jwl

505

Waarde lezers, of u nu om de hoek woont of helemaal in Los Angeles: ik wens u allen prettige kerstdagen toe. Ik hoop dat u allen een feestelijke jaarwisseling mag hebben en dat het nieuwe jaar er voor u een mag zijn van geluk en voorspoed.

23 december 2005

504

Mijn winterjas, waar was mijn winterjas? Ik kon het nergens vinden. Niet in de kast op zolder waar ik het meestal bewaar, nergens. Mijn winterjas was van de aardbodem verdwenen. Dus kocht ik een nieuwe winterjas. Een mooie nieuwe winterjas met de kleur rood erin, een revolutie voorwaar!

Die mooie nieuwe rode winterjas deed ik afgelopen zaterdag aan toen ik nog even ergens naartoe moest en ik zei tegen mijn vrouw: ik kan mijn handschoenen nergens vinden, ik denk dat die in mijn oude winterjas zaten, die winterjas die ik kwijt ben en nergens kan vinden. O, bedoel je deze jas, zei mijn vrouw, waarbij ze een oude winterjas van de kapstok lichtte ...

En ja, de handschoenen zaten nog in de jaszakken.

20 december 2005

503

Wat ben ik soms toch een sentimentele zak. Gisteravond las ik de laatste hoofdstukken uit Kruistocht in spijkerbroek voor aan S. Ik kreeg tranen in mijn ogen en een brok in mijn keel. Niet erg handig als je aan het voorlezen bent. Soms leef ik me misschien wel wat teveel in. Bij boeken en films is dat niet zo erg, maar het lezen van een krant wordt op deze manier een kwelling.

16 december 2005

502

Soms ben ik een man van te weinig en soms van te veel woorden.
Het is ook nooit goed.

15 december 2005

501

Het was een vertrouwde en vreemde ervaring om weer achter het schaakbord te zitten. Er waren gisteravond invallers nodig voor het tweede team van mijn schaakclub. Nadat ik S. na zijn schaaklessen snel thuis gebracht had, sprong ik weer op de fiets om zelf weer competitie te gaan spelen. Toen ik de speelzaal binnenkwam waren net de klokken aan gezet. Even handjes schudden, de gegevens op het notatieformulier schrijven en dan de eerste zet. Vreemd en vertrouwd. Hoe moest het ook alweer, dacht ik nog in een flits.

Voor de eerste zetten nam ik veel tijd. Het kostte me moeite om rust en concentratie te vinden. Soms zet ik dan mijn bril af en sluit ik mijn ogen even. De adem naar de buik brengen en concentreren. Schaken is geen mediteren, maar ik denk dat sommige schakers onbedoeld toch een vorm van meditatie vinden. Het ontspannen ging gisteravond bijna te goed. Op een gegeven moment merkte ik dat mijn ogen zwaar werden en dicht vielen. Ik begon te knikkebollen. Om te voorkomen dat ik echt in slaap zou vallen, ging ik maar wat ijsberen als ik niet aan zet was. Even het bloed wat sneller laten lopen. Ik ben sowieso een schaker die weinig aan het bord zit. Ik loop veel rond en maak hier en daar een praatje met andere rondlopende schakers. Meestal komt deze afleiding mijn partij niet ten goede, maar gisteravond maakte ik me er niet echt zorgen over.

Wat me ook fascineert bij het schaken is de lichaamstaal van schakers. Soms is de spanning aan de spelers af te lezen. Zij turen naar de stelling en proberen te ontdekken wat voor mogelijkheden er allemaal in zitten. De dynamiek van het spel zit in de hoofden van de spelers. Wie een goede verstaander is van lichaamstaal kan zien dat er toch veel spanning en emotie is tijdens het schaken. Zeker bij jonge schakers die nog een zekere mate van fanatisme ten toon spreiden. Zij zijn nog ambitieus en willen hoger en beter.

Na een zet of twaalf was er een stelling op het bord gekomen die mooi in evenwicht leek. Leek, want wie naar de mogelijkheden ging kijken zou op het eerste gezicht meer zien voor zwart dan voor wit. Dat was een probleem voor mij als witspeler. Ik ging de voor de hand liggende zetten na, maar het nadeel van die zetten was, dat ze het initiatief aan de tegenstander gaf en mezelf in een verdedigende rol bracht. Mijn tegenstander zag het ook. Hij werd onrustig aan het bord en begon steeds vaker op te staan en rond te lopen. Daarbij maakte hij zich lang, borst vooruit, tekens dat hij tevreden was over zijn bereikte positie. Ik probeerde stoïcijns te blijven en ging ondertussen de minder voor de hand liggende zetten na. Eén zet beviel me zeer, een zet die gebruikt maakt van de dynamiek van de stelling. Weliswaar gaf ik een belangrijke pion in het centrum met die zet zomaar weg, maar ik kreeg er aanval en initiatief voor terug. De zet voelde goed en na ongeveer vijfentwintig minuten denken en kijken ging ik ervoor.

Mijn tegenstander was duidelijk verbaasd. Zag hij het goed? Het was duidelijk niet te zet waar hij op gehoopt had, maar wat hij hier nu van moest denken. Hij griste de pion van het bord. Mijn volgende zetten had ik allemaal al tevoren gezien en kon ik na een kleine controle snel uitvoeren. Toen veranderde de lichaamstaal van mijn tegenstander. Hij ging meer gebogen zitten, zuchtte wat, hoofd ondersteunend met zijn handen. Mijn idee had goed gewerkt: mijn stukken stonden veel actiever, zijn koning stond slecht en blokkeerde een toren in de hoek en ik kon zelfs een pion terug winnen. Uiteindelijk won ik de partij en het was meteen het winnende punt voor ons team.

Op de terugweg naar huis had ik een euforisch gevoel. Ik had weer zin gehad in het schaken en ik had gewonnen! In het voorjaar had ik nog getwijfeld of 'het gevoel' voor het spel er nog wel was en of het ooit echt zou terugkomen. Een half jaar afstand heeft geholpen: ik kan er nog echt plezier aan beleven. Ik heb het spel gemist.

14 december 2005

500

komt er een dag waarop
geen spijt meer klinkt geen
treurigheid in onze stem
in de woorden die we zeggen zoals:
vroeger wij soms toch
wanneer waartoe zoniet

komt er een dag waarop
we lachen om de dagen
die nog voor ons liggen
sprankelend vol
stadsgeluiden

dat we de dingen kunnen
noemen bij hun namen
en ze veranderen

Miriam Van hee Het verband tussen de dagen, 108

13 december 2005

499

Onder 490 schreef ik over de eerste externe competitiewedstrijd van S. voor zijn schaakclub. Toen verloor hij van een betere speler. Gisteravond speelde het viertal thuis. Het was weer een prachtig gezicht en ditmaal had S. geen moeite met zijn tegenstander.

De partij was nauwelijks bezig toen de voorzitter al kwam buurten. Ik liep wat te ijsberen – ik geloof dat ik het allemaal nog spannender vind dan S. – en er werd me toegefluisterd: zo, de kleine L. vliegt zijn tegenstander meteen naar de strot. Snel even kijken en inderdaad: S. was al bezig voor de neus van de vijandelijke koning de verdediging te slopen. De aanval sloeg niet door en hij moest zelfs oppassen voor de counter. Ik weet niet wat S. allemaal gezien heeft, maar ik zie waarschijnlijk nog zoveel meer. Voortdurend loop ik dan rond met de hoop dat hij het allemaal wel ziet. Op een gegeven moment kon hij de dame winnen en dan ben ik bijna opgelucht als hij de juiste zet doet. De rest zou makkelijk moeten zijn, maar dat weet je nooit bij die kleintjes. S. joeg de vijandelijke koning het hele bord over, liet 'm wat spartelen en zette uiteindelijk de koning per ongeluk mat. Per ongeluk, want het duurde even voordat de spelertjes het zagen.

Ik was een opgeluchte vader. Toen S. naar mij toe kwam vroeg ik hem: 'dat voelt wel lekker hè, om te winnen'. Zijn nuchtere antwoord was: 'ja hoor, best'.

Hoe lang zal het nog duren voordat hij gehakt gaat maken van zijn vader op het schaakbord. Toen ik acht jaar was kende ik de schaakregels nog niet eens. Ik heb mijn hele jeugd geschaakt, maar tijdens mijn studie niet. Toen ik zo'n twaalf jaar geleden lid werd van een schaakclub had ik geen bijster hoog niveau. Het is wel wat beter geworden, maar nu zit ik toch wel aan het plafond, denk ik. Echt groeien zal ik niet meer, wat rest is het vermaak dat het spelletje mij nog geeft. Wanneer ik in januari weer mee ga doen met het Corus Toernooi heb ik een half jaar geen competitie gespeeld. Ik ben benieuwd hoe dat gaat aflopen.

7 december 2005

498

Ik vind het moeilijk om me voor te stellen dat ik er op een dag niet meer ben. Ergo: dat het verdwijnen 'ineens' kan gebeuren. Zomaar. Door een onoplettendheid van mezelf of een ander in het verkeer. Of omdat bijvoorbeeld op een dag mijn hart het vertikt om verder te pompen. Ik ben nog nooit mijn geest of ziel tegengekomen, dus lijkt het mij het meest voor de hand liggen dat datgene dat 'ik' zegt of denkt een resultaat is van fysieke processen die door middel van de 'illusie' eenheid in mijn lichaam wil creëren. En die schijnbare eenheid zegt of denkt 'ik'. Zoiets. Maar ook dat weet ik niet zeker. Want als mijn 'ik' een illusie is, dan zijn misschien mijn gedachten en gevoelens ook niet betrouwbaar.

Want daar zal ik het mee moeten doen: met wat zich aandient, met 'wat het geval' is. Er zijn herinneringen, verwachtingen en vermoedens. En er is een taal, waarin zich dit alles lijkt uit te drukken. Waarom, waartoe, geen idee.

Heb ik mijn 'ik' wel in de hand? Heb ik mijn lichaam wel in de hand? Mjin lichaam doet voortdurend dingen waar ik nooit om gevraagd heb. Het pompt bloed rond, er vinden chemische processen plaats, zomaar uit zichzelf. Als het lichaam nalaat om bloed rond te pompen of allerlei functies uit te voeren, dan heb ik daar niet of nauwelijks invloed op. Ik weet zelfs niet of ik 'ik' wel in de hand heb. Het lijkt zo, maar zeker weten doe ik het niet. Ik moet het ermaar mee doen.

Maar als je niets met zekerheid kunt weten (en wat is dat 'niets' dan?), kun je dan nog wel ergens van uitgaan? Als er geen zingeving meer is, als er geen Grote Verhalen meer zijn met autoriteit en gezag, wie kan dan zeggen wat goed en kwaad is? Wie kan dan zeggen wat hoort, wat normaal is? Wat heeft onze rechtsstaat dan nog voor autoriteit, waar zijn de mensenrechten op gebaseerd? Waarom normen en waarden? Kunnen we dan nog oordelen? Is iemand nog verantwoordelijk voor zijn gedrag? We kunnen van alles met elkaar afspreken, wetten maken, rechten en plichten formuleren, maar wat als iemand zich daar niet aan wenst te houden?

Soms lijkt het er wel op dat al die 'ikken' een 'wij' vormen, als het ware een (maatschappelijk) lichaam vormen. Dat 'wij' zou dan gevormd zijn als illusie van eenheid van al die 'ikken'. Het pompt het maatschappelijk verkeer rond en als er 'ikken' zijn die het functioneren van het lichaam lijken te verstoren, dan treed ons afweermechanisme in werking. Maar wat als dat afweermechanisme niet meer werkt? Wat als die 'ikken' niet meer in staat zijn om een 'wij' te vormen, is dan dat maatschappelijke lichaam niet ten dode opgeschreven? Herkent ons afweermechanisme nog wel datgene wat verstoort? Kan datgene wat afwijkt ook niet een vorm van gezondheid zijn? Wordt onze afweer niet juist sterker door vreemde invloeden op te nemen? Is het wel verstandig om de maatschappij met een lichaam te vergelijken of is ons lichaam ons enige referentiepunt?

Ik zou nog eindeloos kunnen doorgaan met dit soort gedachtenexperimenten, het maken van beelden en het leggen van verbanden. Of ze waar zijn, weet ik niet, maar het is het enige wat ik heb. Denk ik. Ik kan ook proberen het denken te ondermijnen, uit te wissen, op te laten lossen en dan met frisse blik naar de wereld om me heen te kijken. Zou het wat uitmaken? Komt het uiteindelijk niet op hetzelfde neer?

Kafka heeft het begrepen. Soms voelt het leven alsof je 's ochtends van je bed gelicht wordt en je weet niet waarom. Jemand mußte Josef K. verleumdet haben, denn ohne daß er etwas Böses getan hätte, wurde er eines Morgens verhaftet. Op een dag eindigt je leven en je weet nog steeds niet waarom. Misschien is er geen waarom, maar waarom is er dan geen waarom? Ik kan mijn leven eindeloos vullen met naar het waarom te vragen. Ik heb er zelfs plezier in.

6 december 2005

497

Met M. gaat het goed. Vlak voordat hij vier maanden was had hij het omrollen ontdekt. Lekker van rug naar buik en dan het hoofd omhoog en dan fijn de wereld rondkijken. Maar ja, vermoeiend is het wel voor hem en hoe rol je nu terug?

Ondertussen is hij al bijna vijf maanden en het omrollen is nog steeds zijn grote passie, maar hij weet nog niet zo goed wat hij er verder mee moet. Kruipen, dat wil meneer, kruipen. Beentjes heen en weer, kontje omhoog en gefrustreerd raken dat het niet lukt. Ik zie het met argusogen aan. Leuk hoor zo'n vlotte kruipende baby, maar hoe voed je zo'n kleintje nu op als hij straks al gaat kruipen? Wel een beetje jong nog.

Maar het is heerlijk om met hem te babbelen. En maar lachen, soms ben ik wel eens bang dat zijn mondje voor altijd open blijft staan. Het mooiste wat er is: thuis komen, M. zien en een stralende glimlach krijgen.

5 december 2005

496

Op 16 november schreef Woordenaar een stukje over Literatuur, een speciale uitgave van De Groene Amsterdammer. Ik las het met belangstelling, want ik had er zelf een exemplaar van gekocht en ik ken Woordenaar als iemand die een liefhebber is van lezen en literatuur. Maar mijn verbazing was groot. Na enkele punten van kritiek raadt hij zijn lezers aan het blad vooral niet te kopen: hij vindt het te elitair, geschikt voor welgestelde 50+ dames.

Ik was stomverbaasd. Ik ken De Groene Amsterdammer als een kwalitatief goed blad en het blad had wel vaker uitstekende bijlagen gemaakt. Ik ging er op dat moment nog van uit, dat het een eenmalige bijlage zou zijn. Nu weet ik, dat het de bedoeling is om eens in de drie maanden te verschijnen. Bovendien blijkt het de opvolger te zijn van het tijdschrift Literatuur, dat enige tijd geleden gestopt is met verschijnen. Nogal een risico voor De Groene om nog regelmatig zo'n bijlage te willen gaan uitgeven. De Groene heeft altijd zijn onafhankelijkheid willen bewaren en is mede daardoor altijd een low-budget tijdschrift gebleven: het wil niet afhankelijk zijn van commercie.

Maar wat verwijt Woordenaar de uitgave Literatuur nu eigenlijk?

