Over natuurrampen valt weinig zinnigs te zeggen, zeker niet als er zoveel ellende het gevolg is. Mensen proberen wel de ellende te voorkomen door waarschuwingssystemen op te zetten, maar de natuur doet wat zij doet. Het besef dringt door dat de mens geweldige vindingen kan doen, dat de mens geweldige prestaties kan leveren, maar dat aardbevingen, zeebevingen, tornado's en die vele andere natuurverschijnselen niet door de mens te beheersen vallen. Het stelt me ook gerust: de mens kan niet alles in zijn macht krijgen.

Moeder Aarde is boos hoor ik wel eens als variant op het is een straf van God. Mogelijk, maar niet waarschijnlijk. Natuurrampen vinden niet plaats om de mens een lesje te leren. Die gedachte gaat nog steeds te veel uit van het idee dat de mens een speciale historische betekenis en functie heeft. Alsof de mens het centrum van het universum is. Alsof planeet aarde er voor de mens is en de menselijke geschiedenis het belangrijkste evenement in de kosmos is. Deze planeet kon miljoenen jaren zonder mens en als het dier mens is uitgestorven zal de tijd gewoon verder tikken, desnoods miljoenen jaren. De mens is een parasitair beestje dat in de humuslaag van een planeet leeft. Eigenlijk is de aanwezigheid van dit diertje een natuurramp voor de rest van het leven op die planeet. Daar zou eens wat aan moeten gebeuren.

30.12.2004

Veel Nederlanders verlangen terug naar gemeenschapszin. Ze willen geen maatschappij meer zijn waar mensen als autonome atomen tegen elkaar aan botsen waarbij ongewenste reacties optreden. Maar op de vraag wat of wie er dan zou moeten veranderen wijzen ze vooral naar de ander. Met onszelf is immers niets mis, het is de ander die zich niet op de juiste manier wil aanpassen.

Wat denkt u? Bent u bereid om iets van uw autonomie en persoonlijke vrijheid in te leveren als dat de gemeenschapszin ten goede komt? Dat we niet meer alleen een maatschappij zijn, maar ook een samenleving?

27.12.2004

Ik gebruik mijn weblog vaak om herinneringen op te halen. Mijn weblog als genealogie van mijn denkwereld. Toen ik vanochtend in de krant las over de nieuwste waangedachten van meneer Wilders en meneer Spruyt vroeg ik me af hoe het toch zo ver met die meneertjes had kunnen komen. Maar ik vroeg me ook af hoe ik tot mijn principes ben gekomen en ik moest constateren dat ik dat eigenlijk nauwelijks wist.

Natuurlijk herinner ik mijn ouders die altijd trouw stemden wat van hun verwacht werd. Mijn ouders stemden altijd CDA alhoewel mijn vader uit een links PvdA-nest kwam. Mijn vader is nu zo wantrouwig naar de politiek dat hij het echt niet meer weet en niet meer stemt. Mijn moeder blijft CDA stemmen. Ze ziet ze de problemen wel rond dit kabinet, maar ze heeft het gevoel dat het CDA het goed ziet en het juiste doet. Uiteindelijk is je stem uitbrengen ook een intuïtieve keuze, je kunt niet alles overzien en het is een kwestie van vertrouwen.

Wanneer er zoiets als een politiek bewustzijn bij mij is ontwaakt, ik heb geen idee. Eén van de oudste herinneringen is een herinnering aan een verkiezing op school. We mochten nog niet echt stemmen, maar tijdens een godsdienstles deden we alsof en discussieerden. De herinnering is me ongetwijfeld bijgebleven omdat ik toen VVD stemde. Toen de leraar mij vroeg naar mijn motivatie heb ik iets geantwoord in de trant van dat het de partij van de vrijheid was en dat die partij het beste bij mij paste. Ik zie die leraar nog grinniken en toen ik hem vroeg waarom hij moest lachen ging hij er niet op in.

De enige verklaringen die ik voor mijn jeugdzonde kan geven zijn onwetendheid en naieviteit. Bij de geschiedenislessen hadden we iets geleerd over het ontstaan van de partijen en waar ze voor stonden. Ik was een hartstochelijke liefhebber van klassieke muziek en las veel oude literatuur. Het liberale idee dat je het goede uit het verleden moet behouden zal mij wel aangesproken hebben. En natuurlijk vrijheid, zo min mogelijk regels, ik was ook een puber.

Daarnaast zal het ongetwijfeld te maken hebben gehad met de mensen die ik ontmoette. Je wilt graag ergens bijhoren en een gedeelde blik op het leven is dan heel belangrijk. Maar ook het afzetten is bepalend. Zo had ik een hele goede vriend op de middelbare school die ineens een andere weg ging. Hij ging zich ineens in het zwart kleden en klonterde samen met andere vriendjes in het zwart. Ongetwijfeld blowden ze ook stiekem samen, iets wat 25 jaar geleden op een middelbare school in Leeuwarden nog heel stout was. Ik voelde me door mijn vriend in de steek gelaten en dat zal er mede toe bijgedragen hebben dat ik koos voor de andere kant van het politieke spectrum.

Waar is mijn wereldbeeld gekantelt? In de tijd van my beautiful demon was ik al een twijfelaar, ik speelde toen al met de gedachte om militaire dienst te weigeren. De draai naar links was al in volle gang en het kan zijn dat ik door haar het zelfvertrouwen kreeg om de stap definitief te zetten. Bovendien ging ik in die tijd studeren en zou ik mijn middelbare schoolgenoten niet meer zien. Zij zouden geen weet hebben van mijn ommezwaai en ik zou dus geen gezichtsverlies lijden. Enkele jaren later noemde ik mezelf half ironisch half serieus vaak een pacifistisch religieus anarchist. Ik had een theorie uitgedacht voor anarchisten om ook een rol te kunnen spelen in de Tweede Kamer. Centraal daarin stond dat ik vond dat ook niet-stemmers vertegenwoordigd moesten zijn in de Tweede Kamer. Heeft 40% niet gestemd, dan moest ook 40% van de kamerzetels leeg blijven. De overige partijen moesten dan wel heel erg gaan samenwerken om nog een meerderheid in de Tweede Kamer te krijgen. Anarchisten hoefden dan alleen nog maar mensen te stimuleren niet te gaan stemmen. Zodra meer dan 50% van het stemvee niet meer ging stemmen was de Tweede Kamer niet meer in staat om te regeren met een meerderheid en zou decentralisatie naar provincies en gemeenten in gang gezet worden. Daar zou natuurlijk een vergelijkbaar proces moeten plaatsvinden. Ik vond het indertijd wel een aardig idee.

Vanochtend realiseerde ik me dat kleine sporen van het denken uit die tijd bij mij nog steeds aanwezig zijn zodra het rechtse gevaar zich weer gaat roeren.

8.11.2004

Ik ben mentaal moe. Doodmoe. Door de afgelopen week. Niet door het extremisme, daar kan ik weinig tegen doen. Maar door de Nederlanders met wie ik in discussie raak. De onmacht als ik merk dat mensen verharden en radicaliseren. Mijn verantwoordelijkheidsgevoel om steeds maar weer die discussie aan te gaan en te blijven praten. In de hoop dat het iets uitmaakt. Nu mijn toon ook begint te verharden naar die Nederlanders weet ik dat ik even afstand moet nemen. Laat de tijd het maar over nemen. De dood van Van Gogh heeft niet alleen zichtbaar gemaakt dat er extremisme in Nederland bestaat, maar ook dat schijnbaar gewone mensen zo makkelijk afglijden naar bedenkelijk niveau. En het is nog zorgwekkender dat sommigen belangrijke posities innemen in de politiek. Laten we met zijn allen niet inslapen en wakker blijven. Er waart een spook door Nederland.

7.11.2004

Kent u het verhaal van Tante Tuimelaar, de duif die verdwaalde? Altijd kon zij de weg terug vinden naar huis, of het nu uit Afrika of Groningen was.

Op een dag ging het mis want ze had van de mensen gehoord hoe het kwam dat ze altijd zonder erbij na te denken vanzelf de weg terugvond. Toen ze weer eens vanuit Groningen naar huis moest vliegen verdwaalde ze. Ze streek neer op een hek en raakte in gesprek met een koe.

'Dáág,' zei de koe, 'hoe maakt u het, Duif?'

'Slecht,' zei tante, 'ik ben in Groningen geweest. Nu moet ik naar Rotterdam. Weet jij de weg?'

'Nee,' zei de koe. 'Ik weet wel de weg naar de stal. Die weet ik dan ook goed.'

'Ik begrijp het niet,' klaagde tanta Tuimelaar. 'Ik weet altijd vanzelf waar ik heen moet, dat is nu eenmaal een hebbelijkheid van ons. Ik ben postduif van mijn vak. En nu hebben ze me aan mijn hoofd gezanikt hoe het komt dat ik de weg weet. Zo erg, dat ik nu de weg niet meer weet, als u me volgen kunt, Koe.'

'Jawel,' zei de koe. 'Als ik het goed heb, hebt u zich door mensen in de war laten brengen. Dat is fout. Ik ga mijn gang. Als het tijd is om gras te eten, dat eet ik gras en als het tijd is om te herkauwen, dan herkauw ik. Weet je wat het beste is? Doe een dutje hier op het hek. Als u wakker wordt gaat u gewoon vliegen. En niet meer denken aan wat de mensen gezegd hebben.'

Annie M.G. Schmidt Misschien wel echt gebeurd, 54-55

Dat laatste antwoord van die koe vind ik zo mooi. Het is vast een boeddhistische koe.

Overigens is het goed afgelopen met Tante Tuimelaar.

5.11.2004

'Hadden we Amerika maar nooit ontdekt dan zaten we er nu niet mee opgescheept!'

'Het had wel als voordeel dat die Amerikanen tenmiste uit Europa konden emigreren.'

'Mogen we nog blij zijn dat die Indianen zo'n ruimhartig asielbeleid voerden.'

3.11.2004

Met verbijstering lees ik sommige weblogs en commentaren. Is Nederland dan zo naïef? Denken we dan met z'n allen nog steeds dat Nederland zo'n geweldig land is? Kom nou toch, wordt wakker allemaal? Hoe goed hebben jullie Van Gogh gelezen?

Hier en daar lees ik de vraag 'In wat voor wereld leven wij'.

Wel waarde lezer, in een wereld waarin mensen voor mensen voor minder een kopje kleiner worden gemaakt. In een wereld waarin kinderen van honger en dorst omkomen terwijl er eten en drinken genoeg is voor iedereen. In een wereld waarin we toestaan dat onze welvaart systematisch de natuur verprutst! En dan zijn er godverdomme nog mensen die durven te vragen in wat voor een wereld wij leven? Wordt wakker!!! Het is erg dat Van Gogh vermoord is, maar blijf de zaken alstublief in proporties zien. Zo heilig was Van Gogh nu ook weer niet. We mogen met z'n allen blij zijn dat we in Nederland geboren zijn, maar we moeten niet doen alsof het hier altijd zo'n paradijs is geweest. We doen weliswaar erg ons best om zo vriendelijk en tolerant over te komen. Maar in wezen is de Nederlandse samenleving net zo verrot als welk willekeurig land dan ook. Het ziet er van buiten prachtig uit met z'n tulpjes, grachtjes in Amsterdam, z'n kaasjes, klompjes en draaimolentjes, maar het stelt eigenlijk geen ene reet voor.

Zo. En nu over tot de orde van de dag.

2.11.2004

Er heerst verslagenheid hier op mijn werk in Amsterdam. Ik deel het met hun, maar ik voel me toch buitenstaander. De een na de ander kwam hetzelfde nieuws brengen: Theo van Gogh is doodgestoken. Er is weer iemand dood die zijn mond open durfde te doen, vindt men.

Wat moet ik ervan vinden?
Ik vind het vreselijk dat er iemand vermoord is. Ik kende Van Gogh niet persoonlijk, maar de dood van een mens heeft voor mij altijd iets tragisch. Of het nu een bekende Nederlander is of niet, het maakt me altijd verdrietig.

Maar er wordt niet alleen getreurd om de persoon Van Gogh, maar ook om het feit dat hij nu niet meer kan vertolken wat vele mensen schijnbaar dachten. Ik mocht zijn onconventionele stijl, zijn humor. Maar sinds hij zich humorloos ging bemoeien met de discussies over de islam, begon er bij mij iets te knagen. Dat hij zijn richting vorm gaf in een film, dat kan ik prijzen, maar zijn harde en fortuyneske opstelling in de media maakte dat ik afstand begon te nemen van Van Gogh. Van Gogh was van zijn voetstuk gevallen. Natuurlijk, je mag je meningen hebben, maar dat kun je op verschillende wijzen over het voetlicht brengen. Van Gogh maakte kapot, het was niet grappig meer, zijn vroegere clownekse houding was doodserieus geworden. Theo van Gogh gaf mensen het gevoel dat ze politiek acceptabele opvattingen hadden als ze ongenuanceerd tegen de islam waren.

Theo van Gogh had ongetwijfeld veel vijanden. Dat schijnt hem nu fataal geworden te zijn. Er is een bijzondere persoonlijkheid vermoord.

Maar ik houd verder even mijn mond, het heeft nu geen zin om te zeggen hoe verschrikkelijk oneens ik het met Theo van Gogh was. Gelukkig heeft hij prachtige films gemaakt en die herinner ik me liever. Maar ik vrees dat Nederland de komende tijd Van Gogh niet zal herinneren als een groot cineast. Ik hoop dat de toekomst dit recht zal zetten.

2.11.2004

'Ga je mee?'

Ik draaide me om. 'Pardon?' Ik keek haar aan. Werd mij hier een oneerbaar voorstel gedaan?

'Ga je mee?' zei ze nogmaals glimlachend. 'Op reis?'

Haar glimlach kende ik ergens van. Een glimlach van een demon. Een hele mooie demon, dat wel. Zo'n glimlach die pijlen afschiet, een glimlach die mensen meteen raakt. Innemend en optimistisch, een glimlach van iemand die zich altijd veel te snel in allerlei avonturen stort en weer van de koude kermis thuiskomt. Ik was vaker zo'n glimlach tegengekomen, ik kende die glimlachers. Ze bewegen zich vrolijk en energiek door de ruimte waarbij ze hier en daar een tafeltje met een kostbare vaas omgooien. Pas op dat ze niet in je kast met porselein terecht komen! Ik val als een baksteen voor ze. Uiteindelijk moet je ze altijd troosten omdat ze weer tegen vele lampen gelopen zijn. Het is een mooie, maar tragische glimlach.

Ik aarzelde, ik hield niet van reizen.

'Waar brengt de reis mij?'

'O, dat zie je wel, het zal je niet teleurstellen.'

Kom op, jwl, wees eens voor één keer avontuurlijk, zei ik tegen mezelf. Ik stemde in en we gingen meteen.

Ze stelde me niet teleur, het was een reis waar ik wel van hield. We zagen laagvlakten en hooggebergten. We spraken vele interessante en mooie mensen. Hier en daar bereikte mij een inzicht. We hadden plezier en genoten van onze eindeloze gesprekken. Het was fijn aan haar zijde en de reis had wel veel langer mogen duren, eeuwig misschien wel.

Het was me natuurlijk niet gegund. Op een dag liep ze naar iemand toe en zei 'Ga je mee?'. De persoon keek haar aan alsof hem een oneerbaar voorstel werd gedaan.

Teleurgesteld keek ik om me heen. Ik bleek thuis te zijn. Alles leek veranderd, maar ik besefte dat alleen ik veranderd was. Ik keek anders, ik luisterde anders. De wereld was hetzelfde gebleven.

Zo ongeveer zou je de ervaring van het lezen van een mooi boek kunnen omschrijven.

1.11.2004

U kent die mensen vast wel, die mensen bij wie het in huis altijd een zootje is. Overal ligt wat, niets is opgeruimd. Meestal zijn dat hele gezellige mensen. In ieder geval wordt er duidelijk geleefd in zo'n huis. Ik heb daar geen moeite mee, als het er verder ook maar schoon is. Mijn zus is zo iemand en ik voel me bij haar altijd enorm op mijn gemak. Bij mijn zus kom ik altijd een beetje thuis.

In mijn eigen huis kan ik dat niet. Ik kan niet functioneren in een rommelig huis. De dingen moeten op hun plek zijn. Ik kan er niet tegen als ik eerst moet opruimen als ik ergens wil zitten of als ik gebruik wil maken van een tafel. Als ik thuis wil lezen of iets dergelijks moeten eerst alle prikkels uit de weg, anders heb ik geen rust. In de loop der tijd heb ik geleerd de grens van het acceptabele op te schuiven. Zeker met een kind kun je niet verwachten dat je huiskamer opgeruimd is. Mijn vrouw is een wat opgeruimder huis gaan waarderen, we zijn naar elkaar toe gegroeid.

Er zijn ook mensen die een bijna klinisch leeg en opgeruimd huis hebben. Niet dat het er altijd netjes is, maar als het huishouden gedaan is, ligt er niets teveel. Er komt pas iets aan een lege muur te hangen als er iets gevonden is dat daar precies past. Over de inrichting van het huis is nagedacht, gewikt en gewogen. Het is ruimtelijk, leeg. Als ik daar binnen kom vind ik dat wel prettig, maar ook beangstigend. Je bent voortdurend op je hoede dat je niet iets verpest. Alles heeft waarde in zo'n inrichting en stel je voor dat ik...

Gisteren schreef ik dat ik erachter kwam opvattingen te hebben over opmaak. Die opvattingen had ik altijd al, maar ik werd ze me bewust. Niet dat ik me laat leiden door die opvattingen als ik tijdschriften, boeken, muzieken enz. wil kopen, maar ze gelden vooral als ik zelf iets wil maken. Het heeft natuurlijk te maken met de eeuwige discussie over vorm en inhoud.

Bij deze discussie moet ik altijd denken aan lezingen van de componist Louis Andriessen die ik ooit gevolgd heb in mijn studietijd. Ik zie hem nog voor de zaal heen en weer lopen terwijl hij sprak en ondertussen een peuk aan het draaien was. Kijk, zei hij, terwijl hij een vloeitje omhoog hield, dit is de vorm. De shag is natuurlijk de inhoud. Dat draaien we tot een peuk. Vervolgens brak hij de peuk doormidden met de opmerking: zo rook ik de helft minder.

Vorm en inhoud moeten precies bij elkaar passen. Het vloeitje kan niet zonder shag. Geen vorm zonder inhoud. Maar de shag kan niet zonder het vloeitje en elke roker weet hoe irritant een slecht gedraaid peukje rookt. En je kunt altijd met minder toe.

Louis Andriessen heeft opvattingen die ik deel. Als voorbeeld vertel ik vaak over het eerste deel van zijn theaterstuk De Materie. De Materie is een kunstzinnig onderzoek naar een uitspraak van Karl Marx dat de mens bepaald wordt door de materie.

Het eerste deel speelt zich af op een scheepswerf in de Gouden Eeuw. Als tekst heeft hij oude bronnen genomen waarin wordt vertelt hoe je zo'n VOC-schip bouwt. Zelfs een lijst met gereedschappen en andere benodigdheden heeft hij opgenomen (de tekst is van Nicolaes Witsen uit 1690). Daarnaast gebruikte hij tekstfragmenten over fysica (Gorlaeus, Idae Physicae uit 1651) en fragmenten uit het Plakkaat van Verlatinge uit 1581, waarin de Nederlanden hun trouw aan de Spaanse koning opzegden.

Indrukwekkend vond ik het idee van Andriessen voor de vorm. Hij had prachtige tekstfragmenten, maar welke noten moet je daar als componist bij verzinnen? Hij nam als uitgangspunt het hameren, een geluid dat ongetwijfeld veel op een scheepswerf in de zeventiende eeuw te horen was. U weet vast wel hoe dat gaat wanneer iemand een spijker ergens in slaat. Je begint langzaam en je gaat uiteindelijk steeds sneller slaan. Het stuk begint dan ook met 144 klappen in een tempo dat steeds sneller gaat. Andriessen gebruikte daarvoor een wiskundige reeks waarin de Gulden Snede verborgen zit. Dit wordt dan weer gegoten in een muzikale vorm die populair was in de zeventiende eeuw, de toccata.

Er valt veel meer over dat stuk van Andriessen te vertellen (wellicht doe ik dat nog wel eens een andere keer), maar het gaat me hier om de werkwijze. Niet dat Andriessen niets aan toeval overlaat, maar er is een reden voor de keuze van zijn noten. Zoals hij wel eens zegt: componeren is het vinden van de juiste noten. Die opvatting deel ik met hem.

Bij het opmaken van mijn websites en clubblad hanteer ik de opvatting: niet meer dan nodig is en zorg dat je kunt uitleggen waarom je het doet zoals je het doet. Als ik een tijdschrift lees, gaat het mij om de teksten. Een tijdschrift moet leesbaar zijn. Het valt me op dat opmakers tegenwoordig zeer barok opmaken. Tijdschriften lijken soms wel op die katholieke barokke kerken in Zuid-Duitsland en Oostenrijk: elke vierkante millimeter is benut en gevuld. Het kan – zeker in het begin – zeer indrukwekkend zijn (en dat was natuurlijk ook de bedoeling), maar na verloop van tijd is het effect verloren en word ik er mentaal een beetje misselijk van. Het lijkt wel alsof opmakers van tijdschriften tegenwoordig bang zijn om saai te zijn, bang zijn voor leegte. Een gemiddeld tijdschrift vind ik tegenwoordig moeilijk leesbaar.

Bij het maken van het clubblad heb ik me laten leiden door een streven naar rust in de opmaak. Een schreefloze letter (font 10) voor de basistekst, niet al te grote koppen. Consequent zijn: als je schaakpartijen opneemt, doe ze dan ook allemaal hetzelfde. En het belangrijkste: niet bang zijn voor stukken lege bladzijden. Geen bladzijden opvullen met plaatjes en andere troep. Er mag leegte zijn. Het is aardig gelukt, al kan het nog beter. Het clubblad was ditmaal dan ook onder tijdsdruk ontstaan.

Mijn opvatting is: er moet een spanning zijn tussen minimale middelen en datgene wat je wilt bereiken. Betekenisvolle eenvoud maakt meer indruk dan lege overdaad. Aan de ene kant moet er rust zijn (vorm) en aan de andere kant spanning (inhoud). Ik wil dat als iemand een blad opslaat diegene als vanzelf gaat lezen. Ik wil dat als iemand op mijn weblog komt diegene als vanzelf gaat lezen (en het liefst blijft lezen, maar dat is weer afhankelijk van andere factoren, de inhoud, en daar ben ik slechter in) en niet afgeleid wordt door allerlei lijstjes met linkjes, shoutboxen enzovoort enzovoort. Ik ben daar zelf niet altijd consequent in, maar het is wel de reden waarom ik zo nu en dan weer ga snijden en weglaten.

En als u nu denkt: o, hij vindt mijn website dus niets, want daar is de opmaak onrustig met veel informatie en lijstjes, dan moet u maar weer aan het begin beginnen en het gedeelte lezen over rommelige huishoudens.

29.10.2004

Het is alweer enkele jaren geleden dat ik redacteur werd van het clubblad van mijn schaakclub. Ik had toen nauwelijks ervaring met computers, laat staan met het programma Word. Ik had thuis wel een computer, maar veel stelde dat niet voor. Geen internetaansluiting en ongeschikt voor het maken van zo'n clubblad. Ik was dan ook blij dat ik het samen met iemand anders kon maken die wel over de apparatuur beschikte. Aanvankelijk ging de samenwerking goed, maar na tweeënhalf jaar gaf ik het redacteurschap op na een ongewild, maar heftig conflict. De andere redacteur ging verder met een andere kompaan.

In de tijd van mijn redacteurschap ontdekte ik dat ik het opmaken van zo'n blad een fascinerende bezigheid vindt. Ik ontdekte ook dat ik opvattingen had over opmaak. Het clubblad gaf me de ruimte om na te denken over de indeling van zo'n blad, de bladzijden waren op A4-formaat en een nummer telde al gauw 40 bladzijden en dat verscheen dan 8 keer per jaar. Er was me veel aan gelegen om er een mooi clubblad van te maken. Ik was voortdurend aan het experimenteren. Er ontstonden vele clubbladen in mijn hoofd die nooit verschenen zijn. Mijn mede-redacteur begreep weinig van al dat geëxperimenteer. Voor mij was het een ontdekking. Als ik nu 18 was, was ik misschien grafische vormgeving gaan studeren.

Na het clubblad ben ik me gaan verdiepen in html en ben ik een website gaan maken voor de schaakclub. Toen kon ik mijn fascinatie voor het opmaken daarin kwijt. Die website bestaat nog steeds en na vele veranderingen heeft die website nu een vorm gekregen die voorlopig wel zo zal blijven: De Oud Zuylen Tamtam. Naast deze website maakte ik een website waar ik vrijelijk van alles uitprobeerde. Het was een soort html-werkplaats voor mij. Toen ik lucht kreeg van het verschijnsel webloggen, kreeg deze website een nieuwe functie. Het gepruts met opmaak bleef, maar dat weten de vaste bezoekers van deze website zolangzamerhand wel.

Afgelopen zomer ontstond er een vacature voor het clubblad. Ik gaf vrij snel aan dat ik wel belangstelling had om het weer op me te nemen, het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Herinneringen aan de conflicten waarmee ik mijn vorige redacteurschap beëindigde maakten dat het bestuur daar niet aan wilde. Ik vond dat jammer, maar ik kon me erbij neerleggen. Er waren enkele clubgenoten die wel aan het clubblad wilden werken, maar niet in het bestuur wilden. Het clubblad moest anders, er moest een nieuw elan komen. Alhoewel de inzet van de vorige redacteuren werd gewaardeerd, vond men toch dat het clubblad nieuw leven ingeblazen moest worden.

Uiteindelijk werd er iemand gevonden die wel in het bestuur wilde. Hij ging nu samen met twee anderen het clubblad maken. Eén iemand ging de tekstredactie doen, want het oude clubblad werd erg ontsierd door veel spelfouten en slecht Nederlands (nog erger dan op deze weblog). Een ander wilde zich inzetten voor de copij, het maken van interviews. Vlak voor de herfstvakantie werd ik gevraagd of ik de opmaak wilde doen. Na een korte aarzeling heb ik 'ja' gezegd, met als voorwaarde dat alle copij bij terugkomst van vakantie in mijn digitale postbak zou liggen.

Afgelopen weekend heb ik dus weer een clubblad in elkaar geprutst. Op een veel betere computer, met veel meer vrijheid en ik kon me nu louter op de opmaak concentreren. Spannend was het wel, want in Word en in pdf ziet alles er mooi uit, maar hoe het er uiteindelijk op papier gaat uitzien blijft spannend. Eergisteren werd het clubblad uitgedeeld op de clubavond. Het was een opluchting om te zien dat het gelukt was. Ondanks vele details die in de drukte waren blijven zitten zag het er prachtig uit. Het kan altijd beter, het kan nog mooier, maar voor mij was het belangrijkste om te merken dat ik het werken aan zo'n clubblad nog steeds geweldig vind. Het blijf amateurwerk, dat wel, maar daar maal ik niet om. Nu moet ik ook maar eens gaan lezen wat er eigenlijk in dat clubblad staat.

28.10.2004

Het is een jaarlijks terugkerend ritueel. Men weet dat ik van boeken houd, maar men durft mij nauwelijks boeken cadeau te doen op mijn verjaardag. Dus krijg ik geld. Tenzij men vindt dat ik maar eens wat anders moet kopen dan boeken. Dan krijg ik een cd-bon.

Maar ik zou natuurlijk ook eens wat anders voor dat geld kunnen kopen dan boeken. Wát weet ik niet, maar het zou kunnen. Per slot heb ik alle boeken die ik vorig jaar kocht nog niet eens uit.

Zucht. Wat zeur ik, verwende westerling die ik ben.

Vanochtend betrapte ik me op de volgende gedachte. Aanleiding was een mevrouw die chagrijnig een mevrouw te woord stond die om geld voor eten vroeg. Toen de chagrijn de trap opliep naar het perron zag ik dat ze zeer dure merkschoenen droeg. Merkschoenen die ongetwijfeld in een of andere belanstingvrije handelszone in Azië zijn gefabriceerd door werknemers die nauwelijk genoeg verdienen om eten te kopen. Die merkschoenen die door het logootje en het gevoel dat zo'n logootje bij ons moet opwekken met gigantische winst in onze winkels verkocht worden aan mensen die nog geen cent over hebben voor de mensen die zij toevalligerwijs op straat tegenkomen en die het toevalligerwijs wat minder getroffen hebben in het leven. Toen dacht ik: zou dat stuk chagrijn nu ook gedemonstreerd hebben tegen het kabinet Balkenende?

En vervolgens durf ik u bijna niet meer te vertellen welke boeken ik gekocht heb voor mijn verjaardagsgeld.

Zucht.

Welaan, de oogst van dit jaar:
Simen Agdestein Schaakwonder. Hoe Magnus Carlsen de jongste grootmeester ter wereld werd
Ad Verbrugge Tijd van onbehagen. Filosofische essays over een cultuur op drift
Rüdiger Safranski Arthur Schopenhauer. De woelige jaren van de filosofie

27.10.2004

Vanuit Oost-Vlieland kan men met de bus naar het westen. Het eindpunt is bij 't Posthuys.

Na een versnapering liepen we nog twee kilometer westwaarts tot aan de kazerne. Gedurende die twee kilometer loop je langs een broed- en rustgebied voor vogels, een gebied dat vooral in de zomermaanden afgesloten is voor het publiek. Het voelt als een zeer groot contrast: eerst lopen langs een groot natuurgebied en dan niet verder kunnen omdat er bij de kazerne een militair oefenterrein begint.

Het waaide vreselijk hard afgelopen donderdag. We waren dan ook blij dat we naar rechts konden afbuigen naar de duinen waarachter het strand van de Noordzee lag.

Bovenop de duinen heeft men een mooi uitzicht over de Vliehors, een enorme zandvlakte dat het uiterste westen van Vlieland uitmaakt. Ik zag de borden in de verte staan, de borden met rode vlaggen: 'verboden toegang', 'militair oefenterrein' of 'levensgevaarlijk' zou er wel opstaan. Ik had zin om er naartoe te lopen, om naar de uiterste grens te gaan en even om de borden heen te lopen, even kijken wat er op de achterkant staat (PAS OP: BURGERS wellicht?). Op het strand echter heerste een zandstorm die verder lopen naar het westen onmogelijk maakte.

Met de wind in de rug liepen we terug langs het strand. We waren de enigen. Het was een surrealistische ervaring: de enorme branding van de zee, het zand dat als wolken over de bodem voortjoeg en het lawaai van de wind! Het was geweldig! Ik had er uren naar kunnen kijken.

Ik vond het jammer dat we weer terug over de duinen het binnenland in moesten, terug naar 't Posthuys (zou een mooie titel voor een weblog zijn), terug naar de wereld met de mensen.

Het was de mooiste wandeling die we ooit gemaakt hebben.

25.10.2004

Waarom nemen die mensen nou niet eens gewoon de tijd om zich te haasten?

