerp van hartstocht te zijn geweest, werkelijke hartstocht, in welke mate dan ook. Dat moet iets over hem zeggen. Wat de seks zelf betreft, in engere zin, vermoedt hij dat hij nogal weinig te bieden heeft; en wat hij terugkrijgt stelt ook niet veel voor. Als dat iemands schuld is, dan is het wel de zijne. Want als hij zich niet volledig durft te geven, als hij zich inhoudt, waarom zou een vrouw zich dan ook niet inhouden?
J.M. Coetzee Portret van een jongeman, 166
De jongeman is onmachtig zijn leven naar zijn hand te zetten. Van al zijn plannen zal niets terecht komen. Zijn romantische onbereikbare idealen zal hij opzij moeten zetten. Hij zal zich over zijn zelfbedachte misluktheid heen moeten zetten. De jongeman zal burgerlijk moeten worden. Is er bevredigender ellende denkbaar?
113 | 17.12.2003
3
Vanaf het Gare de Lyon neemt men de trein naar Chalon-sur-Saône. Een mooie treinreis dwars door Frankrijk. Ik heb niet zoveel met Frankrijk, maar het landschap is mooi.
In Chalon moet worden overgestapt op de bus naar Taizé. Die bus gaat niet vaak en met een beetje pech moet je soms wel een paar uur wachten. Met een groep van 30 man laat je dan je bagage achter in de stationshal, stelt een paar bewakers op en je gaat een terrasje pakken ergens in de stad. Chalon heeft geen indruk op me gemaakt, ik herinner me er de zeer kleine balcons aan de flats en dat het een troosteloze stad was. Als je terugkomt om de bus te halen blijken er nog meer groepen gearriveerd om de lange reis naar Taizé te ondernemen. Een uur nog minimaal, in een bus met teveel jongelui met rugzakken en andere te grote tassen, holderdebolder door het Franse landschap. Als je pech hebt dan sta je de hele reis. Als je geluk hebt wordt er halverwege geruild om het leed te delen.
De aankomst ergens aan de rand van een weg is een opluchting. Je kunt het dorpje Taizé zien liggen op een heuvel en je weet dat je met je bagage nog die heuvel over moet. Het dorp Taizé is erg klein, je vindt het op bijna geen enkele kaart. Als het honderd inwoners bevat zou het mij verbazen. De smalle weg maakt een paar haarspeldbochten en dan ben je in het midden van het dorp, nog een stukje doorlopen, ontspannen naar beneden, het dorp uit en je bent er. In vele talen word je welkom geheten en je stapt een andere wereld binnen. Een wereld met allemaal doorelkaar lopende jonge mensen, honderden.
Op 29 juni 1986 was het de tweede maal dat ik die wereld betrad, ik kwam thuis. Ik kon nauwelijks wachten om de mij zo vertrouwde plekjes te gaan zoeken, maar eerst moesten we als groep aangemeld worden, tenten opgezet enzovoort. Tijdens het wachten kon ik nog niet weten dat die zomer in die week mijn wereld enorm zou veranderen.
114 | 18.12.2003
4
Het verhaal dat ik hier opschrijf heb ik al zovaak willen opschrijven. Het is er nooit van gekomen. Zoals ik het hier opschrijf is het ook nog niet goed, maar ik moet ergens beginnen. Het boek Portret van een jongeman heeft als katalysator gewerkt. Coetzee durft onomwonden zijn waarheid te schrijven op een wijze waar ik alleen maar jaloers op kan zijn. Als je je eigen verhaal wilt vertellen moet je het dus zo doen. Ik zou willen dat ik mijn verhaal zo zou kunnen verliteraturen, maar voor het schrijven van literatuur heb ik nooit het heilig vuur gehad. Bij mij ligt geen roman in de bureaula. Bovendien boeit ego-literatuur mij vaak niet, het is vaak zo pathetisch; een valkuil waar Coetzee niet ingevallen is.