Ten eerste dat er in het redactioneel nogal smalend wordt gedaan over de diverse literatuurbijlagen van kranten en weekbladen en boekenglossy's zelfs. Smalend? Het is maar hoe je het wilt lezen, want wat staat er nu eigenlijk? Er staat: Er zijn natuurlijk – slinkende – boekenbijlagen, met vooral veel non-fictie, literaire tijdschriften met nieuwe literatuur, cultuurpagina's over pas verschenen bestsellers, boekenglossy's zelfs, maar wat steeds ontbreekt, is een blad waarin de literatuur wordt opgevat als één geheel. Ik kan dat niet smalend vinden, ik lees hier naar een doelstelling toe. De redactie ziet een gat in het aanbod en wil dat op geheel eigen wijze aanvullen. Wat is daar nu mis mee?

Ten tweede vindt Woordenaar het blad een typografische ramp. Hij vindt dat het blad bestaat uit grote lappen tekst, met weinig witregels. Voorwaar een ernstig verwijt voor een literair tijdschrift! Het klopt: niet tussen elke alinea staat een witregel (gezien de weblog van Woordenaar heeft dat schijnbaar zijn voorkeur) – nee inderdaad –, maar waar geen witregel staat wordt netjes ingesprongen. Dat titels en koptekst nauwelijks groter zijn dan de lopende tekst is wel enigszins waar, maar om daar nu zo zwaar aan te tillen. En dan smaalt Woordenaar dat ze ouderwetse «aanhalingstekens» gebruiken: Franse aanhalingstekens zijn zó 1960!! Mijn hemel, wie is hier nu eigenlijk pretentieus!

Dan stoort Woordenaar zich eraan dat er foto's en citaten in het blad staan die niet bij de tekst passen. Daarin heeft hij gelijk en ook van mij zouden de foto's en citaten niet hoeven. Maar de redactie van Literatuur heeft het in zijn hoofd gehaald om juist literatuur naast elkaar te zetten die ogenschijnlijk niet veel met elkaar gemeen hebben. Ik vind dat op deze wijze wat geforceerd, maar niet onoverkomenlijk.

Tenslotte vindt Woordenaar dat Literatuur er niet in slaagt om de rijkdom van de Nederlandse literatuur te tonen zoals de redactie zich dat had voorgenomen. Ik kan hierin een eind meegaan, maar van armoede kan ik nu ook niet spreken. Bovendien zijn het redactionele voornemens die zich niet beperken tot één nummer, maar ook voor de komende nummers gelden. Geef ze een kans zou ik dan zeggen, misschien kun je na een aantal jaargangen wel degelijk spreken van rijkdom. Maar nee, vindt Woordenaar, u moet uw twee euro vooral niet uitgeven (twee euro maar!) aan dit blaadje, want uit Literatuur stijgt de geur op van zuurpruimen, van drie maal daags in een citroen happen. Woordenaar heeft gesproken. Grote lappen tekst met weinig witregels en dan ook nog Franse aanhalingstekens uit 1960: koop het niet mensen, doe het vooral niet, want het kost wel twee euro! Wie is hier een zuurpuim? Waar mag ik driemaal daags citroen happen?

Ik heb het blad Literatuur met veel plezier gelezen. Wellicht is het te weinig voor letterkundigen en te veel voor het grote publiek, maar voor een liefhebber van literatuur die wel eens wat meer wil lezen dan een recensie, zou het een aanwinst kunnen zijn. Voor diegenen die niet alleen maar geïnteresseerd zijn in de grote stapels nieuwe boeken op de tafels in de boekhandel, maar ook geïnteresserd zijn in die literatuur die al geschiedenis is of verzonken in de tijd, voor die liefhebbers zou het aanwinst kunnen zijn.

Laat het elitair zijn. Laat het voor een beperkt publiek zijn. Waarom mag er geen zelfbewust blad gemaakt worden zonder groot commercieel oogmerk? Waarom mag iemand nou eens niet z'n kop boven het maaiveld uitsteken? Waarom moet alles teruggebracht worden tot het middelmatige, de doorsnee, het veilige voorzichtige, het commerciële? Wat we juist nodig hebben zijn mensen die nu eens wél elitair durven zijn, die hun kop durven uitsteken, die snobistisch zijn van mijn part. Zij durven hoog in te zetten en het risico te nemen eventueel op hun bek te gaan. Hoe zouden we anders aan schrijvers als bijvoorbeeld Multatuli, Ter Braak, Hermans en ook Jeroen Brouwers moeten komen?

Dat is uiteindelijk wat mij giftig en woedend maakt in het stukje van Woordenaar en de reacties daarop: het dédain voor mensen die nu eens niet de gemakkelijke populistische kant opgaan. Ik wil (literatuur)critici met een visie, die literatuur kunnen plaatsen in de tijd of in het oeuvre van de schrijver, die een gefundeerde kritiek kunnen leveren of een polemiek of een schotschrift van mijn part. Ik wil artikelen die verder gaan dan een reclamepraatje of het overschrijven van de achterflap. Daarvoor zijn al veredelde reclameblaadjes genoeg. Die zijn zinvol voor de mensen die een snelle keuze willen maken als ze in de boekhandel staan, maar ik wil meer. Literatuur zou dat kunnen zijn.

2 december 2005

495

Zo nu en dan koop ik een exemplaar van het tijdschrift Hollands Maandblad, tijdschrift voor literatuur en tijdskritiek (wat dat laatste dan ook moge zijn). Ik vind het één van de mooiste tijdschriften die het Nederlandse taalgebied rijk is. De lay-out benadert mijn ideaal: rust, ruimte, leesbaar. Geen storende en schreeuwende afbeeldingen, geen reclame. Geen glimmend papier met allerlei kleurvakken, geen effectbejag. Het doorbladeren van het Hollands Maandblad is al een esthetisch genoegen.

Ik ben ook elke keer blij verrast door de redactionelen van Bastiaan Bommeljé. Ik heb hem al eens geciteerd. Het zijn teksten die ik soms zelf geschreven zou willen hebben. In het novembernummer las ik weer zo'n herkenbaar stuk:

Ik beweer niet dat ik voor mijn plezier lees – zulks geeft een te rooskleurig beeld van mijn bezigheden – en beschaafde mensen zouden zelfs kunnen menen dat ik mijn leven vergooi door een obsessie met het geschreven woord. Misschien dien ik derhalve te zeggen: ik lijd aan lezen.

Waarschijnlijk heb ik om die reden een zwak voor schrijvers, dichters en journalisten die het ziektebeeld draaglijk weten te maken met behulp van goed geschreven zinnen die ergens over gaan. Bovenal heb ik een zwak voor schrijvers, dichters en journalisten die de lijdende lezer helpen door hun woorden niet in achterloze overdaad over de wereld uit te storten. En [sic! – jwl] den beginne was het Woord, schreef iemand die het woord niet op waarde wist te schatten ooit, maar als lijdend lezer weet ik dat dit niet juist is. In den beginne was de stilte, de oorverdovende betekenisvolle stilte, en mijn grootste zwak heb ik dan ook voor schrijvers die deze stilte op waarde weten te schatten.

Bastiaan Bommeljé Deze maand
in: Hollands Maandblad 2005/11, 2

Dit tijdschrijft is werkelijk een oase in een woestijn van om aandacht trekkende tijdschriften. Misschien moet ik een abonnement overwegen.

30 november 2005

494

(...) and, for one moment, the painter stood entranced before the work which he had wrought; but in the next, while he yet gazed, he grew tremulous and very pallid, and aghast, and crying with a loud voice, 'This is indeed Life itself!' turned suddenly to regard his beloved:-She was dead!

Misschien niet zijn beste verhaal, maar wel een verhaal dat bij eerste lezing ontzettend veel indruk op mij maakte. Een verhaal over kunst en leven: Edgar Allan Poe The Oval Portrait.

29 november 2005

493

Zuur, een zure ervaring. Ik wist dat het zou gebeuren, ik had er de waarschuwingen in de media niet voor nodig. Vanochtend was het dan zo ver. Stom, stom, stom.

U mag me uitlachen wanneer ik hier schrijf, dat ik in het verkeer werkelijk een heilig boontje ben. Ik onderga uw spot gelaten als ik u vertel, dat ik netjes mijn hand uitsteek, altijd netjes voor het rode stoplicht wacht, ook al is er verder geen verkeer te bekennen. Ja, ik weet het, het is niet 'in' om netjes te zijn in het verkeer. Ik weet dat ik daarmee de risee van elke Nederlander ben, want ik zie zoveel mensen zich niet aan de regels houden. Misschien begrijpt u me beter als ik u vertel, dat ik in mijn leven getuige ben geweest van een aantal ongelukken met fietsers (waarvan één met dodelijke afloop). Ook veel bijna-ongelukken overigens. Daarbij komt, dat je je als vader nog verantwoordelijker voelt: je leeft niet meer alleen voor jezelf.

Sinds het 's ochtends weer donker is, wist ik het: mijn achterlicht doet het niet, ik moet er op tijd wat aan doen, want ze controleren in het najaar altijd een keer op mijn route naar het station. Tot nu toe ben ik eraan ontkomen, maar dit jaar ... Ik was er nog niet aan dat achterlicht toegekomen.

Vanochtend was het dan zover. Politie. Geen werkend achterlicht. Een bon.

Weet u, ik schik me gelaten in die bon, die agenten doen hun werk. Maar er hangt dan zo'n sfeertje, zo'n lachering sfeertje van 'komkom, wij vinden dit ook niet leuk hoor, om zo in de kou bonnen te moeten uitschrijven'. Bah! En dan controleren ze een bromfietser terwijl mijn bon wordt uitgeschreven: 'in orde meneer, ja, we controleren alleen het licht vandaag' om maar aan te geven, dat de agent wel gezien had, dat de bestuurder geen helm droeg! Dienstklopper!

Toen de agente eindelijk klaar was met het uitschrijven van de bon, boog ze zich nog samenzweerderig naar me toe: 'ik moet u nu verzoeken om verder te lopen, maar als u uit het zicht bent, fietst u dan maar verder hoor, want u moet natuurlijk naar uw werk, maar zorg dan dat ik het niet zie hè! Prettige dag nog verder meneer.'

Dat had ze niet moeten zeggen. Ik hield mijn mond, maar ik was woedend. Als je dan toch zo'n willekeurige actie uitvoert, doe het dan met volle overgave, laat me dan de illusie dat het allemaal zo vreselijk belangrijk voor ze is. Zeg dan niet impliciet: als ik het niet zie is het wel goed hoor. Gedoogbeleid: het mag niet, maar het mag, zolang we het maar niet zien en als we het zien mag het ook, tenzij we beslóten hebben dat het niet mag als we het zien.

De rest van de reis gierde de adrenaline door mijn lijf. Over die vijftien euro kom ik wel heen, zonde, maar goed. Maar de onrechtvaardigheid en stupiditeit van dit soort gedoe, daar kan ik niet aan wennen. Er zijn ergere dingen op de wereld, maar even, eventjes maar, voel ik weer die anarchist in me opkomen die het liefst deze zogenaamde menselijke wereld in vlammen op ziet gaan. Hoe eerder, hoe beter. Beschaving? Laat me niet lachen!

Gaat wel weer over hoor. Eerst een bakje hele sterke koffie.

28 november 2005

492

Dan ben ik een beetje aan het surfen op internet en dan stuit ik ineens op deze foto. Eerst wilde ik meteen doorklikken, maar die brug riep toch wel een vaag gevoel van herkenning op. En die gebouwen op de achtergrond ... en het water op de voorgrond! Ineens zag ik het het: die brug staat bij mijn oude lagere school! Tegenwoordig heeft het gebouw (niet zichtbaar op de foto, maar aan de rechterkant) een andere functie, maar het zal er ongetwijfeld nog wel staan. Ik herinner me dat ik nog in de vaart gespeeld heb toen het in de winter helemaal vol lag met sneeuw, dan kon je zo naar het weiland aan de overkant lopen. Of we stonden in het voorjaar langs de kant als er met het voetballen weer eens een bal in het water terecht gekomen was! We mochten, als ik het me goed herinner, niet op die brug spelen, maar het was natuurlijk maar al te leuk om daar met de fiets overheen te crossen.

Na de vindplaats van dit plaatje bij favorieten gezet te hebben, surfde ik nog wat verder. Alsof de duvel ermee speelde kwam ik zomaar hier terecht: het orgel waar ik mijn hele jeugd urenlang op gestudeerd heb. Links op de foto ziet u nog net een organist zitten, daar is de speeltafel. O, wat zou ik toch nog eens Toccata en Fuga in d BWV 565 op dat instrument willen spelen, dat speelde ik in die tijd bijna dagelijks! Zucht.

24 november 2005

491

Wij zijn meestal eenzamer wanneer we ons tussen de mensen begeven dan wanneer we in onze kamer blijven.

Henry D. Thoreau Walden, 154

24 november 2005

490

Mijn oudste zoon S. zit sinds het begin van dit seizoen op mijn eigen schaakclub. Na de verhuizing van de club naar een andere locatie is er van de jeugdafdeling weinig overgebleven. Mede daarom, maar ook omdat hij indruk maakt, hebben ze gevraagd of S. de thuiswedstrijden van de externe competitie mee zou willen doen. Voor de uitwedstrijden is S. nog wat jong, het kan laat worden en S. heeft zijn slaap nodig. Maar vorige week werd ik bijkans gesmeekt om voor één keer een uitzondering te maken. Tegen het viertal van Zeist kwamen ze iemand tekort. Ik twijfelde en mijn vrouw twijfelde, maar uiteindelijk hebben we besloten het dan maar voor één keer te proberen. Zeist is niet ver en S. zou aan het laagste bord spelen en daar zijn ze toch relatief snel klaar. Jonge spelers spelen nog snel.

Gisteravond ging ik dus met S. naar Zeist. Ik wist wel ongeveer waar het speellokaal van schaakclub Zeist was, ik had er zelf wel eens een uitwedstrijd gespeeld. We kwamen iets te laat aan, maar ze hadden op ons gewacht.

S. had pech, want Zeist had waarschijnlijk voor een tactische opstelling gekozen. Aan het vierde bord zat een oudere jongen, die veel beter speelde dan bord twee en drie. S. vergiste zich al snel en kwam meteen achter te staan in materiaal. Dat het heel erg jammer wat bleek uit het vervolg van de partij. De verbetenheid en concentratie die hij na zijn fout aan de dag legde maakte het zijn tegenstander erg moeilijk. De achterstand kon S. niet meer goed maken, maar zijn tegenstander moest wel opletten. Toen S. uiteindelijk mat gezet werd, heb ik hem toch flink geprezen om zijn spel. Hij had dan weliswaar verloren, maar wel ontzettend goed tegenstand geboden.

Als vader vond ik het bijzonder om op een afstandje toe te kijken hoe mijn kleine jongen daar zijn eerste externe competitiewedstrijd zat te spelen. Aan de ene kant nog zo klein, maar aan de andere ook al zo groot. Trots ben ik op zijn houding en zijn concentratie. Van de wijze waarop hij zijn verlies incasseerde kunnen vele schakers wat leren. Hij blijft het schaken als een spel zien en het was toch leuk om een spelletje te doen? Precies. Ik heb niets met dat gepsychologiseer dat je je tegenstander zou moeten haten tijdens de partij. Nee, je speelt samen een partij en je probeert er samen iets moois van te maken. Competitie spelen mag hij best wat serieuzer beschouwen dan zomaar een partijtje schaak, maar om er nou een oorlogje van te maken, dat vind ik nou ook weer niet nodig. Ik hoop in ieder geval spelplezier aan S. mee te geven en dat lijkt goed te lukken.