4.10.2004

De voordeurbel gaat. Ik strompel in mijn ochtendjas en met een kop koffie in mijn hand naar de voordeur. Ik doe het luikje in de deur open. "Goedemorgen meneer L!!!! Ik kom u vertellen hoe afschuwelijk de wereld is." "Pardon?" "Ja, ja, daar heeft u zich vrijwillig voor opgegeven. We komen nu elke ochtend bij u langs. Behalve op zondag." "Huh?" "Laten we beginnen, want ik heb het druk, ik moet nog vele andere deuren langs." "Maar ..." "Eens kijken ... 34 Iraakse kinderen gedood, zullen we daar maar mee beginnen? Kijk ik heb er nog een mooie foto bij van meneer Reuters. Ziet u wel, een Iraakse meneer draagt zijn dode zoon." Ik zie hoe een man het zonder geluid uitschreeuwd van verdriet en zijn met bloed besmeurde kind in zijn armen houdt. Ik voel boosheid en tranen. "Sodemieter op! Ik wil dit niet! Ik weet zonder u ook wel dat de wereld een hel kan zijn!" "Maar wilt u dan niets weten van het treinongeluk in Roosendaal? Viel wel mee hoor met al die gewonden ..." "Nee, ik ..." "Dode agenten in Enschede misschien?" "NEE!" "Of wilt u liever wat positief nieuws?" Ik moet mezelf beheersen om niet die kop van die kerel door het luikje van de deur heen te trekken. Trillend van woede doe ik beheerst het luikje dicht nadat ik hem bezworen heb niet meer langs te komen. "En ik moet u nog uitnodigen namens meneer Bos om morgen te komen demonstreren ..." hoor ik hem nog achter de deur roepen ...

Ik ga die krant echt eens opzeggen. Ik kan er soms niet meer tegen.

1.10.2004

Het was ons al opgevallen toen mijn zoon nog peuter was: hij was een stuk onrustiger als de televisie aanstond. We hebben verschillende malen de proef op de som genomen en het klopte. Ik vond het ook niet zo vreemd, ik heb ook liever de televisie, radio (muziek) uit als ik met iets anders bezig ben.

Dat mijn zoon zich snel ontwikkelde op bepaalde gebieden, daar heb ik hier al eens over geschreven. Uiteindelijk kreeg hij het etiket 'hoogbegaafd'. Voor de ouders van een hoogbegaafd kind kan het een grote zorg zijn.

Zo nu en dan voelt mijn zoon zich niet gelukkig op school. Soms gaat het maanden goed, maar dan begint de onrust weer. Dat gaat natuurlijk niet onopgemerkt. Verwonderlijk was het wel dat in korte tijd twee mensen mijn vrouw erop wezen dat mijn zoon wel eens hoog sensitief zou kunnen zijn. Daar wisten we weinig van af. We hadden er eerder een associatie bij met de zogenaamde nieuwetijdskinderen. Deze kinderen zouden op een meer paranormale manier hoog sensitief zijn. Daarover gaat het hier dus niet.

Hoog sensitiviteit bleek vooral een theorie die ontwikkelt was door psychologe Elaine N. Aron. Overal waar je informatie zoekt krijg je het advies haar boeken te lezen. Mijn belangstelling werd pas echt gestimuleerd toen ik in de beschrijvingen mezelf begon te herkennen. In de testen had ik steeds hoge scores. Bij deze vorm van hoog sensitief gaat het om intensere gevoeligheid voor zintuigelijke prikkels.

Toch ben ik nog sceptisch over dit onderwerp. Bij dit soort psychologische typeringen heb ik hetzelfde gevoel als bij al te simplistische astrologische typeringen: je herkent er altijd wel iets in. Mijn scepsis werd nog groter toen ik de boeken van Aron bij de psychologische zelfhulpboeken zag staan met een vreselijke omslag. Haar boeken zijn bestsellers, zeventien drukken in een paar jaar tijd zegt genoeg over de populariteit. Ik moest zowaar mezelf overwinnen om een boek te kopen.

Het onderwerp fascineert me, maar het boek is in een vreselijke stijl geschreven (cq vertaald). Het laat zich nog het beste omschrijven als een stijl dat in een rap tempo de Libelle- en Margriet-stijl nadert. Het vertalen van het Engelse 'you' in 'je' in plaats van 'u' heeft daar ongetwijfeld mee te maken. Dat maakt het voor mij moeilijk om de inhoud op waarde te schatten. Vijfentwintig jaar onderzoek wordt hier door hoogleraar Aron in een populair wetenschappelijk boek gepresenteerd waarbij haar een zo groot mogelijke doelgroep voor ogen moet hebben gestaan. Toch, als je om de stijl heen weet te lezen, bespeur je dat er een integer ondezoek en theorievorming aan ten grondslag moet liggen.

Maar ondanks de bijna onverteerbare schrijfstijl ga ik me er toch doorheen worstelen. Het onderwerp raakt me.

30.9.2004

Politieke tegenstanders lopen de kans nooit meer iets goed te kunnen doen. Wat ze ook doen, het wordt dermate kritisch bekeken dat er altijd wel iets niet goed aan is. En als het niet iets is wat gezegd of beweerd wordt, dan is het wel een kapsel of kledingstuk dat aanleiding geeft tot spot. Zelf probeer ik zo min mogelijk iemand te kleineren met zijn naam of uiterlijk. Om het goede voorbeeld te geven aan mijn zoon, maar ook omdat ik zelf vroeger veel last heb gehad van de spot van anderen. Het ziekelijke getreiter rond het kapsel van Balkenende komt me al een tijdje mijn strot uit. Het zegt meer over diegene die de 'grappen' maakt dan over Balkenende. Maar goed, dit kabinet maakt het me soms wel moeilijk om me in te houden.

Zo verbaasde ik me gisteravond over de felicitaties van Zalm aan de Pakistaanse president Musharraf met het doden van een topterrorist. Kun je dat zo wel doen, vroeg ik me af. Je kunt toch niet iemand feliciteren omdat hij iemand heeft laten doden? Zeker niet als het iemand is als Musharraf die zelf geen schone handen heeft. Dat de Verenigde Staten die klootzak nodig heeft voor hun strijd tegen het terrorisme (zoals ze ooit Saddam Hoesein nodig hadden), wil nog niet zeggen dat de Nederlandse regering maar complimentjes moet gaan maken met het doden (lees: vermoorden) van een topterrorist? Niet dat ik medelijden heb met die terrorist, maar het doden van een mens is niet iets waar je luchtig over doet, ook al is het een terrorist, ook al deed die terrorist zelf waarschijnlijk luchtig over het doden van andere mensen. Het is misschien naief van mij, maar ik blijf uiteindelijk altijd de mens achter de misdadiger zien. Hoe is iemand zo geworden zoals hij is geworden.

Of kan Zalm gewoonweg niets meer goed doen in mijn ogen?

28.9.2004

Ze stonden te folderen bij de uitgangen van het Centraal Station, de FNV-ers. Ik betrapte mezelf erop dat ik probeerde ze te ontlopen. Het zal wel uitleg zijn over de staking van het openbaar vervoer maandag (hoe komen al die fans in de Arena maandag?). Ik hoef daarover geen uitleg, ik begrijp het zo ook wel. Ik heb een grote hekel aan folders.

Staken en demonstreren zit niet in mij. Ik heb vroeger wel eens gedemonstreerd tegen kernwapens, maar echt prettig vond ik het niet in die massa. Bovendien vind ik dat ik niet de aangewezen persoon ben om te demonstreren. Ik heb op een partij gestemd die nu in de oppositie zit in de Tweede Kamer, die partij moet mijn stem laten horen. Het zijn de stemmers die op de regeringspartijen gestemd hebben die moeten aangeven dat zij hier niet voor gekozen hebben. Dat de oppositie demonstreert is niet echt verrassend.

Hoezeer ik ook achter de demonstraties sta, hoezeer ik ook twijfel aan dit kabinetsbeleid, er blijft bij mij een gevoel achter dat zegt dat deze regering een gevolg is van onze zo bejubelde democratie. Er zijn mensen die dit gewild hebben en als zij een meerderheid vormen dan doet deze regering uiteindelijk zijn taak. Niet dat de minderheid dan maar moet zwijgen, maar een ieder die democraat is moet uiteindelijk niet zeuren.

Of moeten we de democratie ter discussie stellen? Werkt het wel? Is het eigenlijk niet meer dan een paardenmiddel? Is democratie wel de best mogelijke staatsvorm? Zijn er niet vormen mogelijk waar we nog niet aan gedacht hebben?

Hoe democratisch is het om éénmaal in de vier jaar je stem uit te brengen op een partij en de volksvergenwoordigers vervolgens een vrijbrief te geven een regering samen te stellen die maar zijn gang gaat? In hoeverre is dit nog de wil van het volk? Of willen we helemaal niet dat het volk regeert? En wie zijn dat dan: het volk? Zijn dat die mensen die maandag in de Arena treuren om Volkszanger Nummer Eén? Of zijn het alle onderdanen van de koningin? Wie wil er nog onderdaan zijn?

Waarom gaan er zo weinig mensen nog stemmen? Is dat dan die perfecte democratie? Zijn we allen niet stiekem een beetje teleurgesteld in die democratie?

Vragen, vragen, vragen! Ik weet het ook niet. Misschien dat ik daarom niet demonstreer. Hoe kan ik nu weten of ik gelijk heb? Ik weet alleen dat ík andere keuzes zou maken, maar of ze beter zouden zijn ...? Ach, ik loop maandag gewoon naar mijn werk.

24.9.2004

Gisteren was ik weer eens bij de psych. 'Ga maar vast naar mijn kamer, ik kom zo'. Hij is verhuisd naar een andere kamer, maar ik kan controleren of het de goede kamer is door op het bordje naast de deur te kijken. Het bordje is een houdertje waar papier met tekst in geschoven kan worden. Daar is over nagedacht. Schijnbaar is het de bedoeling dat er in de toekomst nog meer stoelendansen plaatsvinden. Dan hoeft men maar eenvoudig het papiertje eruit te halen en het te vervangen door een nieuwe. Zo handig!

Ik betreed zijn kamer en neem plaats in de stoel. De psych laat op zich wachten, wellicht moest hij het dossier nog halen. Ik kijk wat rond. Zie ik daar nog zo'n bordje. Naast de inbouwkast. 'Kast' staat er op het papiertje in het houdertje. En een nummer dat correspondeert met een nummer op de kast. Tsja, je zou je maar eens kunnen vergissen en de deur van de kast openen in plaats van de deur naar de gang. Ik word accuut vrolijk van dit soort beheerszucht en werkverschaffing. Sarcastisch vrolijk, maar dat had u natuurlijk al begrepen. Ik zie het helemaal voor me: 'Ja met F., mijn kastdeur is stuk'. ... 'Nummer?' ... 'Even kijken hoor' ... '(noemt het nummer)'. Een paar weken later de klusjesman. Hij komt de kamer binnen. Waar is hier de kast. O gelukkig, daar is het bordje. Nu eerst even kijken of het nummer wel klopt. Het klopt! Wat zou er met de kastdeur aan de hand zijn? Hé, er zit een groot gat in. Dat gaan we maken ...

Ondertussen is de psych binnen gekomen. Ik vertel hem van mijn observatie en we kunnen er samen om lachen.

Wie is hier nou gek, denk je dan.

23.9.2004

Soms denk ik wel eens dat ouder worden weinig met ontwikkeling te maken heeft. Er komt alleen maar een laagje bij, meer niet. Zo geloof ik ook niet dat de wereld beter of slechter wordt, het is een eeuwige terugkeer van een wezenlijk dezelfde wereld.

Zo zou je je persoonlijke geschiedens als een grote taart kunnen voorstellen: tussen bodem en slagroom komen er alleen maar laagjes bij. Het leven als een alsmaar groeiende slagroomtaart.

Wel aardig als je ervan mag snoepen.

20.9.2004

Er is een kant aan het boeddhisme waar ik moeite mee heb. Ik kan dat het beste illustreren aan een passage uit mijn favoriete boek, een boek waaruit ik hier wel vaker citeer. Ik noem dat boek dan ook wel eens gekscherend mijn bijbel. Toch is het frappant dat ik boekenkasten vol heb met zogenaamde grote literatuur en filosofie, maar dat ik – als het erop aan komt – altijd weer teruggrijp naar dit boek als ik een moeilijke tijd heb. Ik ken het boek zo goed dat ik het niet eens meer hoef te pakken, het zit – weliswaar niet letterlijk – in mijn hoofd.

We zien drie mannen rond een vat azijn staan. Ze hebben elk een vinger in de azijn gedoopt en geproefd. Uit de gezichtsuitdrukking van ieder van hen blijkt hun individuele reaktie. Aangezien het een allegorische voorstelling is, wordt ons te verstaan gegeven dat dit geen gewone azijnproevers zijn, maar vertegenwoordigers van de drie geestelijke stromingen in China en dat de azijn die zijn proeven de Essentie van het Leven is. De drie meesters zijn K'oeng Foe-tse (Confucius), Boeddha en Lao-tse, auteur van het oudste bestaande boek over het Taoïsme. De eerste kijk zuur, de tweede heeft een bittere uitdrukking op zijn gezicht, maar de derde man glimlacht.

Voor K'oeng Foe-tse deed het leven nogal zuur aan. Hij geloofde dat het heden niet in de pas liep met het verleden en dat het menselijke bestuur op aarde niet in harmonie was met de Hemelse Weg, het bestuur van het universum. Daarom legde hij de nadruk op eerbied voor zowel de Voorouders als voor de oude rituelen en ceremonieën waarin de keizer, als Zoon des Hemels, optrad als tussenpersoon tussen grenzeloze hemel en begrensde aarde. Het gebruik van strikt afgemeten hofmuziek, voorgeschreven passen, handelingen en frasen, dat alles vormde tesamen onder het Confucianisme een buitengewoon ingewikkeld stelsel van rituelen, die elk op een bepaald tijdstip voor een bepaald doel dienden. Over K'oeng Foe-tse werd dit gezegde opgetekend: 'Als de mat niet recht lag, wilde de Meester niet zitten.' Dat moet wel een aanwijzing geven voor de mate waarin men dingen doorvoerde onder het Confucianisme.

Voor Boeddha, de tweede figuur op de voorstelling, was het leven op aarde bitter, vervuld van gehechtheid en begeerten die lijden voortbrachten. De wereld werd beschouwd als een vallenzetter, een voortbrenger van illusies, een rondwentelend wiel van pijn voor alle schepselen. Teneinde vrede te verwerven vonden de Boeddhisten het noodzakelijk boven de 'wereld van het stof' uit te stijgen en het Nirvana te bereiken, letterlijk een toestand van 'geen wind'. Ofschoon de in wezen optimistische houding van de Chinezen het Boeddhisme aanzienlijk veranderde, nadat het werd ingevoerd uit zijn land van herkomst India, zag de vrome Boeddhist zijn weg naar het Nirvana toch vaak belemmerd door de bittere wind van het alledaagse bestaan.

Volgens Lao-tse kon de natuurlijke harmonie die vanaf het eerste begin bestond tussen hemel en aarde door iedereen worden gevonden, op ieder willekeurig tijdstip, maar niet door de regels van het Confucianisme te volgen. Zoals hij stelde in zijn Tao Te Tsjing, het 'Tao-boek der Deugd', was de aarde in wezen een afspiegeling van de hemel, geregeerd door dezelfde wetten – niet de wetten der mensen. Deze wetten beïnvloedden niet alleen de omwenteling van verre planeten, maar ook het doen en laten van de vogels in het woud en de vissen in de zee. Lao-tse meende dat hoe meer de mens ingreep in het natuurlijk evenwicht dat werd voortgebracht en geregeerd door de universele wetten, hoe meer de harmonie zich terugtrok in de verte. Hoe meer hij forceerde, hoe meer moeilijkheden. Zwaar of licht, nat of droog, snel of langzaam, alles droeg zijn eigen aard al in zich en deze kon men geen geweld aandoen zonder problemen te veroorzaken. Wanneer er van buitenaf abstracte en willekeurige regels werden opgelegd, was strijd onvermijdelijk. Pas dan werd het leven zuur.

Voor Lao-tse was de wereld geen vallenzetter, maar een leermeester die waardevolle lessen leerde. Zijn lessen moesten worden geleerd, precies zoals zijn wetten moesten worden nagevolgd; dan zou alles goed gaan. In plaats van anderen te adviseren 'de wereld van het stof' de rug toe te keren, raadde hij hen 'zich te voegen bij het stof van de wereld'. De werkzame kracht die hij zag achter alles in hemel en aarde noemde hij Tao, 'de Weg'. Een grondprincipe van Lao-tse's leer was dat deze Weg van het Universum niet adekwaat in woorden kon worden beschreven en dat het zowel voor zijn onbeperkte macht als voor de intelligente menselijke geest een belediging zou zijn daartoe een poging te doen. Toch kon men zijn aard bevatten en zij die de Weg, en het leven waarvan hij niet te scheiden is, het meest aan het hart lag, begrepen die het beste.

Benjamin Hoff Tao van Poeh, 12-15

Ik vermoed dat er veel van het Taoïsme een weg gevonden heeft in het zen-boeddhisme. Maar, ik denk dat ik het maar houd bij het Poehisme. Al vind ik het leven vaak bitter en zuur, toch moet ik ook glimlachen. Per slot ben ik ook maar een mens met een klein beetje verstand.

12.9.2004

Terug naar de bron. Is dat een Romantisch ideaal? De behoefte om terug te gaan naar het punt waar het allemaal begon om dan vervolgens te kijken waar de reis verkeerd ging. Hebben we een verkeerde afslag genomen? Of hebben we een afslag gemist?

Eén van de aardige kanten van het volgen van de geschiedenis van de filosofie zijn de momenten waarop je denkt: aha, dus daar komt het vandaan. Om het maar even simpel uit te drukken.

Het is een cliché-beeld, maar ik vind het een mooi beeld: de geschiedenis als een weg. Wat betreft de filosofiegeschiedenis zie ik op die weg allemaal mannetjes druk in gesprek met elkaar. Eindeloos duren hun gesprekken. Soms keren ze op hun schreden terug, sommigen vragen zich af of ze daar niet al eerder geweest zijn. Weer anderen gaan op een bankje zitten om van een prachtig panaroma te genieten. Anderen schrijven hun gedachten snel op, stel je voor dat je ze vergeet. Sommigen houden van het platteland, anderen van bergen. Sommigen houden van een wolkeloze hemels, anderen zien het liever stormen en onweren. Vaststaat dat al die wegen naar elkaar toe leiden, de wereld is immers rond. Dat sommigen zo nu en dan de borden verkeerd draaien of verplaatsen maakt dan ook niet uit: het brengt je op paden waar je anders misschien nooit gekomen was.

Er zijn vele bibliotheken langs die weg waarin boeken staan met reisverslagen van anderen. Vele reizen beginnen met een zoektocht naar het begin, wanneer, waar en wie was het ooit allemaal begonnen? Een fout die daarbij nogal eens gemaakt wordt is te veronderstellen dat de bron altijd zuiver is. Amderen vinden de bron ondrinkbaar en onverteerbaar.

Ik had al een tijdje de behoefte om terug te gaan naar de bronnen van het boeddhisme. Gelukkig is uitgeverij Asoka begonnen met het uitbrengen van de Pali-canon in het Nederlands. Het is prachtig! Maar eerst mijn kennis van het boeddhisme een beetje vast vorm geven. Dus lees ik nu Boeddhisme voor dummies. Je moet toch een nieuwe reis beginnen met een goede reisgids, nietwaar? U ziet, ik ben een toerist in eigen hersenpan.

Nog even om misverstanden te voorkomen: dat ik over boeddhisme leest, wil nog niet zeggen dat ik boeddhist wil worden. Je wordt ook geen christen door de Bijbel te lezen. Overigens: zou het een goed idee zijn om in het kerstpakket van alle Nederlanders dit jaar Islam voor dummies te doen?

7.9.2004

Wat staat er op de cd?
John Corigliano (1938). Fantasia on an ostinato for solo piano (1985)
Ludwig van Beethoven (1770-1827). Pianosonate nr 17 "Sturm" in d, op. 31 nr.2 (1802)
Ludwig van Beethoven. Fantasie voor piano, koor en orkest in c, op. 80 (1808/09)
Arvo Pärt (1935). Credo voor piano, gemengd koor en orkest (1968)
Hélène Grimaud – piano; het Swedish Radio Choir en het Swedish Radio Symphony Orchestra onder leiding van Esa-Pekka Salonen

Voorwaar, een origineel programma. Tweemaal Beethoven geflankeerd door twee 20e eeuwse componisten. Twee stukken voor piano-solo en twee stukken met koor en orkest.

Het spel van Grimaud is uitstekend, ze is natuurlijk niet voor niets een gevierd pianiste. Technisch is het allemaal in orde en ze heeft een eigen stijl van spelen. Je zou haar stijl als beheerst en helder kunnen typeren. Alle noten krijgen de aandacht die ze verdienen, Grimaud speelt ritmisch mooi en ze fraseert erg goed.

En toch boeit het me niet. Het is mij té beheerst, te licht. Het is alsof Grimaud iets in die muziek zoekt die er niet is. Kan Corigliano die lichtheid – bijna etherisch – nog wel aan, Beethoven wordt in de pianosoante op deze manier zijn karakter ontnomen. Het was noodzakelijk om dat romantische, woeste beeld van Beethoven te nuanceren - Beethoven is klassieker dan we wel eens denken –, maar op deze wijze wordt zo'n sonate saai. De klank is prachtig, alles is keurig, maar het verhaal ontbreekt. Grimaud zoekt bij Beethoven een spirituele dimensie die er niet is. Beethoven is aards, hij experimenteert met harmonie en dynamiek en dat mogen we horen. Grimaud vlakt het uit.

Wel moet ik toegeven dat ik de Fantasie voor piano, koor en orkest zelden zo mooi gehoord heb. Het blijft echter een raar stuk in Beethovens oeuvre. Het klinkt alsof hij al schrijvende voortdurend veranderde van idee. Het stuk begint als een lange piano-solo en dan begint er ineens een orkest. Net als je denkt 'het lijkt nu wel een pianokoncert' begint er ook nog – kiekeboe! – een koor te zingen. Niet mijn favoriete stuk van Beethoven. Het koor is goed, het orkest prachtig en ik vind dat Esa-Pekka Salonen hier een magnifieke interpretatie laat horen. Het spel van Grimaud is hier wat steviger, maar mijn bezwaar blijft.

En dan dat ranzige kitscherige stuk van Pärt. Hij schreef het in een tijd (1968) dat hij met een stijlwisseling bezig was. Componeerde hij in de seriële (de muzikale parameters zijn veel mogelijk gedeterminerd) en aleatorische (de muzikale parameters zijn juist niet gedetermineerd en worden aan het toeval overgelaten) modes van zijn tijd, langzaam maar zeker ontwikkelde hij een stijl die gebaseerd was op de pre-moderne polyfone stijl (denk aan de religieuze muziek uit de Middeleeuwen en de Renaissance). Het Credo uit 1968 gebruikt de klassieke en moderne stijlen als contrast. Pärt wilde muzikaal uitdrukking geven aan het Christelijke 'heb uw vijanden lief'. Hij gebruike daarvoor (schaamteloos) de eerste prelude uit Bachs Wohltemperierte Klavier als muzikale basis.

Het zou een mooi uitgangspunt kunnen zijn, maar wat ik hoor is een aaneenschakeling van cliché's. Voortdurend betrap ik me op associaties: dat is Schubert, dat is Bach, dat is Penderecki, zelfs een beetje Stockhausen. Alsof je een blokkendoos met componisten omgooit, alleen Pärt zelf ontbreekt. Soms hoor ik de componist denken: 'zo, nu ben ik hier aanbeland, wat zal ik nu eens doen'. Ik ontwaar bij Pärt geen innerlijke noodzaak, het is effectbejag. Zoals in die foute Hollywood-films: de hele film moet je denken dat ze elkaar dus niet kunnen krijgen, maar aan het eind komt alles weer goed. Zij draait zich aan het einde van de film om en ja hoor daar staat hij, zou hij toch terug komen, zou hij toch van haar houden? En dan zie je in slow-motion hoe haar voeten loskomen van de grond en hoe zij op hem toe rent. Je ziet hoe haar tranen en haar glimlach vechten om voorrang (trillende lippen natuurlijk). Op de achtergrond veel, romantische strijkmuziek, waarbij op de climax het paar elkaar om de hals vliegt. Het kan prachtig smakeloos zijn. Ik zie ze zitten op de bank met de tissuedoos naast zich: o, wat mooi ze krijgen elkaar!!! Maar het is ... kitsch, kitsch en nog eens kitsch! Pärt doet in dit stuk wezenlijk hetzelfde. Later zal hij een zeer spirituele benadering kiezen van componeren, waarbij hij soms over de grens van de kitsch en soms binnen de grenzen van het smaakvolle blijft.

Geen cd om te hebben. Mocht u door mijn recensie juist belangstelling gekregen hebben, laat u zich vooral niet weerhouden. Ik heb liever dat u wel van deze cd kunt genieten. Misschien dat ik die pianosonate stiekem copieer, want het is wel heel anders dan ik gewend ben. Wie weet valt het muntje nog ...

4.9.2004

Bayreuth 1990 (4)

De dagen na Das Rheingold verliepen in een vergelijkbaar patroon. 's Ochtends veel lezen, 's middags het stadje in en op tijd bij het Festspielhaus zijn. De voorstellingen van Die Walküre, Siegfried en Götterdämmerung begonnen om 16.00 u. Die stukken bestonden uit drie delen en dus had elke voorstelling twee ruime pauzes. Elke stuk duurt ongeveer vier tot viereneenhalf uur, dus voor zangers en zeker voor dirigent en orkest zijn deze pauzes absoluut noodzakelijk. Tussen de derde en de vierde voorstelling was sowieso nog een rustdag gepland.

De pauzes waren zeker ook de moeite waard. Ik vind er weinig over terug in mijn dagboeken, maar ik herinner me een groepje Spanjaarden die steeds druk pratend en gesticulerend met de tekstboekjes in de hand stonden te discuzeuren over – naar ik vermoed – de betekenis van één en ander. Eén van de onhebbelijkheden van Wagnerianen is dat ze de neiging hebben Wagner als een soort grootmoefti van de muziek te zien en voor hun is het Festspielhaus dan een soort tempel. De teksten van Wagner zouden dan vol diepere betekenissen zitten en die Wagnerianen hebben dan ook boekenkasten vol geschreven over de enige ware en juiste Wagnerinterpretatie. Laat ik eerlijk zijn: zo'n Wagneriaan ben ik ook geweest, maar in die tijd was ik al redelijk over mijn Wagnermanie heen. Ergo: zoals Taizé mij geholpen heeft me van mijn christelijke geloof af te helpen, zo heeft Bayreuth me geholpen snel en definitief het verzadigingspunt te bereiken wat de muziek van Wagner betreft. Ik kende de partituren van binnen en buiten, hele tekstgedeelten kende ik uit mijn hoofd en de mijn verzameling boeken bestond voor een te groot gedeelte uit Wagnerinterpretaties. U laat mij een paar seconden uit een stuk van Wagner horen en ik zeg u uit welk stuk, welke akte, welk moment en soms ook nog wie. Het is door studiegenoten getest indertijd en de resultaten verbaasden mij zelfs. Ik herinner mij dan ook dat mijn interesse voor die Spanjaarden niet zozeer de gedrevenheid van de deelnamers aan de discussie betrof, maar eerder het Spaanse meisje dat duidelijk de balen had van al die poeha. Het andere meisje wat steeds mijn aandacht trok stond achter een bar met veel te dure drankjes. Ook zij had een blik van 'geef mij maar disco'.

Van de vier voorstellingen vond ik Die Walküre het meest geslaagd. De eerste twee akten van Siegfried die naar mijn mening met veel humor gespeeld moeten worden, waren het minst geslaagd. De dirigent Barenboim overtuigde mij steeds meer, hij wist noten uit de partituur te halen die ik niet eerder gehoord had. Ik vind ook dat het orkest bij Wagner ook de mooiste rol heeft.

Het laatste stuk, Götterdämmerung, vind ik van de vier delen het mooiste en het boeiendste. Muzikaal moet het een worsteling voor Wagner geweest zijn. Tussen de tweede en de derde akte van Siegfried zit een cesuur. In die tijd heeft Wagner aan andere opera's gewerkt (Tristan und Isolde en Die Meistersinger) en een stevige ontwikkeling in zijn componeren doorgemaakt. Toen hij verder ging werken aan de Ring moest hij iets afmaken met muzikaal materiaal die eigenlijk niet meer paste bij zijn muzikaal idioom. Dat geeft vooral in Götterdämmerung een spanning die wellicht onbedoeld is geweest. In het verhaal wordt een climax bereikt en in het orkest kan de geoefende luisteraar horen dat er een strijd gaande is die niet alleen bij het vooral hoort. Wagner is een componist van contrasten – hij is één van de beste componisten die in staat is om in één enkele maat muzikaal de sfeer honderdtachtig graden om te draaien – en in Götterdämmerung verkent hij grenzen. De laatste scenes van de tweede akte waarin de vloek van de ring zijn ultieme werk doet, waarin bedrog en verraad de boventoon voert, die scenes grenzen aan waanzin zo nu en dan. De muziek wordt daar steeds heftiger, alle houvast wordt voortdurend weggenomen tot het ultieme moment waar de efgenaaam van Alberichs vloek, zijn zoon Hagen uitschreeuwt: 'Dir hilft kein Hirn, / dir hilft keine Hand: / dir hilft nur – Siegfrieds Tod!' Wagner benadrukte deze conclusie met een totaal onverwacht akkoord, dat even snel te voorschijn komt als het verdwijnt. De regisseur Harry Kupfer liet een stuk podium inzakken tijdens de voorstelling wat het effect nog eens versterkte. De held Siegried moet sterven, dat is waar het Wagner van het begin af aan om ging en met Siegfried gaat in de laatste akte de hele godenwereld in vlammen op. De vloek van Alberich is gebroken (Wagner breekt het muzikale leitmotiv ook af) en een nieuwe wereld komt tot stand. Harry Kupfer illustreerde dat heel cynisch in het slotbeeld: de bevrijde mensheid kijkt met een glas champagne in de hand naar de televisie, kortom: het publiek dat in de zaal zit. Ik verliet het Festspielhaus voor de laatste maal met een grote glimlach, maar vroeg me af wie in het publiek deze sarcastische boodschap van Kupfer ter harte zou nemen.

Mijn ouders haalden mij weer op uit Bayreuth. De muur was in 1990 al gevallen en we reden door Oost-Duitsland terug naar Nederland. Onderweg deden we het plaatsje Eisenach aan, de geboorteplaats van Johann Sebastiaan Bach. Achteraf symbolisch, want in de jaren na Bayreuth zou ik me steeds minder gaan interesseren voor Wagner en de 19e eeuw. Vooral de Oude Muziek had nu mijn interesse en de 20e eeuwse reactie op de Romantiek. Wagner, de muzikale hypnotiseur, werd steeds meer een typische fase in mijn pubertijd en adolescente jaren, de jaren van my beautiful demon. Ik ben nog éénmaal naar de Festspiele geweest, want ik stuurde nog steeds trouw de bestelformulieren elk jaar op. In 1997 kreeg ik kaartjes voor Parsifal en Tristan und Isolde. Meteen belde ik vrienden op om te vragen of ze eventueel belangstelling hadden voor beide voorstellingen, ik hoefde niet zonodig. Uiteindelijk zijn we samen gegaan, mijn vrouw en ik naar Parsifal en mijn vrienden naar Tristan und Isolde. Dat was de laatste keer, ik bestel al jaren geen kaartjes meer.

22.8.2004

Bayreuth 1990 (3)

Op de ochtend van de grote dag, de dag dat ik voor de eerste keer een uitvoering in het Festspielhaus zou meemaken, had mijn hospita een overzicht uit de regionale krant geknipt met de lijst van alle uitvoerenden voor de komende avond. In de kantlijn stond: Einen schönen, aufregenden Tag für Sie! Herzliche Grüße. I. Br. De meeste namen op de lijst waren bekend voor mij: Daniel Barenboim als dirigent, Harry Kupfer de regisseur, John Tomlinson als Wotan, Matthias Hölle als de reus Fasolt, Günter von Kannen als Alberich, Anne Gjevang als Erda enz. enz.