Hoe kijk je terug op jezelf? Het is als met oude foto's van jezelf: je weet dat het ooit jouw lichaam is geweest dat daar gefotografeerd is, maar wat er allemaal in dat hoofd omging weet je niet meer. Veel gedachten kan ik terugvinden in mijn dagboeken, maar dagboeken zijn verraderlijk. Ze vertellen maar het halve verhaal, de grote gebeurtenissen en de kleine gebeurtenissen, maar nooit de ruis daartussenin. Onlangs heb ik de zwarte doos weer eens tevoorschijn gehaalt waar naast de correspondentie met vrienden en vriendinnen ook de dagboeken inzitten. De zwarte doos moet naast vrouw en kind, naast de foto-albums en familievideo's, als eerste gered worden mocht het huis in vlammen opgaan. In de zwarte doos zitten de gesprekken van lang geleden, gesprekken met mezelf en met dierbaren. Helaas zijn de brieven maar halve gesprekken: alleen de antwoorden, mijn aandeel ligt – hoop ik – in de zwarte doos van iemand anders.
Maar wie was ik toen ik achttien was. Als ik mijn dagboeken teruglees moet ik wel diep ongelukkig geweest zijn, maar zo herinner ik mezelf niet. Ik was meer de jongen die net niet als laatste overbleef als er groepjes gekozen moesten worden. Ik was de jongen waar maar zelden iemand bij ging staan als hij aankwam op school, behalve dan door de jongens die in hetzelfde schuitje zaten. Jongens, nooit meisjes natuurlijk. Meisjes waren grote mysteries op afstand. Ik kon naar ze kijken, ik zou contact met ze willen, maar ze zagen mij niet. Begrijpelijk, want ik was geen opvallende verschijning, eerder saai. Ik was niet vlot of populair. Ik had vreemde hobby's: ik speelde kerkorgel en piano en ik hield van klassieke muziek en ik las vrijwillig moeilijke boeken. Dat wisten ze niet, maar dat straalde ik uit. In grote groepen had ik een schuchtere, onzekere uitstraling. Ik voelde me alleen veilig bij een paar vrienden en vooral thuis. Natuurlijk wilde ik er wel bij horen, natuurlijk wilde ik een leuke vriendin die mij zou begrijpen. Aangezien dat toch niet zou gebeuren kon ik mijn eenzaamheid maar beter cultiveren en maakte ik er iets bijzonders van. Ooit zou iemand wel doorhebben hoe bijzonder ik was. Ooit … en ondertussen koesterde ik mijn illusies. Ik was gelukkig op mijn manier in mijn wereldje. Wel een wereld dat nodig doorgeprikt moest worden.
Im Treibhaus
Hochgewölbte Blätterkronen,
Baldachine von Smaragd,
Kinder ihr aus fernen Zonen,
Saget mir, warum ihr klagt?
Schweigend neiget ihr die Zweige,
Malet Zeichen in die Luft,
Und der Leiden stummer Zeuge
Steiget aufwärts, süßer Duft.
Weit in sehnendem Verlangen
Breitet ihr die Arme aus,
Und umschlinget wahnbefangen
Öder Leere nicht'gen Graus.
Wohl, ich weiß es, arme Pflanze;
Ein Geschicke teilen wir,
Ob umstrahlt von Licht und Glanze,
Unsre Heimat ist nicht hier!
Und wie froh die Sonne scheidet
Von des Tages leerem Schein,
Hüllet der, der wahrhaft leidet,
Sich in Schweigens Dunkel ein.
Stille wird's, ein säuselnd Weben
Füllet bang den dunklen Raum:
Schwere Tropfen seh ich schweben
An der Blätter grünem Saum.
Mathilde Wesendonck Wesendonck-Lieder
115 | 19.12.2003
5
Ik weet niet hoe het tegenwoordig toegaat in Taizé, maar in mijn tijd (de laatste keer dat ik er kwam was zomer 1989) was er een weekprogramma. Zondag was wisseldag. Als je een beetje vroeg kwam zag je mensen tenten inpakken en tenten opzetten. Je zag mensen afscheid nemen en mensen rondkijken 'waar ben ik nu in terecht gekomen'. Bij de mensen die afscheid namen zag ik dat er vele vriendschappen ontstaan waren. Zien we elkaar nog? Schrijven we elkaar? Omhelzingen en knuffels. Verdriet ook. De mensen die nog een week bleven zorgden voor het avondeten. Het avondeten betekende dat je je aansloot in een rij met nog onwennig kijkende mensen. De uitdeelplek was overdekt, je loopt langs met je dienblaadje en het eten werd er met een vriendelijke glimlach opgekwakt. Dan zocht je een plekje ergens in de buitenlucht, soms bij je eigen groep, later in de week natuurlijk vooral bij de mensen die je hebt leren kennen.