23 november 2005

489

Het moet meer dan twintig jaar geleden zijn, want ik studeerde nog niet. Ik kan me de naam van die muziekcursus op televisie ook niet meer herinneren, maar ik herinner me nog wel dat het gepresenteerd werd door de emphatische wanfluiter James Galway. Je kon boeken en lp's bestellen bij die cursus en soms kom ik die boeken en lp's nog wel eens tegen bij mensen thuis.

Vaag herinner ik me ook dat ik me puberaal afzette tegen die muziekcursus. Heimelijk zat ik vol belangstelling te kijken, maar openlijk kraakte ik het zoveel mogelijk af. Vooral natuurlijk wanneer de lievelingsmuziek van mijn vader voorbij kwam. Lange tijd is mijn muzikale smaak gevormd door het tergen van mijn vader. Hield hij van Italiaanse Opera en De Gouden Strotten van Joan Sutherland en Luciano Pavarotti, dan hield ik van de Duitse Opera en Wagner in het bijzonder. Hield mijn vader van Chopin, dan zweerde ik bij de late pianowerken van Liszt. Ik moet een ramp voor mijn vader geweest zijn. Ondertussen kunnen we het overigens goed vinden en speel ik desnoods zelf Chopin op de piano om hem te plezieren.

In de laatste aflevering van die muziekcursus werd aandacht besteed aan iets geheel nieuws. Althans zo deed meneer Galway het voorkomen. Ondertussen weet ik dat het in die tijd helemaal niet zo nieuw was, maar wellicht wel voor het toenmalige, grote publiek. Kortom: de historische uitvoeringspraktijk.

Aan het einde van de achttiende eeuw en in het begin van de negentiende eeuw was de muziekesthetiek in relatief korte tijd ontzettend veranderd. In die tijd werden bijna alle instrumenten ingrijpend aangepast en werden ze anders bespeeld. Er kwamen ook nieuwe instrumenten in zwang (zoals de klarinet en de piano) en andere instrumenten 'verdwenen' (de blokfluit en het klavecemibel). Orkesten werden groter, er kwamen steeds meer koncertzalen, componisten werden zelfstandig ondernemer enz. enz.

In de loop van de negentiende eeuw groeide het historisch bewustzijn. Zo herontdekte men bijvoorbeeld de muziek van Johann Sebastiaan Bach, die sinds zijn dood in 1750 niet meer werd uitgevoerd en slechts nog bekend was bij een klein groepje kenners. Het probleem was echter, dat men de muziek uit vroeger tijden in de veranderde omstandigheden ging uitvoeren. Soms begreep men die oude muziek niet meer goed. Toen Mendelssohn de Mattheus Passion opnieuw wilde uitvoeren, meende hij de grote meester hier en daar toch te moeten verbeteren. Er werden instrumenten toegevoegd en er werden een paar ingrepen gedaan in de partituur. Oude muziek werd uitgevoerd met moderne middelen. Wie wil weten waar dat toe geleid heeft, moet voor de aardigheid eens de opname beluisteren van de Mattheus Passion gemaakt door de dirigent Willem Mengelberg in het Concertgebouw in 1939. Het is een zeer muzikale uitvoering, maar afschuwelijk theatraal en langzaam, vreselijk langzaam. Mij werkt het soms op de lachspieren, vooral de inzet van het orgel na de generale pauze in Sind Blitze, sind Donner in Wolken verschwunden.

In de jaren '50 en '60 van de vorige eeuw waren er steeds meer musici en musicologen die wilden herontdekken wat er allemaal verloren was gegaan door de negentiende eeuwse uitvoeringspraktijk. Zij haalden oude instrumenten uit de musea en probeerden ze te bespelen, ze gingen oude instructieboeken lezen en probeerden de aanbevelingen daaruit toe te passen. Het was alsof er een enorme berg stof van de muziek werd afgehaald. Langzaam maar zeker begon die nieuwe methode door te dringen in de koncertzalen en werden er opnames gemaakt op de langspeelplaat. Historisch was een nieuwe uitvoering van de Orfeo van Monteverdi onder leiding van Nikolaus Harnoncourt, de opname van de Kunst der Fuge door Gustav Leonhardt op klavecimbel en de opname van de Mattheus Passion in 1972 door opnieuw Nikolaus Harnoncourt.

Natuurlijk was er veel kritiek: de musici beheersten de instrumenten nog niet voldoende, ze speelden vals en ongelijk, de jongetjes in de Mattheus zouden te jong zijn om te begrijpen wat ze zongen, Harnoncourt maakte een klompendans van het openingskoor in de Mattheus enz. enz. Men kan het met recht een muzikale revolutie noemen. Deels was de kritiek ook wel terecht, vooral als het ging om het deromantiseren van de muziek. Zo vond Leonhardt in die tijd dat hij zichzelf helemaal moest wegcijferen als uitvoerend musicus. Zijn taak was om de muziek technisch zo perfect mogelijk te spelen, zijn gevoelens mochten dat niet weg staan. Het ging om de muzikale structuur en als de musicus dat goed genoeg liet horen kwam de emotie vanzelf. Het was een overreactie op de romantische uitvoeringspraktijk. Het teveel aan emotie werd gecompenseerd door een te weinig aan emotie.

De historische uitvoeringspraktijk won terrein. De musici gingen hun instrumenten steeds meer beheersen. Nederland begon voorop te lopen op dit gebied, vooral het Conservatorium in Utrecht kreeg een naam. De Organisatie Oude Muziek werd opgericht en organiseerde in 1982 het eerste Festival Oude Muziek, hetgeen lange tijd toonaangevend op de wereld was voor deze nieuwlichterij.

Ik zat nog op de middelbare school in 1982. Of ik iets meegekregen heb van het eerste Festival Oude Muziek, dat weet ik niet meer. Wel herinner ik me een avond waarop ik luisterde naar een uitvoering van de Hohe Messe van Bach op de radio. Ik begreep er niets van en zette de radio na een kwartier teleurgesteld uit. De historische uitvoeringspraktijk ging nog aan mij voorbij. Ik luisterde naar de symfonieën van Beethoven door de Berliner Philharmoniker onder leiding van Herbert von Karajan. (Het orkest overigens waar Galway een tijdje eerste fluitist is geweest.) Bach en Händel was mooie en interessante muziek, maar de andere componisten van voor 1750 vond ik in die tijd nauwelijks de moeite waard.

Toen ik die aflevering van James Galway zag, was ik tamelijk naïef als het ging om oude muziek en historische uitvoeringspraktijk. Ze lieten opera's zien met historische decors en er werd gezongen door mannelijke alten, zogenaamde countertenors. Vreselijk vond ik dat en zelfs de afschuw van mijn vader kon mij niet van mening doen veranderen. Ik ging er maar vanuit dat het iets marginaals was en dat het wel over zou gaan. Mijn oren zaten duidelijk nog verstopt met romantische opvattingen.

Hier moest ik allemaal aan terugdenken toen ik vanochtend de eerste maten van Atys van Jean-Baptiste Lully beluisterde. Meteen krijg ik rillingen wanneer ik die muziek hoor. Het is zo waanzinnig mooi!

Tegenwoordig is de historische uitvoeringspraktijk een volwaardige manier van uitvoeren, het staat niet meer ter discussie. Ik denk zelfs dat veel luisteraars niet eens meer beseffen wat voor een veranderingen de uitvoeringen van oude muziek heeft doorgemaakt de laatste veertig tot vijftig jaar. Het heeft ook de uitvoeringen van muziek uit de negentiende en twintigste eeuw diep beïnvloed. Het romantische dekbed is van de orkesten afgetrokken en tegenwoordig is helderheid en doorzichtigheid één van de heersende normen. Nu is het bijna zo dat een pianist zich moet verantwoorden als hij Bach op een Steinway wil uitvoeren. Nikolaus Harnoncourt, één van de grote pioniers van de historische uitvoeringspraktijk, heeft de symfonieën van Bruckner opgenomen en dat is tegenwoordig volstrekt normaal.

Maar wat belangrijker is: door deze hele ontwikkeling is er weer honderden jaren van muziek bijgekomen die weer meetelt. Muziek die eeuwenlang lag te verstoffen in archieven wordt weer uitgevoerd. Waaronder dus de opera Atys. En als u het me niet kwalijk neemt, ga ik nu weer verder luisteren.

22 november 2005

488

Mijn problematische verhouding tot douchen en scheren is nogal eens onderwerp van gesprek in huiselijke kring. Ik ga er hier niet over uitweiden, neemt u het maar ter kennisgeving aan. Ik heb deze mededeling even nodig om de volgende geweldige opmerking van mijn oudste zoon in een context te plaatsen.

jwl (op een zaterdagochtend): Zo, ik geloof dat ik maar eens lekker ga douchen en scheren zometeen.

oudste zoon (kijkt zijn vader stomverbaasd aan): Wie ben jij? En wat heb jij met mijn vader gedaan?

21 november 2005

487

Het is de tweede keer dat ik het boek voorlees. De eerste keer las ik het mijn vrouw voor in de tijd dat ze moeilijk in slaap kwam. Ze schijnt in slaap te vallen van mijn voorlezen, behalve als ze het boek boeiend vindt, maar dan ontspant ze zich en valt na het voorlezen makkelijker in slaap.

Nu lees ik het mijn oudste zoon voor. Ik heb getwijfeld of het voor hem wel geschikt zou zijn. Het raakt hem ook behoorlijk, dat merk ik wel. Ik vind dat Thea Beckman de dramatiek behoorlijk dik aanzet, maar ik maal er niet om: het verhaal is mooi.

Soms komt S. met vragen, zoals 'wat is een ketter'. Dan wil ik dat uitleggen, maar dat is dan nog niet zo eenvoudig. Voordat je het weet ben je bezig een heel gesprek te houden over de Middeleeuwen, de kerk, katholieken. Ik geniet van de nieuwsgierigheid en de leergierigheid van S.

Een andere keer hebben we het over de verschillen tussen toen en nu. Ik ga hem niet uitleggen wat de zogenaamde vooruitgang en beschaving ons hebben gebracht, daar vind ik hem nog veel te jong voor. Ik heb zelf soms zo wel mijn gedachten tijdens het lezen.

En achter hem, in bomen en struiken, tierelierden de vogels. Wat prachtig was het land om hem heen! Ongerept, stralend van schoonheid in de zomerzon. Langs de hellingen en in het brede dal, doorsneden door de rivier, lagen akkers en boomgaarden waar mensen aan het werk waren. Geen gebrom van auto's, geen gegier van vliegtuigen. Geen stank van uitlaatgassen of fabrieken. Dolf kreeg plotseling tranen in de ogen. Waar was deze prachtige wereld gebleven in de twintigste eeuw?

Thea Beckman Kruistocht in spijkerbroek, 20

20 november 2005

486

Terwijl ik vanochtend door de Spuistraat liep en dacht 'Gut, die dames zijn ook vroeg aan het werk vandaag!' hoorde ik links van me ineens een vreemd knisperend geluid, alsof er een reusachtig stuk beschuit verkruimeld werd. Het bleek een hagelbui.

Ik besloot rechtsaf te slaan door de Torensteeg en daar zag ik Hem en ik groette Hem en zei: "Goedemorgen meneer Multatuli." En ik verbeelde me dat Hij tegen me zei: "Goedemorgen meneer Droogstoppel, gaat u weer braaf naar het werk en gaat u weer een logje schrijven?" "Jazeker", antwoordde ik, "maar eerst een bakkie koffie en dan neem ik het toetsenbord op".

Ik liep verder over de Singel en vroeg me af of ik zou moeten schrijven over de moord op Louis Sévèke. Na de moord op Fortuyn stond Nederland op zijn kop. Na de moord op Theo van Gogh stond Nederland op zijn kop. Louis Sévèke was een linkse activist, dat zal het grote publiek nauwelijks aanspreken, daar zal men niet wakker van liggen.

17 november 2005

485

De individuele vrijheid en autonomie, die we danken aan de dood van God, worden veel te eenzijdig – want louter via economie en technologie – ingevuld. We hebben dan wel een ontvoogde vrijheid verworven, maar geven die uit handen door slaafs op onze consumentenknietjes te gaan zitten kwijlen voor het allerlaatste lekkers van de dag.

Marc Van den Bossche Enggeestig, zelfzuchtig en veel te vet: de mens!
in: Filosofie Magazine 2005/8, 40

17 november 2005

484

Ik zou graag eens een dag willen waarop ik niet de woorden 'islam, moslim, terreur, terrorist, aanslagen, Marokkanen, jongeren' enz. voortdurend moet lezen en horen. Straks ga ik nog echt geloven dat er een oorzakelijk verband is.

...

Verdorie, weer niet gelukt!

15 november 2005

483

Sommige schrijvers kunnen dat: boeken schrijven die zeer citeerbaar zijn. Vroeger luisterde ik vaak naar een radioprogramma op woensdagmiddag op Radio 5 Montaigne. Dat programma werd altijd geopend met een citaat uit één van de Essays van Michel de Montaigne. Schopenhauer citeren is goed voor een glimlach en zijn 'leerling' Nietzsche voor een grimlach.

Henry Thoreau's Walden is dermate citeerbaar dat ik bijna de helft van het boek hier zou kunnen overtikken. Dat gaat wat ver. Maar onlangs werd ik weer getroffen door een one-liner die ik hier wil plaatsen: Boeken moeten even bedachtzaam en terughoudend worden gelezen als ze geschreven zijn (blz. 117). Met het bedachtzame ben ik zeer eens, ik vind dat lezers over het algemeen veel te snel lezen. Men zapt van boek naar boek alsof lezen hetzelfde is als televisie kijken. Maar het terughoudende, daar ben ik niet zeker van. Ik heb zelf de behoefte om me bij voorbaat gewonnen te geven als ik een boek ga lezen. Als ik dat niet kan, dan heb ik de neiging om de auteur niet meer te willen lezen. Grunberg – om meer iemand te noemen – heeft me met Fantoompijn zo teleurgesteld, dat ik het niet meer kan opbrengen nog een boek van hem te lezen, al wordt het me verzekerd door een goede vriend dat Grunberg ondertussen veel beter geworden is. Nee, Grunberg heeft zijn boeken met zijn literaire domheid behoorlijk verpest. Niet dat ik daar wakker van lig.

Nee, dan Miriam Van hee. De titel van haar verzamelbundel Het verband tussen de dagen zou een mooie titel voor een weblog zijn. Haar boek hoef ik maar open te slaan op een willekeurige bladzijde en ik hoef maar een paar regels te lezen en ik ben geraakt. Zoals:

ondraaglijk is deze stilte
een koffer met stenen gevuld

of, op de volgende bladzijde:

wat zal ik je zeggen
als de bomen ruisend
de avond inzeilen en
ik droef word van dit
schrijven alleen in de nacht?

Miriam Van hee Het verband tussen de dagen, 46-47

14 november 2005

482

Op bladzijde 2 van het NRC Handelsblad lees ik vandaag: Eis: levenslang voor 'dierenbeul' (...) Justitie heeft bij de Almelose rechtbank een levenslange gevangenisstraf geëist tegen de 49-jarige Rudolf K. uit Enschede. (...) K., voormalig tbs-patient, liet zich leiden door een bizarre seksuele behoefte. Hij sneed zowel van de man die hij vermoord heeft als van dieren de geslachtsdelen af om er thuis mee te experimenteren.