Maar, zoals alle grote dagen, ze blijken uiteindelijk toch heel gewoon te zijn. Ik was gespannen, de klok kon niet zo snel genoeg richting 18.00 u tikken en wat duurt een dag dan lang als je niet meer kunt wachten. De mensen in Bayreuth hadden daar natuurlijk geen last van. Het weer werkte niet mee, het motregende. Ik dwaalde wat door Bayreuth na eerst wat gelezen te hebben in de Hofgarten, een park dat grensde aan Haus Wahnfried. Uiteindelijk het Königliche Operntheater nog bekeken met een prachtige barokke zaal uit 1748, geen groter contrast denkbaar met het Festspielhaus.

Het zal in of na 1849 geweest zijn dat Richard Wagner (1813-1883) het idee kreeg voor een nieuw operatheater. Hij was toen Kapellmeister aan het hof van de koning van Saxen in Dresden. Wagner was ontevreden over de mogelijkheden die hij had. Hij wilde vernieuwen, hij was idealist. Toen er in Dresden een volksopstand uitbrak bevond hij zich in een spagaat: hij steunde de anarchisten (hij had zelfs contact met Bakoenin), maar werkte anderzijds aan het hof. Wagner hield een rede waaruit blijkt dat hij zichzelf in een onmogelijke positie had gemanoevreerd. In die rede namelijk riep hij de koning op het voortouw te nemen in de socialistische revolutie! Wellicht was het slechts eigenbelang dat Wagner de revolutie deed steunen. Hij hoopte na de omwenteling wél zijn ideeën in praktijk te kunnen brengen, het ging hem niet om het volk, maar om zijn kunst. De opstand werd neergeslagen, Bakoenin werd gevangen genomen en tegen Wagner werd een arrestatiebevel uitgevaardigd, hij zou granaten hebben geleverd aan de opstandelingen. Wagner wist met hulp van Franz Liszt te onvluchten naar Zwitserland en moest jarenlang in ballingschap leven.

In 1849 had hij ook de eerste teksten voor Siegfrieds Tod geschreven (Wagner schreef zijn teksten zelf voor zijn opera's). Siegfrieds Tod zou uiteindelijk, 25 jaar later, uitgroeien tot het vierdelig werk Der Ring des Nibelungen. De complete Ring zou voor het eerst in première gaan in 1876 in het Festspielhaus in Bayreuth.

Wat was het nieuwe theater dat Wagner wilde? Wagner wilde muziek, tekst, toneel, decor, alle elementen van het muziektheater laten samensmelten tot het Gesamtkunstwerk. Niet de muziek, niet de tekst, niet de mooie kleding van de zangers is het doel van dit theater, maar slechts middel om het klassieke Griekse drama (althans, zoals Wagner dat interpreteerde) opnieuw tot leven te wekken. Ook het theatergebouw moest daartoe aangepast worden. Het was uiteindelijk de Beierese koning Ludwig II die de staatskas gebruikte om Wagner dat theater te laten bouwen, in Bayreuth.

Geen loges aan de zijkanten van de zaal, maar een democratische opbouw van de zaal. Zoals in een Grieks theater lopen de rijen met zitplaatsen in een halve cirkel omhoog. Het orkest werd uit het zicht onder het podium geplaatst (dat was nieuw in die tijd), zodat de dalende lijn van de zaal werd voorgezet onder het podium. De dirigent staat bovenaan en het slagwerk staat beneden. De orkestbak is zo afgeschermd dat het geluid eerst naar het podium gaat, zich daar vermengd met de zang en dan pas de zaal in gaat. Samen met een van de allermooiste akoestieken ter wereld levert dat een prachtig geluid op (ik herken zo wanneer een cd in die zaal is opgenomen). Ook uniek voor die tijd was dat het licht uitging tijdens een voorstelling. Was de voorstelling begonnen, dan kon men niet meer naar binnen. Het publiek moest totaal opgaan in de voorstelling. Er mocht niet gesproken worden, de illusie moest compleet zijn. Het Festspielhaus kreeg één van de modernste belichtingen in die tijd. Dit alles heeft Wagner voor elkaar gekregen. En als klap op de vuurpijl: de voorstellingen moesten gratis zijn, het diende ter verheffing van het volk! Dit laatste heeft Wagner nooit voor elkaar gekregen. De enige tijd dat de Festspiele gratis waren was tijdens het Derde Rijk, ter verheffing van de gewonde oostfrontsoldaten.

Ik was natuurlijk veel te vroeg bij het Festspielhaus, al was het erg leuk om al die andere gelukkigen te zien aankomen. Sommigen lieten zich de afstand van wel vijfhonderd meter van het hotel naar het theater met de taxi brengen. Alhoewel galakleding domineerde waren er ook veel mensen gewoon netjes. Ik ontwaarde zelfs een stel geheel gekleed in punk, ze hadden natuurlijk ogenblikkelijk mijn sympathie. Een kwartier voor de voorstelling komt er een selectie van het koper op het balcon een muzikaal motief uit de voorstelling spelen, dit ten teken dat de deuren open gaan en het publiek naar binnen kan. Ik was nerveus, maar kon mijn plekje (Balkon Mitte links, Reihe 4, Platz 7) gemakkelijk vinden. Stelt u zich geen luxe voor in dit theater. Overal zijn veel te kleine houten stoelen, een hele voorstelling uitzitten op dergelijke stoelen is een marteling. Ervaren Bayreuthgangers waren al snel te herkennen aan de meegebrachte kussentjes. Mijn relatief goedkope plaats bestond uit een bankje tegen een achterwand, waarbij de plaatsen door houten schotten van elkaar waren gescheiden.

Het doek ging open. Geen muziek. Alle hoofdrolspelers stonden op het podium, ze lopen het podium af en dan begint de Rijn in het orkest te stromen. Zo mooi kan het alleen daar klinken. Dat een orkest zo mooi kan klinken! Ik zat aan mijn houten bankje genageld. Dit moment zou ik de rest van mijn leven nooit meer vergeten.

Tweeënhalf uur duurt Das Rheingold, de Vorabend van de Ring, zonder pauze, van het begin tot het eind doorgecomponeert. Ik moet het als in een droom aan mij voorbij hebben laten gaan. De akoestiek was zelfs op mijn plekje ongelofelijk mooi. Harry Kupfer had een zeer dynamische personenregie gemaakt met overdonderende effecten in het decor: laserlicht. De relatief langzame tempi van Barenboim waren uitdagend, misten hier en daar wat kracht, was eerder lyrisch.

Rillingen bij het moment dat Alberich de liefde vervloekt. Rillingen bij het prachtige orkestrale intermezzo met de geluiden van aambeelden. Lachen om de humoristiche Loge die samen met Wotan de ring gaat stelen bij Alberich. Afgrijzen wanneer de reus Fafner zijn broer Fasolt dood. Het was een geslaagde uitvoering, ik had van het begin tot het eind als in een trance de voorstelling bekeken.

Maar wat er na de voorstelling gebeurde, zal ik ook nooit vergeten ... ik schreef het een paar dagen later op in mijn dagboek en soms vraag ik me nog af wat er in die surrealistische uren gebeurd is.

Bayreuth, donderdag 23 augustus 1990

(...) Toen ik terugliep naar huis richting binnenstad kon ik met mijn indrukken geen kant op. Op een gegeven moment liep er een mijnheer naast mij en begon een praatje met mij. Hij was ook voor het eerst naar de Festspiele. Een vriend van hem kon die avond niet en had de kaart aan hem gegeven. Hij nodigde mij uit om ergens wat te gaan drinken en we kwamen uiteindelijk in de Gästestube van zijn hotel uit. Het was me al snel duidelijk dat het een tamelijk welgestelde mijnheer was. Eberhard Kirsch was directeur van een schoorsteenvegerij in West-Berlijn. Hij was op doorreis naar Zuid-Duitsland en vertelde over zijn vele reizen, vooral cruises en met het vliegtuig naar Rio de Janeiro of Korea. Hij wilde wat eten en nodigde mij daartoe ook uit en ik mocht niet weigeren. Wel, ik begreep dat hij dan dus zou betalen en ook al voelde ik mij niet zo op mijn gemak, ik besloot maar te blijven en het vol te houden tot een juist moment zich zou aandienen om me te excuseren. Ondertussen at ik Sauerkraut met Würstchen. Gelukkig was hij erg vertels. Op een gegeven moment had ik de indruk dat hij het wel zat was en dus kondigde ik aan dat ik mijn bed wel wilde opzoeken. Eberhard rekenende af (DM 61) en keek me toen een tijdje strak aan waarop ik bewust niet terugkeek. Of ik nog een drankje wilde op zijn hotelkamer. Ik weigerde en gaf aan moe te zijn. Ik moest hem maar eens opzoeken in Berlijn en gaf me zijn adres. Twaalf uur was ik zeer vermoeid thuis. Achteraf denk ik dat Eberhard best eens op zoek had kunnen zijn naar een jongen voor de nacht. Stel je voor ...

De rekening met op de achterzijde het adres van mijnheer Kirsch heb ik nog steeds tussen alles wat ik van die week bewaard heb. Ik heb hem nooit opgezocht ...

19.8.2004

Bayreuth 1990 (2)

In december 1989 kreeg ik bericht dat ik kaarten had voor de Festspiele in augustus 1990. Tijd genoeg om één en ander te regelen. Ik had slechts kaartjes voor één persoon en de voorstellingen begonnen 's middags om 18.00 of om 16.00 u. Iemand meenemen naar Bayreuth zou kunnen, maar echt gezellig zou het niet zijn. Ik was nog nooit alleen op vakantie geweest. Een jaar eerder was ik met een vriend naar Taizé gelift, maar om nu alleen te liften en het risico te lopen te laat aan te komen, daar had ik geen zin in. Uiteindelijk boden mijn ouders aan om hun vakantie aan te passen. Ze zouden me naar Bayreuth brengen en dan doorreizen om ergens in de buurt hun eigen vakantie te houden. Het zou mij tevens reiskosten schelen (als student had ik niet echt een eigen inkomen). Via de Fremdenverkehrsverein Bayreuth und Umgebung kon ik bij een particulier Pension regelen. Ik kon overnachten bij een zekere Frau Isolde Brückner.

Zondagochtend 19 augustus 1990 om tien voor zes stonden mijn ouders voor de studentenflat in Zeist om mij op te halen. We hadden de reis 8 jaar eerder ook al eens gemaakt. Toen hadden we op mijn verzoek onderweg naar Wenen een omweg via Bayreuth gemaakt. Toen kon ik het Festspielhaus niet in met een rondleiding, omdat er Proben waren. Maar de stad was dus niet helemaal onbekend voor mij. In de namiddag waren we er weer.

Bayreuth, zondag 19 augustus 1990

(...) Het onvangst van mevr. Brückner was zeer enthousiast en ik krijg de indruk dat ze het zo gezellig mogelijk voor me wil maken. De kamer is ruim en leuk ingericht, waarschijnlijk van haar dochter. Overal staan boeken, vooral ook oude met de Duitse klassieken en een balcon staat tot mijn beschikking. Ik heb het weer eens getroffen. (...)

Mevrouw Brückner moest vaak vroeg weg naar haar werk. Ik vond het ontbijt dan in de keuken met een briefje erbij: Schönen guten Morgen, Herr Lubbers, ich hoffe Ihr Frühstück schmeckt. Bitte vergessen Sie nicht, die Wurst/Käse Dose aus dem Kühlschrank zu nehmen. Einen schönen Tag für Sie und Grüße. I. Br. Duits broodjes, thermoskan met koffie, een eitje en lekkers uit de koelkast, het ideale begin van een dag.

Op de eerste dag in Bayreuth had ik nog geen voorstelling. Eerst wilde ik natuurlijk een bezoek brengen aan Haus Wahnfried, het huis waar Wagner zijn laatste jaren gewoond heeft en dat nu een museum is.

Bayreuth, maandag 20 augustus 1990

(...) Bij het graf van Wagner in de tuin van Wahnfried te staan is toch een bijzonder gevoel. Daaronder die steen liggen de resten van iemand die meer dan honderd jaar geleden op deze aarde rondliep en fantastische muziek schreef (...). Het huis Wahnfried zelf is nu helemaal een museum met een permanente expositie over Wagners leven, de geschiedenis van de voorstellingen in het Festspielhaus (vooral foto's van uitvoerenden) en de geschiedenis van het huis zelf. Erg leuk en relativerend is een kleine kamer met Wagnercuriosa met o.a. ook een reiskoffer en kleding van Wagner en Cosima. In de kelder kan men toneeldecors zien in verlichte vitrines en een donkere ruimte. In de centrale hal staan nog oude vleugels waaraan Wagner nog gecomponeerd heeft. In de aangrenzende grote kamer wordt regelmatig muziek gedraaid waarnaar men kan gaan zitten luisteren. Tegen de muren in deze ruimte is in kasten de oude bibliotheek van Wagner te bewonderen. Ik heb daar bijna drie uur doorgebracht.

De middag bracht ik door in het stadje. Nu zou men verwachten dat in zo'n stad de middenstand flink verdient aan de Festspiele, maar eigenlijk viel dat tegen. Natuurlijk, de boekhandels hadden meer boeken over Wagner en de muziekhandel verkocht meer cd's en lp's (toen nog) van Wagner. Maar verder was nauwelijks Wagner-kitsch, geen souvenirs te koop. Afgezien van wat vlaggen merkt men ook nauwelijks dat men in een stad is waar Festspiele gehouden wordt. Eigenlijk ook niet zo vreemd. Men komt in de regel voor één voorstelling en vertrekt weer. De meeste bezoekers zijn ook zeer rijk, komen met een vliegtuig van de andere kant van de wereld, blijven één nachtje in een veel te duur hotel en vertrekken de volgende dag weer.

Aan de einde van de middag liep ik naar het Festspielhaus om foto's te maken van het publiek dat wachtte op een voorstelling van Parsifal. De volgende dag wilde ik geen fototoestel meenemen omdat dat maar onhandig zou zijn. Tussen publiek herkende ik ineens prof. Op de Coul en zijn vrouw, een docent van mijn studie. De wereld is klein en zeker de muziekwereld.

Helaas mocht ik niet naar binnen, ik moest nog een dagje wachten.

18.8.2004

Bayreuth 1990 (1)

Iedere liefhebber van de muziek van Richard Wagner (1813-1883) moet minstens éénmaal in zijn leven naar Bayreuth, een plaatsje tussen Neurenberg en de oude grens van Oost-Duitsland. Daar wordt ieder jaar in augustus de Bayreuther Festspiele gehouden. Wagnerianen uit de hele wereld komen daar naartoe om in het Festspielhaus auf den grünen Hügel een muzikale eredienst mee te maken. Dat Festspielhaus opent zijn poorten een aantal weken per jaar om alleen maar de muziektheaterwerken van Richard Wagner uit te voeren.

De vaste bezoekers van deze weblog weten het ondertussen: ik was zo'n Wagneriaan. Toen ik een jaar of vijftien, zestien was trok ik de stoute schoenen aan en stuurde een briefje in onhandig Duits naar Bayreuth. Ik wilde graag kaartjes. Nagedacht over de reis ernaar toe had ik niet. Ik had ook niet overlegd met mijn ouders. Ze zouden zich ook niet verbazen, want ze keken al enkele jaren met verwondering naar mijn eigenaardige hobby: het verzamelen van zoveel mogelijk uitvoeringen van de opera's van Wagner.

Natuurlijk kwam er niet meteen antwoord. Maar na een aantal weken begon ik wat onrustig te worden. De brief zou toch wel aangekomen zijn? Moest ik toch maar bellen?

Er kwam antwoord. Ik werd natuurlijk bedankt voor mijn interesse, maar de kaartjes waren uitverkocht. Als de verkoop voor het nieuwe jaar zou beginnen zou ik bestelformuleren ontvangen. De jaren erna zou het een vast ritueel worden: in oktober kwam het bestelformuleer dat je dan voor een bepaalde datum in november verstuurd moest hebben. Ergens in januari, soms zelfs februari kreeg in dan antwoord. Dat antwoord was jaar in, jaar uit: leider nicht. De belangstelling voor de Festspiele was zo groot – drie tot vijf maal meer aanvragen dan voorhanden kaarten – dat ze een systeem hadden ingevoerd om een eerlijke afhandeling voor elkaar te krijgen. Alleen zeer, zeer rijke mensen die de Festspiele met hun miljoenen steunden waren verzekerd van een jaarlijks plekje. Ik kon alleen maar stug volhouden, ooit zou het wel lukken. En het lukte, na vijf jaar – ik studeerde ondertussen muziekwetenschappen – zou een droom in vervulling gaan! Ik was aan de beurt en nog wel voor de gehele Ring des Nibelungen, een immens werk dat vier avonden omvat.

17.8.2004

Zijn als een kikker: stil zitten, met aandacht de omgeving waarnemen, op het juiste moment een tong uitsteken en een maaltijd tot zich nemen.

17.8.2004

Weet je, je bent best een aardige man. Je kan vrolijk zijn en van de dingen die je dierbaar zijn genieten. Je bent lief en zorgzaam als het nodig is. Dan heb je energie en kun je de wereld aan.

Maar soms kan het stormen als op een herfstavond. Dan ben je chagrijnig, je slaat met de deuren, je schreeuwt en uiteindelijk loop je de deur uit om een blokje om te lopen. Dan ben je ineens niet meer zo aardig. De aanleiding is vaak maar heel klein. Wat is dat toch?

Als de storm is gaan liggen ben je somber en misantropisch. Je wilt alleen zijn, met rust gelaten worden. Flikker toch op met die wereld, ik hoef de mensheid niet! Dan zit je alleen maar in een stoel in de verte te staren. Waarom toch?

Wel, mijn beste schaduw, ik weet het niet. Echt niet.

13.8.2004

Sommige mensen kunnen met weinig slaap toe. Ik ken mensen die er geregeld een behoorlijke alcoholconsumptie op na houden, maar toch met een minimale nachtrust toe kunnen. Ik begrijp daar niets van en ik ben er soms wel een beetje jaloers op.

Op een werkdag gaat mijn wekker in de regel om 5.20 u en sta ik meestal uiterlijk 6.00 u op. Wil ik 8 uren slapen dan moet ik toch wel om 22.00 u. in slaap zijn. Dat gebeurt nooit, maar is geen probleem: het weekend komt meestal net op tijd. De tijden dat ik 's avonds acuut instort zijn lang geleden.

Mijn vrouw en mijn zoon zijn twee weken op vakantie en ik werk een dagje extra in de week (5 in plaats van 4). Het is ook razend druk, dus dat komt ook wel goed uit. In mijn studietijd had ik de laatste jaren wanneer ik niet meer 's ochtends naar college hoefde een ritme van 2.00 u naar bed en ongeveer 10.00 u. op. Ik vond de stilte van de nacht altijd heerlijk om te studeren en te lezen. Ik denk ook dat dat ritme goed bij mij past, want ik merk dat ik zo zonder huisgenoten weer langzaam maar zeker naar dat ritme terug wil. Maar ja, die wekker 's ochtends ...

Vanochtend heb ik me dus behoorlijk verslapen. De wekker heb ik eenmaal gehoord, maar daarna niet meer. Het is alsof de vermoeidheid met geen koffie uit mijn lijf te krijgen is en mijn ogen blijven zwaar. Het wordt tijd dat mijn vrouw en mijn zoon thuiskomen om weer ordentelijk als burgermannetje op tijd naar bed te gaan. Dat het nog zover met mij moest komen!

12.8.2004

Afgelopen vrijdag stond er in het Cultureel Supplement van het NRC Handelsblad een interview met de pianiste Hélène Grimaud. Ik had wel van haar gehoord, ook wel cd's gezien met opnamen van haar spel, maar ik had haar nog nooit horen spelen. Waarom niet? Nou, de reden is eigenlijk niet iets om trots op te zijn, het berust op een vooroordeel.

Ik ben opgevoed met de regel: je mag mensen niet op hun uiterlijk beoordelen. En: ware schoonheid zit van binnen. U kent deze 'regels' vast wel. Maar als er een reclamespotje op tv komt met een meneer van ongeveer 45 jaar, pak + stropdas, die een hypotheek of wat dan ook aanprijst, dan komt automatisch de gedachte: ja ventje, je denkt toch niet dat ik van jou iets koop. Iemand met een stropdas is niet te vertrouwen. (Nee, ik heb echt nog nooit een stopdas gedragen. U denkt toch niet dat ik ooit zo'n zielig stukje stof om mijn hals ga aanbrengen?)

Iets dergelijks had ik met Hélène Grimaud. Zag ik een foto van haar op een cd-hoes dan was mijn eerste gedachte: daar heb je weer zo'n rijkeluis tuthola die toevallig een beetje kan pingelen op een piano. Zo'n klassiek tutje, nee dat kan nooit veel zijn. Het valt dan nog wel mee dat ze pianiste is: sopranen, violisten en – o gruwel – harpmeisjes zijn natuurlijk veel erger. (GRIJNS)

Voordat ik de bladzijde van de krant omsloeg zag ik nog net naast de obligate foto van Grimaud als een Frau wie aus dem OTTO-Katalog een foto van haar die het andere beeld aan flarden sloeg: Grimaud met een wolf, daar moest ik meer van weten.

Uit het interview bleek algauw wat voor een vreselijk vooroordeel ik er soms gemakzuchtig op na houd.

Grimaud was een moeilijk kind geweest dat alleen tot rust kwam achter een piano. Het bleek een groot talent. Ze baarde opzien met haar nadruk op structuur en harmonie in plaats van de romantiek in de pianoliteratuur te benadrukken. Ze is nuchter, maar eigenzinnig. Ergens zegt ze in het interview (woorden waar ik het zeer mee eens ben):

"Als ik speel, bestaat voor mij alleen het moment; wat voor of achter me ligt vergeet ik. Dat is opwindend en angstaanjagend, maar het is de enige integere manier. Interpretaties van pianisten die niet volledig in de muziek opgaan, klinken als plastic. Alles klopt, maar niets maakt de indruk persoonlijk doorvoeld te zijn. Daar val ik over. Maar wie ben ik?"

In de Verenigde Staten kwam ze in aanraking met een dier dat een kruising tussen een hond en een wolf was. Het was liefde op het eerste gezicht. Uiteindelijk richtte ze het Wolf Conservation Center op. Daar vangt ze wolven op en laat ze stadskinderen kennis maken met deze dieren. Zomogelijk probeert ze de wolven terug te laten keren in de natuur. En dan ineens dit:

"Het is me niet duidelijk wat het doel is van het menselijke ras, maar ik heb sterk het gevoel dat we de oorspronkelijke balans kwijt zijn (...) We gedragen ons ten opzichte van de ons omringende wereld als een soort allesverslindende reuzentumor. Dat is één van de redenen dat ik me inzet voor de wolven. Honden zijn er om mensen te dienen, wolven zijn vrije geesten. Wanneer je zo'n wilde diersoort beschermt, herstel je iets in de oorspronkelijke natuur."

Ze draait er niet om heen, ik mag dat wel. Wat betreft haar uistraling als pianomeisje verraste deze passage ook wel even:

Naar verluidt moet zij haar concertkleding onder milde dwang aanschaffen, omdat ze anders voor een comfortabele vrijetijdsoutfit zou opteren. Ook een platenmaatschappij werd vijf jaar geleden door die karaktertrek verrast, toen Grimaud haar representatieve blonde lokken in een opwelling millimeterde tot een crewcut.

Ik heb me behoorlijk vergist in het imago Grimaud dat op cd's en in tijdschriften moet verkopen. Eerlijk gezegd geloofde ik niet meer in je moet mensen niet op hun uiterlijk beoordelen .... In onze tijd kreeg ik alleen maar de indruk dat mensen juist op hun uiterlijk beoordeeld wilden worden. Waarom zouden zij zich anders zo kleden naar hun groep? De moderne mens is toch voortdurend bezig met uiterlijk en uitstraling om maar op een bepaalde manier op een ander over te komen? Zie ik hoor bij links of rechts, zie ik hoor bij die inkomensgroep, zie eens hoe vlot en leuk ik ben, zie ik hou van die muziek, zie ik doe nu ook golf maar het is niet meer elitair hoor, zie zie zie ZIEN JULLIE HET WEL!

Hoe kon ik zo dom zijn! Zoals alles in onze 21e eeuwse maatschappij: het gaat erom hoe je iets verkoopt, al is het maar het aanprijzen en verkopen van een aangemeten persoonlijkheid. Maar, achter die façades kunnen nog best hele interessante en verstandige mensen zitten. Daar werd ik even met mijn neus opgedrukt. Op mensen als Grimaud kan ik verliefd worden. Nu wil ik ook weten hoe ze piano speelt.

9.8.2004

Ik kijk heel weinig televisie. Het is dan ook lastig als er dan twee programma's tegelijk komen die ik wil zien. Ja natuurlijk, ik kan één van de programma's op video opnemen maar de ervaring is dat ik mezelf nooit de tijd gun om het dan later te gaan bekijken.

Vanavond is de zomergast Theo Maassen en ik denk dat ik ditmaal maar een video laat meelopen. Het zal ongetwijfeld een leuke avond worden, maar mijn vrouw is er niet vanavond en dit lijkt me nu juist een zomergast die je met z'n tweeën moet gaan kijken. Cabaret in je eentje is minder leuk. Ik hoop dat Theo Maassen de ruimte krijgt om over zijn vak te praten.

Waar ik wel naar ga kijken is Kruispunt op Nederland 1 om 21.33 u. Vanavond een unieke aflevering over het Kartuizer klooster La Grande Chartreuse. Het wordt wel het strengste klooster ter wereld genoemd. Maar met streng wordt hier misschien bedoeld dat de Kartuizers zich zeer afkeren van de wereld. Kartuizers ontvangen geen bezoekers, laat staan een filmteam (daarom zijn deze beelden ook uniek). Eigenlijk zijn Kartuizers kluizenaars die bijelkaar wonen om zo nu en dan iets samen te doen. Ze bidden slechts drie maal per dag samen en brengen de rest van de dag door in stilte met hun eigen werk en gebeden. Zelfs eten doen ze geloof ik alleen op zon- en feestdagen gezamenlijk.

Ik heb de kloosterwereld van stilte en meditatie altijd fascinerend gevonden, zonder overigens zelf een roeping te voelen.

8.8.2004

Het moet in de tijd geweest zijn dat ik dertien of veertien jaar oud was, de eerste keer dat F. langs kwam. F. kwam uit een gezin met acht kinderen: drie jongens en een meisje en nog eens drie jongens en een meisje. Onze ouders waren bevriend. Van de laatste drie jongens was F. de oudste. Alle drie waren het zeer intelligente jongens, ze haalden met gemak hoge cijfers op de middelbare school. Maar bij alle drie ging het in de pubertijd mis. F. kwam in een instituut, liep weg, werd soms uit de trein gehaald bij de Belgische grens. Schizofrenie luidde later de diagnose.

F. was vreemd, raar. Hij was stil en giechelde meisjesachtig. In het dorp werd om hem gelachen: heb je F. nog gezien, wat zag hij er weer niet uit hè?

Hij was veel ouder dan ik. Toen hij de eerste keer op een avond bij mij thuis kwam was hij kort geleden opgepakt door de politie omdat hij in een bibliotheek geprobeerd had boeken te verbranden. F. was pacifist, die boeken riepen op tot geweld en dus moesten die boeken vernietigd worden. F. was de eerste idealist die ik tegenkwam. Ergens mocht ik hem wel.

We hadden de liefde voor de klassieke muziek gemeen en hij kon ook schaken. Hij had wel zin om eens langs te komen om een potje te schaken en om over muziek te praten. We spraken af op een avond dat mijn ouders bij zijn ouders op bezoek waren.

F. hield vreselijk veel van de muziek van Mozart. Hij verzamelde alle muziek van Mozart en las er veel boeken over. Hij was de eerste bij wie ik een obsessie voor een bepaalde kunstenaar tegenkwam. Alles wilde hij weten, alle muziek wilde hij op lp hebben in de beste uitvoeringen. Natuurlijk besloot ik vrij snel om zoiets ook te gaan doen, het was dé manier om in ieder geval van één componist alles te weten te komen. Aaanvankelijk koos ik voor Johannes Brahms, maar toen ik eenmaal de muziek van Richard Wagner had gehoord veranderde dat snel ten gunste van de laatste. In mijn studietijd heb ik een dergelijke verzamelwoede nog een tijdje gehad met de muziek van Benjamin Britten, maar toen was ik al niet meer echt overtuigd verzamelaar. Zo'n obsessie ging ten koste van een bredere belangstelling, daar had ik lang voor nodig om dat in te zien. F. zag het eerder: enkele jaren na het eerste bezoek kreeg ik alle lp's van hem met muziek van Mozart. F. was altijd heel radicaal in zijn beslissingen. Ineens moest het anders en was er toch iets niet goed aan Mozart.

Maar er is ook een andere herinnering aan F. die ik niet gemakkelijk zal vergeten. Ik mopperde op een avond tegen hem over de moderne muziek (en daar bedoelde ik toen nog niet de pop of jazz mee, maar de 20e eeuwse 'klassieke' muziek). Ik had op een koncert muziek van Igor Strawinsky gehoord en ik vond dat geen muziek: het was chaotisch en lelijk. F. nam het voor Strawinsky op. Hij vroeg me of ik iets van Mozart op de piano wilde spelen. Ik speelde een deel van een sonate. Toen ging hij achter de piano zitten en begon in het wilde weg maar wat te spelen, hij sloeg als een kleuter op het klavier. Toen hij ophield keek hij mij aan en vroeg: leg jij me nu eens uit waarom dit minder poëtisch zou zijn dan Mozart. Ik was met stomheid geslagen. Meende hij dat nu echt?

Onbewust had hij een barst geslagen in mijn 'klassieke' ideeën over muziek en had hij mij geholpen op een andere manier naar muziek te luisteren. Soms moet ik nog wel eens aan F. denken als ik weer van die moderne 'plingplangplong'-muziek hoor. Waarom zou dat minder poëtisch zijn. Bedankt F. Ik weet nu dat muziek van Pierre Boulez of Karl-Heinz Stockhausen net zo poëtisch kan zijn als Mozart.

Soms hoor ik via mijn ouders nog wel eens iets over F. Het gaat wel goed met hem, zolang hij zijn medicijnen maar neemt. Ik vond dat er veel wijsheid in zijn gekte zat.

4.8.2004

Ik heb geen lichaam.
Ik ben een lichaam.

28.7.2004

Nee, nee, nee, u begrijpt het niet!
Niet ík schrijf deze weblog,
deze weblog schrijft mij!

27.7.2004

Vanochtend had ik ineens geen zin om de tram in te stappen. Het is gewoonte om 's ochtends met de tram te gaan en 's middags terug te wandelen naar het station. Maar vanochtend wilde mijn lichaam ineens het Damrak op, lopend.

Amsterdam is veel mooier 's ochtends dan 's middags, althans op de route die ik loop. 's Middags moet ik me altijd door toeristen en werkvee heen worstelen. Op een vroeg tijdstip (half acht) is het een stad die langzaam maar zeker tot leven komt. Nu is Amsterdam een stad die altijd leeft, je hoeft maar een been buiten je deur te zetten en je zit er middenin. Veel mensen vinden dat een aanbeveling, mij schrikt het af. Dat ik mijn werk in Amsterdam heb, vind ik meer dan genoeg. Het ligt ook niet in de eerste plaats aan Amsterdam, ik heb sowieso niet veel met grote steden.