Zomer 1986 was mijn tweede maal in Taizé, dus ik wist een beetje hoe het eraan toeging. Vreemd genoeg herinner ik me bijna niets van 1985, dat jaar is helemaal in de schaduw van 1986 terecht gekomen. Misschien dat ik Taizé teveel geïdealiseerd had, dat mijn verwachtingen ditmaal te hoog gespannen waren. Ik hoefde niet te wennen, ik wist wat er ging komen. Uit mijn dagboek maak ik op dat de aankomst en de volgende ochtend wat tegenviel, maar waarom wordt me niet duidelijk. Ongetwijfeld zal ik – evenals de jaren erna – de eerste avond veel in de kerk gezeten hebben. 's Avonds na de evening prayer eerst naar Oyak. Oyak lag ietwat los van Taizé achter een grote parkeerplaats. Daar kon je wat drinken en eten kopen en 's avonds kwamen de musici tevoorschijn, vooral gitaristen en werd er veel gezongen, gelachen en gepraat. Even wat drinken en dan weer terug naar de kerk waar het nu stil was. Gedempt licht, bijna geen mensen. Ik zocht dan een plekje ergens op de grond (stoelen en banken stonden alleen langs de kant, verder zat iedereen in het centrale gedeelte op de grond) en liet de stilte binnenstromen. Ik heb daar vele uurtjes gezeten, genietend van de stilte. En denken, veel denken. Maar ook het denken stilzetten. Ogen dicht en je concentreren op je ademhaling. Het rustpunt zoeken in mezelf noem ik dat in mijn dagboek.
Maandag begon dan het programma. In mijn zwarte doos zat tot mijn verrassing nog een plattegrond van Taizé met op de achtergrond een kort overzicht van de dagelijkse routine.
8.00 am morning prayer
9.00 am breakfast
10.00 am meetings
12.20 am midday prayer
1.00 pm lunch
2.00 pm song practice
3.30 pm meetings
5.00 pm snack
6.00 pm meetings
7.00 pm supper
8.30 pm evening prayer
followed bij evening silence
De meetings om 10 uur was verzamelen bij één van de broeders ergens op het terrein die dan een bijbelintroductie gaf. Meestal ging je dan naar de broeder in je eigen taal. Ik vond het vaak niet de meest aardige kant van Taizé. Dit duurde dan ongeveer een uur en je kreeg dan een briefje met teksten uit de bijbel en vragen erbij. Het was de bedoeling dat je na dat uur een stil plekje ging opzoeken om over die vragen na te denken. Op maandagmiddag werden er groepen gevormd en dan was het de bedoeling dat je de rest van de week onder leiding van een animator van gedachten ging wisselen over de vragen die je 's ochtends had overdacht.
In de loop der jaren heb ik me steeds meer vrijheid veroorloofd in het programma. Vooral toen ik later zelf als animator optrad begon ik vaak met de vraag of er iemand nagedacht had over de vragen en er nog iets over wilde zeggen en zoniet waar zullen we het dan eens over hebben.
Die middag werden er groepen gevormd. We zaten met z'n allen in een grote kring. Hoeveel waren er, 50?, 70? ik weet het niet meer. Eén van de animators nam de leiding en stelde voor om gewoon te gaan tellen. Als er vijf groepjes gevormd moesten worden heeft hij ongetwijfeld steeds van 1 tot 5 geteld en een ieder met hetzelfde nummer zat natuurlijk in hetzelfde groepje. Spannend, want door deze vorm van toeval werd bepaald met wie je de rest van de week ging optrekken.