Op bladzijde 1 van het NRC Handelsblad lees ik vandaag: Een twee dagen oude big wordt voorbereid op zijn verblijf in een groep. Zijn staart wordt eraf gebrand, teelballen verwijderd, hoektanden uitgetrokken en hij wordt gevaccineerd. De biggen schreeuwen het daarbij uit, want alles gebeurt zonder verdoving. De prijzen voor varkens en varkensvlees zijn zo laag dat verdoven te kostbaar wordt gevonden. En de (Duitse) consument wil bovendien geen vlees met een luchtje – daarom worden de beren gecastreerd.

13 november 2005

481

Het is voor mij niet moeilijk om de mens achter de asielzoeker te zien. Het valt me daarentegen steeds zwaarder om nog enige menselijkheid in mevrouw Verdonk te ontwaren. Steeds vaker zie ik – wanneer zij in beeld komt – muren, prikkeldraad en wachttorens.

11 november 2005

480

Naarmate mensen minder aan het toeval over willen laten,
laat het toeval steeds minder aan de mensen over.

10 november 2005

479

Waarde R.,

Het komt door het boek, R., dat ik weer aan jou moet denken. Dat boek, Walden, van Henry David Thoreau, ik zag het liggen in de boekhandel en het liet me niet meer los. Aanvankelijk was het misschien de vormgeving dat mijn aandacht trok. Of de afbeelding op de voorkant. Toen ik de schrijver en de titel las ging het mannetje in mijn hoofd druk op zoek. Thoreau, wat was daar ook al weer mee? Heb ik daar lang geleden eens iets over gelezen (in De Groene bijvoorbeeld) of heb jij het me getipt. Geheel tegen mijn gewoonte in las ik de achterkant: (...) ruim twee jaar lang leefde Thoreau in een hutje midden in de natuur aan een meertje (Walden Pond). Hij bracht zijn dagen door met lezen, wandelen, nadenken en schrijven, en hield zich in leven met het telen van bonen, die hij in het nabijgelegen dorp verkocht. Het mannetje in mijn hoofd was nu diep afgedaald in de catacomben van mijn geheugen, maar wist het toch niet te vinden.

Een ander moment dat ik weer aan jou moest denken kwam na het doorspitten van het archief van deze website. Op 13 februari 2004 liet ik je als figurant optreden. Een en ander speelde zich af in een fictief café Sisyphus. Mijn website heeft als achtergrond een afbeelding van een café, je zult het ongetwijfeld herkennen als een still uit de film Stalker van Tarkovski. Het doet me denken aan de tijd dat wij nog in het café de zin en vooral de onzin van het leven doornamen terwijl de rooksignalen het plafond zochten. Jij de anarchist en ik de religieuze fantast. Wat waren we een stel rare jongens. Terwijl jij steeds radicaler werd, probeerde ik onze zienswijzen te verzoenen, de eeuwige diplomaat die ik ben.

Toen konden we niet weten dat ik nu getrouwd zou zijn met een lieve vrouw en dat ik ondertussen twee prachtige zonen heb. Over jou heb ik vernomen dat je vertrokken bent naar V. en dat je daar een huisje in de bergen hebt gekocht met uitzicht op een meertje. Heb je je daar begraven in je boeken R? Ik weet dat je hier leest, ik signaleer je zo nu en dan via mijn tellertje. Je zult mijn weblog ongetwijfeld maar onzin vinden, je zult wel nooit reageren, ook niet op deze brief, maar je leest hier wel.

Verdomme R., die Thoreau doet me zo aan jou denken! Waar hang je uit? Laat eens iets horen! Ter herinnering aan jou laat ik voorlopig deze plek zo.

Weet je nog dat ik de poëzie van Miriam Van hee zo goed vond? In haar laatste bundel citeert ze Anne Carson: Dat zijn we. Schepsels die een heuvel opgaan. Kom weer eens halverwege de helling rooksignalen oplaten in ons café. Roken doe ik nauwelijks meer, maar een Grimbergen gaat er nog net zo vaardig in.

gegroet,
jwl

9 november 2005

478

Ik moest denken aan mijn vroegere vriend P. P. ging met de auto in de weekenden vanuit Zeist naar Enschede en weer terug, hij had daar een vriendin. Meestal kwam hij zondagavond laat weer terug. Hij moest lachen om mijn vraag of hij het niet vervelend vond om zo laat door de beginnende nacht nog zo'n afstand te moeten rijden. Nee, integendeel, hij vond het geweldig om zo in het donker over de snelwegen te rijden.

Afgelopen zaterdagavond reed ik de eerste keer in het donker, van Leeuwarden naar Utrecht, door de polders. Ik moest aan P. denken en ik moest glimlachen. Mijn vrouw en twee zonen waren ondertussen diep in slaap. Honderdtwintig kilometer per uur, een zwarte wereld, witte lijnen op de weg en drie slapende mensen om me heen: het was vreemd geruststellend.

7 november 2005

477

Het leven dat de mensen prijzen en als geslaagd beschouwen is slechts één soort leven. Waarom zouden we de ene soort overschatten ten koste van alle andere?

Henry D. Thoreau Walden

3 november 2005

476

Mensen horen in hun opvoeding te leren incasseren, maar de huidige cultuur belemmert soms de ontwikkeling van dat vermogen. Er is in onze cultuur weinig ruimte voor de dimensie van het negatieve. We moeten gelukkig zijn; succes en prestatie zijn belangrijke waarden. Verlies wordt minder geaccepteerd, en dat maakt mensen kwetsbaarder voor tegenslagen. Door hierover na te denken, je af te vragen of het leven inderdaad alleen draait om succes en prestatie, kun je leren accepteren dat er in het leven altijd een tekort is.

Antoine Mooij in:
Elselien Dijkstra 'Het is gevaarlijk om te denken dat je gelukkig moet worden'
in: Filosofie Magazine 14/7, 26

28 oktober 2005

475

Het is werkelijk opvallend stil. Werden we eind vorig jaar en aan het begin van dit jaar ook in de wereld van de webloggers overspoeld door oproepen om vooral geld te geven aan de slachtoffers van de tsunami, nu is het wel heel erg stil rond de slachtoffers van de aardbeving in Pakistan. Vreemd.

27 oktober 2005

474

Blijft over de vrijheid van de burger, die zelf wel weet wat goed voor hem is. Of dat laatste waar is, is nog maar de vraag. Op het toppunt van hun helderheid kennen mensen heel goed het verschil tussen ge- en verbod, goed en kwaad, en feit en fictie. Maar meestal bevinden we ons daar ver onder en dan nemen al snel andere mechanismen de dienst over. Een van de krachtigste is het mimetische, waaraan we vrijwel al onze kennis en vaardigheden te danken hebben. Mensen zijn na-aap-dieren en de mimesis trekt zich weinig aan van goed of kwaad. Wanneer iets waarvan we weten dat het niet hoort een gewoon verschijnsel wordt, sijpelt het dan ook zelf als steeds «normaler» binnen in de criteria van ons gedrag.

Ger Groot Censuur
in: De Groene Amsterdammer 129/40, 9

26 oktober 2005

473

Enige tijd geleden kreeg ik een nieuwe pc op mijn werk. De oude pc en beeldscherm mocht ik voor een symbolisch bedrag overnemen. Dat wilde ik wel, een mooi apparaatje voor mijn grote zoon op zijn kamer. Alleen, hoe krijg je zo'n ding thuis als thuis in Utrecht is en werk in het centrum van Amsterdam. Een pc en een beeldscherm meenemen in het openbaar vervoer zag ik niet zitten. Mijn vrouw is veel ervarener en vaardiger met de auto, maar die zag het niet zitten met de auto in Amsterdam (bovendien: het speelde in de tijd dat ze zwanger was en later kraamvrouw). Eind juli haalde ik mijn rijbewijs, maar ik durfde mezelf ook niet in het diepe te gooien. Allerlei alternatieven passeerden de revue, maar uiteindelijk – plannetje nummer zoveel – zou ik met de auto en grote zoon op mijn vrije dag, de vrijdag, in de herfstvakantie de pc ophalen. Vandaag dus. Dagen heb ik lopen zenuwen, de route honderd maal op de kaart bekeken, iedereen aan zijn/haar kop gezeurd over hoe ik spannend ik het allemaal wel niet vond. Vanochtend bracht ik eerst mijn vrouw naar haar werk en kleine zoon naar het kinderdagverblijf (werk en kinderdagverblijf zijn overigens hetzelfde) en na de spits ben ik dan met mijn zoon de A2 opgedraaid in de zoveelste stortregen.

Ach, wat zal ik zeggen. Peuleschil ... oeps ... peulenschil hoor, zo'n ritje naar Amsterdam. Waar maakt een mens zich druk over, er is helemaal niks aan. Beetje file op de terugweg, maar verder ... dat doe ik zo nog een keer als het zou moeten. Desnoods met mijn ogen dicht.

21 oktober 2005

472

Waarde H.,

Waar is de tijd gebleven dat we nog brieven schreven? De tijd zonder televisie, de tijd dat ik mezelf terugvond achter het bureau en de hele avond schreef, schreef en schreef. Met pen en papier natuurlijk. De tijd waarin de terreur van het e-mailen godzijdank nog niet bestond. Het waren brieven die nog ergens over gingen. Ik stuurde ze aan jou, maar eigenlijk waren ze net zo goed gericht aan mezelf. Als schrijvende kwam ik tot inzichten die ik zonder schrijven wellicht niet zou krijgen. De dwang om datgene dat in mij borrelde te formuleren, te benoemen. Maar ook: de anarchie van het brieven schrijven, ik mis het soms zo. Het verkleinen van de wereld tot bureau, bureaulamp, papier en pen. Het arme papier moest maar accepteren dat ik mijn duisternis over haar uitstortte.

Vaak kreeg ik per ommegaande een anwoord van je terug. Ik herinner me een aanhef als 'waarde hypochonder' en ook 'waarde misantroop', genoeg om alweer een glimlach op mijn gezicht te toveren, de rest van je relativerende woorden hoefde ik dan eigenlijk al niet meer te lezen. Je brief ging dan vaak niet eens op mijn epistel in. Je schreef over je studie, over een nieuwe relatie of allerlei andere alledaagse zaken met een bijna literaire, subtiele humor. Na zo'n brief kon ik dan opgelucht adem halen. Ik heb maar weinig vrienden gehad die zo goed de juiste toon konden vinden als jij. En zo vanzelfsprekend. Ik heb ze nog, die brieven, al weet ik niet meer wat er allemaal precies in staat. Ze zijn een gerustellende aanwezigheid. Het zijn boodschappen geworden uit een voltooid verleden. Er kan ook geen brief meer bij, het is af, over en uit.

In moeilijke tijden mis ik je vriendschap, je woorden, je taal, misschien ook wel je stem. Dan zou ik het telefoonnummer willen draaien, het telefoonnummer waarvan ik vermoed dat het leidt naar jou. Ik zou weer een brief willen schrijven, maar daar zijn de avonden te kort voor geworden. Bovendien weet ik maar al te goed dat mensen veranderen. Ik weet dat er in jouw leven de afgelopen jaren dingen gebeurd zijn die jouw toon ernstiger heeft gemaakt, c-klein zegt de muziekman in mij. En ondanks de somberheid die wellicht doorklinkt in deze woorden, kan ik juist zeggen dat mijn leven vrolijker geworden is. Ik kan thuis komen en denken: verdomd ik ben gelukkig! Wie had dat ooit gedacht? Jij had dat ooit gedacht ... en geschreven!

Ja, ik ben gelukkig, waarde H., en al ben ik een te somber mens om die grondtoon echt te laten horen, echt te tonen, het zweeft op de achtergrond en is aanwezig. Ik moet nog veel leren.

En ik zou je wel weer eens willen ontmoeten, maar ik weet niet of jij nog diegene bent die die brieven schreef. Ik ken de mensen maar al te goed die jaren later een ex tegen kwamen en zich verward afvroegen: ben ik daar nu verliefd op geweest? Het is die ontnuchtering die ik vrees, liever houd ik een illusie in stand, het idee dat je nog ergens rondloopt zoals je toen was, toen we nog brieven schreven. Want daarin ben ik niet veranderd, ik geloof heilig dat mensen illusies nodig hebben, zonder kunnen ze niet leven, ze kunnen niet veel werkelijkheid aan. Het probleem is alleen dat mensen vaak illusie voor werkelijkheid houden en nog wel de enige ware juiste Werkelijkheid en dan worden ze boos op elkaar en dan slaan ze elkaar de hersens in en dan ... Daar ga ik weer! Op al deze retoriek zou je dan als antwoord schrijven, dat je een baantje gevonden hebt bij een slager en dat het snijden van vleeswaren niet erg aanleiding geeft tot diepere gedachten.

Maar zoals er ergens in mij nog de jwl van toen schuilt, zo hoop ik dat de h. van toen ook nog ergens in jou schuilt. Ik weet niet of ik de nieuwe h. aardig zou vinden, ik denk wel dat jij de ontspannen huisvader die jwl nu is prettiger zou vinden. Weet je hoe ik je noem? Ik noem je mijn beautiful demon, omdat je soms in mijn hoofd spookt en omdat ik dat niet erg vind. Vooral in de herfst natuurlijk, mijn favoriete seizoen. Dan wil ik je weer brieven schrijven en dat doe ik dan maar en ik plaats ze op mijn weblog. Jaja, zo diep ben ik al gezonken, ik heb een weblog. Ik moet mee met de tijd: geen papier meer, geen pen, maar zo'n verdomd toetsenbordje en een lullig beeldschermpje. Daar doen we het mee tegenwoordig. De illusie, weet je nog wel, de illusie en dat koester ik, desnoods virtueel.

Houdt moed! Vergeet me niet; misschien botsen onze gedachten nog wel eens, ergens in een wereld waarvan sommige mensen vermoeden dat deze wereld bestaat.

We schrijven ... of moet ik zeggen: e-mailen?

Je hypochonder en misantroop
jwl

19 oktober 2005

471

Ik lees een krant omdat ik nieuwsgierig ben en omdat ik meeleef met andere mensen op de wereld. Ik vind het niet altijd gemakkelijk om te lezen over al het ongeluk op de wereld. Zo las ik vanochtend in de trein een ooggetuigenverslag over een dorp in Pakistan waar de inwoners werden overvallen door regen in de ijzige kou terwijl zij dakloos zijn door de aardbeving. Even ben ik daar dan ook, ook al zit ik veilig en wel in een trein naar Amsterdam. Even voel ik verbondenheid met die mensen, even voel ik een fractie van de ellende die die mensen moeten doorstaan.

Heb ik daar een krant voor nodig? Word ik daar wijzer van? Had ik iets gemist als ik die krant niet gelezen had? (Had ik iets gemist wanneer ik niet geboren was?)

Ik weet het niet, maar ik zie er ook geen kwaad in.

Is het belangrijk om op de hoogte te blijven van de gebeurtenissen in de wereld?