Maar zo'n wandeling door een zo'n stad zou ik vaker moeten doen. Winkels die met bevoorraden bezig zijn. Toeristen aan het ontbijt in hotels of al vroeg op pad, de koffers achter zich aan slepend. Minder idylisch: daklozen op zoek naar sigaretten, geld en eten. De drukte bij de warme bakkers. De stadsreining die de troep weer achter de kont van de rijke en verwende westerling moet opruimen. Er is veel te zien op zo'n ochtend in een stad die tot leven komt.

Op de hoek van de Spuistraat en de Raamsteeg is een warme bakker in een mooi pand. Ik had het nog nooit zo goed bekeken, maar een toerist was druk bezig het pand in de ochtendzon te fotograferen. In Amsterdam moet je omhoog kijken. Tussen alle reclame en neonlicht door kun je nog vele mooie gebouwen zien, zoals dat hoekpand in Jugendstill. Prachtig.

Na de Raamsteeg kom ik uit op de grachten. Die zijn erg mooi in de opkomende zon. De zon laat het groen van de bomen mooi uitkomen en het water van de grachten straalt een diepe rust uit. Hier is de horeca bezig hun terrasjes buiten te zetten. Gezinnen komen hun huis uit om naar werk en school te gaan. Sommigen op de fiets, anderen in hun veel te opzichtige auto. Om acht uur stap ik mijn werk binnen op het Molenpad.

En toch ... als ik terugdenk aan mijn jeugd en de tijd dat ik elke schooldag door het Friese landschap naar Leeuwarden fietste ... Nee, dan toch liever een weiland met koeien, boerderijen in de verte, een kerktorentje, de mooie lucht boven de horizon, de wind ... daar kan Amsterdam niet tegen op. Ik denk trouwens dat er ook meer leven zit in het Friese landschap dan in een stad als Amsterdam.

5.7.2004

Op de middelbare school was ik één van de weinige leerlingen die echt enthousiast was voor literatuur, ook voor de Nederlandse literatuur. Ik kon goed opschieten met de leraren Nederlands (beter dan met de leraar Muziek, die vond het alleen maar irritant dat hij een leerling in de klas had die het soms beter wist). Waar andere leerlingen de humor niet begrepen, zat ik te grinniken. Met één leraar had ik een hele goede verstandhouding. Ik ben zijn naam vergeten. Hij was dol op de boeken van Reve, las altijd aan het eind van het jaar De Avonden. Zijn lessen over Nederlandse literatuurgeschiedenis waren een feest. Ik heb zelfs eens vrijwillig een spreekbeurt gehouden over de novelle De Binocle van Louis Couperus. De rest van de klas vond me natuurlijk totaal gestoord – wie gaat er nu vrijwillig een spreekbeurt houden? –, maar ik deed het met plezier. De leraar was lovend.

Toen ik mondeling examen moest doen duurde het bijna een uur in plaats van het geplande half uur. Het was ook wel handig dat ik aan het einde was gepland. Heerlijk een uur over literatuur praten, waren alle examens maar zo leuk. Het cijfer voor dit examen was een negen. Ik was er trots op.

In mijn studietijd heb ik geprobeerd de Nederlandse literatuur bij te houden. De laatste jaren komt het er niet meer van. Ik vind dat ik veel te weinig Nederlandse (en Vlaamse) literatuur lees. Misschien ook wel juist Vlaamse literatuur, een tijd lang vond ik dat een stuk boeiender (ik word niet moe lezers Eriek Verpaele aan te bevelen en dan vooral het boek Alles in het klein, gevolgd door Olivetti 82).

Vorige week stond er in de culturele bijlage van het NRC een stuk over online bibliotheken. Vooral De Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren is een prachtig project. Je kunt allerlei teksten uit de Nederlandse geschiedenis online lezen, niet alleen literaire. Nu ben ik weliswaar geen online lezer, maar een beetje rondsurfen op zo'n site vind ik toch heerlijk. De brontekst is aangevuld met annotaties en woordverklaringen. Dat moet wel, want het Nederlands uit de Middeleeuwen is voor een hedendaagse lezer zonder hulp niet meer te begrijpen. Het zou een geweldige bron zijn voor een geïnteresseerde middelbare scholier (bestaan die nog?). Ik heb me ingeschreven voor hun nieuwsbrief, zodat ik op de hoogte gehouden word van nieuwe titels en ik word bijvoorbeeld gewezen op een nieuw gedicht van de maand.

En nu ik het toch over de Nederlandse letteren heb, wijs ik u ook meteen maar op het blad Literatuur. Magazine over Nederlandse Letterkunde. Het is veranderd, wat gerichter op een breder publiek. Ik vond dat niet noodzakelijk, maar voor anderen is nu de drempel wellicht wat lager. Men kan twee proefnummers aanvragen. Probeer het eens!

3.7.2004

Ze stonden netjes in het gelid. Ik voelde dat er wat aan de hand was. Problemen. Moedig liep ik op ze af.

"Kom op jongens, er moet er nog ééntje tussen," sprak ik mild.

"Nee, beginnen we niet aan, het moet nu maar eens afgelopen zijn." Iemand had zich als woordvoerder opgeworpen. Aan de toon te horen zouden dit wel eens moeilijke onderhandelingen kunnen worden.

"Er is daar nog plek, daar kan hij nog wel tussen!" probeerde ik nogmaals, maar al minder overtuigd.

"Nee, we hebben besloten dat het veel te vol is. Vol is vol! Je kunt ons niet nog dichter tegen elkaar aan plaatsen. Straks zitten we hartstikke vast en kunnen we niet meer weg. Bovendien ben je nog lang niet klaar met ons, bij sommigen ben je nog niet eens op de helft. Maak dat eerst maar eens af."

Ik zuchtte, ik wist dat hij (of was het een zij?) gelijk had. Maar ja, 't is verslavend hè. Ik zette een dwingend en autoritair gezicht op.

"OK, ik geef toe dat ik sommige van jullie te weinig aandacht geef, maar ik doe een beroep op jullie solidariteit. Hij moet ook onderdak en als jullie je verzetten dan moet hij in de open lucht liggen en dat kan niet hoor! Dus, vrijwillig of dwang!"

"Als je ons dwingt zullen we voor eeuwig gesloten blijven voor jou!" Ze speelden het hard. "Dan laten we geen woord meer los!"

De maat was vol! Ik besloot om het hardste wapen in te zetten. Ik deed het niet graag, maar dit soort verzet moet je in de kiem smoren.

"Goed, prima, dan hoef ik jullie niet meer! Dan bel ik de opkoper van tweedehands boeken wel, dan komen sommige van jullie lekker in zo'n stoffig zaakje te staan! Wie weet waar jullie dan terecht komen. Bij iemand die jullie bladzijden omvouwt of jullie ruggen breekt?" Ik lachte als een Amerikaanse gevangenisbewaarder.

Er ging een siddering door de kast! Dat nooit! Schoorvoetend werd er ruimte gemaakt. Met enige moeite, maar met een grote glimlach wist ik de nieuwe aanwinst er tussen te zetten. Er werd nog wat gemokt ("wat een vetzak!"), maar toen was het weer stil. Streng en rechtvaardig moet je voor ze zijn. "Vol is vol", ha! hoe komen ze erbij!

22.6.2004

Ik zie 'm nu bijna elke werkdag als ik naar het station loop vanuit mijn werk: De Dood. Hij is gekleed in een zwarte pij, heeft een doodshoofd en houdt een zeis in Zijn Hand: het moet 'M zijn. Op De Dam, waar veel mensen De Dood op de foto zetten met Het Paleis of De Nieuwe Kerk op de achtergrond. De Dood laat dan grimmig met zijn zeis het geldbakje rinkelen, want Hij wil best op de foto maar dan wel betalen (De Dood is vast een Hollander). Ik weet niet of God geld wil voor een foto, ik ben Hem daar nooit tegen gekomen. Wel vraagt hij geld voor Zijn Woord, maar dat is dan ook wel een hele Dikke Pil geworden. Nee, De Dood schrijft geen Boeken, De Dood heeft een Eenvoudige Boodschap: je geld of je leven. Hij doet goede zaken, Hij past in deze tijd.

Gisteren liep ik vlak achter Hem langs en ik kon net zien dat Hij gympen droeg.

17.6.2004

In de duinen liggen, turen naar de hemel en nadenken. Gedachten hebben en kijken naar de voorbijtrekkende wolken. Hopen op een stralende zonsondergang zonder een wolkje aan de lucht.

14.6.2004

Ik heb het mijn moeder al lang vergeven hoor. Zij kon het ook niet weten, het gebeurde met de beste bedoelingen. Het moet aan het einde van de lagere schooltijd of aan het begin van de middelbare schooltijd geweest zijn. Ik mocht eens mee naar een operette-voorstelling. Helemaal zeker ben ik niet meer, maar het moet Gräfin Maritza (1924) van Emmerich Kalman (1882-1953) geweest zijn. De vage beelden die uit mijn herinneringen bovenkomen bevatten typsiche Weense belle epoque beelden: jurken, pakken, blijheid met een vleugje foute volwassen ondeugendheid. Absoluut niet grappig. Maar ik was toen nog een kind (mijn pubertijd kwam laat) en vond het allemaal heel spannend. Zitten in zo'n zaal (De Harmonie in Leeuwarden), licht uit, doek open en een raar aangekleed toneel. Het orkest begint te spelen en dan ... gaan die mensen daar op het podium zomaar zingen!!! Dat herinner ik me nog het beste: ze gingen zingen en ze zongen ook zo raar, met zo'n vreemde trilling in hun stem. Ik had geen idee waar ze het over hadden – Duits verstond ik nog niet –, maar ik was ongetwijfeld gebiologeerd door wat er allemaal gebeurde. Zoiets had ik nog nooit gezien én gehoord.

De tweede maal dat ik naar een muziektheatervoorstelling ging zat ik ongetwijfeld al op de middelbare school. Ik ging al geregeld naar koncerten, ik had samen met mijn moeder een abonnement op het Frysk Orkest. Zo leerde ik in mijn tienerjaren het ijzeren repertoire kennen. De route op de fiets naar mijn middelbare school (voor de Leeuwarders onder u: ik zat op het Lienward College wat toen nog Achter de Hove zat) ging langs De Harmonie. Ik ging met mijn zwager (mijn zus is elf jaar ouder en was toen al getrouwd) naar een voorstelling van Die Entführung aus dem Serail van Wolfgang Amadeus Mozart. Ditmaal had ik me beter voorbereid. In één van mijn eerste muziekboeken – de muziekencyclopedie XYZ in de muziek van Caspar Höweler – had ik de opera opgezocht en het verhaal gelezen. Opnieuw vond ik het zingen spannend. De voorstelling had nu ook een puzzelelement, want al kon ik een beetje Duits, met het gezongen Duits vroeg ik me nog steeds af waar we in het verhaal waren. Nu is de Entführung een komische opera en het publiek moest geregeld lachen. Ook al ontging mij de tekst, de scènes met Osmin, Blondchen en Pedrillo waren visueel heel grappig. Tegenwoordig is deze opera natuurlijk wat pijnlijk. Ten eerste is de Turk Osmin zeer vrouwonvriendelijk en ten tweede zou hij – gezien zijn gedachten over westerlingen – verdacht worden van banden met Al Qaida (Erst geköpft, / dann gehangen, / dann gespießt / auf heiße stangen; / dann vebrannt, / dann gebunden, / und getaucht; / zuletzt geschunden enz..) Drama in deze opera is er slechts terloops en het loopt allemaal gelukkig weer goed af. Bassa Selim blijkt uiteindelijk een aardige, intelligente en verlichte Turk.

Ik was gegrepen door opera. Thuis haalde ik allemaal platen van mijn ouders tevoorschijn met opera. Het was allemaal opera zoals ik dat gisteren beschreef. Toen was het nieuw, verrassend en luisterde ik zonder vooroordelen. Mijn oren zogen al die nieuwe klanken naar binnen. Mijn zwager legde de basis voor mijn Wagner-liefde door zijn lp's met Wagner-opera's aan mij uit te lenen. Ik was helemaal gek van Der fliegende Holländer en mijn ouders werden er op een andere manier gek van. Heb je een zoon wat niet naar harde popmuziek luistert, maar naar klassieke muziek: gaat hij naar Wagner luisteren!? Vrienden en leerkrachten vonden het eveneens wat vreemd, zo'n tiener die helemaal gek is van klassieke muziek en dan ook nog opera én dan ook nog Wagner.

In die tijd was er op een zondagmiddag een documentaire over een componist waar ik nog nooit van gehoord had. Mijn ouders waren niet thuis en ik ging alleen naar deze uitzending kijken. Het ging over de componist Benjamin Britten (1913-1976). Britten was een componist met een geheel eigen stijl. Hij was enerzijds nog heel klassiek, maar gebruikte aan de andere kant het moderne idioom. Dat gaf een zeer boeiend spanningsveld: er zijn aan de ene kant genoeg aanknopingspunten richting klassieke harmonie en aan de andere kant word je geprikkeld omdat het totaal anders is. Na die uitzending was ik helemaal van mijn stuk. Wat een muziek! Nu wilde ik ook componist worden (en ik componeerde al in die tijd). Toen er in De Harmonie vervolgens een voorstelling kwam van Albert Herring moest ik daar naar toe. Alleen desnoods, want er wilde niemand mee naar deze zogenaamde moderne muziek. En ik ging alleen. Het kaartje kocht ik van mijn zakgeld. Wederom was het een komische opera, maar ditmaal was de muziek bij vlagen zo verschrikkelijk indrukwekkend dat de voorstelling als een droom aan mij voorbijtrok. En niet alleen de muziek. De decors, het acteren ... alles was nieuw en pakkend. Vooral de klanken die uit de orkestbak kwamen waren zo anders dan ik gewend was. Ik begreep werkelijk niet dat mijn leeftijdsgenoten hier geen belangstelling voor hadden. Wisten ze wel wat ze misten?

Soms zou ik wel eens terug willen naar die tijd. De tijd van de eerste indrukken. Tijdens mijn studie muziekwetenschappen zou ik natuurlijk nog veel nieuwe muzieken ontdekken, maar zo onbevangen als ik in mijn tienerjaren geweest ben ... dat is jammer genoeg voorbij. Niet dat ik nooit meer kippenvel krijg. Ik zal u nog wel eens vertellen hoe ik met zoveel graden koorts en tranen op mijn wangen de derde akte van Tristan und Isolde in de Stopera heb doorstaan. Maar de verbazing over onbekende muzikale werelden? Dat is minder, veel minder geworden. Helaas.

Maar mijn moeder heb ik het vergeven. Niet dat ze mij meegenomen heeft naar een voorstelling – dat niet! Maar mama ... operette!? wil je me dát nooit meer aandoen!!!

3.6.2004

Je houdt ervan of je verafschuwt het, een tussenweg schijnt bijna niet mogelijk te zijn. Laat ik het maar vast schrijven: ik vind opera één van de meest fascinerende muzikale vormen. Ook één van de meeste onmogelijke, want eigenlijk komen er verschillende kunstvormen bijelkaar: tekst (vaak beroerd), muziek, toneel, decorbouw, kleding, dans en ik vergeet vast nog wel wat. Om dat allemaal op elkaar af te stemmen is nogal wat organisatie vereist en om alles op een ordentelijke manier op dat podium te krijgen is een hele toer. Opera is niet alleen voor het publiek spannend.

De operahaters – of zij die het 'niet zo mooi vinden' – hebben doorgaans vooral een hekel aan de zang die zij niet mooi vinden: die gillende wijven op het toneel, vreselijk! Meestal hebben deze mensen slechts een bepaald soort opera op het oog, de 19e eeuwse opera en dan vooral de Italiaanse opera met de belcanto zangstijl. Dat is de opera van gouden strotten als Pavarotti, Placido Domingo en consorten. Dat is de opera van cdtjes met operafragmenten waar je van het ene larmoyante drama in het andere gestort wordt. Dat is opera van componisten als Donizetti, Bellini, Verdi en (20e eeuws) Puccini. Of misschien de opera van Wagner, al vind je die maar zelden samengevat op een cd.

Soms komen gespreksgenoten uiteindelijk met een bekentenis: nou ja, ze hebben toch een cdtje met opera: Maria Callas, dat is wel mooi. Tsja, dan noem je er ook één.

Eerlijk gezegd vind ik opera uit die tijd ook niet zo geweldig, al stoor ik me vaak meer aan de verhalen. De gemiddelde opera valt als volgt samen te vatten: de sopraan is verliefd op de tenor (of andersom) en de bas is er niet blij mee. Vaak loopt er dan nog een alt rond als schoonmoeder of oudere kamervrouw van de sopraan en een bariton als vriend van de tenor. Ik ben een keer naar La Traviata van Verdi geweest. Voor de gemiddelde operaliefhebber één van de toppers. Ik vond het verhaal volkomen ridicuul en de muziek zo kitscherig dat ik in de pauze besloot de derde akte maar niet meer te zien en te beluisteren.

Soms vertel ik mijn gespreksgenoot dat de 19e eeuwse opera een tijdlang dezelfde sociale functie heeft vervuld als tegenwoordig de voetbalstadions. Dat mag ik meestal uitleggen. Wel, de gemiddelde operazaal bestond uit loges en die werden gehuurd, vaak voor een heel seizoen. Noem het vip-rooms. Daar zaten mensen niet rustig te luisteren, nee daar werd handel gedreven. Alleen als er een aria, duet of wat dan ook werd gezongen was men even stil en ging men luisteren. Meestal kwamen de rijkeren pas na de eerste akte binnen bij de opera (reden waarom componisten vaak weinig aandacht schonken aan de eerste akte). Gedurende de eerste akte werd vaak gedineerd. In de tweede akte zat dan vaak een ballet, alwaar de maitresses van de rijke heren in meedansten, zo konden zij nog even genieten van het benenwerk. Enkele huurders/bezitters van zo'n loge hadden in het kamertje achter de loge niet alleen een tafel om eventueel contracten te tekenen, maar ook een bed geplaatst voor je weet maar nooit... Maar de gelijkenis met voetbal gaat verder, want vooral in Parijs is het nogal eens voorgekomen dat fans van een bepaalde componist op straat hele veldslagen uitvochten met fans van een andere componist. Ook kwam het voor dat men voorstellingen verstoorde met fluitjes, wat dan vaak weer tot vechtpartijen in het theater leidde.

2.6.2004

RDNZL vroeg in een reactie naar mijn voorkeur. Anti-globalisme, islam, liberalisme?

Ik vind dat zo'n moeilijke vraag: tot welke -isme reken ik mezelf? Om dat te kunnen weten moet ik eerst weten wat mijn opvattingen zijn. Dat klinkt logisch, maar ik heb het idee dat veel mensen zich tot een -isme voelen aangetrokken en hun opvattingen daaraan aanpassen. Het behoren tot een bepaalde politieke of religieuze stroming lijkt een keuze voor een lifestyle. Dat ziet men vaak al aan de kleding die iemand draagt. Soms heeft iemand linkse opvattingen, krijgt vrienden die politiek actief zijn en huppaké, ineens heeft men nog meer radicale linkse ideeën. In bepaalde politieke kringen lijken te opvattingen ook te radicaliseren omdat het dan status geeft binnen de politieke groep. Dat heeft niets meer met overtuigingen te maken, maar met sociale behoeften. Ik ben me daar zeer bewust van en ik ben altijd zeer argwanend naar mijn eigen opvattingen. Ik wil zoveel mogelijk onafhankelijk blijven in mijn bovenkamer. Zoveel mogelijk, want echt onafhankelijk denken is onmogelijk.

Maar wat zijn die opvattingen van mij dan? Eerlijk gezegd: ik weet het niet zo goed. Of beter: het is niet zo uitgekristalliseerd. Dat is ooit anders geweest. Zo'n twintig jaar geleden was ik overtuigd VVD-er, een paar jaar later noemde ik mezelf anarchist. Maar slechts in woorden, ik kan me niet beroepen op veel daadkracht. Het enige linkse wat ik wel gedaan heb is dienstweigeren, een keer meegelopen tegen kernwapens. O ja, ik ben eens op een blauwe maandag naar een vergadering van de gemeentelijke afdeling van GroenLinks in Zeist geweest en dat was slaapverwekkend. In de tijd van de eerste golfoorlog ben ik uit protest lid geworden van GroenLinks, maar daar lag ook niemand wakker van.

Nee, ik noemde mijzelf een anarchist, een religieus anarchist zelfs. Ik vond dat staten afgeschaft moesten worden en de mensen weer in kleine gemeenschappen moesten gaan leven. Terug naar de natuur ook. Geen welvaart maar welzijn. Gezag moest je verdienen maar mocht niet absoluut zijn. Wetten dienden als richtinggevers, niet als dwingend. Ik had (en heb overigens) sympathie voor het Taoïsme en het Zen-Boeddhisme en daarnaast was ik zeer New Age. Ik mediteerde, brande wierook, geloofde heilig in een spirituele werkelijkheid achter de materiële werkelijkheid. Ik kokketeerde met astrologie en numerologie en las boeken als Seth spreekt. Ik interesseerde me eveneens voor theosofie en antroposofie, ik probeerde de boeken van Blavatksy te lezen (maar ik begreep er helemaal niets van) en Rudolf Steiner. Ook Krishnamutri had mijn aandacht, maar ook daarvan snapte ik niets. Muziek was voor mij de poort naar de spirituele wereld, muziek had de kracht om de spirituele kant in de mens wakker te maken. Ik las boeken over sjamanisme en wica en ik vond het allemaal even inspirerend. Ik kan nog wel even doorgaan met opsommen.

Er was één boek dat ik mijn bijbel noemde: de Tao van Poeh. Wanneer ik me ongelukkig voelde las ik bijna altijd in dat boek. Daarnaast las ik veel Nietzsche, maar ik interpreteerde Nietzsche naar mijn eigen spirituele ideeën.

Toch moet er altijd twijfel geweest zijn. Hoezeer ik ook geloofde dat de mens keer op keer reïncarneerde en elk leven zijn les moest leren en zijn weg moest gaan – het waren mooie overtuigingen, maar de wereld veranderde niet. Hoezeer ik ook geloofde dat er in elk mens, dier, misschien wel in alle materie een goddelijke vonk huisde en dat je daar op moest blijven vertrouwen – de wereld veranderde niet. Er knaagde iets: zou het kunnen dat al die prachtige optimistische ideeën gewoon sprookjes waren? Zou het kunnen dat er niet meer is dan de wereld die ik waarneem, dat er geen werkelijkheid achter de werkelijkheid bestaat? En áls dat zo is: is dat dan erg? Maakt het wat uit?

Langzaam maar zeker moet die twijfel de overhand hebben gekregen. Uiteindelijk heb ik al mijn New Age boeken aan een handelaar in tweedehands boeken verkocht en ik mis ze nog steeds niet. De boeken over Zenboeddhisme en Taoïsme bleven en ik vind ze nog steeds inspirerend. Ze hebben niet per se een ware wereld nodig.

Ik probeer het tegenwoordig eenvoudig te houden. Eerst maar eens proberen de wereld te nemen zoals die op mij overkomt. Dát is al mysterieus genoeg. Eerst maar eens proberen gewoon vriendelijk tegen andere mensen te zijn. Dat is soms al moeilijk genoeg. Waarom je bezighouden met metafysica of links radicalisme als er een afwas staat te wachten en die moet nu eenmaal gewoon gebeuren. Ik probeer maar te doen wat ik moet doen. Je kunt nog zulke hoogdravende ideeën hebben, uiteindelijk moet je ademhalen en een boterham eten. Dan kun je toch beter naar de bakker gaan? Ik probeer te doen waar ik plezier in heb. Ik probeer mijn overtuigingen eenvoudig te houden: de natuur is waardevol, de wereld is waardevol, mensen zijn waardevol. Het is beter aardig tegen elkaar te zijn, datgene wat we aantreffen op de wereld eerlijk te verdelen, het ecologisch evenwicht te bewaren. Niet alleen omdat ik wil dat mijn kind ook nog van de natuur kan genieten, maar omdat ik de natuur an sich waardevol vind. Per slot moeten we allemaal schone lucht inademen, moeten we allemaal eten en drinken, willen we graag allemaal gezond zijn enz. enz. Waarom zouden we een godsdienst, een politieke overtuiging of wat dan ook nodig hebben om aardig tegen elkaar te zijn? Waarom zouden we bezittingen hebben? Waarom maken we het elkaar zo moeilijk, waarom vechten mensen? Waarom ... zo kan ik eindeloos doorgaan. Misschien zijn het kinderlijke vragen, maar ze zijn al moeilijk genoeg. Misschien is er maar één antwoord: omdat het de menselijke natuur is.

Wel RDNZL, bij welk -isme zal ik me nu indelen?

21.5.2004

Het kan allang niet meer ontkend worden en ik doe daarmee natuurlijk geen nieuwe ontdekking: er is een openlijke, maar ook een onderhuidse strijd gaande tussen de islamitische en de Amerikaanse, Westeuropese cultuur. Deze wordt niet alleen uitgevochten in Afganistan en Irak, maar ook in Israël en Palestina én en in de steden in westerse landen.

Maar er woedt nog een strijd, één die minder goed herkend wordt en maar al te zeer wordt overschaduwd door de eerste: een strijd tussen liberalisme en de anti-globalisme.

Soms vraag ik me wel eens af of er eigenlijk geen strijd wordt geleverd tussen het liberalisme en de islam? Heeft links, hebben de anti-globalisten vaak niet dezelfde bezwaren tegen de westerse cultuur als de islamieten? Is het niet een driehoeksverhouding waarbij links en islam een kleinere onderlinge afstand hebben en samen tegenover het liberalisme staan?

Het liberalisme is – als ik mijn geschiedenislessen goed onthouden heb – van oudsher een progressieve beweging voortkomend uit de Verlichting. Een beweging gebaseerd op optimisme en vooruitgangsgeloof, op de emancipatie van de burger. Uit vrijheid, gelijkheid en broederschap kozen zij voor vrijheid. De wetenschappelijke ontdekkingen, de industriële revolutie, de ontworsteling aan de dominantie van religie: het droeg allemaal bij aan een optimisme dat we tegenwoordig de maakbaarheid van de samenleving noemen. Ze wilden vrijheid, welvaart en stemrecht voor allen. Het liberalisme had een groot vertrouwen in de goedheid van de mens en zijn rede: de Achilleshiel van het liberalisme.

Tegenover het liberalisme stond niet alleen het conservatisme, maar vooral de Romantiek. De romantici hadden het niet over de rede, maar over twijfel, niet over waarheid, maar over paradoxen, niet over eenheid, maar over gespletenheid, chaos. De romantici waagden de sprong in het duister. Zij kozen niet voor de gulden middenweg en evenwicht, maar weken af van voorgeschreven paden en verzetten zich tegen een opgelegde orde. Zij wilden een andere vrijheid en voor hen lag dat ergens achter de horizon. Zij hadden oog voor de duistere kant van de mens.

Het communisme is gevallen (welk communisme kun je je afvragen) en de liberalisten waren er als de kippen bij om de overwinning te vieren en het einde van de geschiedenis te verklaren. Maar wat is er toch met het liberalisme gebeurd? Zijn ze conservatief geworden? Hadden ze last van een remmende voorsprong? De wetenschap, de industriële revolutie, de vooruitgang waar zij zo in geloofden is verworden tot kapitalisme en roofbouw op de natuur. Het liberale geloof in vrijheid is verworden tot een opgelegde vrijheid in een geloof in het liberalisme. Het is deze opgelegde orde waar ook de islamieten zich tegen verzetten.

Islamieten hebben niets met de burgerlijke handelsgeest die leidt tot zoveel mogelijk (verderflijk) persoonlijk comfort. Islamieten zien in onze vrijheden ook de schaduwzijden: het losbandige, het immorele. Zij zien geen redelijkheid maar lege ratio, een mechanische maatschappij. Zij zien de arrogante mens in de grote stad. Zij zien geen gelukkige mensen die genieten van hun vrijheid, hun auto, hun huis enz.; zij zien mensen die op drift zijn, op zoek naar hun volgende shot consumptie, op zoek naar hun volgende orgasme, op zoek naar verdoving en mensen die hun schouders ophalen als er weer democratische verkiezingen zijn. Zij zien de arrogantie, de zelfgenoegzaamheid, de televisie. Zij zien de leegte die de dood van God heeft achtergelaten en de oeverloze pogingen die leegte weer op te vullen, zelfs door terug te verlangen naar waarden en normen. Ze zijn bang dat hun kinderen ook zo worden en hun kinderen houden ons een zeer scherpe spiegel voor.

Heeft de islam dan geen schaduwzijden? O ja zeker: hun gebrek aan zelfkritiek en debat, hun wantrouwen tegen rationalisme. Hun hang naar religieuze zuiverheid en hun neiging tot vernietiging van datgene dat niet binnen die zuiverheid past. Het zijn de duistere schaduwzijden waar de romantici al op gewezen hebben en het leidde naar de Tweede Wereldoorlog. Het verlangen naar zuiverheid leidt in consequente vorm tot fascisme en gaskamers.

Toch denk ik dat we kunnen leren van de kritiek die de islam op onze westeuropese cultuur heeft en dan vooral als het gaat om de verzoening tussen cultuur en natuur. Want, met alles wat we op de islam zouden kunnen aanmerken, het is niet de islamitische cultuur geweest die de wereld met zijn industrie verziekt. Het is niet de islam geweest die wapens heeft uitgevonden waarmee we de wereld tig keer kunnen vernietigen. Het is niet de islam geweest die werelddelen veroverden en locale bevolkingen uitroeide of kerstende. De islam kent nog steeds een rijke cultuur én een organische samenleving waar onderlinge solidariteit leeft. In plaats van ons zo superieur op te stellen zouden we moeten leren van de goede kanten van de islam, zonder nu direct islamiet te moeten worden. In plaats van ze te bekritiseren en uit te dagen moeten we de dialoog aangaan. Als we dat consequent en met volharding zouden doen, dan weet ik zeker dat het islamitisch fundamentalisme uitdooft als een kaars.

Dit waren zomaar wat gedachtenkronkels op de woensdagochtend. Er valt ongetwijfeld veel op aan te merken. Het is niet af. Ik pretendeer dan ook niet hier een sluitende analyse te geven. Zie het als gedachten die in mijn hoofd spelen en die hier neergelegd zijn. Wie weet leidt het tot gedachten bij u. Schroom niet ze te delen in het reactiedoosje.

19.5.2004

Ik weet wel dat ze bestaan, maar soms vergeet ik het. Misschien heb ik wel een mentale cordonne sanitaire (spel je dat zo?) om me heen, misschien kom ik die mensen gewoon niet tegen. Mensen die spreken over "zwartevriendjes partij als cda/pvda", mensen die medemensen omschrijven als "die schapen/ paardeneukers". Wat dat laatste betreft is het me al vaker opgevallen dat racisten snel overgaan tot sexueel getinte classificaties en ik kan er alleen maar een sexuele frustratie van de schrijver achter zoeken.

Wat doe je met dit soort zielig gespuis? Negeren inderdaad? Iets in mij wil dit soort uitspraken nooit onbeantwoord laten, maar aan de andere kant weet ik dat dat soort uitspraken vaak eerder gebaseerd zijn op een kinderachtige schreeuw om aandacht dan dat het voortkomt uit een geniaal politiek inzicht. Reageren betekent dan het belonen van deze negatieve vorm van aandacht vragen. Sinds die kale op deze wijze kijkcijfers wist te genereren is er een hele bevolkingsgroep die zich geroepen voelt om ook eens 'te zeggen wat we denken'. Dat is niet bij voorbaat slecht, een sluimerend gevaar is erger dan een gevaar dat zich laat kennen.