Ik keek de kring rond. Mijn blik bleef bij één iemand steken. Waarom? Vond ik haar mooi, lachte ze, wat was het … wat heb ik op dat moment gedacht? Ik kan het niet meer terughalen. Ik herinner me slechts dat ze me opviel en dat het anders was dan anders. Het zou nu zo makkelijk zijn om het liefde op het eerste gezicht te noemen, maar er sloeg geen bliksem in, dat niet, maar wat het wel was … Ondertussen kreeg ik mijn nummer. Iedereen stond op en zocht zijn animator met het nummer die hij of zij vertegenwoordigde. Ik herinner me de animator niet eens meer, maar ik was stomverbaasd dat zij naast me kwam zitten. We zaten in hetzelfde groepje. Ongemerkt had toeval een loopje met me genomen.
116 | 20.12.2003
6
Een half uur voor de evening prayer zat ik op een muurtje tegenover de kerk. Hier kon ik goed overzien wie er allemaal voorbij kwamen. Natuurlijk wachtte ik op één iemand in het bijzonder. Ondertussen dacht ik aan de meeting van die middag. Het kennismakingsrondje, voertaal Engels. Hoe zij mij gevraagd had waarom ik een tweede keer naar Taizé was gegaan. Hoe het gesprek vreemd genoeg op militaire dienst was gekomen. Misschien dat één van de groepsleden vertelt had dat hij na de zomer het leger inging. Dat je in Taizé al zo snel je persoonlijke zieleroerselen blootlegt voor anderen. En dat ik dus vertelde dat ik die zomer de beslissing had genomen om dienstweigeraar te worden, dat ik me er desnoods voor zou laten opsluiten. Probleem was echter dat mijn vader beroepsmilitair was en dat ik bepaald niet gelukkig was met de gespannen situatie thuis. Vrij snel bleek zij en ik op precies dezelfde golflengte te zitten. Dat had ik nog nooit meegemaakt, in ieder geval niet op deze manier. Alsof ik in een spiegel keek, alsof we elkaar altijd al gekend hadden. Er zijn mensen die geloven in reïncarnatie en dat het zo zou zijn dat je in dit leven mensen kunt tegenkomen met wie je in een vorig leven in een hechte band zou hebben gehad en dat je die mensen ogenblikkelijk zou herkennen. Dat gevoel. We waren uit hetzelfde jaar, zij twee maanden jonger. We gingen allebei studeren: ik muziekwetenschappen in Utrecht, zij Engels in Amsterdam. Ik kwam uit het saaiste dorp in Friesland, zij uit de Hollandse stad waarvan wordt aangenomen dat het ABN daar is uitgevonden. Terwijl ik zo de middag zat te overdenken en de mensen observeerde die voorbijkwamen had ik niet gemerkt dat er iemand naast me was komen zitten. Waar zit jij zo aan te denken? Lafaard die ik ben! Dat was het moment geweest! Ik had moeten zeggen: ik wachtte op jou, maar ik had de moed niet. Ik vertelde dat ik somber was door de meeting van die middag en ze was als een vriendin voor me. We gingen samen naar de evening prayer. We zaten naast elkaar en ik kreeg een hand op mijn schouder. Er ging een siddering door mij heen. Dat had nog nooit iemand gedaan! Hoe zo'n klein gebaar een wereld van verschil kan maken.
Vanaf dat moment hebben we gepraat en gepraat en gepraat. We zochten naar verschillen tussen ons, maar we konden ze ternauwernood vinden. Ik herinner me de avond bij Oyak, waarbij de rest van Taizé niet leek te bestaan, alleen wij tweeën waren op de wereld. Ik herinner me een wandeling buiten Taizé naar de spoorbaan, we spraken over Literatuur en literatuur, ik herinner me het gesprek aan tafel tegenover de afwasplaats toen we adressen uitwisselden, ik herinner me hoe we de kampwachten omkochten met een colafles waar wijn in zat, ik herinner me de maaltijden dat we naast elkaar zaten en we niet spraken … ik herinner me … zoveel! en als ik ooit dood ga en mijn leven aan mij voorbij trekt, laat dan deze dagen in slow motion langs komen! Wij waren als twee stemmen in een fuga van Johann Sebastiaan Bach: elkaar herhalend, omdraaiend, spiegelend, met gevoel voor de dissonanten en altijd terugkomend in de goede harmonie.