Dat weet ik evenmin. Ik vind het zelf niet vreselijk belangrijk, maar wel plezierig. Ik weet graag dat mijn wereld groter is dan de wereld die ik dagelijks tegenkom wanneer ik wakker mijn bed uiststap. Ik weet graag dat er mensen op de wereld leven die er een geheel ander leven op na houden. Het relativeert mijn eigen leven. Als ik een probleem op mijn werk heb kan dat heel vervelend zijn, maar zoals mijn chef dan wel eens zegt: wat zeur je nou, honger in Afrika, dát is een probleem.

Misschien heb ik het ouderwetse idee dat het wat uitmaakt wanneer ik in gedachten bij de ellende van de wereld ben wanneer ik de krant lees. Zoals er gelovigen zijn die bidden voor het welzijn van mensen, zoals er mensen zijn die door middel van meditatie positieve energie (ik word daar altijd een beetje lacherig van) de wereld in willen sturen. Velen zijn er heilig van overtuigd dat het helpt. Het zou kunnen, ik heb geen idee.

Doe ik kennis op uit een krant?

Tsja, wat is kennis. Voor een wetenschapper is dat wellicht wat anders dan voor een sjamaan. Beide moeten kennis en vaardigheden bezitten om hun vak uit te kunnen oefenen.

In een krant staan soms artikelen over onderwerpen die mij interesseren. De bijlagen van het NRC Handelsblad op vrijdag en zaterdag zijn wat dat betreft voor mij heilig. Ik meen daar op mijn eigen bescheiden wijze wijzer van te worden. Ik betrap mezelf wel eens op de gedachte 'goh, zit dat zo' of 'hé, dat zou ook kunnen'. Maar ach, weet u, ik heb dan wel VWO gedaan en ik mag dan wel een aantal jaren universiteit hebben gedaan, het heeft mij nooit het gevoel gegeven bijzonder wijs, intelligent of wat dan ook te zijn.

Ik moet vaak denken aan het verhaal dat mijn aardrijkskunde leraar mij eens vertelde. Een ingenieur die hele grote cruiseschepen ontwierp maakte eens een reis door het Amazonegebied. Hij kwam in een dorpje waar men uit boomstammen boten kon maken. De kennis om zo'n boot te maken werd van vader op zoon doorgegeven. Het is ook niet eenvoudig om een boot uit een boomstam te maken die goed in evenwicht blijft als men er in wil varen. De ingenieur zou het niet kunnen. Wie is er nou slimmer? Of maakt het eigenlijk niet uit?

Natuurlijk, je hebt helemaal niets aan kennis en aan een krant. Alleen, voor mij maakt het wel verschil te weten waaraan ik niets heb. Voor mij maakt het verschil te weten wat de ontwikkelingen in Irak zijn ook al word ik niet wijzer en verstandiger van die wetenschap.

Bleibt die Erde treu, schijnt Nietzsche ergens geschreven te hebben. Het bestaan van een fysieke wereld en de mensen met hun gevoelens en gedachten zijn voor mij vele malen aannemelijker dan het bestaan van een hemel, de staat van nirvana of wat dan ook.

Het schijnt dat Siddharta Gautama in zijn eerste 29 jaar vreselijk verwend werd. Siddharta Gautama was een prins en zijn ouders hadden de voorspelling gekregen dat hij of een groot heerser zou worden of een boeddha. Er werden grote paleizen voor hem gebouwd en angstvallig werden alle negatieve ervaringen voor hem weggehouden. Kindermishandeling zou ik dat nu noemen.

Als je iets voor een kind weghoudt, wordt het er juist nieuwsgierig naar. Dus Siddharta Gautama ging stiekem met een bediende buiten de muren van zijn paleis. De confrontatie met de ellende van de mensen (hij las schijnbaar geen krant) was natuurlijk traumatisch, zo traumatisch dat hij de religie invluchtte en als een monnik ging leven. Hij deed ongeveer zes jaar aan zelfkastijding en verstopte zichzelf ver weg van de samenleving. Hij overleed bijna omdat hij te weinig at en dronk. Ik zou hem het Leger des Heils of het RIAGG geadviseerd hebben. Gelukkig kwam hij tot het inzicht dat zelfkastijding ook niet echt een oplossing voor zijn problemen was. Siddharta Gautama zocht een middenweg, ging onder een boom mediteren en raakte verlicht. Dat was mooi voor hem, maar helaas ging hij nu evangeliseren, zoals vele christenen dat doen die na jaren van duisternis ineens God gevonden hebben. Gelukkig was het boeddhisme dat hieruit groeide tamelijk ongevaarlijk en heeft het veel mooie kunst en literatuur opgeleverd.

Daarnaast lees ik een krant.

17 oktober 2005

470

Drie maanden alweer, wat gaat de tijd toch snel voorbij! Vanochtend kon ik hem uit bed halen. Soms ligt hij dan al wat te pruttelen. Als ik het licht in zijn kamer aan doe gaan de ogen open, een grote gaap met de armpjes gestrekt naar boven en dan een grote glimlach. Kijk niet zo verliefd naar je zoon, zegt me vrouw wel eens glimlachend. Maar wat is er mooier dan een dag beginnen met zo'n stralende blik! Terwijl ik hem een schone luier geef hebben we al een heel gesprek. Fanatiek probeert hij allerlei geluidjes te imiteren. Helaas kan ik vaak niet lang meer blijven, ik moet een trein halen. Het is moeilijk afscheid nemen als ik dan zo'n verbouwereerde blik zie die me blijft volgen totdat de deur helemaal dicht is, een blik die lijkt te zeggen 'je gaat toch niet weg hè?'

12 oktober 2005

469

Wat ik als traumatisch ervaar is de teloorgang van een intellectuele wereld. Ik vraag mezelf wel eens in alle ernst af of de alpha-disciplines over honderd jaar nog wel bestaan. Misschien zijn mijn collega's en ik wel de laatste exemplaren van een traditie van kennisvergaarders die afstammen van de Middeleeuwse monniken. Het verlies zou enorm zijn.

Frank Ankersmit in:
Luc Panhuysen 'Het verleden laat zich niet kennen'
in: NRC Handelsblad. Wetenschap & Onderwijs, 8-9.10.2005, 43

10 oktober 2005

468

Afgelopen vrijdag was ik jarig en ben ik achtendertig geworden. Het was erg onwennig om op een bijna zomerse dag jarig te zijn. Dat hoort niet: mijn verjaardaag hoort gepaard te gaan met storm en regen. Vroeger was het bezoeken van mijn kinderfeestje altijd afzien voor de bezoeker, ze moesten door weer en wind.

Ik geloof dat ik mijn verjaardag sinds mijn dertigste verjaardag niet meer actief vier. Geen feesten en geen uitgebreid uitnodigingsbeleid. Het huis is te klein en mijn hoofd te vol. Vrienden en familie zijn welkom, maar ik organiseer het niet meer zelf. Mijn ouders komen altijd, een enkele vriend komt trouw, maar verder geef ik de voorkeur aan mijn gezin. Toen S. nog klein was zijn we wel eens op mijn verjaardag in de auto gestapt en naar de Efteling gereden.

Toch ben ik weer verwend met cadeautjes. Nou ja, cadeautjes? Misschien herinnert u zich nog dat ik over dit boek schreef? Wel, ik hoef niet meer te wachten op de paperback! Daarnaast kreeg ik het prachtige Austerlitz van Sebald, een boek om in je kast te hebben. Om S. voor te lezen het boek Als je goed om je heen kijkt zie je dat alles gekleurd is, een kinderboek met heel veel poëzie. En alsof dat allemaal nog niet genoeg is, kreeg ik ook nog een cd met muziek van de tenorsaxofonist Stanley Turrentine, muziek die wij erg mooi vinden. Wat zeg ik: vreselijk verwend, want dit was nog niet alles...!

Maar veel belangrijker en mooier dan mijn verjaardag: gisteren is M. gedoopt in een prachtige kerkdienst.

10 oktober 2005

467

Onder 414 schreef ik 'wordt vervolgd'. Ik schreef over mijn eerste studiejaren op kamers in Bosch en Duin. Het is er niet meer van gekomen om dat verhaal te vervolgen, al ben ik er in mijn hoofd zo nu en dan mee bezig. Het verhaal begon ook behoorlijk onevenwichtig lang te worden.

Bij het doorlezen voelde ik de behoefte om de tekst nog te redigeren, grote stukken zijn duidelijk te gehaast geschreven (zoals zoveel op deze weblog). Voorlopig laat ik het nog zo.

Wanneer ik met deel 2 begin is ook een verrassing voor mij. Als ik iets van deze weblog geleerd heb, dan is het wel dat je typende vingers soms met je aan de haal gaan. Schrijvers beweren wel eens dat een boek zichzelf schrijft. Voor mijn weblog is dat vaak niet anders.

4 oktober 2005

466

Daarnet pakte ik mijn volgende klus op het werk, het boek natuurkunde overal voor de havo. Ik schoot onbedaarlijk in de lach toen ik tot mijn stomme verbazing bij het colofon in grote letters zag staan: Dit boek kan tot momenten van inzicht leiden

Ik las het als een waarschuwing zoals dat tegenwoordig op pakjes sigaretten en shag staat. In een flits zag ik van die witte plekken met zwarte randen op boeken staan: Lezen kan leiden tot inzicht en vermindert de tijd die u aan tv-kijken kunt besteden.

29 september 2005

465

*

Kijk, het kind probeert greep
op handen en voeten te krijgen; er is
niet zomaar een wereld, er is een

onevenwichtige standvastigheid
met iets kleurrijks dat boven zijn
traliehuis slingert, een soort
in de lucht hangende vrijheid. Kijk,

er verschijnt een hoofd dat een wil
in zijn hoofd brengt en dan zijn er
twee armen die ja of nee
kunnen doen, optillen of wijken. Er is

een tijd en een tijd, daartussenin
zit het kind, krijst, hijst zich op
aan de spijlen, kan er niet uit.

Hester Knibbe De buigzaamheid van steen, 14

29 september 2005

464

We kregen contact op de schaakvereniging. Aanvankelijk alleen daar, maar later ook per e-mail. Soms gingen er vele e-mailtjes op een dag heen en weer. Veel gelachen. Ik heb hem een enkele thuis bezocht, maar later zijn we elkaar uit het oog verloren. Hij kwam niet meer op de schaakvereniging, maar hield nog wel het portaal van de website van de schaakverening overeind. Ik verzorgde de actualiteit voorbij het portaal. Ondertussen zijn we er allebei meer gestopt en gaat de website door in handen van een ander, maar nog wel met mijn lay-out (www.oudzuylen.nl).

Alwin onderhoudt nog steeds de website van het Genootschap van Nederlandse Misdaadauteurs. Alhoewel ik maar zelden boeken lees in het genre misdaadroman, kijk ik toch zo nu en dan eens op die site, gewoon omdat het de site van Alwin is.

Vandaag zag ik tot mijn verrassing dat hij zijn eerste eigen boek gepubliceerd heeft: Rood kwik en dat er een nieuwe homepage van Alwin is. Dat boek ga ik zeker lezen!

27 september 2005

463

VVD-fractievoorzitter Van Aarsen (spelfout is expres) heeft het kabinet gevraagd ervoor te zorgen dat in 2007 de kinderen de hele dag op school terecht kunnen. Dit om de werkende ouders te ontlasten. Het is niet de bedoeling om dat door onderwijzend personeel te laten doen, maar door mensen met een bijstandsuitkering, want "Die kunnen werk doen in de buurt en op scholen. Als je recht hebt op een uitkering, heb je ook de plicht om iets voor de samenleving te doen" (geciteerd uit Trouw).

Kinderen hebben recht op hun ouders. Het is toch niet de bedoeling dat kinderen vanaf hun derde maand vijf dagen per week naar de opvang gaan en als ze leerplichtig zijn elf uur per dag doorbrengen in een schoolgebouw?

Werken in de kinderopvang is een baan, waarvoor je een opleiding volgt en waarvoor je loon dient te ontvangen. Het is nog maar de vraag of een willekeurige persoon in de bijstand het pedagogisch inzicht heeft om kinderen in de namiddag tot in de vroege avond op te vangen.

Er is al jaren een trend gaande, een trend die leidt naar het beeld dat kinderen economisch maar lastig zijn, want grote mensen dienen te werken voor ons aller zogenaamde welvaart. Zolang kinderen niet economisch rendabel zijn dienen ze maar collectief opgevangen te worden, zodat de ouders tenminste wél zinvol kunnen deelnemen aan de eredienst voor onze god Economie.

Voor de VVD en hun grootmoefti Van Aarsen zijn mensen slechts economische factoren. Wij zijn radertjes in een groot economisch proces. Dat proces moet zo zuiver mogelijk zijn, iemand die niet positief aan dit proces deelneemt is een outcast. Er spreekt verachting uit en die verachting is wat mij betreft volstrekt wederzijds.

VVD-minister Hoogervorst verdient lof, hij liet met één gebaar zien wat hij dacht van Wouter Bos. Wat de VVD vele malen denkt over u en mij, maar nooit uitspreekt, toonde Hoogervorst in luttele seconden. Er zijn tijden geweest dat een minister voor minder zijn ontslag kon indienen. Dat een minister na zo'n schaamteloze minachting nog plaats durft te nemen in een kabinet dat omgangsvormen, waarden en normen zegt hoog in het vaandel te hebben, is voor mij onbegrijpelijk. Bij zijn excuses zei hij "Ik heb een gebaar gemaakt dat niet bij mijn functie past". Niet bij zijn functie past? Het past niet bij een beschaafd en welopgevoed mens! (Mijn zoon van acht jaar zou de wind van voren krijgen als hij zoiets flikte.) Ontslag op staande voet, dát is wat hij verdient. En ik zou hem niet graag als bijstandstrekker werkzaam zien op de school van mijn zoon, Hoogervorst lijkt me niet bepaald een goed voorbeeld voor opgroeiende kinderen.

22 september 2005

462

Terwijl ze mijn koffie inschenkt vertelt ze over haar dag. Het was één grote ellende geweest. De afwasmachine – toch een wezenlijk onderdeel van een bar-restaurant – had het maandag opgegeven en de monteur kon eigenlijk niet komen, zijn werkdag zat vol. Natuurlijk had hij het wel willen proberen om nog langs te komen, maar zijn schoonvader lag op sterven en dus wilde hij geen extra werk. Hij was dinsdag gekomen en hij had de machine nog niet gemaakt of hij werd gebeld dat zijn schoonvader overleden was. Ach, zei ik, een ongeluk komt zelden alleen. Inderdaad, antwoordde ze en ze vertrok naar de keuken.

Waarom vind je nou nooit eens een fatsoenlijke krant op de leestafel van een bar-restaurant? Ik had wat leesvoer mee willen nemen, maar ik was het vergeten. Ik vond tussen de autobladen (mijn god, wie leest dat toch), de sportbladen (idem) alleen een Telegraaf (boe! bah!) en een AD Utrechts Nieuwsblad. Waarom nou niet gewoon een goede krant op de leestafel, een NRC bijvoorbeeld?

Ondertussen komen er een aantal mannen binnen die lid zijn van de plaatselijke volleybalvereniging. Belangrijk loopjes, belangrijke 'ik ben stoer' blikken in het rond. Onderuit gezakt aan de leestafel, de enorme en bijna lege sporttassen worden in het gangpad gesmeten: u kunt hoog en laag springen als u er langs wilt. Overdag natuurlijk een koffertje met een zakje boterhammen, een pen, potlood en een gummetje, 's avonds een grote sporttas met een hemdje, een broekje en een paar schoenen. Wie gewichtig wil doen laat zien, dat hij zich meer kan permitteren dan nodig is. Neem nou die stoel waar de koningin in zit als ze de troonrede voorleest. Dat is toch veel te groot, dat zit toch niet lekker?