Maar je hebt ook zogenaamd intelligente aanhangers van die kale. Mensen die wellicht zijn boeken gelezen hebben of zijn columns. Mensen die zich een genuanceerd beeld gevormd hebben, die er prat op gaan de ware kale te kennen. Heb je een opvatting over die kale dat niet in hun straatje past dan word je meteen gediskwalificeerd als iemand 'eigenlijk heel weinig weet' van die kale. Want als ik 'eigenlijk heel veel geweten had' van die kale dan was ik natuurlijk heel positief geweest.

En als er dan een onoverkomelijk conflict dreigt dan zijn er altijd wel van die diplomaten die gaan roepen 'dat de waarheid wel ergens in het midden zal liggen'. Ten eerste: de waarheid bestaat niet of is niet kenbaar en ten tweede: waarheid is niet altijd positief. Waarom zou waarheid altijd iets moois en goeds zijn?

De waarheid van de kale profeet en zijn volgelingen was voor hun dé waarheid. Het gaat er niet om of hun waarheid waar is, maar dat ze hun waarheid als dé waarheid ervaren. Politieke discussies gaan niet over waarheid, maar over wenselijkheid: hoe willen we de maatschappij inrichten en op welke wijze. Willen we mensen uitsluiten of niet? Willen we een leefbare maatschappij of niet? Willen we eerlijk delen of niet? Vinden we dat we al die verschillende mensen gelijk moeten behandelen of niet? Een ieder moet maar zijn eigen antwoord op deze vragen formuleren. Maar ik wil de vrijheid om deze keuzes te maken voor mijzelf en ook voor mijn medemensen. Politici als die kale maar ook Abou Jahjah ontkennen die vrijheid voor een groep mensen. Daarom wil ik hen bestrijden.

Moe word ik van politici die in het zicht van verkiezingen (het europees parlement ditmaal) weer van die kale luchtballonnetjes oplaten. Het neusje heeft ditmaal bedacht dat mensen die leven van de bijstand maar huishoudelijk werk moeten gaan doen. Het is de vertrouwde tactiek van de kale: je roept iets waarvan je denkt dat het potentiële kiezersvee dat ook denkt. Dat kiezesvee denkt, hé dat heb ik ook wel eens gedacht en nou zegt hij het ook, dus ik heb niet verkeerd gedacht, ik ga op de partij van het neusje stemmen! Dat er ondertusssen allerlei steekhoudende argumenten in kranten en andere media tegen dat idee worden aangedragen ontgaat dat stemvee en de politieke winst is weer binnen.

Ik word er moe van en ik dreig me af te wenden van politiek en dat is het grootste gevaar: dat we onze kop in het zand steken voor politiek populisme.

17.5.2004

Vanochtend had ik het erover met mijn chef.

Maar misschien moet ik eerst even iets uitleggen.

Mijn werkplek bevindt zich op de tweede verdieping in een oud pand in Amsterdam. Het is een prachtig gebouw. Ik heb de indruk dat er geen hoek negentig graden is in dit gebouw. Nieuwe werknemers hebben veel tijd nodig om erachter te komen hoe het gebouw in elkaar steekt.

Mijn kamer is bovenin onder het dak, een soort zolderkamer. De muren lopen tot halverwege en dan begint het puntdak ondersteund door rondlopende balken. Licht komt binnen door een drietal dakramen aan de ene kant en een uitbouw aan de andere kant. Helaas kan ik door de dakramen geen hemel zien want het geeft uitzicht op het dak van het pand ernaast.

Tussen ons dak en ernaast loopt een waterafvoer en daar blijft wel eens water staan. Ik ben 's ochtends vaak het eerste op deze kamer en ik doe vaak een dakraam open als het wat warm en benauwd is op de kamer. De laatste tijd hoor ik dan veel gespetter, gefladder en gepiep van het dak komen. Het gepiep klonk soms wat angstig en was de laatste tijd behoorlijk heftig. Ik kon niet zien waar het vandaan kwam dus ik besloot eens op een bureau te klimmen en uit het dakraam te kijken wat daar nu allemaal gebeurde. Ik had het kunnen weten: een stelletje duiven hadden van de dakgoot een heuse yab-yum gemaakt, de natuur ging er behoorlijk zijn gang. Amsterdamse duiven, een red-light district op je dak.

Ik maakte mijn chef met een glimlach op dit wangedrag attent. Toen ik zei dat dat nu eenmaal de natuur was vroeg hij zich of verkrachters er misschien ook zo over dachten. Bij mensen werkt het schijnbaar anders. Zouden wij werkelijk het enige dier dat iets van liefde en plezier beleeft aan de geslachtsdaad? Wanneer zou dat bij de aapachtigen begonnen zijn, dat je het vrouwtje niet meer van achteren neemt maar van voren en dat er misschien zoiets als genot, glimlach en liefde ging meespelen? Dat je elkaar in de ogen kunt kijken? En niet alleen in het voorjaar?

Wij hebben wel eens diepgaande gesprekken op het werk.

De rust is overigens weer terug in de dakgoot.

14.5.2004

Wat gebeurt er met je als soldaat in een oorlogssituatie. Daar zijn vast veel studies naar verricht. Ik mag hopen dat er in de opleiding van soldaten ook aandacht aan geschonken wordt. Maar er zullen maar weinig mensen kunnen indenken hoe het is om te overleven in een oorlogssituatie, als soldaat niet, als burger niet. Ik heb Vietnam-films op televisie gezien en ik werd als kijker soms een beetje deelgenoot van de spanning die iemand moet voelen in dergelijke extreme omstandigheden.

Wat gebeurt er toch met je als soldaat. Wat is er toch met die Amerikanen gebeurt in Irak? De families die hun kinderen, neven, nichten, echtgenoten enz. herkennen op die foto's uit die gevangenis snappen er niets van. En dat geloof ik wel. Hoe afschuwelijk die foto's ook zijn, ze verbazen me niet. Oorlog maakt mensen gek. Elke dag leven met de dreiging dat je doodgeschoten of opgeblazen kan worden, dat moet wel iets met je doen. Daar is geen verschil tussen een Middeleeuwer die rovend en verkrachtend door het oorlogsgebied trekt en een Amerikaanse soldaat. Geen verschil? Schijnbaar niet, misschien valt alleen de kleinschaligheid mee. Of is het nog maar het topje van de ijsberg? Niet dat ik hun gedrag wil goedpraten. Dat het gebeurt verbaast me alleen niet. De morele verontwaardiging is terecht, maar ook hypocriet.

En wat zou ik doen in hun situatie?

Nee, onze levensomstandigheden zijn wellicht wat verbetert: betere voeding, betere medische mogelijkheden enz. enz. Maar mensen blijven mensen: een nog ongedetermineerde diersoort.

7.5.2004

Mijn grootvaders heb ik niet gekend. De vader van mijn vader was al lang overleden toen ik werd geboren. De vader van mijn moeder leefde nog, heeft mij nog gezien, maar overleed toen ik drie maanden was. Ik schijn erg op hem te lijken qua karakter. Niet zozeer zijn opvattingen – hij was een zeer gelovig man – maar de wijze waarop ik met mijn opvattingen omga. Toen ik een keer aan de eettafel de krant zat te lezen (ik lees het liefste aan een bureau of aan een tafel) verzuchtte mijn moeder: het is net of ik mijn vader zie, die zat ook altijd aan tafel de krant uit te spitten.

Veel weet ik niet van mijn grootvader. Mijn vader had ik een hekel aan zijn schoonvader, maar mijn moeder sprak altijd met respect over hem, al gaf ze toe dat het geen gemakkelijke man was. Ik heb begrepen dat hij zwijgzaam was en streng. Hij dulde geen tegenspraak.

Ongeveer vijftien jaar geleden kwamen we onverwacht meer over hem te weten. Iemand belde op uit Amsterdam en kreeg mijn moeder aan de lijn. De beller deed onderzoek naar de rol van de politie in de Tweede Wereldoorlog in Friesland. Mijn grootvader was in die tijd hoofd van de politie in Bergum. De onderzoeker wist dat mijn grootvader overleden was, maar hoopte nog met mijn grootmoeder te kunnen praten. Mijn grootmoeder leefde nog, maar was helaas zeer dement, de onderzoeker kwam te laat, de herinneringen waren verloren gegaan.

Desalniettemin volgde er interview met mijn moeder. Ze had er nooit zo bij stil gestaan. Ze was tien jaar toen de oorlog begon. Ze woonde tegenover het stadhuis/politiebureau in Bergum en haar vader was hoofd, dat meende ze zich te herinneren. Dat er veel 'ooms' kwamen logeren in die tijd herinnerde ze zich ook wel. Dat vader veel weg was 's nachts en dat haar moeder dan zo bezorgd was geweest kon ze zich ook wel herinneren. Na de oorlog was daar nooit over gesproken, haar vader sprak daar niet over.

Een van de weinige herinneringen die ze had was dat vader eens zijn been had gebroken. Hij had extra lang het gips laten zitten. Overdag droeg hij het en ging niet naar zijn werk, maar 's nachts ging het gips af en was hij veel weg. En o ja, eenmaal was haar vader verschrikkelijk kwaad op een Duitser geworden en had hem het huis uitgezet, dat had vreselijke indruk op haar gemaakt.

Toen later het boek van de onderzoeker binnenkwam kwam pake er een paar maal in voor. We begrepen dat hij een behoorlijke rol gespeeld had in het verzet in Friesland, vooral bij het laten ontsnappen van Engelse piloten. Hij moet een dubbelleven geleid hebben: overdag als politieagent werken naast de vijand, 's nachts de vijand een hak zetten in het verzet. De informatie die hij overdag kreeg als politieagent moet zeer nuttig geweest zijn in het verzetswerk. Hij heeft nooit verteld over die tijd, het was eenvoudigweg zijn plicht geweest.

Op 4 mei denk ik die twee minuten altijd even aan hem en ik vraag me af wat ik in die omstandigheden gedaan zou hebben. Ik hoop dat ik ook daarin op hem zou lijken.

6.5.2004

Als we het over verslaving hebben dan denken we vaak aan drugs, sigaretten, drank enz. Sommigen denken misschien aan vetzucht of aan sportverslaving, telkens weer die kick willen ervaren. Weer anderen weten dat er zoiets als koopzucht bestaat: jezelf belonen of verwennen voor een geleverde prestatie door een nieuw kledingstuk of iets anders te kopen. Dan heb je nog mensen die er een verzamelwoede op nahouden, blij worden als er een ontbrekend item aan de verzameling toegevoegd kan worden. Luguber is de lust die moordenaars (maar ook soldaten) kunnen beleven aan het doden van iemand anders.

Soms denk ik wel eens dat de hedendaagse mens aan allerlei vormen van verslaving lijdt. Of het meer is dan vroeger dat weet ik niet. Ik vermoed dat het samenhangt met media en commercie. Elke dag worden we met zijn allen gebombardeerd door beelden en boodschappen die ons vertellen hoe we moeten zijn, die ons vertellen waar we behoefte aan moeten hebben. Bevredig die behoefte, voldoe aan de ideaalbeelden, dan ben je gelukkig. Ik vraag me af hoe dat werkt. Over het algemeen vinden we toch dat we onszelf in de hand hebben en dat we verantwoordelijk zijn voor onze woorden en daden. In de rechtspraak hebben we het wel eens over ontoerekeningsvatbaar dus we weten dat er redenen zijn om aan te nemen dat iemand zichzelf niet in de hand heeft. Hij was onder invloed, had een slechte jeugd of wat dan ook. Dan rekenen we hem zijn daden minder zwaar aan.

Waar zit die 'ik' in ons hoofd. Hebben we werkelijk iets wat we ziel kunnen noemen? We hebben nog nooit zoiets in een laboratium kunnen isoleren: dames en heren, tatereta: de ziel. Er zijn mensen die niet in goden en spoken geloven. Die kun je immers niet bewijzen. Maar hoe zit het dan met onze ziel? God is dood liet Nietzsche de dwaas op het marktplein uitroepen. Nu onze ziel nog, zou ik eraan willen toevoegen. De ziel bestaat niet. Als ons lichaam dood is, dan zijn wij ook dood. Of niet soms.

Het zijn dit soort gedachten die ik niet los kan laten. Onlangs werd het weer gevoed door een artikel in Trouw. Ik citeer:

Drugs stoken om te beginnen de dopamine-kachel op in ons brein, in neuraal jargon het beloningssysteem genoemd. Omdat de boodschapperstof dopamine een zalig gevoel, een soort onberedeneerde heerlijkheid in het hoofd teweegbrengt.

Bij zoogdieren onderhoudt het systeem nauwe contacten met andere hersengebieden, met het geheugen en met stukjes brein die de ervaringen kleuren. Er blijft iets hangen van het genot. Maar helaas, dopamine wekt spoedig de aanmaak op van een eiwit (CREB) dat het lekkere gevoel enigszins tempert. Al gauw een tweede, een derde biertje nodig. Tolerantie is het gevolg.

En dan dreigt de verslaving: met het aanhoudende spuiten of drinken verliest het eiwit CREB zijn invloed, de tolerantie ebt wat weg. In plaats daarvan dringt zich een ander eiwit (delta FosB) op dat erg stabiel blijkt. En dat bij dieren welig tiert als ze zich te buiten gaan aan genoeglijke zaken. Aan suiker, of aan het eindeloos rennen in de tredmolen. En dan gebeurt het in het kopje van muis en rat: sommige neuronen beginnen als een razende te spruiten en nieuwe contacten te zoeken. Ze staan blijvend op scherp. Een andere boodschapper in het brein (glutamaat) zorgt voor permanente verankering van de genotservaringen in het geheugen, waardoor de overgevoeligheid zich ten slotte uit in een obsessief verlangen naar drank of drug. Zo wordt op den duur bij een kleine groep gebruikers de bovenkamer bewoond door hunkerhersenen, in dienst van drank of drug, waar alle andere gedrag voor wijkt.

Zou het erg zijn als we alleen maar bestonden uit chemische processen? Wat is er mis mee? Er verandert toch niet zoveel? Nou ja, ok, onze rechtstaat kan op de helling, want we zijn dan eigenlijk nergens meer verantwoordelijk voor. Is het dan zo erg dat wat ons bezielt en ons knecht een chemische oorsprong heeft? Levert een potje schaak en het winnen van het potje mij een lekkere stoot dopamine op?

Aarzelt u net zo erg als ik om de vraag met 'ja' te beantwoorden? Waarom toch?

30.4.2004

Störig heb ik gelezen en Copplestone en dat prachtige kijk- en leesboek De verbeelding van het denken, maar elke keer heb ik hetzelfde probleem met die Grieken. Ditmaal in De droom der rede van Anthony Gottlieb. Lezen over de presocraten en de sofisten, allemaal even boeiend. Maar dan komt het hooggebergte: Socrates, Plato en Aristoteles. Mijn interesse stokt. O ja, Plato schrijft prachtig en zijn Ideeën vind ik aardig gevonden, maar tegelijk ook zo lachwekkend. Aristoteles is de mindere schrijver, maar bij hem zie ik door de bomen het bos niet meer. In die geschiedenisboeken gaat het maar eindeloos over die twee. Het liefst zou ik ze overslaan, maar ja, zonder die twee had de filosofie er totaal anders uitgezien. Sommigen vinden zelfs dat de hele filosofiegeschiedenis een voetnoot bij Plato is. Overdreven, maar het zegt veel. (Nietzsche noemde het christendom Platonisme voor het volk, wat ik ook een aardige vind).

Gelukkig heb ik ze nu weer even gehad. Anthony Gottlieb schrijft aantrekkelijk, maar bij Plato en Aristoteles begon het kunstje te vervelen. Nu ben ik bij de Epicuristen, de Stoïcijnen en de sceptici: veel interessanter wat mij betreft. Als ik over Epicuris lees kan ik me een beetje epicurist voelen. Ik kan me stoïcijn voelen en scepticus. Het staat dichter bij mijn ervaring van het leven en de wereld.

29.4.2004

U zult er wel niet van wakker liggen, maar ik vind het schandalig. Ze doen 't volgens mij om mij te pesten. Ze weten dat ik geregeld kom. Eigenlijk moet ik ze straffen door altijd naar de concurent te gaan in de toekomst. Maar zij zullen daar ook niet wakker van liggen.

Ik ging naar mijn vertrouwde boekhandel in de middagpauze. Ik had even behoefte aan de geruststellende aanwezigheid van boeken. Ik loop als altijd naar de verdieping waar ik altijd naartoe ga en ik loop naar de kasten om te kijken of er wat nieuws is. Ik kijk en denk: hier klopt iets niet. Ben ik op de goede afdeling? Verward kijk ik rond. Het zal toch niet ... Ja hoor! Het is weer zo ver. Men heeft in hun oneindige wijsheid besloten dat de afdelingen weer eens verhuisd moeten worden. Sta ik zomaar voor de kast psychologie waar vroeger filosofie stond! Dat ze me dat aandoen! Psychologie! Stel je voor dat ze besloten hadden Economie daar neer te zetten!! Was ik zomaar naar ... nee, dit is te erg!!! Dit kan ik u niet aandoen. Mijn oprechte verontschuldigingen.

Het was even zoeken, maar ik heb ze gevonden hoor! 't Was een hele opluchting. Bijna had ik om mezelf te troosten een boek gekocht.

Nee heus, het gaat wel weer hoor. Ik ben nog wat nerveus, maar dat gaat wel weer over. Ik wen er wel weer aan. Ik begrijp alleen niet dat ze je niet even waarschuwen!

28.4.2004

Toen ik nog op de middelbare school zat ging ik vaak in vrije uren naar de Provinciale Bibliotheek in Leeuwarden. Deze bibliotheek lag aan de rand van de Prinsentuin en tegenover de Oldehove. Het was misschien vreemd voor een middelbare scholier om vrijwillig zijn uurtjes in een bibliotheek door te brengen, maar zo zat ik nu eenmaal in elkaar. Ik hield van boeken en wie van boeken houdt, houdt van bibliotheken.

In de centrale hal kon je zoeken in catalogi. Geen computers, maar kaartenbakken. Ik heb daar eindeloos gezocht naar boeken over componisten en filosofen, vooral Wagner en Nietzsche natuurlijk. De medewerkers aan de balie keken me wel eens verbaasd aan. Sommige waren al aan me gewend. Ik vond het prachtig. Je vulde een kaartje in dat je daar aan een medewerker gaf en dan wist je dat er iemand de catacomben inging om het boek voor je tevoorschijn te halen. Misschien was je wel de eerste die dat boek kwam inkijken, misschien had dat boek al jaren en jaren ongeopend daar gestaan en werd er eindelijk aandacht aan hem besteed. Ze hadden één van de eerste complete uitgaven van Wagners geschriften, de rode bandjes. Het was in gotische letter gedrukt, prachtig vond ik dat.

Toen we voor geschiedenis een werkstuk moesten schrijven had ik daar mijn weg al aardig gevonden. We mochten zelf een onderwerp uitzoeken en ik wilde iets schrijven over de politieke opvattingen van Wagner. Wagner (1813-1883) was door de nazi's misbruikt en ik wilde laten zien dat Wagner eerder linkse ideeën had dan dat hij een proto-fascist was.

Ik wist dat Hitler in een passage in Mein Kampf over Wagner had geschreven en dat wilde ik nu eens zelf gaan lezen. Maar dat boek is niet in de boekhandel te krijgen en internet had je toen nog niet in de huidige vorm. De Provinciale Bibliotheek had een exemplaar. Ik durfde het niet aan te vragen. Stel je voor dat ze me voor een neo-nazi zouden aanzien. Toch was ik zeer nieuwsgierig naar dit verboden boek. Uiteindelijk heb ik met zenuwen in mijn lijf het kaartje ingevuld en schichtig op de balie gelegd toen er even niemand stond. Terwijl ik in een ander boek zat de bladeren zag ik in mijn ooghoeken dat het kaartje werd gepakt. Er gebeurde niets ongewoons. Tien minuten later hoorde ik mijn naam en ik liep met kloppend hart naar de balie. Ik werd kritisch opgenomen. "Waar heeft u het boek voor nodig?" (Ze spreekt me met u aan, dacht ik nog) "Euh, voor een werkstuk voor school," antwoordde ik naar waarheid. "U weet dat u het boek niet kunt lenen, u kunt het alleen inkijken," de blik van de medewerkster werd steeds strenger.

Ik weet niet meer of ik nu een Duitse tekst of een Nederlandse vertaling had aangevraagd, ik vermoed het laatste. Ik zie me nog steeds naar een leestafel lopen met het boek. Dit boek voelde anders, het was eigenlijk een verboden boek. In dit boek stonden Erge Dingen die je eigenlijk niet mocht lezen. Het boek werd er alleen maar spannender door. Heus, ik overdrijf niet, maar ik vond het heel spannend om het boek open te slaan. Voorin stond een foto van de Führer. Het is echt!

Het kostte me geen moeite om de passage over Wagner te vinden. Ik heb het keurig overgeschreven en geciteerd in mijn werkstuk. Op het mondeling tentamen over het werkstuk vroeg mijn leerkracht geschiedenis hoe ik eraan was gekomen. Hij vond het geweldig dat ik er moeite voor had gedaan, zoiets schrijf je niet over uit een ander boek.

Ik heb lang in Mein Kampf zitten lezen. Letters op bladzijden die verwijzen naar vreselijke gruweldaden, daden die nog moesten gebeuren toen de schrijver de tekst verzon. Kun je dat een boek verwijten? O ja, ik weet nog dat ik een half uur te laat binnenkwam bij het volgende uur wiskunde. Ik moest een briefje halen bij de concierge en hij wilde natuurlijk weten waarom ik te laat was. Ik heb het maar gelaten bij 'de tijd vergeten'.

26.4.2004

Gisteravond. Mijn vrouw is met haar studie bezig bij een vriendin. Ik heb net mijn zoon voorgelezen (Tonke Dragt Geheimen van het Wilde Woud) en naar bed gebracht. Trap af. Gang door. Huiskamer in. Blik in de keuken. Afwas. O ja, die afwas moet nog weggewerkt worden. Nee, geen afwasmachine, dit moet bij ons nog met de hand. Vanuit praktisch en culinair oogpunt hebben mijn vrouw en ik een afspraak: zij kookt, ik was af.

Bij afwassen moet er muziek op, dat is de enige manier om het nog een beetje aangenaam te maken. Welke muziek zal ik opzetten. De eerste gedachte is vaak de beste en mijn gedachte gaat ditmaal uit naar een cd die ik al lang niet meer beluisterd heb: Johann Sebastiaan Bach Actus tragicus, BWV 106 met het Monteverdi Choir, The English Baroque Soloists en de dirigent John Eliot Gardiner. Deze laatste is een dirigent die ik bewonder, alleen doorgaans niet bij Bach. Zijn Bach is de mijne niet. Deze cd is een uitzondering, misschien is het wel mijn mooiste Bach-cd.

De cd gaat het apparaat in. Volume lekker hoog, het moet goed in de keuken te horen zijn en de buren, ach ... opvoeden die lui (grijns). Afwasbak, kraan aan, afwasmiddel, schuim en de eerste klanken van de cd.

Wie deze muziek niet kent zal het niet kunnen navoelen. Wat gebeurt er toch met iemand als hij gevoelig is voor deze muziek? Deze muziek neemt bezit van je in, geeft hoop en troost. Dat er op zo'n lelijke wereld nog zoiets moois bestaat! Bach is de componist die dat altijd weer teweeg weet te brengen. Zijn mijn laatste uren geteld, kom bij mij zitten om samen naar deze muziek te luisteren, dan kan ik rustig sterven. Die eerste maten! Een paar akkoorden, orgel, viola da gamba's en dan de blokfluiten, vooral die mooie klank van de blokfluiten. Zoiets moois, zoiets simpels, hier kan niets tegenop. Dan het koor:

Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit.
In ihm leben, weben und sind wir, solange er will.
In ihm sterben wir zur rechten Zeit, wenn er will.

Dan de tenor:

Ach, Herr, lehre uns bedenken, daß wir sterben
müssen, auf daß wir klug werden.

Dan de bas:

Bestelle dein Haus; denn du wirst sterben
und nicht lebendig bleiben!

Tot slot van dit deeltje afwisselend de sopraan en koor:

Es ist der alte Bund: Mensch, du mußt sterben!
Ja, komm, Herr Jesu, komm!

Ach, de tekst is niet zo verschrikkelijk indrukwekkend misschien, maar de combinatie met de muziek (die blokfluit!) komt het helemaal tot leven.

Heute wirst du mit mir im Paradies sein wordt er gezongen. Wel, met deze muziek ben ik al in het paradijs!

Zou Bach ook wel eens de afwas gedaan hebben?

De cd:
Johann Sebastiaan Bach
Actus Tragicus BWV 106; O Jesu Christ mein Lebens Licht BWV 118b; Lass, Fürstin, lass BWV 198
Nancy Argenta – sopraan; Michael Chance – alt; Anthony Rolfe Johnson – tenor; Stephen Varcoe – bas; The Montverdi Choir; The English Baroque Soloists olv John Eliot Gardiner (1990)

22.4.2004

Vrienden zijn er in alle soorten en maten. Vrienden met wie je alleen op aangename wijze de tijd doorbrengt met bijvoorbeeld een gemeenschappelijke hobby. Vrienden met wie je een gemeenschappelijke geschiedenis hebt. Met sommige vrienden kun je vooral lachen, sommige zijn om te huilen.

Ik heb altijd vrienden gehad, in mijn studietijd heel veel. Vrienden gingen werken, gingen samenwonen, trouwen, er kwamen kinderen, je ziet elkaar minder. Bij sommige is het contact spaarzaam geworden, sommige zie je nooit meer, praktische bezwaren. En als je elkaar weer ziet is het vaak weer als vanouds, al verbaas je je over wat het nieuwe leven met hun gedaan heeft.

Pijnlijk zijn de onevenwichtige vriendschappen, waarbij de vriendschap voor de ene helft meer betekende dan voor de andere. Er waren vrienden die misschien meer kennissen waren, die toch proberen – al is het maar één keer per jaar – contact te houden terwijl ik daar niets meer bij voel. Die 'vriendschappen' stimuleer ik niet meer, men is welkom, ik ben gastvrij en vriendelijk, maar ik voel geen behoefte om een tegenbezoek te brengen.

Bij die onevenwichtige vriendschappen zitten er ook bij die ík mis. Zij betekenden veel voor mij, ik vind het verloren contact moeilijk en ik snap het niet, maar ik houd de eer aan mezelf, ik wil niet keer op keer teleurgesteld worden als het van één kant komt. Zo gaat dat.

Ik ben blij met de vrienden die ik nog steeds zie. Bijzonder zijn de vriendschappen met wie je toch een kijk op het leven deelt, de vrienden die je niet steeds hoeft uit te leggen, ze hebben aan een half woord genoeg. Dat is rijkdom.

En dat is het eigenaardige aan webloggen. Je leest de teksten van iemand en je proeft in de teksten een verwantschap. De schrijver zou zich daarover kunnen verbazen, maar jij als lezer ervaart dat zo. Het zijn de logs die je in ieder geval dagelijks wilt lezen. Soms gebeurt het dat iemand stopt met schrijven en je een tijd in spanning laat of de weblog zal verdwijnen of niet. Na een paar weken kun je dan weer opgelucht adem halen: gelukkig, ze is weer terug. Het zijn vriendschappen met teksten, zoals ook een boek je kan raken.

Misschien is het net als met muziek: goede muziek doet je iets aan. De beste vrienden ook. De beste teksten ook.

20.4.2004

Ze bestaan. De mensen die op jacht zijn naar hun zoveelste spirituele ervaring alsof ze op jacht zijn naar het nieuwste modelletje Nike. Het behoort tot onze moderne vorm van verveling: de behoefte aan spirituele kicks. Zoals sommige mensen zich met een elastisch touwtje de diepte in laten storten, zo maken anderen reizen, bezoeken koncerten, bekijken schilderijen om later bij het haardvuur met een wijntje te kunnen verklaren hoe spiritueel het allemaal wel niet was.

Wordt wakker.

17.4.2004

Muziek en religie hebben altijd bijelkaar gehoord. Ze kunnen zonder elkaar, maar zonder religie had de muziekgeschiedenis er geheel anders uitgezien. Muziek is zelf geen religie, het is de tekst of de context die van muziek religieuze muziek maakt. Maar als we de context niet kennen, de tekst niet kunnen verstaan, zou je dan kunnen horen of de muziek religieus is of niet? Gregoriaanse muziek is voor de westeuropese luisteraar meteen religieus ook al verstaan we de Latijnse tekst niet altijd. Het zou mogelijk zijn een wereldlijke Latijnse tekst te zingen op Greogoriaanse noten, is het dan nog religieuze muziek? Vaak functioneert religieuze muziek niet meer in een religieuze context. Het uitvoeren van het Requiem van Wolfgang Amadeus Mozart op een koncertpodium geeft aan dat we niet naar een kerkdienst gaan maar naar een koncert. Veel religieuze muziek is koncertmuziek geworden, kerken zijn zelfs koncertpodia geworden. Ik herinner me een koncert in een kerk in Utrecht waar de Hohe Messe van Johann Sebastiaan Bach werd uitgevoerd. De dirigent Gustav Leonhardt had vriendelijk verzocht na afloop niet te applaudiseren, dat vond hij niet passend na een mis. Na wat aarzelend geklap van een enkeling die niet op de hoogte was, schuivelden we met z'n allen stilzwijgend naar de uitgang, niet wetend waar we met ons enthousiasme voor deze geweldige muziek en deze geweldige uitvoering naar toe moesten.

Onlangs leende ik van de bibliotheek de cd Brush Music van Woven Hand. Achter deze naam zit David Eugene Edwards die eerder bekend is als frontman van de band 16 Horsepower. Waarom ik deze cd indertijd op mijn lijstje had gezet wist ik niet meer, toen ik cd in de speler stopte was de muziek een grote verrassing voor mij. Bij het eerste nummer Cripplegate (Standing On Glass) moest ik even glimlachen: mmm, meneer speelt banjo, wat grappig. Het tweede nummer Animalitos (Ain't No Sunshine) greep mijn aandacht. De stem van Edwards was acceptabel (ik houd niet zo van popzangers), misschien zelfs mooi. Maar dat was het niet, het was het gepiel met geluiden, geluiden uit het dagelijks leven en het even later een bepaald ritme. Waar doet me dit toch aan denken? Pink Floyd! Het is geen Pink Floyd, maar de associate dringt zich op. Ik was verkocht. De stem van Edwards werd steeds sympathieker en ook al zitten er veel banale instrumentale stukken in, ze worden afgewisseld met verfrissende vondsten. Dus op zoek naar informatie op het internet.

Toen ik de foto van Edwards zag ging er bij mij een lampje branden. O ja, dat interview in Oor waarin hij zonder blikken en blozen zijn christelijke overtuiging naar voren bracht. Is het dan reli-pop? Ik zag een link naar een EO-bespreking. De cd wordt daar positief besproken. Religieuze muziek dus? Maakt het wat uit?

Natuurlijk maakt het niets uit waar de inspiratie vandaan komt als de muziek maar mooi cq interessant is. Ik houd wel van deze melancholische, ietwat droevige, eigen sound van David Eugene 'Woven Hand' Edwards.

15.4.2004

Bestaat er ergens een Museum voor Schoone Principes?

14.4.2004

Een aantal jaren geleden las ik in de krant dat april De Maand van de Filosofie zou worden. Ik schoot in de lach. Toemaar, dacht ik, niet een dag, nee, meteen maar een maand! Wil je aandacht voor je zaak dan roep je De Maand van ... uit.