En toch … Vaak werd er in de kerk voor de prayer een bandje met orgelmuziek gedraaid. Een orgelwerk van Bach is altijd met die week verbonden gebleven: de Fuga in g klein BWV 578. Het klonk altijd zo mooi in die ruimte, het werd zo evenwichtig gespeeld. Het is een kwetsbaar stuk. Het moet licht gespeeld worden met heldere klanken. Ik heb het zelf zo vaak gestudeerd, maar juist dit stuk kreeg ik nooit goed in mijn vingers. Zo lang de twee handen tweestemmig spelen gaat het wel, de twee stemmen die ik altijd zie als twee vogels die om elkaar heen fladderen. Maar dan … dan zet het pedaal het thema in en moet de rechterhand matenlang een triller spelen en daar gaat het altijd fout. Uren heb ik erop zitten studeren, langzaam, langzamer, om een tempo te vinden dat het lukte en dan opbouwen, steeds sneller. Ik heb het nooit voorelkaar gekregen. Het was onvermijdelijk.
Habet acht!
Habet acht!
Bald entweicht die Nacht.
Richard Wagner Tristan und Isolde Akte II, 2
117 | 21.12.2003
7
De vrijdagavond is in Taizé een speciale avond. De evening prayer gaat over Goede Vrijdag, alsof het elke week Pasen is in Taizé. De avond wordt afgesloten met een prayer around the cross. Aan het eind van het programma wordt het kruis (een icoon) naar het midden van de kerk gedragen en ietwat verhoogd neergelegd. Als de broeders van Taizé bidden rond het kruis vormt iedereen een grote kring eromheen. Als de broeders vertrokken zijn mogen zij die dat willen naar het kruis gaan, bidden en symbolisch dat wat ze kwijt willen overgeven aan het kruis. Voor velen een heel emotioneel moment. Mooi, maar ook zeer beangstigend. Nu, ruim 17 jaar later, zie ik ook de problematische kanten van Taizé. De vrijdagavond is voor mij altijd de afsluiting geweest van de week, de rest was blessuretijd. Voor anderen was de zaterdagavond en zondagochtend minstens zo betekenisvol.
In de loop van de week had ik me steeds vaker afgezonderd. Het ging niet goed met mij. De gesprekken en de emoties hadden mij uit balans gehaald. Emoties die ik niet kende en waar ik niet mee om wist gaan. Ik kon mijn gevoelens niet plaatsen. Ik was op een zolderkamer aanbeland en ik keek met verwondering om me heen. Overal kisten en koffers die geopend waren en met bevreemding zag ik, voelde ik, wat er in zat. Wat met zorg verborgen was kwam langzaam maar zeker uit het stof omhoog.
Bovendien merkte ik dat de ontmoetingen met H. voor mij ingrijpender waren dan voor haar. Er sloop een asymetrie in. Genoot zij met volle teugen van Taizé, ik werd steeds somberder. Ik wilde me niet opdringen, ik zocht haar soms bewust niet op, maar werd altijd weer verrast door haar plotselinge aanwezigheid. In plaats van te genieten van die momenten werd ik onzekerder, ik wist niet wat ik ermee moest. Ik probeerde me op iets anders te concentreren. Ik was het vergeten, maar in die tijd hield ik me met iets bezig waar ik me al jaren niet meer mee bezig houd. Ik lees met een glimlach in mijn dagboek: Mijn compositie gaat niet erg snel. Deels door tijdnood en deels door onverwerkte indrukken die de inspiratie in de weg staan. Ondertussen weer wat gecomponeerd en is de orgelmuziek in de kerk begonnen. Het is waar ook: ik schreef muziek in die tijd! Een paar dagen later schrijf ik treffend: (…) mijn hart is nog steeds een warboel. Het was ondertussen vrijdagmiddag, stiltemiddag. Geen meetings, maar de opdracht aan iedereen om de middag in stilte door te brengen.