Ik ben benieuwd hoe lang ie het volhoudt, vertrouwt de juffrouw achter de bar me in het voorbijgaan toe. 't Is net de Nederlandse economie, roep ik haar nog achterna.

Ik kijk nog eens of mijn auto met rust gelaten wordt door de plaatselijke hangjongeren. Dan zie ik de eerste seniorleden van de schaakvereniging arriveren. Lang heb ik niet meer om een praatje met ze te maken. De schaaklessen voor de jeugd zijn bijna voorbij en dan zal ik met mijn zoon naar huis gaan. Ik ben thuis teveel nodig, zelf een partijtje schaken zit er voorlopig niet in.

21 september 2005

461

Ik kom er langs als ik naar de kruidenier, bakker of drogist ga. Wanneer ik uit mijn werk kom en bijna thuis ben sta ik er voor het stoplicht te wachten en dan kijk ik vaak even naar binnen. Het pand op de hoek van de Amsterdamse straatweg en de Marnixlaan. Menig zaak of bedrijf heeft het er niet volgehouden. De bank heeft er nog een pinautomaat achtergelaten. De waterbeddenkoning heeft er nog geen jaar in gezeten. Het kan niet aan de locatie liggen, eerder ligt het aan de uitstraling van het pand. Het ziet er donker en gesloten uit, niet uitnodigend. Als ik er vanaf mijn fiets naar binnen kijk is het er altijd een dooie boel binnen. Wat die dooie boel betreft denk ik dat de nieuwe eigenaar dus wel succes zal hebben: De Gedenkstenen Specialist. Wie naar binnen kijkt ziet de laatste koopjes op het gebied van grafstenen en urnen.

17 september 2005

460

Mijn grote zoon verspert mij de weg: "Eerst wachtwoord zeggen!"

"Wachtwoord!"

"Euh, ok, dan mag je door ..."

16 september 2005

459

Moe, erg moe. En wanneer ik vele dagen moe ben, dan overvalt me zo nu en dan een gevoel van somberheid. Daar is geen directe reden voor, het sombere gevoel dient zich gewoon aan. Ik ben er niet ongelukkig door, in een melancholische vorm vind ik het zelfs een mooi gevoel. Literatuur en muziek gaan er nog beter door spreken. Zo wordt het boek van Sebald een roes, waardoor de mensen en de wereld tijdens het lezen schimmen worden, er treedt een verstilling op. Je zou het meditatief kunnen noemen, ware het niet, dat dat woord hier een ongepaste religieuze bijklank heeft.

Dat is het positieve aan sensitiviteit: de zintuigen staan ook meer open voor al datgene wat mooi is. Dat kan troostend zijn, dat kan een mens gelukkig maken.

15 september 2005

458

Weblogger Pascal Digital had mij de schrijver al meermalen aanbevolen: ik moest een keer een boek van W.G. Sebald lezen. Onlangs heb ik dan eindelijk een boek van deze schrijver in huis gehaald: Austerlitz. Pascal Digital heeft niets teveel gezegd, het is ontzettend mooi! Vanochtend was ik zo verdiept in het boek dat ik bijna niet opmerkte dat ik al bij Amsterdam Centraal was.

(...) trekt de duisternis niet op maar wordt ze dieper bij de gedachte hoe weinig wij kunnen vasthouden, wat er allemaal voortdurend in vergetelheid raakt, met elk uitgedoofd leven, hoe de wereld zich als het ware vanzelf leegmaakt doordat de verhalen die kleven aan de talloze plaatsen en voorwerpen die zelf geen vermogen tot herinnering hebben, nooit door iemand worden gehoord, opgetekend of doorverteld, verhalen zoals bijvoorbeeld (...)

W.G. Sebald Austerlitz, 28-29

15 september 2005

457

In de nacht van zaterdag op zondag veel nieuwe koosnaampjes geleerd van de buurmeisjes en hun vriendjes. Trut, teef, hoer, mongool ... ik zal u niet overladen met inspiratie, noch zal ik beschrijven wat een gekir en gelach dit alles opleverde. Minstens zo leerzaam was de wijze waarop zij alles in de overtreffende trap wisten te plaatsen: men zet er gewoon 'kanker' voor.

12 september 2005

456

Hier en daar lees en hoor ik weer over Een Grote Ontdekking! Naar aanleiding van de gebeurtenissen in de Verenigde Staten komt men tot de conclusie: onze beschaving is flinterdun. Applaus! Gut, dat wist ik nog niet. Ik vraag me overigens af of onze beschaving niet verwaarloosbaar dun is, zo dun dat je eigenlijk zou kunnen zeggen: we hebben überhaupt geen beschaving.

Enigzins nieuw voor mij is de toon waarop die 'ontdekking' gedaan wordt. Het is geen toon van verbijstering of teleurstelling, maar eerder een toon van triomf, van 'zie je wel, ik heb het altijd al gezegd'. Het klinkt alsof men eigenlijk instemt met de afwezigheid van beschaving. Dat is pas iets om je zorgen over te maken.

10 september 2005

455

Een mooi meisje in een buggy. Blonde krulletjes. Een ijsje in haar ene hand, het papiertje van het ijsje in haar andere hand. Ze rekt zich schuin omhoog naar haar moeder en reikt daarbij het papiertje aan. Gooi maar op de grond schatje, zegt de moeder.

7 september 2005

454

Ooit kocht ik het boek in het Engels: The golden bough van Sir James Frazer (1854-1941). Het Engels was me te weerbarstig en daarom was ik blij dat jaren later een nieuwe herdruk van de Nederlandse vertaling in de boekhandel lag: De gouden tak. Over mythen, magie en religie. Wie dit lijvige boekwerk van 911 bladzijden openslaat moet wel grimlachen om de aanduiding 'Verkorte uitgave' op de titelpagina.

The golden bough verscheen voor de eerste maal in twee delen in 1890. Het is een studie waarin enorm veel materiaal over mythen en gewoonten van verschillende volkeren bijeen gebracht is. Het boek laat zien hoeveel religieuze en magische riten er hebben bestaan en hoezeer die onderling verschilden, maar vooral ook hoezeer die onderling overeen kwamen. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen riten uit Europa, Afrika of welk werelddeel dan ook. Dat moet in die tijd een geweldige indruk gemaakt hebben. Het christelijke Europa beschouwde zichzelf als superieur en hier werd de Europese cultuur zomaar naast andere culturen geplaatst alsof er geen verschil was. Weliswaar gebruikte Frazer nog wel termen als 'de primitieve mens' of 'de primitieven' als het om afrikaanse stammen ging – Frazer sprak nog wel de taal van zijn tijd – maar dat doet aan de betekenis van het boek niet af. Tussen 1911 en 1915 bestond het boek al uit twaalf delen. In 1922 verscheen er een verkorte uitgave. Het boek heeft veel invloed gehad op de beeldende kunst (bijvoorbeeld Matisse en Derain, die zich zeer voor Afrikaanse maskers interesseerden) en de literatuur (bijvoorbeeld D.H. Lawrence en The Waste Land van T.S. Eliot).

Voor mij is het een boek dat ik zo nu en dan uit de kast pak. Dit boek lezen is als luisteren naar iemand die de hele wereld heeft afgereisd en urenlang kan vertellen over wat hij allemaal is tegengekomen. Het maakt de wereld groot en divers, het geeft het gevoel dat de eigen wereld er maar één is tussen verschrikkelijk veel andere. Vermoeiend is het wel. Na een aantal dagen ben ik de stortvloed aan verhalen ook wel weer zat. Dan moet het boek weer voor onbepaalde tijd in de kast.

Wel komt keer op keer de gedachte bij mij op dat de wereld waarin ik leef extreem rationeel is en zeer onttoverd. Niet dat ik een pleidooi wil houden voor bijgeloof, sjamanen en allerlei magische rituelen, maar de wereld die uit het boek van Frazer naar voren komt is zoveel kleurrijker en fantasierijker. Daarnaast krijg ik door dit boek weer oog voor allerlei schijnbaar onbenullige gewoonten die ook in onze hedendaagse maatschappij nog volop aanwezig zijn. Het 'even afkloppen' is een eenvoudig voorbeeld. Of het eten van beschuit met muisjes met de kraamvisite.

Onlangs las ik een hoofdstuk over rituelen bij het haarknippen. Gelukkig kan ik gewoon naar de kapper. Op Fiji was het doorgaans een stuk ingewikkelder:

De hoofdman van Namosi op Fiji at als voorzorgsmaatregel altijd een mens voor hij zijn haar liet knippen. 'Er was een bepaalde clan die het slachtoffer moest leveren; zij hielden een plechtige vergadering om het slachtoffer uit hun midden te kiezen. Het was een offermaal, om het het kwaad van de hoofdman af te wenden.'

Sir James George Frazer De gouden tak, 302

Fascinerend is het hoofdstuk over taboes op woorden, zoals het noemen van familieleden of het noemen van namen van doden. Soms gaat dit erg ver en leidt het zelfs tot een voortdurende vernieuwing van de taal:

Wanneer de naam van de overledene dezelfde is als die van een natuurlijk object, zoals een dier of een plant, of vuur of water, acht men het soms noodzakelijk dat woord uit de omgangstaal te schrappen en het door een ander te vervangen. Een dergelijk gebruik kan, dat zal duidelijk zijn, een krachtige bron van verandering in een taal zijn; als deze regel immers op grote schaal in de praktijk wordt gebracht, zullen woorden voortdurend worden afgeschaft en zullen er voortdurend nieuwe ontstaan. (...) Zo heeft men met betrekking tot de Australische aboriginals geconstateerd dat 'de dialecten bijna van stam tot stam verschillen. Sommige stammen noemen hun kinderen naar dingen uit de natuur; en als een persoon met zo'n naam overlijdt wordt het woord nooit meer uitgesproken; dus moet er een ander woord voor het ding waarnaar het kind was genoemd worden bedacht.' De schrijver geeft als voorbeeld een geval van een man wiens naam, Karla, 'vuur' betekent; toen Karla stierf moest er een nieuw woord voor vuur worden ingevoerd.

Sir James George Frazer De gouden tak, 327

Het zal duidelijk zijn dat die talen vaak zeer veel verschillende synoniemen kennen. Het maken van een 'Groen Boekje' voor zo'n taal lijkt me echter een onmogelijke klus.

3 september 2005

453

Kijk, die Jan Siebelink heeft het begrepen. Zo'n hemel wil ik ook wel:

En de beloning?

"Een grote bibliotheek met een hoekje om in weg te kruipen en hoge ramen waartegen de regen striemt. Waar ik eindeloos kan lezen, regelmatig een glaasje wijn krijg voorgeschoteld en de kans loop de mysticus Ruusbroec aan te treffen. En waar ik de mensen die ik op aarde niet meer wil zien, niet tegen hoef te komen. Wat denk je, zou dat bestaan?"

Colet van der Ven De hemel is een bibliotheek
in: Trouw. De Verdieping 31.8.2005, 4

31 augustus 2005

452

Op 25 augustus stond er in Trouw een artikel van de hand van Désanne van Brederode. Ze snijdt daar een gedachte aan die mij zeer aanspreekt.

Ik heb nog nooit een boek van Van Brederode gelezen. Soms kom ik haar tegen op televisie; ik herinner me op een zondagochtend een interview bij de IKON. In mijn boekenkast staat Mijn denken is een hartstocht, een bloemlezing uit de filosofie van de 19e eeuw door haar samengesteld. Het boek moet nog gelezen worden.

Soms ben ik jaloers op mensen die zoveel boeken lezen. Waar halen ze de tijd vandaan? Stapels papier jagen ze erdoorheen. Ze hebben de ene roman nog niet uit of de volgende wordt alweer gelezen. Een enkele keer kom ik iemand tegen die alle grote werken en minder grote werken uit de gehele filosofiegeschiedenis hebben gelezen en daar ook nog verstandige, samenhangende betogen over kunnen houden. Hoe doen ze dat toch? Hoe combineren ze al dat lezen met werk en gezin?

Ik vind dat ik veel lees, maar een boek per maand is wel ongeveer het gemiddelde. Daarnaast lees ik kranten en tijdschriften, al probeer ik dat tot een minimum te beperken om nog aan een boek toe te kunnen komen. Zeker nu er weer een baby in huis is, kom ik weinig aan lezen toe.

Don Juans van het lezen – zo zou je ze inderdaad kunnen noemen, die veellezers. Zoals Don Juan de ene vrouw na de andere consumeert, omdat hij zo van vrouwen houdt (In Italia seicento e quaranta; In Almagna duecento e trentuna; Cento in Francia, in Turchia novantuna; Ma in Ispagna son già mille e tre – zo vertelt Leporello in Don Giovanni van Mozart), zo consumeert de veellezer het ene boek na het andere. Misschien dat de literaire Don Juan psychologisch interessanter is dan alleen maar zijn schijnbaar oppervlakkige relatie tot vrouwen, toch vind ik het een mooi beeld als het om veellezers gaat. Zelden ontmoet ik iemand die bevlogen kan vertellen over de indruk die een boek op hem gemaakt heeft. Zelden ontmoet ik iemand die een relatie met een boek aangaat, die als het ware leeft met een boek, die er verliefd op is en niet kan wachten om verder te lezen en die – als het boek uit is – eigenlijk weer vooraan wil beginnen. Eerder beroept iemand zich op de hoeveelheid boeken die gelezen zijn: ik heb wel ... boeken gelezen in de vakantie! Gelezen? Of: geconsumeerd?

Iedereen moet natuurlijk zelf weten wat hij leest en hoe hij leest. Maar ik mis dat soms wel, die bevlogenheid. Ik heb gewerkt met een collega die ook veel las. Soms irriteerde me wel eens dat hij alleen maar de Grote Literatuur wilde lezen. Het leven is kort, zo vond hij, en dus wilde hij geen tijd verliezen aan oninteressante debuutjes. Nee, hij besteedde zijn tijd liever aan Plato en Proust. En dat deed hij. Hij kon geweldig vertellen over die boeken, las verschillende vertalingen naast elkaar en kon goed de verschillen aangeven en wat in zijn beleving goed was en wat niet. Hij las veel, maar soms maandenlang hetzelfde boek. Hetzelfde boek en toch niet, omdat hij hetzelfde boek steeds anders las. Hij las ook geen secundaire literatuur over het boek, hij liet zich niet beïnvloeden door anderen. Hij wilde er zelf achter komen en ontdekken wat voor karakter zo'n boek heeft, de eigenaardige kanten, de diepte en oppervlakkigheid, de charme van een boek.

Zo ver gaat mijn lezen niet, al moet ik toegeven dat mijn interesse voor het werk van Nietzsche die gedrevenheid wel benadert. Ik ben een langzame, herkauwende lezer en soms vind ik een boek zo geweldig dat ik er een relatie mee aanga. Er is een tijd geweest dat ik altijd De Tao van Poeh en Also sprach Zarathustra bij me had, omdat ik ze op elk moment binnen handbereik wilde hebben. Die tijden zijn voorbij, maar een boek zal nooit een snelle vette hap voor mij worden.

30 augustus 2005

451

Ze zijn vroeg dit jaar. Meestal zie ik ze pas in het najaar, maar nu heb ik er al drie geteld en het is nog niet eens september. En ze zijn groot.