Als kind was het lekker overzichtelijk. Je had Vaderdag en Moederdag, Dierendag en vijf december was Sinterklaas jarig. Eerst kwam daar in je leventje Koninginnedag bij, dan mocht je een dag lang spelletjes doen in de buitenlucht op school. Dan bleek er ook nog Herdenkingsdag en Bevrijdingsdag te bestaan ... en o gruwel ... De Dag van de Arbeid. Ik vergeet vast nog wel een Dag ergens.

Vader-, moeder- en dierendag zijn redelijk verzand in commercie. Koninginnedag heeft allang mijn aandacht niet meer. Sinterklaas doe je voor de kinderen en is altijd feest. Op Herdenkingsdag en Bevrijdingsdag vertellen we elkaar dat we nooit mogen vergeten, zodat we nog dagelijks door kunnen gaan met oorlog voeren, genocide en bomaanslagen.

Maar misschien hoort De Maand van de Filosofie wel meer bij Boekenweek, Kinderboekenweerk, De Maand van het Spannende Boek en meer van dat soort horrortijden voor de echte boekenliefhebber. De laatste jaren wordt de markt overspoeld door de zoveelste Nederlandse vertaling van het zoveelste filosofische hoogtepunt uit de geschiedenis. Dat moet toch maar weer door de strot van de filosofische hoogopgeleide veelverdiende consument gedouwd worden. Ik leen het soms wel van de bibliotheek om eerste even te kijken of het wel iets voor mij is.

De Maand van de Filosofie is aardig voor de mensen die toch al van filosofie hielden. Zelf lees ik er het liefste over en laat het daarbij. Maar anderen laten zich natuurlijk graag zien op allerlei debateeravonden waar Beroemde Namen zich mogen vertonen. Prima. Maar dat kon zonder Maand van de Filosofie natuurlijk ook al. Zo belangrijk is filosofie nu ook weer niet. Het is een aardige tijdsbesteding als je je niet druk hoeft te maken over een rammelende maag en onderdak. Filosofie is voor luie, rijke mensen die niets beters te doen hebben dan overal een probleem van maken. Mensen zoals ikzelf dus. Nee, een Maand van de Filosofie is wat mij betreft volkomen overbodig. Een dagje van de filosofie was aardig geweest (komt dat zien: één dag alle filosofieboeken halve prijs!!! JWL rennen!).

Het goedkope boekje wat uitkomt naar aanleiding van de Filosofiemaand koop ik wel trouw. In 2002 was het een essay van Patricia de Martelaere, vorig jaar van Hans Achterhuis en dit jaar van Connie Palmen.

Het woord fan is een afkorting van fanatiek en fanatisme staat in het woordenboek beschreven als een felle, hartstochtelijke, blinde, dwepende ijver voor iets, voor een geloof of idee, gepaard met onverdraagzaamheid jegens andersdenkenden. De fan dweept op kritiekloze wijze met een ideaal of met een persoon die tot ideaal verheven wordt. Een geïdealiseerd iemand is geen persoon meer, maar een symbool. Want het meest eenvoudige dat er over het ideaal te zeggen valt, is dat het geen werkelijkheid is. Het ideaal behoort tot de wereld van de voorstellingen, een symbolische wereld, een fictionele wereld. Het is niet echt. Je kunt er geen verhouding mee beginnen. De verhouding die je met een ideaal hebt, is een verhouding in je eigen, veilige wereld van de fantasie, een wereld waarin je zelf natuurlijk fantastisch bent en die ander ook, en waarin die liefde ook fantastisch is, hoe kan het anders in een ideale verhouding. God snurkt niet.

De moderne geschiedenis heeft ons talloze tragische voorbeelden geleverd van fans en fanatici die moordenaars werden. Het is tekenend voor wat er sinds de tweede helft van de twintigste eeuw steeds meer verloren is geraakt en dat is het onderscheid tussen het echte en het onechte, tussen fictie en werkelijkheid, tussen het ideaal en de realiteit, tussen de woorden en de dingen, tussen een symbool en wat er door het symbool vertegenwoordigd wordt. Je kunt een ideaal niet als een realiteit behandelen en omgekeerd een realiteit niet als een ideaal. Zodra je dat wel doet, bega je een vergissing. Soms een dodelijke.

Connie Palmen Iets wat niet bloeden kan

13.4.2004

De film The Return is een zeer indrukwekkende film. De vader van twee broers komt op een dag na twaalf jaar weer thuis en neemt ze mee op reis. Hun vader ontpopt zich als een zeer zwijgzame en stoere man. Hij vertelt niets, geeft bijna alleen maar barse opdrachten.

De jongste zoon komt in opstand, begint zijn vader te haten en zou hem wel kunnen vermoorden. Waarom komt vader ineens terug? Waar is hij geweest? Waarom doet hij zo naar tegen hun?

De oudste zoon is onder de indruk van zijn vader. Terwijl zijn jongere broer alleen maar wil vissen probeert hij van zijn vader te leren.

De reis voert uiteindelijk naar een verlaten eiland. Daar vindt de verrassende ontknoping plaats.

Indrukwekkend is de film in de eerste plaats door het ongelofelijke acteerspel van de twee jongens. Prachtig zijn de beelden van de personages in het landschap, het landschap is wellicht zelf een personage. De leegte overheerst.

Indrukwekkend is de film ook door het verhaal. De vrouw die rechtsachter van mij in de bioscoopzaal zat en naar haar buurvrouw fluisterde "wat een rotfilm" had het duidelijk niet begrepen.

The Return is een verhaal over het raadsel leven. We zijn verwekt en op de wereld geworpen zonder te weten wat we hier doen. Het leven zelf blijft zwijgen en blijft een mysterie. Sommigen gaan vissen (de verwijzing naar het Nieuwe Testament kan nauwelijks toeval zijn), anderen proberen te leren van het leven.

De film zal mij nog wel een tijd bijblijven.

9.4.2004

Mijn chef en ik hebben wel eens een stevig conflict gehad, maar ik heb absoluut geen hekel aan hem. Integendeel, ik vind dat ik het getroffen heb met hem. Doorgaans beschouw ik hem dan ook niet als chef, maar als een "hogere collega". Zo nu en dan gaan wij samen met de auto naar een filiaal in Rijswijk. Als we Amsterdam uit zijn gereden komt altijd zijn standaardzin: '"en wat gaan we vandaag doen in Rijswijk? Allereerst gaan we er natuurlijk een prettige dag van maken, werken kan altijd nog".

Een ander aspect aan hem is voor sommige collega's minder eenvoudig. Illustratief is het onderzoekje dat jaren geleden eens gedaan werd naar de werkwijze op onze afdeling. De conclusie laat zich als volgt samenvatten: het is er een complete chaos, maar laat het vooral zo, het werkt. Ik durf te wedden dat mijn chef daar heimelijk trots op is. De chaos is alleen maar uiterlijk, achter die chaos zit een structuur. In de tijd van dat onderzoek werkte de afdeling als een tierelier. In piektijden waren er wel eens achterstanden, maar dramatisch werd het nooit. Toen de blindenbibliotheekwereld begon de reorganiseren werd het pas een echte chaos. Mijn chef zag een goed lopende afdeling helemaal vastlopen. Ik kan me nog herinneren dat ik op een ochtend geen werk meer had te doen en de krant zat te lezen terwijl ik wist dat er een enorme achterstand was. Wat ik ook deed of riep het werk kwam maar niet op mijn bureau of op die van mijn collega's. Je weet dan dat er heel veel visueel gehandicapte scholieren en studenten zitten te wachten op hun aangepaste boeken, maar door slecht beleid was het pas echt een chaos geworden.

Die tijden zijn gelukkig voorbij. Mijn chef heeft zijn gestructureerde chaos weer stevig in handen en op mijn afdeling loopt alles weer op rolletjes. Maar het zit er dik in dat er straks weer een reorganisatie komt. Bang voor mijn baan hoef ik niet te zijn, maar ik vrees dat er weer veel kapot gemaakt gaat worden. Vanaf augustus – wanneer scholieren en studenten hun boekenlijsten gaan inleveren – wordt het weer heel druk. Dan komt er ook weer een nieuw administratiesysteem en wellicht is dan het nieuwe xml-produktiesysteem klaar. Ik weet niet hoe ze het voor elkaar krijgen, maar dit gebeurt altijd in de piekperiode. Het wordt vast weer een leuke tijd.

En wat ga ik vandaag doen? Allereerst ga ik er een prettige dag van maken, me zorgen maken kan altijd nog. Doet u dat vooral ook!

8.4.2004

Eigenlijk mag ik niet mopperen, want ik hang immers de overtuiging aan dat de geschiedenis geen ontwikkeling naar beter of slechter vertoont. Ik zie geen ontwikkeling naar 'boven', ik zie als het ware een eeuwige wederkeer van hetzelfde. De wereld verandert, ontwikkelt zich – dat wel – maar niet noodzakelijkerwijs naar een betere of slechtere wereld. Het is als met het weer: soms regent het, soms schijnt de zon en het lijkt allemaal nuttig te zijn.

Ik zou dus beter moeten weten en gelaten het nieuws tot me moeten nemen. Irak? Spanje? Is van alle tijden dus waar maak ik me druk over? Mensen die zich druk maken kom je ook overal in de geschiedenis tegen. Idealistische mensen vaak. Ze willen het religieuze geloof in een betere wereld, een paradijselijke wereld niet opgeven. Je kan als scepticus nog wat in de marge mompelen dat zo'n wereld wel erg saai zal zijn en dat je als vanzelf gaat verlangen naar de slang met de appel, maar dat mag niet baten. God heeft de wereld in zes dagen geschapen en hij zag dat het saai was en viel dus op de zevende dag in slaap (u maakt mij niet wijs dat een god moet uitrusten van zijn werk).

Of zou juist dat verlangen naar een betere wereld al die ellende in de wereld veroorzaken? In kroeggesprekken gooi ik die optie wel eens over de toog. Al dat streven onrecht en geweld uit de wereld te helpen, al die visioenen van een betere wereld ... een verlangen naar zuiverheid. We formuleren met elkaar wat er schort, waarom niet alle mensen gelukkig kunnen zijn. Vervolgens besluiten we dat daar iets aan gedaan moet worden. Dan moet je dus weten wat niet in orde is en wat dus bestreden moet worden. Of je nu George W. Bush bent of een vriendelijke linkse pacifist, het patroon is wezenlijk hetzelfde.

Dus als we nu eens met z'n allen stopten met de wereld te verbeteren – om te beginnen bij onszelf – wie weet verbetert de wereld dan wel vanzelf?

O paradox van de scepticus! De scepticus die roept dat De Waarheid (als deze al bestaat) nooit kenbaar zal zijn en dat vervolgens als De Waarheid poneert.

En dan kom je weer uit bij het idee dat je de wereld, de werkelijkheid moet accepteren zoals zij is, ook als je dat niet doet moet je dat accepteren.

Er zal niets veranderen, dus wat maakt het allemaal uit. Het maakt niets uit en daarmee zijn we terug bij af. Als het allemaal niets uitmaakt kunnen we er net zo goed een aardige tijd van maken met z'n allen in dit wonderbaarlijke, mysterieuze leven. Zullen we dat dan maar doen?

6.4.2004

Terwijl de hele wereld naar The Passion of Christ gaat moest jwl natuurlijk weer naar een totaal andere film, wellicht wel de absolute tegenpool: Spring, Summer, Fall, Winter and ... Spring van de 43-jarige Zuid-Koreaan KIM Ki-duk. Een film die enerzijds overweldigd door de prachtige landschapsbeelden en anderzijds overweldigd door alles wat juist níet getoond wordt.

Het verhaal is eenvoudig: een leerling en een meester leven als kluizenaars. Een moeder brengt een zieke dochter om de meester om raad te vragen. De dochter blijft achter en de leerling krijgt last van zijn hormonen. Wat volgt is een drama, al krijgen we dat niet te zien. Ik vertel het verhaal niet verder, omdat dat verrassend moet blijven.

Het is ongetwijfeld typisch aziatisch om de spanning niet uit te spelen, maar onderhuids te houden. Dat is in de film zeer goed gelukt. De wijze waarop met deze spanning en emoties wordt omgegaan is weinig herkenbaar voor ons in het westen en misschien daarom wel zo fascinerend. Het vraagt om een allerte kijker, het verhaal wordt subtiel vertelt.

Ik ben met het passieverhaal van Jezus opgegroeid, we leven in een christelijke cultuur. De Mattheus Passion van Bach is hét muzikale symbool van de westeuropese muziekgeschiedenis. In de passie heeft Bach het lijden van de méns Jezus centraal gesteld. Maar dat de zondige natuur van de mens gezuiverd zou moeten worden door het lijden van Christus aan het kruis heb ik als volwassene nooit acceptabel kunnen vinden. Het zondebesef zit in onze christelijke cultuur ingebakken en juist vaak bij de mensen die zich verzetten tegen alles wat met kerk en geloof te maken heeft.

Het boeddhisme heeft een kant die meer uitgaat van het accepteren van de menselijke natuur zoals zij is. Niet boetedoening voor de menselijke zonden staat hier centraal, maar het opgeven van gehechtheid. Is er iets gevaarlijker voor onze maatschappij dan onthechting? Het ontkent immers onze economische structuur die werkt met het creëren van vraag en aanbod. Wij willen juist dat we ons gaan hechten aan materiële zaken, zodat we gaan kopen, gaan consumeren.

Een boeddhist verbaast zich niet over het lijden en accepteert de gang van de seizoenen in een mensenleven. Een boeddhist ziet de dynamiek van het onderweg zijn en de leerprocessen die daar bij horen. Een boeddhist oordeelt niet en leeft voor. De film Spring, Summer, Fall, Winter and ... Spring vertelt hier een mooi verhaal over. Het is geen verhaal die terneer drukt, maar die je als kijker geïnspireerd de bioscoopzaal doet verlaten.

Mochten de berichten in de media u afschrikken om naar The Passion of Christ te gaan, bezoek dan eens deze film. De film kreeg goede kritieken, alleen vonden de critici de symboliek wat te nadrukkelijk zo nu en dan. Daarmee kan ik instemmen maar ik maal er niet om, want het is nauwelijks storend.

5.4.2004

Het stokje dat ik kreeg van Leez: een foto van mijn liefste bezit. Dat was nog niet zo eenvoudig, want toen ik de opdracht gelezen had kwam er niet direct iets in mij op. Ik heb er echt over na moeten denken. Natuurlijk, mijn boeken zijn mij dierbaar, de zwarte doos met brieven, kaarten enz. van vrienden en vriendinnen zijn mij dierbaar, de foto-albums zijn belangrijk. Maar ... boeken zijn vervangbaar, dus die vielen al snel af. De zwarte doos of foto-albums fotograferen leek mij niets. Bovendien gaat het daarbij om iets wat niet te fotograferen valt. Dus werd het iets wat niet te vervangen is en wat ik niet graag kwijt zou raken:

In 1996 besloten mijn schoonouders om nog één keer met alle kinderen plus aanhang op vakantie te gaan. Er werd een huis gehuurd in het westen van Ierland. Mijn vrouw was toen zwanger van onze zoon en we zouden in oktober gaan trouwen. We hadden al een heleboel geregeld voor de huwelijksdag, maar met het vinden van de trouwringen was het nog steeds niet gelukt. En zoals het meestal gaat: je vindt het juist als je er niet naar zoekt, tijdens onze vakantie in Ierland. Het was een klein winkeltje, eigendom van een kunstenaar die ringen maakte met motieven uit The Book of Kells. The Book of Kells is een zeer bijzonder Middeleeuws manuscript met unieke afbeeldingen. Voor de Ieren is het belangrijk boek. Er valt veel over te vinden op internet.

Mijn vrouw en ik vielen voor één van die ringen en besloten om er onze trouwring van te maken. Het was nog wel even spannend, we waren maar een week in Ierland en één van de ringen moest aangepast worden omdat de ring mij niet paste. Natuurlijk wilden ze de ringen wel opsturen naar Nederland, maar soms wil je eerst zien wat je krijgt voordat je betaalt. Het kwam allemaal goed, op de voorlaatste dag konden we de ringen halen. Op deze foto [foto verwijderd – jwl] ziet u mijn exemplaar.

3.4.2004

Gisterochtend was ik extra vroeg opgestaan want ik moest 's middags eerder weg van mijn werk. Het lukte om een trein eerder te halen dan ik gewend ben. De trein was mooi op tijd, maar vertrok iets te laat. De trein had nog niet het perron verlaten of stond alweer stil. Technische storing, zo verholpen. Technische storing, duurt even wat langer (hé, daar vertrekt de trein die ik normaal heb ...). Technische storing, wij kunnen er momenteel niets aan doen, we worden teruggesleept naar het perron (hé, daar gaat alweer een trein ...). Uiteindelijk heb ik drie kwartier in een stilstaande trein gewacht en vertrok ik uiteindelijk een uur later met een andere trein. Kan gebeuren. Blijft mensenwerk. Zucht.

Maar ik had wel alle tijd om de krant aandachtig te lezen. Zo las ik een bespreking van het boek De droom der rede. Een geschiedenis van de filosofie van de Grieken tot de Renaissance geschreven door Anthony Gottlieb. De recensent was zeer enthousiast over het boek. Een journalist heeft op geheel eigen wijze nogmaals het ontstaan en ontwikkeling van de Griekse filosofie beschreven in een zeer lezenswaardige stijl. Ik wist meteen: dat moet ik lezen, dat is de manier op mijn filosofie-lees-project nieuw leven in te blazen.

Zo'n acht jaar geleden ben ik met dat project begonnen. Ik vond het tijd worden om eens wat te doen aan mijn onwetendheid in de filosofiegeschiedenis. Dus kocht ik een 10-delige filosofiegeschiedenis en begon te lezen. Daarnaast wilde ik ook de filosofieboeken lezen. Ik kwam tot aan de sofisten. Ik las weliswaar door tot in de Middeleeuwen, maar van systematisch lezen kwam niks meer. De uitstapjes naar andere boeken werden steeds frequenter en uiteindelijk lag het project stil. Enkele pogingen tot reanimeren mislukten. Ik stond aan de poort van Plato en Aristoteles, maar ze trokken mij niet.

Ik heb veel van dit soort leesprojecten. Het werk van Nietzsche is er ook zo één. De jongste loot aan de stam der leesprojecten is Pessoa. Het is teveel. Ik kan niet alles tegelijk. Ik moet me erbij neerleggen dat ik geen tijd en concentratie heb om dit allemaal tot een goed einde te brengen. IK heb me er ook al bij neergelegd en laat me meer leiden door wat er toevalligerwijs op mijn weg komt. Zoals dit boek van Gottlieb.

De droom der rede is prachtig geschreven. Feest der herkenning, want de eerste hoofdstukken gaan natuurlijk over datgene waar ik me jaren geleden ook al mee bezighield. Het is waar: de Grieken lezen is ontdekken waar de wortels van onze cultuur liggen.

30.3.2004

Het gaat niet lekker de laatste tijd. Ik wil zoveel, maar er gebeurt niks. Zoveel boeken nog om te lezen, maar ik kom er niet toe. Muziek zet ik liever ook al niet op, ik heb meer behoefte aan stilte. Mijn hoofd zit te vol met gedachten en voornemens, maar er komt allemaal niets van. Ik moet de boel op een rijtje zetten, ik moet weer prioriteiten stellen, maar ik wil niet. Ik wil geen keuzes maken, het is allemaal even boeiend. Beter dus: ik kan geen keuzes maken. Ik wil me overal op concentreren, ik wil overal mee bezig zijn. Het resultaat: chaos en een onbevredigend gevoel. Waarom heb ik hobby's die zoveel tijd kosten? En dan te bedenken dat er mensen zijn die zich vervelen! Nou ja, voor hen is de televisie uitgevonden nietwaar?

Er moet meer structuur komen in wat ik doe. Ik wil niet alleen een boek lezen, ik wil er ook over schrijven, hier, maar ook elders. Dat vergt concentratie, tijd. Tijd ook om het gelezene te laten bezinken. Eigenlijk heb ik er ook wel tijd voor, maar die gebruik ik om te zitten en somber te denken.
Ja, er logeert een hypochonder in mij. Soms zet ik Heer Zwaarmoedigheid het huis uit, maar ik laat hem de volgende ochtend even hard weer binnen. Ik ben wel eens jaloers op al die mensen die in het voorjaar weer vrolijk worden van zon en bloemetjes. Ik heb dat niet, bij mij begint het pas weer te leven als de zomer ten einde loopt. Zomertijd! Ha! De zomertijd ontneemt mij de schemer en ik ben een schemermens, ik sta niet graag in het volle daglicht. Ook niet in het donker dus, maar ergens er tussenin. In de tijd dat je een boek pakt, een pianosonate van Schubert opzet, een gedicht leest.

Voorjaar en zomer: dat zijn donkere tijden voor mij.

28.3.2004

(vervolg van 186)

3. – Wie/wat zou je niet meer kunnen missen?

Deze vraag klinkt als "Zonder wie/wat zou je niet kunnen leven?" Als ik de vraag zo zou willen begrijpen is het twijfelachtige antwoord: niets. Zolang ik kan ademhalen, zolang ik eten en drinken heb, zo ik moeten kunnnen leven. Maar of ik gelukkig zou zijn met deze minimale voorwaarden?

Mijn vrouw en zoon, mijn familie en schoonfamilie, een paar zeer goede vrienden: ze zijn mij zeer dierbaar. Mocht ik één van hen kwijtraken dan zou ik daar zeer verdrietig over zijn.

Ik kan mooie boeken lezen, naar mooie muziek luisteren, een partijtje schaak spelen: ook dat zijn dingen die het leven mooier maken, ik zou het niet graag missen.

Als ik dat allemaal zou moeten missen, dan zou ik diep ongelukkig zijn, het zou het leven minder mooi maken. Maar het leven moet onder alle omstandigheden geleefd worden. Het leven zelf is het doel van het leven, geeft het zin, hoe moeilijk soms ook. Mijn dierbaren en hobby's verfraaien het leven, maar zijn niet de voorwaarde. Ik voel me thuis bij mij dierbaren en hobby's, maar bovenal ben ik thuis waar ik zelf ben. Ik ben geen asceet die streeft naar onthechting. Ik ben gehecht aan deze mensen en activiteiten. Ik voel me rijk.

27.3.2004

(vervolg van 185)

2. – Hoe ziet je leven er over vijf, vijftien en vijfentwintig jaar uit?

Er kunnen jaren voorbij gaan waarin niets wezenlijks veranderd in mijn leven en dan is er ineens een jaar waarin alles tegelijk lijkt te komen. Zoals het jaar waarin ik dertig werd: vast aanstelling, mijn vrouw in verwachting en geboorte van mijn zoon, huwelijk enz. Dat waren prettige veranderingen. Wie vijftien jaar geleden mijn leven van nu had voorspeld die had ik vierkant uitgelachen.

Ik heb gelezen dat het menselijk lichaam zich eens in de zeven jaar helemaal vernieuwd. Dan lijkt het me niet vreemd dat er ook in de persoonlijkheid van de mens de nodige veranderingen plaatsvinden.

Hoe mijn leven er over vijf, vijftien of vijfentwintig jaar uit zal zien, ik heb geen idee. Uiterlijk zullen er ongetwijfeld veranderingen plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld een verhuizing. Misschien dat over vijf jaar mijn ouders nog leven, misschien over vijftien jaar niet meer. Zouden mijn vrouw en ik het nog vijf jaar volhouden? Ik zie zoveel relaties stranden, ook van mensen die ervan overtuigd waren dat hun nooit zou overkomen. Zou ik over vijftien jaar nog steeds in dienst zijn bij dezelfde baas? Ik zou er geen bezwaar tegen hebben. Zou ik over vijfentwintig jaar überhaupt nog leven?

Nee, ik kan geen zinvolle voorspellingen doen en ik heb ook geen vastomlijnde doelen voor de toekomst. Ik hoop vurig dat mijn zoon over vijftien jaar een gezonde volwassen zoon is die een eigen leven kan opbouwen. Dat is mijn grootste zorg.

Ongetwijfeld zal ik over vijfentwintig jaar innerlijk een ander mens zijn. Je draagt dan weer vijfentwintig jaar extra geschiedenis mee. Bovendien schijnt er ook een soort (hormonaal) draaiboek in onze genen te zitten die op gepaste tijd de wissels verzet. Ook dat is niet geheel voorspelbaar.

(wordt vervolgd onder 187)

25.3.2004

Er waart een vragenstokje door blogland. Beantwoordt drie vragen en geeft het stokje door aan twee anderen met drie nieuwe vragen. Bijna iedereen moet op deze wijze wel aan de beurt komen lijkt me zo. SanZine gaf het stokje door aan mij. Haar vragen:

1. Wat is je slechtste eigenschap en waarom?

2. Hoe ziet je leven er over vijf, vijftien en vijfentwintig jaar uit?

3. Wie/wat zou je niet meer kunnen missen?

Voorwaar niet eenvoudig!

1. – Wat is je slechtste eigenschap en waarom?

Hier heb ik flink over na moeten denken. Heb ik slechstte eigenschappen? Ja, er zijn eigenschappen waar ik minder trots op ben, eigenschappen waar ik aan probeer te werken. Zo kan ik schijnbaar vanuit het niets heel driftig worden. Het is alsof er iemand op de verkeerde kant van de weegschaal is gaan staan en dan ontplof ik. Vaak is het een druppel die een emmer doet overlopen en u mag gerust de conclusie trekken dat ik een binnenvetter ben. Ik stoor me aan zaken, maar ik vind dat ik me er niet aan hoor te storen. Ik vind dat ik me moet beheersen. Ik houd mijn mond, totdat ... Nu zijn mijn uitbarstingen alleen verbaal en meestal loop ik gauw een blokje om om af te koelen. Dan realiseer ik me hoe onredelijk ik weer geweest ben en voel ik spijt.

Dit is gelukkig geen dagelijkse routine en ik ben blij dat het lang geleden is dat het voorkwam. Ik probeer eerder mijn ongenoegen uit te spreken, al vind ik dat zeer moeilijk. Ik herken nu zeer tijdig de symptomen en stimuleer mezelf rustig en kalm te blijven, tel tot tien, en zeg dan gewoon wat ik op mijn hart heb. Zo kwets ik niet onnodig anderen. Natuurlijk ligt aan deze slechte eigenschap een soort angst voor de (reactie/oordeel van de) ander ten grondslag, zoals aan bijna alle slechte eigenschappen van mensen.

Waar deze drift vandaan komt weet ik niet zo goed. Misschien ... Als kind had rood haar en een lichte huid. Ik werd daar door 'de grote jongens' nogal eens mee gepest. In het nauw gedreven leek het mij verstandiger om dan maar mijn mond te houden en rustig af te wachten totdat de storm weer was gaan liggen.

Ik kan me herinneren dat ik me op een keer op het plein van de lagere school zo ingesloten voelde (er stonden allemaal lachende jongens om mij heen) dat ik uit pure angst de aanstichter keihard met mijn klompen (jaja, ik droeg wel eens klompen) tegen zijn knie getrapt heb. Al mijn woede en frustratie heb ik toen in die uitbarsting gelegd. Die trap kwam hard aan, de jongen in kwestie heeft wekenlang niet meer fatsoenlijk kunnen lopen. Ik weet niet of mijn herinneringen mij in de steek laten, maar ik herinner mij dat ik sindsdien niet meer gepest ben.

(wordt vervolgd onder 186)

22.3.2004

Gistermiddag was ik om vijf uur op het station Amsterdam Centraal, een bijna dagelijks ritueel. Normaal gesproken ben ik vrij op woensdag, maar deze week had ik mijn vrije dag verschoven. Een ongelukkige keuze zo zou blijken.

Het zit 'm in kleine dingen. De wijze waarop mensen bijelkaar staan, hoe ze kijken. Er was iets mis dat was duidelijk en algauw hoorde ik de omroepster vertellen dat er een stroom- en wisselstoring was. Gepokt en gemazeld in het reizen per trein schakel ik meteen over op een houding van geduld: dit kan wel even duren. Eerst maar even wat eten.

Rustig overweeg ik de alternatieven. Met tram 5 naar Amstelveen om daar een doorgaande bus naar Utrecht te nemen, daarvoor is het te laat. Ik kan de metro nemen naar Amstel of Duivendrecht, maar of daar nog treinen komen weet ik niet. Mocht het helemaal niet lukken dan kan ik een neef van mijn vrouw in Amsterdam bellen of ik daar een nachtje mag logeren. Ik besluit te wachten, ook al adviseert de omroepster dat de reizigers beter naar alternatief vervoer kunnen gaan kijken, excuses voor het ongemak.

Ongemak. Het enige ongemak wat ik eraan heb is dat het me tijd kost die ik liever anders had willen besteden. Dat valt nog wel mee. Ik hoef geen afspraken te halen, ik loop niet rond met kleine kinderen, ik zit niet in een rolstoel enz. enz. Nee, ik wil alleen maar naar huis en dat gaat nu wat langer duren. Geen ramp, beetje vervelend alleen. Ik heb altijd wel wat bij me om te lezen en mensen observeren is ook een aardige tijdsbesteding, zeker bij dit soort calamiteiten. De blikken, de loopjes, het mobiele gebel, roken, cynische grappen maken, irritatie, schelden op de NS, de mensheid laat zich weer kennen, er is weinig voor nodig om het laagje beschaving kwijt te raken. Gelukkig dat de meeste mensen redelijk rustig blijven en er het beste van proberen te maken. Bovendien raak je zo nog in gesprek met mensen die je anders nooit zou spreken.

Dan adviseert de stem uit de geluidsboxen de reizigers voor de richting Utrecht om de metro naar Duivendrecht te nemen, daar zullen treinen vertrekken naar het oosten. De mensenmassa komt in beweging, gezellig met z'n allen ondergronds. De controleurs van het metrobedrijf bij de toegangspoortjes vervloeken de Nederlandse Spoorwegen. Ze zouden beter het privatiseringsevangelie van de koene Nederlandse liberaaltjes kunnen vervloeken.

Metrolijn 54 naar Gein is de enige die rechtstreeks naar Duivendrecht gaat. De Geinlijn, denk ik nog. Ik laat enkele metro's met ingeblikte sardientjes zonder mij vertrekken, maar uiteindelijk sta ik ook in een volle metro.

Station Duivendrecht staat vol met gestrande reizigers. Oud en jong, Nederlands en buitenlands, mensen met koffers, kinderen, vouwfietsen. Je kunt niet over het perron lopen, alleen maar schuifelen. Wie een aanslag met veel doden had willen plegen had op dat moment zijn kans moeten grijpen. Bovendien is station Duivendrecht een ongelijkvloerse kruising van sporen, dus perron 8 was met beetje rugzak met explosieven ingestort op de reizigers langs spoor 1. Succes verzekerd.

Er wordt omgeroepen dat reizigers in de richting Utrecht de stoptrein via Hilversum kunnen nemen op spoor 1. We gaan met z'n allen kijken hoeveel mensen de (rol)trappen aankunnen. De massa verplaatst zich naar benedendeks. Daar maakt de middenstand ongekende omzetten en nemen velen een houding aan waarbij een apparaatje tegen het oor wordt gedrukt. Ik zie in dat het einde van dit avontuur nog niet in zicht is en besluit buiten het staton even wat rust op te zoeken en een sjekkie te roken. Aldaar zie ik een vrouw druk pratend en gesticulerend met zo'n apparaat aan haar oor. Uit de flarden van het gesprek maak ik op dat: a. zij naar huis wil; b. zij gewend is om haar zin te krijgen; c. haar man in aantocht is om haar met de auto op te halen; d. hij niet goed weet waar station Duivendrecht is; e. als ik een relatie had met deze vrouw meteen met mijn auto rechtsomkeerd zou maken.