Dat jaar en de jaren daarna maakte ik op vrijdagmiddag een wandeling naar het dorpje Ameugny. Dat dorpje heeft één van de sfeervolste kerkjes die ik ken. Daar zocht ik de stilte op en kon ik schrijven in mijn dagboek: Er wonen zelfs zwaluwen ín de kerk. De stilte die de eeuwenoude vervallenheid van dit kerkje kenmerkt is zo indrukwekkend, daar kan men niet aan voorbijgaan. (…) Maar wat nu?
Die avond vonden we elkaar weer en gingen samen naar de evening prayer. Emotioneel was ik helemaal stuk. Maar ik was blij dat zij zo dichtbij was. Een moment in de dienst dat ik nooit zal vergeten, is in de jaren daarna altijd hét moment van herinnering geweest. Het is een fragment uit het Evangelie van Mattheus. Het werd in het Duits gelezen: Dann spricht er zu ihnen: Meine Seele ist sehr betrübt bis zum Tode; bleibet hier und wachet mit mir. Er brak iets, dieper kon ik niet gaan. We gingen samen naar het kruis, maar aan het kruis kon ik niets kwijt. We verlieten uiteindelijk samen de kerk. Ik stelde voor om een stukje te wandelen, naar Ameugny. Na een aarzeling stemde ze toe en we liepen in het donker naar Ameugny. Tijdens die tocht ging op zolder de kist open die ik met veel kettingen had afgesloten. Ik dacht dat de sleutels onvindbaar waren maar soms zijn er geen sleutels nodig. Ik vertelde haar het grote geheim. Zwijgend zaten we in het kerkje van Ameugny, ik was nog nooit zo dicht bij iemand geweest. Of we nog gesproken hebben op de terugtocht naar Taizé weet ik niet. Toen we terug waren wilde ze graag nog naar de kerk, ze wilde graag alleen zijn, ze moest nadenken. Ik wist dat het voorbij was.
De kerk in Ameugny blijkt uit 1055 te zijn. In de kerk ziet men links en rechts fresco's met letters: LX DI VRA ST. Ik heb me indertijd wel eens afgevraagd waar ze voor zouden staan. Het geheim zit 'm erin dat men de letter E moet toevoegen. Dan staat er: LEX DEI VERA EST, wat zoiets betekent als 'Gods wet is waarheid'.
118 | 22.12.2003
8
Het was voorbij. Ook zaterdag wilde ze en kreeg ze ruimte van mij. Ik had er begrip voor, maar het deed pijn, heel erg pijn. Ik heb geen idee hoe ik die dag ben doorgekomen, ongetwijfeld liep ik de hele dag met vedriet achter mijn ogen. 's Avonds kwam daar een emotie bij die ik nog nooit zo intens gevoeld had. Ik zag haar terug bij Oyak en ze sprak met een andere jongen en ik was verschrikkelijk jaloers.
Zondag was wisseldag. Ik ging die dag met mijn groep naar Cormatin om daar op een gemeentelijke campeerterrein met de groep de belevenissen van de afgelopen week door te spreken. Zij zou met een aantal mensen in haar groep nog verder op vakantie gaan in Frankrijk. We zagen elkaar 's ochtends bij de kerk, allebei onmachtig om afscheid te nemen. De magie was weg en ik was niet in staat om een houding aan te nemen. We gingen uitelkaar, allebei in de veronderstelling dat we elkaar niet meer zouden zien. Wat zo mooi was begonnen was ineens voorbij. Kort maar krachtig, ik kon het niet geloven. En zoals in elke film op een dramatisch hoogtepunt: het begon te regenen.
Toen mijn tent en bagage was ingepakt liep ik nog wat met mijn ziel onder de arm door Taizé. Ik ging met mijn dagboek onder het afdak tegenover de afwasruimtes zitten. Toen ik alle ellende van me afgeschreven had deed ik mijn dagboek dicht, keek op en zag haar lopen bij het Yellow House met twee groepsgenoten A. en L. Toen A. alleen bij hun bagage achterbleef liep ik naar haar toe om nog even afscheid te nemen van haar. We raakten in gesprek en opeens stond ze weer naast me met een pak chocalademelk in haar hand. Ik glimlachte, zij glimlachte. Ze had gedacht dat ik al weg was en dat we die ochtend wel op een zeer banale manier afscheid hadden genomen. Ze wilden nog het middageten meemaken. Ik paste op hun bagage en zij haalden de lunch op. Ze kwam terug met de lunch voor mij, de spanning was geweken en terwijl het regende aten we onder de bomen. Na het eten gingen ze weg, ze wilden nog de route bekijken in de tent. Ze draaide zich nog even om en zwaaide, dat was de laatste maal dat ik haar zag.