Het exemplaar dat ik vanavond ontmoette had zich verschanst in onze blinkend witte afwasteiltje. Toen ik het teiltje tevoorschijn haalde zag ik 'm ineens lopen, ik kon het teiltje nog net op het aanrecht plaatsen.

Rationeel weet ik dat het onzin is, ik hoef niet bang te zijn voor spinnen. Ook niet voor deze grote versies. Het is ongetwijfeld aangeleerd gedrag: mijn moeder was doodsbang voor spinnen, ook voor kleintjes. Ze liep gillend door het huis.

Ik verkramp helemaal als ik zo'n beest zie. Ik weet dat dat niet hoeft, maar ik heb het maar nauwelijks in de hand. Gelukkig is mijn vrouw een grote heldin, al geeft ze eerlijk toe dat ze deze orde van grootte ook niet echt prettig vindt. Maar ze zet ze buiten als een echte ijzeren Rita.

29 augustus 2005

450

Toen ik de eerste keer een boek van hem kocht, vond ik het heel spannend: wat nu als het niks is? Al na de eerste bladzijde kon ik opgelucht adem halen, hij kan het echt!

Ik ontmoette hem de eerste keer toen ik nog op de studentenflat in Zeist woonde door zijn broer A. die naast mij kwam wonen. Ik was heel blij met zijn broer, de literaire interesse nam meteen met 100% toe op de gang. A. liet me kennis maken met de boeken van Frans Kellendonk en vertelde over zijn broertje G. die literaire ambities had. Ook hoorde ik toen voor de eerst keer over de filmregisseur Tarkovski.

G. kwam wel eens eten bij zijn broer en dan kwam ik ze tegen in de gemeenschappelijke keuken. Het viel me op dat we vrij snel in gesprek waren, dat het meteen klikte. Een tijd later kwam A. me vragen of ik interesse had in een leesclub met hemzelf, G. en nog wat vrienden. Eerst werd er een kennismakingsavondje georganiseerd bij G. thuis. De leesclub heeft het enige tijd volgehouden en sindsdien zie ik G. niet meer via zijn broer.

Ik deel met G. een passie voor film. Vroeger hield ik het programma van het plaatselijke filmhuis goed bij, maar film is één van de hobby's die ten onder is gegaan onder de dictatuur van prioriteiten stellen. G. zorgt ervoor dat ik tenminste een enkele keer per jaar in een filmzaal zit, waarna we na afloop nog de grote thema's van het leven doornemen in één der kroegen. Vaak diende een film als aanleiding om elkaar weer eens te ontmoeten, maar tegenwoordig hebben we film niet meer nodig om elkaar te zien.

Op zijn eerste boek De huiskamer van God werd ik als het ware verliefd. Ik hoorde de stem van G. het boek voorlezen als ik het las, alsof de stem van G. het boek voorlas in mijn hoofd. Toen ik eens iemand in de bus het boek van G. zag lezen was ik stiekem een beetje trots. Helaas kreeg het boek niet de aandacht die het verdiende en stopte de uitgeverij van G. er ook nog eens mee.

Het is ondertussen vele jaren later en het nieuwe boek van G. ligt in de winkel: Een man als Oblomov. Gisteren heb ik het aangeschaft en ik lees het weer met enorm veel plezier. Weer hoor ik de stem van G., maar ditmaal anders, minder letterlijk als het ware. Ik heb jaren op dit boek gewacht en het stelt me niet teleur, het is prachtig!

Natuurlijk wil ik dat u ogenblikkelijk naar de boekhandel rent om dat boek te kopen. Het boek verdient het om gelezen te worden. Doe het!

Gert den Toom Een man als Oblomov

24 augustus 2005

449

Two lovers sat on a park bench with their bodies touching each other, holding hands in the moonlight.

There was silence between them. So profound was theire love for each other, they needed no words to express it. And so they sat in silence, on a park bench, with their bodies touching, holding hands in the moonlight.

Finally she spoke. "Do you love me, John?" she asked. "You know I love you, darling," he replied. "I love you more than tongue can tell. You are the light of my life, my sun, moon and stars. You are my everything. Without you I have no reason for being."

Again there was silence as the two lovers sat on a park bench, their bodies touching, holding hands in the moonlight. Once more she spoke. "How much do you love me, John?" she asked. He answered: "How much do I love you? Count the stars in the sky. Measure the waters of the oceans with a teaspoon. Number the grains of sand on the sea shore. Impossible, you say. Yes and it is just as impossible for me to say how much I love you.

"My love for you is higher than the heavens, deeper than Hades, and broader than the earth. It has no limits, no bounds. Everything must have an ending except my love for you."

There was more of silence as the two lovers sat on a park bench with their bodies touching, holding hands in the moonlight.

Once more her voice was heard. "Kiss me, John" she implored. And leaning over, he pressed his lips warmly to hers in fervent osculation...

Deze tekst komt voor in het laatste deel van de opera Einstein on the beach van Philip Glass (de tekst is van Samuel Johnson). Deze opera is zeer eigenaardig. Eindeloze kale motieven worden herhaald, herhaald en herhaald. Daarbij worden vooral elektrische orgels als instrumenten gebruikt. Elke emotie lijkt uit de muziek verbannen, alles is slechts voordracht. Toch vind ik het een buitengewoon intrigerend stuk (terwijl ik absoluut geen liefhebber ben van Philip Glass).

Glass behoort tot de minimalisten. Alhoewel elke componist uit de stroming er zijn eigen draai aan gaf, is herhaling van kleine muzikale motieven het meest opvallende aan deze componeertechniek. Desert Music van Steve Reich vond ik één van de meest geslaagde stukken uit deze stroming. Wat deze muziek spannend maakt zijn de kleine ritmische, harmonische en/of melodische verschuivingen die plaatsvinden. De luisteraar hoort steeds hetzelfde, maar bemerkt dat er toch iets verandert is. Deze kaalheid blijkt heel expressief te kunnen zijn. Misschien wel door een ongemerkt effect van deze muziek. In onze 'alledaagse' muziek die de klassieke harmonieleer als basis heeft, heeft elk akkoord een functie in het geheel. Deze functie blijkt uit de context. Onze oren geven doorgaans (onbewust) elk akkoord zijn vanzelfsprekendheid omdat het al of niet logisch volgt uit het vorige akkoord. Het nieuwe akkoord vindt zijn verklaring uit het voorgaande akkoord. Minimalistische muziek draait dit om: de luisteraar gaat zich afvragen wat er gaat veranderen en luistert vooruit. Wanneer komt nu de verandering en waar bestaat deze verandering uit? (Ik zou het 'bewegende bouwkunde' kunnen noemen.) Een componist kan hier eindeloos mee spelen.

De tekst van Johnson wordt in Einstein on the beach eveneens kaal voorgedragen door een mannelijke stem, alsof hij een gebruiksaanwijzing van een elektrisch apparaat voordraagt. Het contrast met de romantische tekst kan bijna niet groter. En toch ben ik elke keer ontroerd.

18 augustus 2005

448

Vanochtend las ik op de voorpagina van Trouw dat Frère Roger is doodgestoken.

Roger Schultz richtte in 1940 de protestantse gemeenschap Taizé op. Vaste lezers van mijn weblog weten dat Taizé in een periode in mijn leven een belangrijke plek heeft ingenomen. Niet alleen omdat ik door Taizé van mijn geloof ben afgestapt, maar ook door de mensen die ik daar heb ontmoet.

Ik heb Frère Roger nooit ontmoet. Ik ben wel in de gelegenheid geweest, maar ik heb hem niet willen ontmoeten. Niet alleen omdat mijn spreekvaardigheid Frans heel slecht is, maar vooral ook omdat ik zijn vrome wijze van geloven, zoals dat uit zijn teksten naar voren komt, niet kan delen. Ik vermoedde dat ik me ongemakkelijk zou voelen en niet mezelf zou kunnen zijn tijdens zo'n gesprek. Wel hoorde ik vaak zijn stem tijdens de kerkdiensten in Taizé en ook die stem irriteerde mij. In mijn beleving voldeed Frère Roger aan een clichébeeld van een charismatisch geestelijk leider en daar ben ik huiverig voor. Ik heb nooit gecontroleerd of dat beeld wel klopte. Was Frère Roger niet Taizé? Projecteerde ik mijn bezwaren tegen Taizé niet op deze man?

Taizé heeft sporen in mij achtergelaten. Eén van die sporen is de plek die stilte en meditatie innam in Taizé. Mijn gedachten zullen vandaag in stilte daar zijn.

17 augustus 2005

447

Volgens mij was jij in een vorig leven een monnik. Verschillende mensen hebben dat al tegen mij gezegd. Ik glimlach dan altijd maar wat. Ik weet het niet of ik dat zou kunnen, een contemplatief leven leiden in een klooster. (Nog afgezien van de vraag of ze me zouden toelaten.) Wel ben ik als bezoeker meermalen in kloosters geweest, vaak niet langer dan een weekend. Die bezoeken waren altijd plezierig.

Onlangs moest ik midden in de nacht aan zo'n bezoek denken. Het klooster stond vlak bij Diepenveen. Terwijl ik op mijn schoot M. in slaap probeerde te wiegen, dacht ik terug aan de nachtwake die ik toen meebeleefde. Ik liet me toen even voor vieren uit bed glijden, trok snel mijn kleren aan en ging door de kou naar de kerk. In de kerk wachtte ik in een overweldigende stilte tot de monniken binnen kwamen. Het is een mooie ervaring om te zien en te horen hoe monniken 's nachts bidden voor het welzijn van de wereld, terwijl ongeveer de helft van die wereld op één oor ligt (en waarschijnlijk volkomen lak heeft aan biddende monniken). Terwijl ik een onrustige M. probeerde te troosten in de hoop dat hij weer zou gaan slapen, keek ik op de klok en bedacht me dat ze daar in Diepenveen waarschijnlijk weer aan het bidden waren.

Onlangs is De regel van Augustinus opnieuw in vertaling uitgebracht. Dit boekje heeft aan de basis gestaan van het kloosterleven in de Middeleeuwen. Ik ben getroffen door de toon en eenvoud van de tekst. Prachtig zo'n zinnetje als: Probeer niet in de smaak te vallen door kleding maar door uw levenswandel. Geen u moet maar Probeer!

Noem niets uw eigendom, maar laat alles voor u gemeenschappelijk bezit zijn. Uw overste verstrekt aan iedereen van u voedsel en kleding – niet aan iedereen evenveel, want u bent niet allemaal even sterk, maar veeleer aan ieder al naar gelang zijn behoefte. Zo leest u het in de Handelingen van de apostelen: 'Zij bezaten alles gemeenschappelijk en ieder kreeg eruit verstrekt al naar gelang zijn behoefte.'

Zo zou het moeten zijn. Althans ... we zouden het kunnen proberen.

De regel van Augustinus
Amsterdam 2005

15 augustus 2005

446

Het is ongetwijfeld een prachtig boek en ik kan me voorstellen dat mensen met depressies er wat aan gehad hebben. Het kreeg ook in Nederland prachtige kritieken en ik denk de redenen daarvoor wel te begrijpen: het is goed geschreven en het geeft lezers zonder ervaring met het onderwerp een goed beeld van de problematiek. Ik heb nu slechts 84 van 584 bladzijden gelezen en ik geef het op. Misschien komt het omdat de letters klein zijn, maar ik heb nu al het gevoel een superdik boek gelezen te hebben en dan moet ik er nog 500. Ik weet niet of ik dit Alpenlandschap nog verder wil beklimmen. Een ieder die belangstelling heeft voor depressies kan ik dit boek van harte aanbevelen. Nu al heb ik een totaal andere kijk op het onderwerp.

Andrew Solomon Demonen van de middag
Amsterdam 2004

13 augustus 2005

445

Vandaag is M. alweer een maand oud. Wat gaat dat snel! Het gaat goed met M. Mijn oudste zoon omschreef hem gisteren: 'hij heeft een rond koppie met twee grote kijkende ogen'. M. kijkt vanaf zijn geboorte al intens om zich heen. Hij reageert op beweging en licht, lacht naar ons of zet een flinke keel op bij honger, maagkrampen en ander ongemak. Daarbij is hij erg sterk, we hebben met verbazing gezien hoe zich al van rug naar buik omdraait.

Zo'n kleintje in huis is behalve leuk ook erg vermoeiend. M. wil in ieder geval nog 's nachts een voeding. Gelukkig komt hij nu redelijk goed in slaap na zo'n voeding. We moeten M. ook leren kennen en dat is soms best lastig. Wat wil een baby zeggen met huilen? Honger? Kramp? Vieze luier? Het is in het begin nog zoeken allemaal, maar het gaat steeds beter.

Gisteravond viel hij bij mij in slaap op schoot, dat is het mooiste wat er is met zo'n kleintje. Zo'n weerloos klein leven, daar kan ik eindeloos naar kijken. Verliefd worden op je eigen kind.

12 augustus 2005

444

Ik heb geen talent voor het lezen van poëzie, toch blijf ik het proberen. Vraag me niet iets verstandigs over een gedicht te zeggen, ik sta met mijn mond vol tanden. Ik kan me verbazen over de vaardigheid waarmee anderen iets uit een gedicht halen. Zo lees ik altijd de columns van Guus Middag in het NRC, zijn associatieve lezen vind ik prachtig. Een tijd geleden las ik Mooi, maar dat is het woord niet van Rutger Kopland in de hoop wellicht enig gevoel te krijgen voor poëzie. Het wil niet vlotten. Toch kan ik het niet laten om poëzie te blijven lezen. Het doet me dan ook veel genoegen dat er webloggers zijn die zo nu en dan een gedicht op hun weblog zetten.

Misschien dat mijn volharding vruchten begint af te werpen, want ondertussen krijg ik toch voorkeuren. Miriam Van hee raakte mij meteen, net als K. Michel. Onlangs moest ik toch echt de nieuwe bundel van Esther Jansma lezen en het stelde me niet teleur, het is ontzettend mooi. Maar wat is het dat ik zo mooi vind? Hoe leg ik dat uit?

Door het stokje hieronder realiseerde ik me dat ik gedichtenbundels nooit opneem in mijn aantekeningenboekje met uitgelezen boeken. Want wanneer heb ik een gedichtenbundel uit? Ik kan het van a tot z lezen, maar heb ik het dan uit? (Ben ik ooit echt klaar met een roman, dát kan ik me natuurlijk met evenveel recht afvragen). Dat vind ik aantrekkelijk aan poëzie: ik kan het uit de kast pakken, zomaar wat bladeren en lezen of een favoriet gedicht opzoeken. Een gedichtenbundel lijkt geen begin of einde te hebben, het gaat altijd maar door.

Toch zou ik wel eens wat leeshulp kunnen gebruiken. Wie weet een boek die mij zou kunnen helpen?