Ik bedacht me dat ik nog een alternatief had gehad. Ik had ook naar station Muiderpoort kunnen gaan en daar buslijn 120 naar Utrecht kunnen nemen. Het leek me echter beter om nu maar de ontwikkelingen af te wachten. Ondertussen was er een trein naar Almere vertrokken vol met mensen die ook naar Utrecht wilden. Inderdaad, je kunt in Weesp overstappen voor Hilversum, maar het leek mij beter om nog even wachten ... als ik al ín de trein was gekomen.

Dan deelt de stem uit de hemel mee dat de stroomstoring is opgelost en dat het treinverkeer weer langzaam op gang komt. Met zijn allen weer naar de (rol)trappen, terug naar spoor 8. En inderdaad, er komt een trein naar Utrecht binnen. De trein zit al redelijk vol. De reizigers die naar binnen willen springen als leeuwen op hun prooi. Reizigers die de trein willen verlaten moeten maar zien hoe ze zich er doorheen wurmen. Vervolgens het prachtige fenomeen van het niet doorlopen in de trein. Op het perron zie je dat er in de gangpaden van de trein nog voldoende ruimte is, maar binnenin lopen de mensen niet door. Woede op het perron. Uiteindelijk vertrekt de trein zonder dat dat opgelost wordt. Het blijft druk op het perron. Dan komt er een internationale trein naar Keulen binnen. Normaal gesproken moet je daarvoor een toeslag betalen, maar men heeft een behoorlijke mentale dikke vinger richting de NS opgeheven en ook deze trein loopt helemaal vol. Nu het perron aardig leeg gelopen is en het niet veel drukker is dan een normale spits weet ik dat ik in alle rust met de volgende trein mee zal kunnen.

Twee mensen op leeftijd spreken mij aan, ik had ze al een tijdje zien staan. Enige latente paniek begon zich af te tekenen op hun gezichten. "Meneer, is dit het enige spoor?". "Nou, nee, aan de andere kant is ook een spoor voor de treinen naar Centraal en beneden zijn ook nog sporen." "O. Wij moeten naar Enschede, dan moeten we toch niet over Utrecht?" "Nee, dan kunt u beter over Amersfoort gaan, die trein vertrekt waarschijnlijk van spoor 1". "Ach, dank u wel, dank u wel meneer!". Ik wist dat het een rede moest hebben dat ik daar zolang op een trein stond te wachten. De volgende trein kon ik dus met een gerust hart nemen.

Om half negen was ik thuis, twee en een half uur later dan normaal. Ik plofte met een beker drinken neer in een stoel, benen op de tafel, ogen dicht en verzuchtte: "hèhè, eindelijk stilte".

18.3.2004

Gistermiddag liep ik in gedachten van mijn werk naar het station (ongeveer een half uur lopen). Mijn gedachten waren bij een bespreking die ik gistermiddag had. Ineens realiseerde ik me dat ik mezelf als een deskundige mocht beschouwen. Een deskundige op een klein gebied, maar toch ...

Ik werk bij een bibliotheek voor mensen met een visuele handicap. Dat is niet een gebouw waar mensen naartoe kunnen gaan en waar ze boeken kunnen uitzoeken om thuis te gaan lezen. Ik werk bij een bibliotheek waar studie- en vakliteratuur wordt omgezet in aangepaste vorm. Eén van die aangepaste vormen is braille. Ik kan geen braille lezen (nou ja, een heel klein beetje ondertussen wel), maar ik weet hoe ik tekstbestanden moet maken die door een speciale printer in braille worden omgezet. Het mag u verbazen, maar deze tekstbestanden worden gemaakt in WP5.1. In de toekomst gaat het produktieproces veranderen (we gaan werken met een XML-standaard) en met name op braille-gebied is dat een lastig proces. Binnen het braille is er een gebiedje wat we voor het gemak maar wiskunde-braille noemen en dat is helemaal geheimtaal voor veel mensen. Ik realiseerde me gisteren ineens dat er waarschijnlijk maar heel weinig mensen in Nederland zijn die weten hoe je dat maakt.

Wat is er zo moeilijk aan? Een tipje van de sluier. Braille maakt gebruik van zes punten en het aantal combinaties die je daarmee kunt maken is beperkt. Cijfers en letters, lees- en rekentekens, daarin is wel voorzien. Maar hoe maak je in braille bijvoorbeeld derdemachtswortels, ingewikkelde breuken, integralen, Griekse letters, matrices, sub- en superscript enzovoort enzovoort. Bedenk daarbij dat braille een horizontaal schrift is met slechts één niveau: je kunt niet in de regel ineens hoger of lager gaan. Daar zijn oplossingen voor verzonnen en we kunnen nagenoeg alles aan. Problematisch zijn bijvoorbeeld structuurformules in scheikunde: het kan, maar eenvoudig is het niet.

Straks moeten er hier programmeurs aan de slag die een programma gaan maken die vanuit een XML-bestand braille genereerd. Zij willen graag de regels weten op wiskunde-braille gebied. Gistermiddag (en straks is de voortzetting) zat ik met een andere collega met iemand om de tafel die dat coördineert. Je moet iemand op een 0-niveau uitleggen hoe een en ander werkt, samen ontdekken hoe consequent en inconsequent het soms is, aangeven dat er vaak goede redenen zijn om van regels af te wijken, dat er soms niet is voorzien in bepaalde situaties en dat je dan soms zelf creatieve oplossingen moet verzinnen. Voor mij het leukere werk dus: ooit ben ik uren bezig geweest met één bladzijde vol met ingewikkelde statistiekformules. Je moet waanzinnig precies zijn, één spatie verkeerd en er kan totaal iets anders staan.

Toen ik naar huis ging realiseerde ik me dus ineens dat er waarschijnlijk niet veel mensen in het land zijn die zoveel weten van deze materie. Goh, dacht ik, ben ik toch nog ergens specialist in geworden.

2.3.2004

Gisteravond heb ik weer de film Stalker van Andrej Tarkovski gezien. Eén van de indrukwekkendste films die ik ken. De film vertelt een verhaal, maar niet een verhaal zoals we dat gewend zijn. Het is een onderhuids verhaal. Natuurlijk wil ik dat iedereen die film gaat bekijken, maar ik weet ook dat mijn liefde voor deze film erg persoonlijk is.

De film is niet geschikt voor mensen die romantiek en spanning verwachten in een film, niet geschikt die hopen op een onderhoudend verhaal (niets is dodelijker voor een film), niet geschikt voor mensen die lekker in een luie stoel vermaakt wil worden. Stalker verlangt van de kijker uithoudingsvermogen en een open mind.

De film dendert nog steeds in mijn kop rond. Heb ik ooit geschreven dat een kenmerk van een goed boek is dat deze je blik op de wereld tijdelijk of definitief verandert? Dan is Stalker een geniale film. Je blijft achter na een bombardement van ogenschijnlijk simpele beelden in sepia, maar de opbouw van de film, de archetypische beelden, de dialogen, het geluid (vooral het geluid!) hebben toch iets teweeggebracht. Na afloop vraag ik me af waar deze film toch over gaat. Ik heb geen idee en toch heb ik het gevoel dat mijn wereld gekantelt is, er is iets verschoven in mijn kop.

27.2.2004

Het begon er al mee dat ik me vanochtend een uur versliep. Dat overkomt me zeer zelden.

Maar de wereld was mooi geworden met al die sneeuw. Fietsen is dan wat avontuurlijker. Dat vonden de andere fietsers ook en die gingen zeer langzaam fietsen. Onverstandig, want dan ben je erg wankel, je kan beter wat tempo houden.

Op het station hoorde ik dat al het treinverkeer van en naar Amsterdam door weersomstandigheden onmogelijk was. Wisselstoringen. Toch vertrok er uiteindelijk een trein, ik had mijn werk al gebeld dat ik na een uur wachten weer naar huis zou gaan en een vrije dag zou nemen. Ik moest staan, maar gelukkig was er ruimte genoeg. De trein was Utrecht nauwelijks uit of er trok iemand aan de noodrem. Je weet niet waarom, maar het had er alle schijn van dat het een ongelukje was. De trein reed vervolgens langzamer dan normaal naar Amsterdam, met hier en daar een stop om in alle rust van het witte landschap te kunnen genieten. Op het station Duivendrecht werd er omgeroepen dat er een mankement was aan de trein, het kon even duren. Fijn. Dan ga je afwegen of je de metro zult nemen, maar net op het moment dat ik wilde uitstappen gingen de deuren weer dicht en de trein kwam weer in beweging. Voor Amsterdam Centraal moesten we een kwartier wachten omdat er geen sporen vrij waren op het station. Gelukkig heb ik altijd wat te lezen bij me.

Bij de trams was het razend druk. Zo druk dat de meneer in het hokje niet wilde afstempelen: loop maar door, loop maar door! Legaal zwartrijden, dat ik dat nog mag meemaken.

Het zonnetje schijnt, de koffie smaakt heerlijk, deze teletubbie gaat maar eens aan het werk. Ik ben benieuwd hoe ik thuiskom vanavond.

26.2.2004

Zo, ik ben weer een stapje dichter bij de beschaving gekomen. Ik werd al zo vaak met opgetrokken wenkbrauwen aangekeken: heb jij nog steeds ...? Ja, ik heb nog steeds! De kosten begonnen de pan uit te rijzen. Niet dat ik zo'n internetgek ben. Klinkt misschien vreemd van iemand die toch bijna dagelijks zijn log schrijft. Eerlijk gezegd vind ik webloggen niets met enthousiasme voor het internet te maken hebben, het heeft veel meer te maken met liefde voor taal en schrijven. Het is meer de schaakkant. Schaken leent zich uitstekend voor internet. Om te spelen, maar ook om informatie uit te wisselen. Ik onderhoud zelf al een tijdje een website voor mijn schaakclub Oud Zuylen. Het is weliswaar een vrij zakelijke website, maar de leden zijn er tevreden mee. Ze hoeven niet zo nodig allerlei frivoliteiten, ze vinden het juist prettig dat ze er de informatie kunnen vinden die ze willen hebben zonder dat ze allerlei leukigheid moeten omzeilen. In september stop ik met deze website, gelukkig heb ik een aantal leden gevonden die het eventueel willen overnemen. Ik ben ze nu html aan het leren. Nou ja, dat wil zeggen: ik heb ze een boek geleend. Lees dat eerst maar eens door.

Maar goed, die stap dichter bij de beschaving. Het idee dat ik dit hele stukkie online zit te tikken. Ik beschik sinds gisteren over een asdl-aansluiting. Wat nu pas? Ja, nu pas. Zat je dan de hele tijd telefoontikken op te hoesten? Yep. Het is vreselijk onwennig. De hele tijd ben ik geneigd om de verbinding te verbreken en ik kan maar niet geloven dat dit niet handen vol met geld kost. Laat ik het maar eerlijk zeggen: ongekende luxe. Voor anderen misschien al zo normaal, voor mij: luxe. Zo ervaren wij onze auto ook nog steeds: luxe. We hebben jarenlang alles met het openbaar vervoer gedaan en we vonden dat heel normaal. We hebben die auto nu ongeveer twee jaar en nog steeds beschouwen we dat ding als ongewoon.

Soms vraag ik me wel eens af hoe de wereld er uit ziet als ik bejaard ben. Zal ik dan de wereld ook niet meer kunnen volgen zoals mijn ouders daar nu moeite mee hebben. Eerlijk gezegd: ik kan de wereld al niet meer volgen.

23.2.2004

De laatste tijd (je verzint wat als je ziek bent) heb ik wat zitten bladeren in een oud, groot aantekeningenboek. Ik was daar ooit mee begonnen omdat ik zo vergeetachtig ben. In dat boek schreef ik zo veel mogelijk op wat ik tijdens het lezen van boek, krant of tijdschrift wilde onthouden. Of als ik mooie muziek hoorde die ik zou willen lenen van de bibliotheek en dit boek lag in de buurt, dan maakte ik er snel even een notitie in. Soms ook was er geen aanleiding en kwam een simpele gedachte of ingeving in het boek te staan. Het resultaat is een chaotische lap tekst. Het boek is nooit vol gekomen, de laatste jaren zit de klad erin. Bovendien is het een groot, dik en zwaar formaat dat eingelijk te onhandig is om mee te nemen.

Het begin op woensdag 4 maart 1992 met aantekeningen die ik maakt voor een programmatoelichting bij de Matthäus-Passion van Bach:

In april 1827 ging de Matthäus-Passion van Johann Sebastiaan Bach (1685-1750) na ruim tachtig jaar stilzwijgen op nieuw in Leipzig in première olv Felix Mendelssohn-Bartholdy.

Dan volgen er bladzijdenlang aantekeningen bij Der Antichrist van Nietzsche. Op bladzijde 16 begint een eindeloze analyse van de Johannes-Passion van Bach. Bladzijde 22 fascineert me: ik heb daar ooit een schema getekent van de symmetrische opbouw van de Johannes met daarin verschillende varianten en theorieën.

Ik schoot in de lach op bladzijde 35. Schijnbaar heb ik me ooit verdiept in een artikel dat Immanuel Kant en de vraag naar de waardigheid van de muziek heette. Nu zou ik zo'n artikel om de titel al overslaan.

Zelfs een opzet voor een roman kom ik tegen. Dat was ik echt helemaal vergeten, ik dacht dat ik me daar nooit aan bezondigd had!

En dan, zomaar, onderaan bladzijde 59, tussen allemaal blokken tekst in mijn priegelende handschrift, luid en duidelijk deze regels:

Dichter!
Kam je haar, poets je schoenen!
Trek je innerlijk aan!

K. Michel

Dit trof me nog het meest.

Het heeft toch gewerkt dat aantekeningenboek. Ik leg het nu maar weer terug in de black box. Of zou ik het weer in ere herstellen?

22.2.2004

Gisteren was er dan de documentaire met Martha Argerich. Ik kende haar niet zo goed. Slechts wat vage artikelen in tijdschriften had ik gelezen. Maar ik was verliefd op haar spel en op de foto's op de lp-hoezen. Dus was het bekijken van de documentaire ook een risico: hier zou iemand van haar voetstuk kunnen vallen in mijn ogen.

De enige ontnuchtering was dat ze doorgaans Frans sprak. Ik weet niet zo goed hoe het komt, maar ik heb een hekel aan de Franse taal. Op zich een vooroordeel waar ik ook even snel weer overheen kan stappen. Meer verbaasd was ik over haar openhartigheid, ik had eigenlijk verwacht dat ze heel moeizaam zou zijn in de gesprekken. Dat viel erg mee, ze sprak eerlijk en open over zichzelf.

Ik kreeg een beeld van Argerich van een uitzonderlijk getalenteerde pianiste. Een talent dat haar overkomen is. Op jonge leeftijd is ze in het diepe gegooid en ze heeft zeer geleden onder haar (zelf opgelegde) perfectionisme en eenzaamheid. Het is vervreemdend om iemand te horen spreken over haar pianistische onzekerheden terwijl ze zo verschrikkelijk goed kan piano spelen. De angst dat ze niet de prestatie kan leveren waarvan ze vindt dat ze die moet leveren. Het publiek als een veelkoppig monster ervaren. Dat ze van zichzelf vindt dat ze dood mag neervallen als ze een noot verkeerd speelt. Het feit dat ze met niemand die angsten kon delen. De anecdote dat ze op een gegeven ogenblik een koncert heeft afgezegd om eens te kijken hoe dat zou zijn en om te zorgen dat haar alibi klopte had ze zichzelf in een vinger gesneden. Volgens mij moet ze psychisch wel erg aan de grond gezeten hebben om zo ver te komen. Een schreeuw om aandacht, maar ook een schreeuw om vrijheid. Het is de tragiek van wonderkinderen. Anderen gaan op een gegeven ogenblik de lat voor jou hoog leggen. Jij moet voldoen aan de eisen die anderen stellen. Argerich heeft voor haar vrijheid gekozen en verdient daarmee veel respect. Ze is haar eigen leven gaan leiden. Ze wil niet meer eenzaam zijn, ze heeft mensen om zich heen nodig en wil alleen nog maar met vrienden recitals geven en samenwonen in een soort commune in Brussel.

Qua muzikale opvattingen had ze nog wat verrassingen in petto. Eén van mijn problemen met het 'klassieke publiek' is de overtrokken ernst waarmee ze die muziek benaderen. Muziek is in essentie net zo banaal als een schilderij doek en verf is. Het is niet de muziek die spiritueel is, maar de luisteraar die het spriritueel maakt. Muziek is ook humor en spel en het was heerlijk om dat uit haar mond te horen. Muziek is ook gewoon muziek maken, plezier hebben in het spelen. Niet dat quasi onderdanige religie maken van muziek, alsof muziek iets goddelijks is. Argerich houdt zeer van muziek, ze zal de magische kant van muziek niet ontkennen, maar ze houdt tevens ook voor de zeer aardse kant van muziek. Ze blijft met beide benen op de grond staan en het is dat aan haar wat mij zo aanspreekt. Niet mystificeren, maar verhelderen.

Dit verhelderen komt terug in haar weergaloze speelstijl. Dat ze verschrikkelijk virtuoos kan spelen werd maar al te vaak getoond in de documentaire. Bijzonder aan haar stijl is haar kracht, maar vooral ook haar helderheid. Hoe snel de passages ook zijn, elke noot krijgt aandacht, alles is te horen, het is volkomen doorzichtig en logisch. Alle stemmen in de pianopartij zijn te horen en krijgen betekenis. Er wordt geen wollen deken over de vleugel heen gelegd. Zelden iemand gehoord die zo met kracht zacht (pianissimo) kan spelen. De klank die zij aan uit een piano krijgt heeft ten allen tijd body, het staat als een huis. Die stijl hoorde ik al toen ik ooit het pianokoncert van Tsjaikovsky kocht door haar gespeeld. Dat was mijn kennismaking met haar spel en vanaf dat moment was ik verliefd op haar. Dat stuk wat al honderden keren is opgenomen klonk alsof ik het voor het eerst hoorde, omdat zij noten uit de verf liet komen die ik bij anderen niet hoorde. Het tweede deel van dat koncert werd in mijn oren altijd verschrikkelijk saai gespeeld, maar bij Martha Argerich zit ik op het puntje van mijn stoel. Zij maakt de muziek verschrikkelijk spannend.

Ze vertelt met de muziek niet alleen een verhaal, ze maakt het tot haar verhaal. Een verhaal van vlees en bloed. Ik denk dat Argerich nog meer dan ze al was tot een van mijn heldinnen in de muziek geworden is.

16.2.2004

over mijn muziekleraren en Olivier Messiaen (2)

Voordat ik ging studeren en dus de lessen bij hem zou gaan beeindigen, wilde mijn muziekleraar mij nog confronteren met een bepaald muziekstuk. Ik zie hem nog staan met het boek in de hand, één grote glimlach. Ik bespeurde enig leedvermaak in die glimlach. Hij wist bij voorbaat dat hij me nu te pakken had. Ik brande van nieuwsgierigheid. Het zette het boek op de lessenaar en ik bekeek de eerste pagina met noten. In mijn ooghoeken zag ik dat hij mijn reactie monsterde, ik zou me niet laten kennen. Ik speelde over het algemeen redelijk goed prima vista dus ik begon. Na enkele maten wist ik het: dit wordt helemaal niks. Mijn wanhoop verbergend keek ik hem aan en vroeg of ik er misschien eerst een weekje op mocht studeren. Probeer maar de bovenste stem met je rechterhand. Hij was duidelijk van plan om even te genieten van dit moment, zelden had hij mij zo in verwarring gezien. Ik probeerde de rechterhand, maar ik begreep er niets van. De maat houden lukte niet eens! Hoe moest ik toch al die stemmen ordentelijk onder elkaar krijgen?

Een week later speelde ik de eerste bladzij, slechts de eerste bladzij. Het was een ramp! Het leek nog niet eens op wat het moest worden. Ik kon me niet eens voorstellen hoe het moest worden. Complete chaos. Dit was niet leuk, maar mijn muzieleraar scheen zeer enthousiast. Nog een keer. Elke stem appart, zo langzaam mogelijk en geen fouten maken. Het was hopeloos. Qua noten was het niet moeilijk, maar het ritme kreeg ik niet in mijn vingers en harmonisch begreep ik er al helemaal niets van. Wat was dit voor muziek? Ergens vond ik het wel intrigerend, maar het werd overschaduwd door mijn irritatie dat ik het niet voor elkaar kreeg. Meer dan die ene bladzijde heb ik nooit geprobeerd.

Jaren later zag ik de componist op televisie in een documentaire. Een klein mannetje liep met een notatiebord voor zijn buik door het bos. Alpinopetje op zijn hoofd. Hij luisterde naar de vogels. Zijn vrouw liep voor hem uit met geluidsapparatuur, zij nam de vogelgeluiden op. Het Franse mannetje ging helemaal op in wat hij hoorde, hij speurde met zijn oren naar de vogels. Soms schreef hij driftig op het papier, muzieknoten en tekst. Hij leek wel een beetje op mijn muziekleraar met zijn olijke gezicht.

Olivier Messiaen (1908-1992). Ik hou niet van die vragen, maar als je mij vraagt wie ik de beste componist van de twintigste eeuw vind dan is hij het wel. Naast componist was hij ornitholoog (vogeldeskundige) en hij gebruikte vogelgeluiden in zijn muziek. Iemand die in een tijd waarin alle componisten meer bezig waren met discuzeuren over hoe je moest componeren, ging hij stoïcijns zijn eigen weg. Hij was een enthousiast katholiek, maar zijn muziek heeft er wonderwel niet onder geleden. Hij ontwikkelde zijn eigen compositorische principes, wars van alle modes. Het was middel, geen doel. Doel was zingen voor God, zoals de vogels dat deden. Maar ik vergeef hem deze vaagheid, want zijn muziek is monumentaal. Hij durfde grenzen te overschrijden. Ondanks zijn religie had hij belangstelling voor muziek uit andere culturen. Zo bestudeerde hij de ritmiek uit India en verwerkte dat in zijn eigen werk. Dat hij daarmee een zeventien jarig knulletje achter een kerkorgel tot waanzin dreef kon hij daarmee niet vermoeden. Hij had geen boodschap aan onze strakke maatstrepen waarbinnen alles in tweeën en drieën verdeeld moest worden.

In zijn orgelwerk Livre du Saint Sacrement zit een opeenvolging van akkoorden die adembenemend is. Tergend langzaam, een reus op betonnen schoenen, wordt akkoord naast akkoord geplaatst. De abstracte dissonanten luisteren naar een interne wetmatigheid die een onnavolgbare opbouw bevatten uiteindelijk culminerend in een geweldige consonant akkoord, een grote drieklank, die soms wel verboden leek in de 20e eeuwse "klassieke" muziek. Het resultaat is een gevoel van bevrijding, een opgaande zon die zijn hoogste punt bereikt, een muzikaal orgasme wellicht, de opstanding van Jezus Christus voor Messiaen.

Zijn vrouw, Yvonne Loriod, was een begenadigd pianiste en voor haar schreef hij het poëtische Catalogue d'oiseaux. Elk deeltje is een muzikale beschrijving van een streek in Frankrijk waarin de vogels die daar leven muzikaal zijn verwerkt. Ze heeft het zelf opgenomen en het is waanzinnig moeilijk om te spelen. Ik moet zeggen dat ik haar spel wat hard en ongenuanceerd vind, maar haar echtgenoot heeft het ongetwijfeld zo gewild. Het is niet verwonderlijk dat de componist die ook ornitholoog was een opera geschreven heeft over het leven van Franciscus van Assisi. Ik heb het stuk nog nooit beluisterd en het moet er zeer zeker een keer van komen. Mocht het stuk ooit in Amsterdam gaan dan ga ik er zeker naar toe.

Maar dat ene orgelwerk van Messiaen wat ik op een zaterdagochtend op mijn lessenaar vond heb ik nooit kunnen spelen. Ik weet zelfs niet meer welk stuk het was. En als ik weer denk aan die glimlach van mijn leraar dan moet ik zelf weer grimlachen. Verdorie, had hij me mooi te pakken! Op de valreep had hij mij nog geleerd dat er ook nog andere muziek mogelijk was.

9.2.2004

over mijn muziekleraren en Olivier Messiaen (1)

Mijn vader had geen muzikaal talent, maar hij kon op zijn gehoor populaire deuntjes van de radio naspelen op zijn elektronisch orgel. De melodie vond hij als vanzelf en de harmonie verzon hij er zelf bij. Ik vond dat als kind al heel erg knap. Ik was een kleuter en zat met bewondering naar mijn vader te kijken als hij orgel speelde. Op een dag moet ik tegen mijn moeder gezegd hebben dat ik wilde dat ik ook muziek kon maken. Dan moet je je vader vragen of hij je dat wil leren. Dat wilde hij wel. Ik leerde noten lezen van mijn vader, in een tijd dat ik nog niet eens letters kon lezen. Het heeft misschien een half jaar geduurd, een half jaar met veel conflicten. Menige les verzande in geruzie en chagrijn, mijn vader stopte ermee. Ik ben zelf verder gaan spelen en leerde mezelf het eerste en tweede lesboek, daarna werd het moeilijker.

Ik zat al op de lagere school toen mijn moeder mij vroeg of ik misschien orgelles wilde. Het was haar niet ontgaan dat ik bijna elke dag achter dat instrument zat te spelen, soms uit een boek, maar soms ook gewoon wat improviseren. Klanken zoeken die mooi bij elkaar pasten. Ik wilde wel en zo werd de kerkorganiste van het Friese dorpje Menaldum waar ik ben opgegroeid gevraagd of ze mij orgelles wilde geven. Ze had nog nooit les gegeven, maar ze wilde er wel over nadenken. Ze stemde toe en zonder dat ze het wist begon ze met mij aan een hobby die spoedig uit de hand zou lopen: een paar jaar later had ze bijna mijn hele schoolklas op les, begon ze een kinderkoor en later een bejaardenkoor.

Van de lessen van mevrouw Herrema herinner ik me één les heel goed. Wat er precies gebeurd is weet ik niet meer, waarschijnlijk moest ik een passage die ik niet kon eindeloos herhalen en dat verdomde ik. Ik zal ongetwijfeld – net zo als mijn zoontje dat kan – chagrijnig en boos hebben gereageerd, onwillig om te doen wat ze wilde. Ze stuurde me woedend naar huis met een zin die ik nooit zal vergeten: 'Als je één van mijn dochters was had ik je voor je blote billen gegeven'. Dit was niet het einde van de lessen, maar op een gegeven ogenblik vond ze dat zij mij niet zoveel meer leren kon en mijn ouders gingen op zoek naar een professionele leraar.

Meneer Wieling, hij kwam uit het naburige dorp Berlikum. Elke zaterdagochtend kwam hij zingend en fluitend naar de deur, hij had duidelijk plezier in zijn vak. We mochten elkaar heel erg graag en hij begon mij vertrouwd te maken met de Oude Meesters. Bij hem leerde ik mijn eerste klassieke werkjes spelen. Hij leerde snel mijn drift kennen. In al die jaren dat hij mij les gegeven heeft heb ik hem maar één keer boos gezien. Ik smeet de muziekboeken door de kamer en hij beende woedend naar mijn ouders al roepend dat het zo echt niet langer kon. Een week later kwam hij weer fluitend en zingend aan de deur en hebben we het bijgelegd.

Toen ik in de (toenmalige) zesde klas van de lagere school zat trouwde mijn zus (ze is elf jaar ouder). Ik mocht het voor- en naspel van de kerkdienst op het kerkorgel spelen. Dat was een geweldige ervaring om zo'n enorm instrument te mogen bespelen. Mijn ouders maakten een afspraak met de kerkeraad en de koster: als ik op het kerkorgel mocht oefenen en daar les mocht krijgen storten zij maandelijks een bedrag in het restauratiefonds. Vanaf die tijd ging ik bijna dagelijks na school, als mijn vriendjes gingen voetballen op het schoolplein, naar de kerk om kerkorgel te spelen. Zaterdagochtend was ik er vroeg en als mijn leraar binnenkwam stond hij wel eens stiekem een tijdje te luisteren naar mijn improvisaties of een stuk van Bach. Ik leerde ook met mijn benen spelen, het pedaal had ik snel onder de knie. Wist ik veel hoe moeilijk het was om die preludes en fuga's van Bach te spelen, die stukken waarbij linker- en rechterhand en het pedaal een zelfstandige stem hadden. De stemmen liepen tegen elkaar in, duikelden overelkaar heen, soms met gekruisde armen, het was voor mij spel en in mijn onbevangenheid leerde ik het snel. Pas later ben ik gaan beseffen hoe moeilijk die stukken eigenlijk waren.

In mijn middelbare schooltijd begon mijn leraar te dromen dat er nu misschien toch een leerling van hem naar het conservatorium zou gaan. Hij begon mij ook theoretische zaken te leren: hoe onze westeuropese harmonieleer in elkaar stak, hoe de toonladders werkten. Daarnaast kreeg ik muziekdictees van hem: hij speelde een melodie en ik moest het dan op muziekpapier noteren. Uiteindelijk gingen we tot en met driestemmige muziekdictees. Ik heb later tijdens mijn studie muziekwetenschappen veel gehad aan deze trainingen.

Had ik talent? Hij geloofde vast en zeker van wel, maar ik geloofde er zelf niet in en achteraf denk ik dat ik gelijk had. Als ik naar het conservatorium was gegaan had ik piano willen studeren (ook daar had ik ondertussen lessen in gekregen van mijn leraar) en dan had ik ook concertpianist willen worden. Dat had er voor mij niet in gezeten: hooguit was ik een middelmatige pianoleraar op het platteland geworden die les zou hebben gegeven aan ongetalenteerde kindjes van ouders die vinden dat muziek bij de opvoeding hoort. Dat zag ik niet zitten en omdat mijn belangstelling voor muziek verder reikte dan het spelen ben ik muziekwetenschappen gaan studeren. Ik denk dat ik mijn muziekleraar daarmee heb teleurgesteld. Toen ik op kamers woonde heb ik hem nog wel eens gebeld, maar ik merkte al gauw dat zijn belangstelling geforceerd was. Ik had hem een droom ontnomen. Toen mijn moeder me opbelde dat hij overleden was hadden we allang geen contact meer. Ik ben toen achter de piano gaan zitten en speelde (zonder pedaal) een beroemd orgelwerk van Bach, dé Toccata en Fuga in d klein (BWV 565 als ik me niet vergis). Het was één van mijn en zijn lievelingswerken. Ik herinner me die zaterdag dat ik dat stuk bijna foutloos uit mijn hoofd voorspeelde. Hij was toen zichtbaar ontroerd. Nu had ik tranen in mijn ogen, mijn muzikale vader was dood.

6.2.2004

Het was misschien wel zijn enige verdienste als politicus: de kloof tussen regering/volksvertegenwoordiging en het publiek aan de kaak stellen. Onze democratie is verworden tot een druk op de knop wat resulteert in een volksvertegenwoordiging dat het volk niet vertegenwoordigd. Democratie is en blijft een paardemiddel.

In de kroeg pleit ik nog wel eens voor de zelfverzonnen anarchistische variant: vertegenwoordig alle kiezers en laat het percentage zetels leeg overeenkomstig het percentage dat niet gestemd heeft. Dan is de zwijgende minderheid ook vertegenwoordigd. Mochten er minder dan vijftig procent van de stemgerechtigden gaan stemmen dan kan er dus geen meerderheid meer gevormd worden in de tweede kamer, dan heb je een aardig probleem.