De laatste maal?
Taizé was voorbij. In september ging ik op kamers wonen en studeren. Ik moest nu snel volwassen worden. We schreven, het contact bleef. Nadat ik in 1987 weer naar Taizé was geweest besloot ik haar op te zoeken in H., ze woonde nog thuis. Het was fijn om elkaar te zien, maar ook onwennig. Buiten Taizé was de wereld anders. Toen ik in de trein zat naar huis wist ik het: godverdomme, ik ben verliefd … en ik wist dat het geen enkele kans maakte. We bleven elkaar zien, ook toen zij op kamers woonde. We bleven elkaar schrijven, ik heb zelfs nog tegen beter weten in een liefdesbrief geschreven. Ik had veel vrienden, maar zij bleef een bijzondere plek innemen. Ik was niet onmisbaar voor haar. Ik bewaar veel dierbare herinneringen aan die tijd. De keer dat we zo gelachen hebben tijdens een uitvoering van de Johannes Passion. De keer dat ik me in de bioscoop bijna misselijk had gegeten aan een pond Engelse drop terwijl we naar A fish called Wanda keken. De keer dat ze in café De Tap tegen mij zij dat ze niet verliefd wilde worden op goede vrienden want als het zou mislukken was ze niet alleen een geliefde kwijt maar ook een goede vriend. Op 21 maart 1989 voltooide ik een muziekstuk wat ik destijds in Taizé was begonnen. Drieenhalfjaar had ik er met enige regelmaat aan gewerkt. Het vierdelige werk voor piano duurde ongeveer een uur. Ik copieerde het stuk in het net met potlood en droeg het aan haar op.
In de zomer van 1990 – we zagen en spraken elkaar steeds minder – belde ze me op, midden in de film Gandhi. Ze wilde me vertellen dat ze een nieuwe vriend had. Ik probeerde blij voor haar te zijn, maar ik was het niet. Ik nodigde haar in oktober nog uit voor mijn verjaardag, maar ze kwam niet opdagen en ze had niet afgezegd. Ik was diep teleurgesteld en schreef een woedende brief. Of ik haar toen diep gekwetst heb of dat ze blij was met de gelegenheid om er een punt achter te zetten, ik ben er niet meer achter gekomen. Radiostilte. Ik heb later nog wel eens aan haar verjaardag gedacht en een felicitatie gestuurd. Ik heb er zelfs in een onbewaakt ogenblik nog gebeld, maar voor de rest was er alleen maar ruis. Ik had me voorgenomen om haar na 10 jaar weer te zoeken. Mijn blik was echter bij iemand anders blijven steken, ik trouwde, werd vader van een zoon en vergat de tijd.
Soms denk ik nog wel eens aan haar, bij een enkel muziekstuk, een passage in een boek of een gedicht. Of gewoon zomaar, wanneer ik dromend uit het raam kijk. Wat zou er van haar geworden zijn? Op zulke momenten realiseer ik me dat ik haar nog steeds mis. Dan komt er een melancholie over mij en denk ik terug aan die dagen in Taizé. Op zulke momenten heb ik last van my beautiful demon. Ik zal altijd nieuwsgierig naar haar blijven, maar ik weet dat die bijzondere dagen in de zomer van 1986 nooit meer terugkomen.
'Wel,' zei Poeh, 'we zoeken nu almaar naar ons huis en we vinden het maar niet, en nou dacht ik, als we nou eens naar deze Kuil zochten, dan vonden we die vast ook wel niet en dat zou al een Mooi Ding zijn, want dan konden we misschien wel eens iets vinden waar we niet naar zochten en dat was dan misschien juist iets waar we wel naar zochten.'
Benjamin Hoff Tao van Poeh, 23
119 | 23.12.2003