Maar goed: de kloof. Er was al een behoorlijke onvrede te proeven over het uitzettingsbeleid van juf Verdonk. Ook bij CDA en VVD-stemmers. Ik ben zelf lid van GroenLinks, een kritisch lid, want dat ik mijn lidmaatschap nog steeds niet opgezegd heb komt omdat ik nog geen alternatief voor mijzelf gevonden heb. Ik mis het elan van de PSP, PPR en CPN. En daar moest ik even aan denken toen ik vanochtend las over de oproep van Koole tot bestuurlijke ongehoorzaamheid. Geweldig! Zo mag ik het horen. En hoe bozer die Verhagen zich maakt, hoe meer ik me zit te verkneukelen. Heel kinderachtig van mij, maar laat mij nu ook een keer. Of Koole redelijk is, dat kan me even niet schelen. Het gaat me om de geest van de boodschap, dat je ondanks je respect voor democratie mag verzetten tegen zaken die tegen je geweten en opvattingen ingaan. Ik hoop dat de PvdA nu voet bij stuk houd, dat ze nu niet weer gaan terugkrabbelen. Hulde!

5.2.2004

Volgens mij scoren mensen die besloten hebben om samen het leven te delen altijd ongeveer hetzelfde op de schaal van schoonheid.

4.2.2004

Wanneer ik iemand vertel dat ik muziekwetenschappen heb gestudeerd leidt dit vaak tot amusant gedrag. Afgezien van de standaardvraag 'wat kun je ermee' komen dan vaak de vragen 'wat vind jij van ...' en dan komt er meestal de favoriete muziek van de vragensteller. Als ik pech heb gaan ze die muziek ook nog laten horen, want dan blijkt maar al te vaak dat men mij met iets wil shockeren. Dan komt er een popband te voorschijn die wel eens wat met een klassiek werkje heeft gedaan en dat moet ik dan heel erg vinden. Of er komt wat hardrock of punk te voorschijn en de glimmende oogjes van de liefhebber kijken mij dan verwachtingsvol aan of ik al niet zit te huiveren. Schijnbaar is een muziekwetenschapper iemand die altijd op de American Eagle uit de Muppet Show lijkt. Ik doorsta dit maar gelaten.

Zouden ze nog bestaan op de middelbare scholen? De muurbloemetjes, de sociaal gehandicapten, de impopulairen, de jongetjes en de meisjes die niet voldoen aan de heersende norm van schoonheid, die altijd de verkeerde kleding dragen, de verkeerde muzieksmaak hebben, die boeken lezen en naar saaie muziek luisteren ... ach, u kent ze wel. Ik was er ook één, ik heb er niet onder geleden.

Ik kwam ze tegen bij mijn studie muziekwetenschappen: de gefrustreerden, de sociaal uitgekotsten. De eerste maanden was een paradijs voor ze, ze kwamen allemaal gelijkgestemden tegen. Met sommige raakte ik bevriend. Het waren geen gemakkelijke vrienden. Er was maar één gespreksonderwerp: muziek, muziek en nog eens muziek. Kwamen ze op mijn studentenkamer dan doken ze mijn platen- en bandjescollectie in. Dan werd er met verbazing de lp's van Madonna, Talking Heads, Jeanette Jackson, de bandjes van The Cure, Nina Hagen, Miles Davis en John Coltrane tevoorschijn gehaald. Dat riep om een verklaring, maar die gaf ik niet. Fundamentalistische klassieke muziek liefhebbers kun je niet uitleggen dat ook andere genres muziek mooi en interessant kan zijn. Over smaak valt te twisten en met sommigen is dat heel aangenaam, maar met muziekwetenschappers niet. Ik kan ze niet uitleggen dat hun beperking tot de historische muziek een zelfopgelegde beperking is, dat ze zichzelf muzikaal te kort doen, dat ze hun studieterrein onterecht inperken. Soms liet ik ze wel eens ter illustratie een nummer van Sting horen. Of ze het nu mooi vonden of niet, toch was het knap van Sting om de tekst van The Seven Brothers te illustreren aan de hand van een zevenkwarts maat en dat hij dat zo gedaan heeft, dat je er toch nog op kunt swingen. Soms probeerde ik ze uit te leggen dat onze westeuropese muziek een rijke geschiedenis kent qua harmonische en melodische ontwikkeling, maar dat we in vergelijking met andere werelddelen een schrijnend primitief ritmegevoel hebben. Het mocht allemaal niet baten.

Ondertussen schijnt het allemaal veranderd te zijn. Nog tijdens mijn studieperiode werden de eerste colleges jazz- en popgeschiedenis gegeven. De studie gaat mijn zijn tijd mee. (Ik schrijf hier over de studie in Utrecht, over Amsterdam – waar ook ethnomusicologie gestudeerd kan worden – kan ik niet spreken).

Klassieke muziek zal ongetwijfeld nooit echt van haar stoffige imago afkomen en dat moet vooral zo blijven. Veel mensen zullen het moeilijke muziek blijven vinden. Anderen zullen Bach altijd als zware muziek ervaren. Allemaal prima. Toch denk ik dat het niet aan de muziek zelf ligt. Ik heb gemerkt dat ik in staat ben om vrienden en bekenden in één avondje enthousiast te krijgen voor klassieke muziek. Een beetje vertellen, laten horen en uitleggen hoe het werkt. Ik snap best dat iemand een fuga van Bach saai en moeilijk vind. Geef mij 10 minuten om aan de piano uit te leggen wat een fuga inhoudt, geef mijn 10 minuten om het vervolgens te laten horen en ik verzeker u dat het slachtoffer binnen een half uur elke fuga van Bach zeer spannend zal vinden. Echt, zo moeilijk is het niet.

3.2.2004

Als ik iets achter mij gelaten heb dan is het wel mijn waanzin tot compleetheid. Niet dat ik een complete persoonlijkheid wilde zijn, het gaat hier om boeken en muzieken. Het was een behoefte die ontstond wanneer ik enthousiaste raakte voor het werk van een auteur of componist. Beviel een muziekstuk of boek dan wilde ik het complete oeuvre van zo'n kunstenaar kennen en het liefst nog bezitten ook, al moest ik daarvoor droog brood eten en water drinken om het allemaal te financieren. De behoefte werd natuurlijk versterkt om het moment dat ik er achter kwam dat het oeuvre van de schrijver uniform was uitgegeven. Dat stond natuurlijk prachtig in de boekenkast, het complete werk van ....

Ik kwam met het idee in aanraking toen ik een jaar of twaalf was en iemand ontmoette die het complete oeuvre van Mozart verzamelde. Hij was van mening dat als je een kunstenaar goed wilde leren kennen je ook al zijn werk moest kennen. Het idee viel op zeer vruchtbare bodem. Ik was toen in de ban van Johannes Brahms en dus begon ik mijn zakgeld op te potten om zoveel mogelijk goede uitvoeringen van zijn werk op lp te kunnen kopen. Ver kwam ik daar niet mee, want algauw was ik in de ban van Richard Wagner. Wagner had als voordeel dat hij een relatief overzichtelijk oeuvre had. In de eerste plaats een heleboel opera's en wat orkestwerken. Zijn vroege werk was niet interessant en nauwelijks opgenomen, dus daar moest ik van afzien. Algauw ontdekte ik dat hij ook veel boeken geschreven had. Dat was een verzoeking, want hoe interessant hij als denker over muziek en drama ook was, zijn Duits was onleesbaar. Nog steeds prijken deeltjes Wagner in de boekenkast, maar ik heb er geen één uitgelezen. Dus stortte ik mij op de secundaire literatuur over Wagner. Dat was niet te overzien, daar zou je een bibliotheek in een wolkenkrabber voor nodig hebben. Men zegt wel eens dat er na Jezus en Napoleon het meeste over Wagner geschreven is. Alhoewel nooit compleet (met de edities van zijn brieven zijn ze nog jaren zoet) ben ik met het verzamelen van Wagner ver gekomen. Ergens op zolder moeten nog de orkestpartituren liggen, maar zijn opera's op lp heb ik niet meer.

Het volgende slachtoffer van mijn waanzin tot compleetheid was Nietzsche. Het grote voordeel van Nietzsche is dat er complete edities bestaan van zijn werk. Zijn oeuvre (ook zijn jeugdwerk) is gemakkelijk verkrijgbaar (zelfs in pocket). Nu de vertalingen ook enigszins uniform zijn uitgegeven ben ik wel zo'n beetje compleet. Ik vermoed dat ik met Nietzsche ook nog een lange weg zal oplopen en luisteren naar zijn gesprekken. Het is een blijvende liefde.

Wagner en Nietzsche waren niet de enigen. Nog steeds heb ik de neiging tot het kopen van 'het complete werk' van deze of gene. En hoe omvangrijker het oeuvre, hoe erger ik begin te kwijlen. Maar het komt er niet meer van. Onlangs ben ik voorzichtig begonnen met het lezen van Pessoa en opnieuw kwam even de behoefte op om dan ook alles te lezen van de rare Portugees. Het zal er niet van komen. Compleetheid is ook een beperking. Wanneer je je stort op een schrijver en alles van hem wilt kennen en lezen, zul je al gauw (baan, gezin) moeten afzien van andere auteurs, omdat je daar dan eenvoudigweg niet meer tijd voor hebt. En dat heb ik er niet meer voor over. Het is een praktische reden.

Een andere reden is dat ik me steeds meer begin af te vragen of het niet een vorm van ijdelheid is zo'n boekencollectie. Gaat het bezitten van boeken niet het lezen overvleugelen. Wordt het bezitten van boeken niet op deze manier een vorm van verwerving van intellectuele status: kijk eens naar mijn boekenkast, je begrijp nu toch wel hoe intelligent en slim ik wel niet ben?! Voordat je het weet heb je nog zoveel te lezen boeken in je kast staan dat de tijd die je op het ondermaanse nog tot je beschikking hebt niet genoeg zal zijn om het allemaal te lezen. Is dat niet volkomen belachelijk?

Wanneer ik nu in de boekhandel sta en ik dreig me niet te kunnen beheersen (zou er een Jellinek voor boekverslaafden bestaan?) dan denk ik aan al die boeken in mijn kast die ik nog moet lezen. Vaak is dat genoeg om me te kunnen beheersen ... vaak ook niet trouwens.

2.2.2004

Ze hield een potlood onder mijn rechter onderarm. Je moet de arm ontspannen. Als ik de potlood weghaal moet hij vanzelf naar beneden vallen.

Potlood weg, mijn arm blijft gewoon in de lucht hangen.

Pianisten spelen met hun armen, dat moet je afleren. Klavicinisten spelen met hun vingertoppen. Eigenlijk moet je je hele arm niet meebewegen als je speelt. Op een piano breng je een hefboom in beweging als je een toets indrukt; je slaat een hamertje tegen een snaar. Bij een klavecimbel tokkel je een pen langs een snaar, dat is ander soort inspanning.

Ik begreep het. De weken erna werkte ik aan het ontspannen van mijn armen wanneer ik klavecimbel speelde. Zelfs mijn pianospel ging erdoor op vooruit. Ik begon het Wohltemperierte Klavier van Bach steeds lichter te spelen. Ik had het gevoel dat ik opnieuw leerde spelen.

Wie uit de richting van Amsterdam langs de Vecht het plaatsje Maarssen binnen rijdt kan het niet ontgaan: aan de Vecht staat een theekoepel. Daar woonde mijn lerares met haar man die een instrumentenbouwer en -restaurateur was. De theekoepel hebben ze zelf gebouwd naar een historisch model dat er eerder gestaan had. De lessen vonden niet daar plaats. Daarvoor moest je een stukje over een grasveldje lopen en dan kwam je bij een oud vrachtschip (eentje die nog met zeilen voerde). De laadruimte was helemaal omgebouwd en gaf nu plaats aan een tweemanuaals Vlaams klavecimbel, een kleinere, Italiaans klavecimbel, een vleugel, een contrabas en ontzettend veel boeken en bladmuziek. Het was heel sfeervol om daar les te krijgen, je betreedt even een andere wereld.

Ik heb maar een seizoen les gehad. Aan het einde van het seizoen kwamen haar privé-leerlingen een avond voorspelen. We luisterden naar elkaar en mochten elkaar van commentaar voorzien. Ik speelde op de Italiaan een Capriccio van Johann Jakob Froberger. Ik herinner me niet meer of het goed ging en wat de kritiek was. Ik geloof dat ik het best mooi gespeeld heb en dat de kritiek goedmoedig was.

Mijn vrouw (toen nog vriendin) was toen al enige tijd gestopt met haar studie klavecimbel (veel talent, geen heilig vuur). Ze verkocht het instrument en ik moest noodgedwongen stoppen met lessen. Soms spelen we nog wel eens met de gedachte om een klavecimbel te laten bouwen.

28.1.2004

Enkele jaren geleden kocht ik een ansichtkaart met de afbeelding van een bronzen beeld van Amida erop. Amida (of in het Sanskriet: Amitabha) is één van de vele gedaantes van Boeddha. Amida wordt de Boeddha van het westen en van het onbegrensde licht genoemd. Hij is de Boeddha van de ondergaande zon en van het hiernamaals. Hij zetelt in het westers paradijs, waar mensen herboren worden, bevrijd van al het lijden van hun aardse bestaan. Amida wordt vooral in Japan vereerd. Het beeld op de ansichtkaart blijkt in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden te staan. Uit de informatie over het beeld maak ik op dat het in 1716 is gegoten en aan een tempel op de berg Higashi bij Kyoto geschonken is. Eind 19e eeuw hebben twee handelaren het beeld (samen met andere beelden) naar Nederland gebracht voor een Internationale Koloniale en Uitvoerhandelstentoonstelling in Amsterdam. Schijnbaar zijn de beelden nooit teruggebracht.

Toen ik de ansicht voor het eerst zag trof het mij meteen. Later kocht ik er meer van. Ze staan op mijn bureau op mijn werk en thuis, andere exemplaren worden gebruikt als boekenlegger. Ik ben geen boeddhist, al hebben het (zen)boeddhisme en het taoïsme wel mijn belangstelling. De uitstraling van het beeld raakt mij schijnbaar zo dat ik het in de buurt wil hebben. Waarom weet ik niet precies, maar dat geeft niet. Schijnbaar ontkom ik ook niet aan de behoefte een religieuze afbeelding in mijn omgeving te hebben.

Grappig vind ik die bronzen toefjes slagroom op zijn hoofd. En soms vraag ik me af wat hij in zijn handen houdt.

27.1.2004

Door de actualiteit rond de transfers van de radiopresentators moest ik weer aan die tijd terugdenken: ik ben zelf een tijdje radiopresentator geweest. Het was in de tijd dat de Concertzender Amsterdam de Concertzender Nederland werd. Hoe het nu gaat met die zender weet ik niet, maar toen werd de zender naast 2 of 3 betaalde medewerkers helemaal gemaakt door vrijwilligers. De programma's, de techniek, de administratie, de presentatie, alles werd gedaan door enthousiaste muziekliefhebbers. De Concertzender probeerde die muziek aan bod te laten komen die de publieke en de commerciële omroepen links lieten liggen. Niet de luistercijfers waren bepalend maar de liefde voor de muziek van de programmamakers. Zij bepaalden vanuit hun achtergrond wat ze moeite waard vonden. Dat leverde soms prachtige, soms tegenvallende programma's op.

Ik kwam in aanraking met de Concertzender door enkele vrijwilligers die op mijn werk studieboeken kwam voorlezen voor visueel gehandicapten. Ik was studiomedewerker, ik leidde de opnames. Soms las ik zelf ook een boek en ik vond het leuk werk. Ik wende aan mijn stem en aan de microfoon. Op een gegeven moment heb ik de stoute schoenen aangetrokken en ben ik eens gaan kijken op de zolders van de Beurs van Berlage waar de Concertzender toen huisde. Er heerstte een studentikoze sfeer. Aanvankelijk deed ik administratief werk, ik archiveerde cd's in de computer. Ik werkte toen nog maar weinig en ik had dus voldoende tijd om zo nu en dan na mijn werk even binnen te lopen en wat werk te verzetten.

De Concertzender leefde van donaties en sponsors en dat bleek niet altijd voldoende. Op een gegeven moment dreigde de zender het onderspit te delven. Redding kwam toen uit zeer onverwachte hoek. Veroncia (ja, u leest het goed) was bereid geld te steken in de noodlijdende zender. De Concertzender verhuisde toen naar het Veronicagebouw in Hilversum en voor mij was het niet meer mogelijk om zomaar even langs te wippen. Ik gaf aan dat ik wel presentator wilde worden en ik werd uitgenodigd voor een test. Ik doorstond de proef en werd de eerste maanden begeleid in het presenteren. Het duurde niet lang of ik zat geregeld op maandagavond in Hilversum live de uitzending te presenteren.

Het was wel rennen vanuit mijn werk (ik was ondertussen meer uren en op een andere afdeling gaan werken), maar ik ben nooit echt te laat geweest. Ik had altijd wel voldoende tijd om het programma voor de avond door te nemen en het middagprogramma af te kondigen. Op maandagavond was het altijd Oude Muziek avond (ondertussen niet meer geloof ik), muziek waar ik toen de meeste affiniteit mee had. Tussen 7 en 8 was er meestal een programma waarin muziek uit de 20e eeuw werd verbonden met muziek uit voorgaande eeuwen. De programmamaker was een pietje precies. Soms kwam hij me wel eens op mijn werk opzoeken om de tekst door te nemen. Ik kreeg dan tot in detail uitgelegd wat de bedoeling was, hoe sommige voor mij onbekende namen werden uitgesproken. Deze programmamaker had iets provocerends, hij wilde de hedendaagse avant-garde verdedigen, ten koste van minder vooruitstrevende muziek. Hij had pech dat ik musicoloog was en dus de discussie met hem kon aangaan. Ik heb hem nog voor vele stommiteiten behoed.

Tussen 8 en 9 waren er vaak concertopnames of een programma over de Engelse Renaissance. De programmamaker kende ik vaag uit mijn studietijd. Dit was veruit het moeilijkste programma omdat mijn uitspraak van het oude Engels niet altijd even vlotjes was. Ik werd na die uitzending nogal eens opgebeld door de maker en dan werd me fijntjes verteld wat er weer in zijn ogen allemaal fout gegaan was. Dat hij daarbij schromelijk overdreef was heel vermoeiend. Dat was wel het nadeel van dat werk, je kwam in aanraking met gefrustreerde eenzame musicologen die dit werk gebruikten om contacten en status te vergaren. Dat daarbij een zeer negatieve houding een averechts effect had ontging hen duidelijk.

De uitzending duurde tot 11 uur. Iets voor elven kondigde ik de nachtprogrammering aan, de technicus startte dan de banden die automatisch de nacht verzorgden, daar kwam geen mens meer aan te pas. Dan rende ik naar de trein om nog enigszins op tijd in Utrecht te komen.

Het presenteren vond ik erg spannend. Het was natuurlijk de kunst om dat niet te laten merken. Veel tekst stond op papier, maar een voorleesstem boeit niet. Veel tekst moest ik ook zelf verzinnen en dat viel niet altijd mee. Je kunt natuurlijk niet elke keer als een robot dezelfde formules gebruiken bij het aan- en afkondigen van een muziekstuk. Dan waren er nog de momenten van improvisatie. Een technicus die per ongeluk het verkeerde stuk opzette. Of je hield onverwacht tijd over en je moest het uur nog vullen met een extraatje. Snel de cd-kasten in duiken om iets toepasselijks te vinden dat bij het programma pastte en ook nog een bepaalde lengte had. Aan de andere kant was er wel eens tijd te kort en dan moest je schrappen. De afspraak was dat de programma's nooit te vroeg mochten beginnnen en het liefst precies op tijd. In de studio stond een klok en het was een sport om met je tekst precies voor het hele uur uit te komen, zodat de technicus op **.00 de tune voor het volgende programma kon aanzetten.

Het contact met de technicus was heel belangrijk, je moest elkaar goed aanvullen. Vaak was je ook maar samen en moest je dus alles samen oplossen en de spaarzame telefoontjes aannemen die binnenkwamen. Het rondlopen in het Veronicagebouw wende snel. Het was een heel gewoon kantoor eigenlijk. Soms zag je een gezicht die je bekend voorkwam, maar dat was zeldzaam. Ik had meer moeite met het gebouw zelf. Ik had vaak last van een soort sick building syndrome. Ik hoefde maar een uur in dat gebouw te zijn of er kwam hoofdpijn en misselijkheid opzetten. Ik dronk liters water want de lucht was er erg droog. Aanvankelijk dacht ik dat het van de spanning kwam, maar toen het werk enigszins routineus werd gingen de klachten niet over. Het waren deze verschijnselen en het vaderschap dat ik uiteindelijk met het presenteren ben gestopt.

Ik heb de Concertzender nog een tijdje gevolgd, het bestaat nog steeds, maar of het nog door vrijwilligers wordt gemaakt weet ik niet. Ik heb nog jarenlang last gehad van dezelfde tune. Elke keer als ik de herkenningstune van de Concertzender hoorde kwam er een automatische allertheid in mij boven en als ik dan de presentator hoorde wist ik weer dat ik veilig thuis zat. De programmering is nog altijd even divers en spannend. De Oude Muziek is geloof ik verhuisd naar de dinsdagavond en de jazzavond naar woensdag (maar zeker ben ik niet). Daarnaast hebben ze ook nog een onnavolgbare avond met wereldmuziek, een avond met opera, een avond met moderne muziek enzovoort enzovoort. Zoek de zender voor de aardigheid eens op!

23.1.2004

Toen ik ruim een jaar geleden met webloggen begon (de eerste maanden zijn verloren gegaan) had ik me het één en ander voorgenomen. Zo zou ik voornamelijk voor mezelf schrijven. Als een toevallige voorbijganger mijn schrijfsels interessant zou vinden zou dat mooi meegenomen zijn, maar niet het doel op zich. Een website voor allen en voor niemand dus. Een reactiemogelijkheid wilde ik aanvankenlijk niet. Toch heb ik me ertoe laten verleiden, ik ben nieuwsgierig van aard. Het aantal bezoekers is toegenomen en er heeft zich een harde kern gevormd. Er wordt geregeld gereageerd op wat ik schrijf. Langzaam maar zeker ben ik gaan schrijven met de lezer in gedachten, ik ben anders gaan schrijven en dat was niet de bedoeling. Soms heb ik de neiging om de reactiemogelijkheid en de tellers weer weg te halen om weer alleen voor mezelf te schrijven. De nieuwsgierigheid wint het nog steeds van deze neiging.

Een ander voornemen was om niet over trivialiteiten te schrijven. Geen gezeik over het kapsel van Jan-Peter, geen larmayant geouwehoer over het roken en dergelijke zaken. Geen etalge voor leuke filmpjes en flauwe grappen. Anderen zijn daar veel beter in dan ik. Ook geen nietszeggende berichten over het weer en mijn gang naar de tandarts. Ook geen quasi-literaire observaties, ook daar zijn anderen beter in. Het is niet mijn bedoeling om andere webloggers op hun tenen te trappen. Ik geef aan wat de beperkingen waren die ik mezelf wilde opleggen.

Als ik er bij stil sta hoeveel tekst er per dag geproduceerd wordt – in kranten, tijdschriften, boeken enz. enz. – dan vraag ik me af waarom ik nog mijn tekst daaraan zou willen toevoegen. Waarom niet alleen maar een dagboek bijhouden in plaats van tijd steken in zoiets triviaals als een weblog? Retorische vraag.

Als je een archief zou maken van een selectie van de weblogs waarbij je rekening houdt met leeftijd, achtergrond, inkomen enz. enz., zouden historici over pak 'm beet 500 jaar dan een aardig beeld krijgen van wat een vroeg 21-eeuwer zoal bezig hield? Of zouden ze alleen maar een beeld krijgen van hoe we onszelf graag wíllen zien (dus alleen indirecte informatie)? Is onze tijd wel zo bijzonder? Is het niet kenmerk van elke tijd om zichzelf als een hoogtpepunt van de geschiedenis te zien, als een eindpunt?

Wil ik weer terug naar mijn oorspronkelijke doelstelling: schrijf alleen voor jezelf, heb lak aan de lezer? Hoe weet ik wanneer ik me aanpas aan de lezer? En als ik dat doe, zegt dat dan ook niet iets over mezelf? Hoeveel woede verpak ik in mijn milde ironie? Ben ik niet veel arroganter dan dat ik mij voordoe?

22.1.2004

Sommigen lezen in de boekhandel snel even de eerste zinnen van een roman. Die zijn van groot belang. Is de eerste zin niet goed, dan gaat het boek terug in de kast en gaan we naar de volgende. Er zijn ook mensen die verzamelen eerste zinnen. Zij kunnen vele beroemde eerste zinnen uit hun hoofd opzeggen.

Ik kan dat niet en eerlijk gezegd let ik wel op een eerste zin, maar ik hecht er niet zoveel waarde aan. Een pakkende eerste zin is mooi, maar niet het belangrijkste.

Onlangs pakte ik De Kleurenvanger van Peter Verhelst weer eens uit de kast en begon voorin te lezen. O ja, die prachtige eerste zinnen:

Toen ik mijn eerste graf schond, was ik zeventien jaar oud. Het was hartje zomer. Ik legde mijn wang tegen de warme brokstukken en keek omhoog in de heldere nacht, waar iemand, hoog boven me, zat te lezen in een boek. De bladen ervan blonken als zwart glas en waren bestrooid met diamanten.

Geweldig! Met een paar zinnen ben je in een totaal andere wereld. Nu weet ik weer waarom ik Verhelst zo'n boeiend schrijver vond: zijn poëzie. Ik ga gauw verder met Tongkat. Een verhalenbordeel.

19.1.2004

Het spijt me, maar het zit niet in me. Doodmoe word ik er ook van: mensen die maar blijven benadrukken dat je vooral hoopvol en positief tegen het leven aan moet kijken. Voordat je het weet beginnen ze ook nog over het kind dat je in jezelf moet zoeken en dat dat zo belangrijk is. Welk slecht geweten proberen deze mensen te maskeren?

Niet dat ik onsympathiek sta tegen over een positieve, kinderlijke instelling, maar het is soms die blijmoedige drammerigheid waar ik niet tegen kan. Het is dat optimisme tegen-beter-weten-in waar ik niet tegen kan. Niets kan mij zo somber en sarcastisch maken als iemand die geforceerd het leven alleen maar als iets heeeel moooois wil zien. Sodemieter op!

19.1.2004

Ik zag hem alleen 's ochtends: de meneer van de fietsenstalling. Baard, niet lang en mager. Altijd vriendelijk naar zijn klanten en wat onhandig in het maken van grapjes. Soms had hij de radio luidt aan staan als er weer een cabaretier op de radio was. Dan galmde de stem van Freek of van Youp door de catacomben van het treinstation. Ik mocht hem wel, maar ik vond het wel eigenaardig dat hij mijn 'goedemorgen' nooit beantwoordde. Ik hield stug vol, ik zou me niet laten verleiden tot onvriendelijkheid.

Maar op een ochtend vergat ik het, misschien zag ik hem niet staan, misschien was ik in gedachten of sliep ik nog gewoon. In ieder geval, ik liep door (want abonnement) en ik hoorde ineens boos achter mij: JA, GOEDEMORGEN MENEER! Krijg nou wat dacht ik nog en toen ik me omdraaide zag ik een grote greins. Vanaf die ochtend groetten wij elkaar.

Nu had ik al de indruk gekregen dat hij niet jong meer was en op een dag was hij er niet meer. Een jonger iemand had zijn plaats ingenomen, tijdelijk zo zou blijken.

Die middag was ik wat vroeger uit mijn werk gegaan en dus ook wat vroeger bij de fietsenstalling. Terwijl ik mijn fiets uit het rek haalde zag ik hem staan, druk in gesprek met klanten. Hij had een wit t-shirt aan wat bepaald niet bij hem paste met zijn baard en postuur. Toen ik dichtbij kwam bleek er 'Real men loves Jezus' op te staan. Ik schoot in de lach, hij zag mij en we zeiden beide bijna tegelijk: goedemorgen!

Sindsdien heb ik hem niet meer gezien.

13.1.2004

Een Nederlandse militair heeft in Irak iemand doodgeschoten. Hij is overgebracht naar Nederland op verdenking van moord. Wat is er gebeurd? Nederlandse militairen van de stabilisatiemacht in Zuid-Irak traden op tegen een groepje Irakezen dat probeerde een van een vrachtwagen gevallen container te plunderen. Volgens de officier van justitie die is belast met militaire strafzaken, schoot de marinier vanaf grote afstand een Irakees in de rug. las ik vanochtend in Trouw. Als het zo simpel is dan kan ik me voorstellen dat deze militair zich moet verantwoorden. Ongetwijfeld is dat al gebeurd door zijn superieuren in Irak. Het gaat dan ook niet om zomaar wat: er is iemand dood geschoten. Maar er wordt gereageerd alsof de militair een groot onrecht wordt aangedaan. Ik proef de geest van: laten we nou niet zeuren, het is Irak, er is daar oorlog geweest en een Nederlandse soldaat heeft iemand doodgeschoten. So what, de Amerikanen doden dagelijks mensen en daar wordt toch ook niet over gezeurd.

Ik ben er niet bij geweest, dus ik kan er niet over oordelen. Werd er op de Nederlanders geschoten? Was het zelfverdediging?

Als er geen sprake is geweest van noodzaak om te schieten vind ik het volkomen terecht dat een Nederlandse militair zich voor de rechter verantwoord. We schieten toch ook niet zomaar Nederlandse voetbalsupporters dood wanneer zij zich misdragen? Als er goede redenen waren voor onze Nederlandse militair om te schieten, dan zal de rechter dat ongetwijfeld zwaar laten gelden en is er niets aan de hand. Als er geen redenen waren zal de rechter heus wel de bijzondere omstandigheden laten meewegen, maar hij mag niet vergeten dat er ten onrechte iemand een leven ontnomen is. Ik mag toch hopen dat Nederlandse militairen geleerd wordt zich te beheersen in moeilijke omstandigheden.

De reactie van de vakbondsvoorzitter Van den Burg slaat werkelijk nergens op: "Dit is precies het scenario dat we vreesden. De Amerikaanse en Britse bezettingsmachten kunnen ver gaan. De Nederlandse mariniers worden nu geconfronteerd met Nederlands recht, waarbij vanuit Nederland wordt geoordeeld. Alsof het daar een normale situatie is. Optreden in Irak vergt grote spanningen, niet elke handeling is dan overwogen of beredeneerbaar." Klinkt bijna als een vrijbrief om dan dus maar gewoon een Irakees neer te schieten in de rug. Dit zit gevaarlijk dicht bij rascisme. "Als dit de manier is waarop wij met onze militairen omgaan. Hoe gaat het dan als zij straks vaker in de voorste linies optreden, zoals mininster Kamp wenst. Moeten ze dan bewust mis schieten?" Appels en peren vergelijken. Was hier sprake van een gevecht met een leger en was er dus een linie? Was er in dit geval wel geprobeerd om bewust mis te schieten? Natuurlijk, het is sympathiek dat Van den Burg zo voor zijn achterban opkomt, maar om bij voorbaat iets al goed te praten zonder dat je weet wat er nou precies gebeurd is vind ik zeer onverstandig. Laten we blij zijn dat we in Nederland een redelijk werkende rechtspraak hebben. Ik kan me zo voorstellen dat die militair zich behoorlijk beroerd zal voelen door wat er gebeurd is. Echt verplaatsen in zijn situatie kan ik me niet. Ik hoop dat hij een goede advocaat krijgt en een eerlijk proces. Maar of de familieleden en andere dierbaren van die Irakees daardoor minder verdriet zullen hebben ...? Simpel onze schouders ophalen en doen alsof het de normaalste zaak van de wereld is, dat kunnen we beter overlaten aan minder beschaafde landen als de Verenigde Staten.

5.1.2004