11 augustus 2005

443

De slikactie

Bij het slikken is een juiste coördinatie van de activiteiten van de farynxmusculatuur met die van de mondholte, het palatum, de larynx en de oesofagus essentieel, omdat immers de luchtweg (neus, farynx, larynx) en de voedselweg (mond, farynx, slokdarm) elkaar op het niveau van de orofarynx kruisen. Zodra de spijsbrok de mondholte verlaat en de tongbasis bereikt, neemt de onbewuste, z.g. faryngeale fase van de slikactie een aanvang. Nauwkeurig op elkaar afgestemde reflexmatige bewegingen volgen elkaar dan op. Alle niet tot de voedselweg behorende toegangen worden vernauwd of afgesloten. De toegang tot de nasofarynx wordt afgesloten door het heffen en aanspannen - via contractie van resp. de m.levator en de m.tensor veli palatini - van het weke verhemelte, waardoor dit tegen de farynxachterwand komt te liggen. Op de achterwand kan de wal van Passavant worden gevormd door aanspannen van de m.constrictor pharyngis superior. Daardoor is sluiting van de toegang tot de nasofarynx ook bij een te kort verhemelte vaak nog mogelijk. Door de larynx te heffen en naar anterieur te verplaatsen wordt het mogelijk met het strottenklepje, de epiglottis, de toegang tot de larynx en de lagere luchtwegen af te dekken.
(...) Deze afdekking is deels passief (door druk van de tongbasis, die tegen de epiglottis wordt aangeduwd), deels actief (door het heffen van de larynx en het aanspannen van de m.aryepiglotticus). Ook de twee andere larynxsfincters ter plaatse van de valse stembanden en op het niveau van de ware stembanden kunnen bijdragen tot de afsluiting van de lagere luchtwegen. Door remming van het ademhalingscentrum wordt tijdens het slikken de ademhaling stilgelegd. Door de eerdergenoemde peristaltische samentrekking van de farynxconstrictoren wordt de spijsbrok naar de oesofagusmond geduwd, die zich reflexmatig opent.
Tijdens het slikken wordt de tuba auditiva (buis van Eustachius) geopend en de isthmus ervan verwijd. Dit gebeurt door aanspannen van de m.levator en de m.tensor veli palatini, die beide aanhechten aan het kraakbenige gedeelte van de tuba.

Prof.dr. E.H. Huizing & Prof.dr. G.B. Snow (red.) Leerboek keel-, neus- en oorheelkunde, 287-288

Nooit geweten dat ik dat allemaal kon. 't Is wel even slikken, maar ja, een mens slikt zoveel in zijn leven...

5 augustus 2005

442

[vervolg van 441] Welke boeken hebben een speciale betekenis voor je?

Over deze vraag heb ik ondertussen veel nagedacht. Eigenlijk kwam er maar één spontaan boven drijven: Tao van Poeh van Benjamin Hoff. Lange tijd gold dit boek als een soort Bijbel voor mij. Ik had het altijd in mijn tas zitten, ik wilde het altijd binnen handbereik hebben. Sommige passages zitten verankerd in mijn hoofd.

Andere boeken die in mij opkwamen hebben een historische speciale betekenis voor mij. Vaak is het lang geleden dat ze speciaal voor me waren, vaak door het effect van de eerste keer. Bijvoorbeeld De laatste deur van Jeroen Brouwers. Bij het lezen van dat boek heb ik voor het eerst ervaren dat ook een schrijftstijl bijzonder en mooi kan zijn.

Dan zijn er boeken waarin ik helemaal kon opgaan, waarbij ik me helemaal identificeerde met de hoofdpersonen: De huid van chagrijn van Honoré de Balzac, Aan de vooravond van Ivan Toergenjev, Doktor Faustus van Thomas Mann – om er maar een paar te noemen. Toch zijn deze boeken verbonden met een bepaalde tijd in mijn leven en is het maar de vraag of ze nog steeds dit effect op mij zouden hebben.

Nee, de Tao van Poeh is momenteel nog het enige boek waarvan ik kan zeggen dat het echt een speciale betekenis voor mij heeft. Het heeft indertijd een aardschok in mijn denken teweeg gebracht waardoor vele intellectuele bouwwerken zijn ingestort en ongekende horizons tevoorschijn gekomen zijn. Soms kijk ik nog nostalgisch naar de ruïnes die het heeft achtergelaten, maar meer nog geniet ik van de ruimte die het mij gegeven heeft.

4 augustus 2005

441

Het leek erop dat het fenomeen aan het uitsterven was, maar onlangs kwam ik er weer één tegen: een stokje. Aangezien het stokje over boeken en lezen gaat, kan ik het niet weigeren. Dank aan Bewegende Bouwkunde.

Hoeveel boeken heb je in je boekenkast staan?

Er zijn vele boeken in vele boekenkasten in huis. Ik ben begonnen met tellen, maar op een gegeven moment ben ik maar gestopt. U zult het dus met een schatting moeten doen: ergens tussen de 600 en 700 denk ik, en dan heb ik de strips en de zogenaamde damesromannetjes in gedachten niet meegerekend.

Natuurlijk zegt zo'n getal helemaal niets. Wie alle werken van Kafka in één band in zijn kast heeft staan, heeft minder boeken dan iemand die ze in verschillende banden heeft.

Welk boek lees je nu?

Lijkt een makkelijke vraag, maar is het niet. Ik lees namelijk vele boeken door elkaar. Dat wil zeggen, sommige boeken vereisen een langere adem. Zo doe ik al meer dan een jaar over de Essays van Montaigne en de Sferen van Sloterdijk. Daarnaast lees ik veel tijdschrijften en kranten. Maar goed, vrijwel dagelijks lees ik in De smalle weg naar het verre noorden van Basho en Demonen van de middag. Een persoonlijke geschiedenis van depressie van Andrew Solomon. De overige boeken die een boekenlegger bevatten zal ik u besparen.

Wat zijn de 5 laatste boeken die je gelezen hebt?

Dit is een gemakkelijke vraag, want alle boeken die ik daadwerkelijk uitlees noteer ik in een aantekenboekje. Dus:
– Joachim von der Thüsen Het verlangen naar huivering. Over het sublieme, het wrede en het unheimliche (voor elke geïnteresseerde in de literatuur van de negentiende eeuw een aanrader);
– Sándor Márai Gloed (indrukwekkende roman);
– Mark Haddon Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht (spannend, intrigerend, ontroerend!);
– Friedrich Nietzsche Oneigentijdse beschouwingen (...)
– J.M. Coetzee IJzeren tijd (deze schrijver behoort zolangzamerhand tot mijn favorieten)

De overige vragen van het stokje komen binnenkort.

3 augustus 2005

440

Coetzee's personages (...) willen zichzelf vinden door zich aan anderen te wijden, door verliefd te worden of voor iemand te willen zorgen, iemand in huis te nemen, of wat dan ook te doen waardoor ze zichzelf de vraag moeten stellen: hoe wil ik leven, wat of wie ben ik, wat beteken ik voor een ander, wat is geven, wat is liefde, hoe moet je omgaan met anderen.

T. van Deel Onze leugens zeggen veel over ons
in: Trouw. Boeken 30/7/2005, 5

2 augustus 2005

439

Toen S. nog een baby was kon hij maar moeilijk inslapen. Hij sliep altijd wel goed in als ik met hem in een draagzak door de kamer liep. Vele kilometers heb ik afgelegd en daarbij vele pagina's gelezen.

De geschiedenis lijkt zich te herhalen met M. M. kan alleen nog niet in een draagzak, maar ligt bij voorkeur met zijn buik op mijn arm, zijn hoofdje bij mijn elleboog en zijn armpjes en beentjes ontspannen hangend langs mijn arm. Ondertussen lees ik dan in Basho De smalle weg naar het verre noorden. Zo maken M. en ik een mooie reis:

De dichte wolken van het regenseizoen waren al wat opgetrokken en het eiland Magaki lag vlakbij, onder het bleke licht van de maan. Vissersbootjes kwamen dichterbij geroeid, en toen ik de stemmen hoorde van vissers die hun vangst verdeelden, begreep ik de gevoelens van de dichter die geschreven had: 'getrokken door een touw; aangrijpend', en voelde mij diep geroerd.

Matsuo Basho De smalle weg naar het verre noorden, 32

30 juli 2005

438

Gisteren door de regen gefietst naar de burgelijke stand om mijn rijbewijs aan te vragen. Je kunt erop wachten tegenwoordig. 's Middags alle moed bijeen geraapt om mijn eerste tochtje geheel alleen met onze auto te maken naar het winkelcentrum in de buurt. Het eerste wat ik deed toen ik in de auto zat was kijken of de schadeformulieren nog in het kastje lagen. Ze lagen er en ik heb ze niet nodig gehad. Maar wat een verschil tussen de leswagen (Peugeot, diesel) en onze auto (Suzuki, benzine). In de leswagen moest ik toch echt dat gaspedaal gebruiken om vooruit te komen, maar in onze Suzuki hoef ik maar te wijzen of hij schiet al vooruit. Bij het wegrijden was het net alsof het mijn eerste les was. Ik was blij dat er geen politie in de buurt was, want ze zouden me vast aangehouden hebben om te controleren of ik wel een rijbewijs had. Het is even wennen, een ander merk auto. Nooit geweten dat die verschillen zo groot kunnen zijn.

28 juli 2005

437

Alweer een heuglijk berichtje: ik heb zojuist mijn rijbewijs gehaald! Het was mijn tweede poging. En dat na een aantal gebroken nachten!

25 juli 2005

436

Gisteren is onze tweede zoon geboren: M(...) M(...) Net als zijn grote broer geboren door middel van een keizersnee. Het is allemaal heel goed gegaan en we zijn verschrikkelijk blij en trots op onze grote zoon. Hij woog bij de geboorte 4255 gram en is 55 cm.

13 juli 2005

435

Wanneer ik terugdenk aan mijn studie muziekwetenschappen denk ik vooral met plezier terug aan de colleges ballet- en dansmuziek. Ik weet de naam van de docente niet meer, maar herinner me nog goed dat die kleine vrouw indruk op me maakte. Aan haar houding was duidelijk te zien dat ze jarenlang zelf op de bühne had gestaan. Ze had niet alleen veel verstand van dansmuziek, maar kende de danswereld eveneens uitstekend.

Ik moet aan deze tijd terugdenken door het beluisteren van de Symfonie nr. 5 van Tsjaikovski (een overrompelende en weergaloze opname: zie onder). Klassiek ballet heeft nauwelijks mijn voorkeur. Ik kan er hooguit een kwartier naar kijken en dan verslapt mijn aandacht. Dat komt vooral door de doorgaans matige muziek die bij deze balletten klinkt. Er is echter een grote uitzondering, jawel: Tsjaikovski. Zelfs de Vijfde Symfonie is te luisteren als een ballet zonder ballet. Zo nu en dan betrap ik me erop de boze fee uit Doornroosje te horen lachen of zie ik de prinses en prins dansen op hun huwelijksfeest. Het is bij Tsjaikovski sprookjesachtig zonder te zoet te worden. Nergens verliest Tsjaikovski de grote vorm uit het oog: de dreiging te ontsporen maakt het spannend. Het spel tussen de strijkers, houtblazers (solistische en ensemble) en het koper is bij Tsjaikovski een feest. Wat kan die man schitterend vertellen!

Nieuw is voor mij de associaties die ik met een andere componist heb. Hier en daar komt het vermoeden boven dat Sjostakovich ook erg van deze muziek gehouden moet hebben. (Binnenkort eens op zoek naar die ene passage die toch wel erg lijkt op een passage in één of andere symfonie van Sjostakovich.).

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)
Symfonie nr. 5
Gothenburg Symphony Orchestra olv Neeme Järvi

11 juli 2005

434

Täglich erstaune ich: ich kenne mich selber nicht!

Friedrich Nietzsche Nachgelassene Fragmente 1880-1882
KSA 9, 325

Elke dag sta ik versteld: ik ken mezelf niet!

Friedrich Nietzsche Nagelaten Fragmenten Deel 3: van begin 1880 tot zomer 1882, 249

10 juli 2005

433

Hé hallo, kom er nu maar eens uit, de veertig weken zijn om hoor!

8 juli 2005

432

Ik kan er nauwelijks op wachten, maar ik moet nog even geduld hebben:
www.gertdentoom.nl

7 juli 2005

431

Hoeveel ruimte heeft u tussen de regels nodig om daar te kunnen lezen?

5 juli 2005

430

Ik wilde schrijven: 'Soms lijd ik aan een gebrek aan stilte', maar bij nader inzien leek mij dit niet waar. Stilte – niet begrepen als afwezigheid van geluid – zit in iedereen. Toch krijg ik wel eens de indruk dat mensen aan stilte-armoede lijden. Stilte is echter niet als pil verkrijgbaar bij de apotheek en via een transfusie is het niet in te brengen. Het is alchemisten niet gelukt om goud te maken, chemici zal het niet lukken stilte te maken. De meeste stilte vindt men bij dode mensen, maar stilte kan men niet transplanteren.

We zullen het echt zelf moeten doen.

4 juli 2005

429

Het voordeel van een dun en zeer kort kapsel is, dat je regendruppels zo lekker over je hoofd voelt lopen.

1 juli 2005

428

'(...) Het kan zijn...' zegt hij zakelijk, 'het kan zijn dat de levenswijze die we kennen, waarin we geboren zijn, dit huis, deze maaltijd, ja zelfs de woorden waarmee we de vraag van ons leven vanavond bespreken, reeds verleden tijd zijn. Er is te veel spanning in de harten van de mensen, te veel woede, te veel wraaklust. Als we in ons hart kijken, wat vinden we dan? Driften die door de uitwaseming van de tijd wat valer geworden zijn, maar waarvan de gloed niet geblust is. Waarom zouden we iets anders moeten verwachten van de wereld, van de mensen? En wij tweeën, die aan het eind van ons leven oud en wijs zijn, ook wij willen wraak... Wraak, op wie? Op elkaar of op de herinnering aan iemand die er niet is. Onzinnige driften. En toch leven ze in ons hart. Waarom verwachten we dan wat anders van de wereld, die vol is van onbewustheid en begeerte, driften en agressie; jonge mannen hakken met hun bajonet punten aan de vingers van jonge mannen van andere naties, vreemde mensen snijden riemen uit elkaars rug; alles wat ooit regel en conventie is geweest, heeft zijn geldigheid verloren, alleen de woede leeft en brandt met vlammen die tot de hemel reiken... Ja, wraak. (...)'

Sándor Márai Gloed, 132-133

29 juni 2005

427

Ze danste op de stoep voor het kraakpand. Life-style-punk. Mooi. Even keek ik gefascineerd. Er stond een jongen bij haar. Toen ik wilde passeren ging ze even aan de kant. Ik kreeg een ironische minachtende blik toegeworpen terwijl zij tegen de jongen zei: 'tussenoplossing? tussenoplossing?' Ik beantwoordde haar blik met een glimlach en dacht 'ze is niet Nederlands'.

Een tussenoplossing is geen oplossing, maar onderweg naar een oplossing.

Zoiets als het leven.

Wellicht.

Voordat ik de Nieuwezijds overstak keek ik eerst even over mijn schouder of er een tram aankwam.

28 juni 2005

426

Ik doe de ramen open en de gordijnen dicht. De wind speelt met de gordijnen en laat ze dansen. Ik kijk naar de buik van mijn vrouw: nog twee weken tot de uitgerekende datum.

24 juni 2005

425

1984. De VPRO vertoont een prachtige documentaire van Cherry Duyns: De Verzonkenen, over De laatste deur van Jeroen Brouwers. Ik spaar mijn zakgeld op om voor het eerst zo'n duur boek te kopen. Het boek maakt een grote indruk op mij. Ik neem me voor dat, als ik ooit zou gaan schrijven, ik zoals Brouwers zou willen schrijven: helder, precies, ingetogen.

Jaren later herhaalt de VPRO deze documentaire in de reeks Lotgevallen. Ik beschik dan over een videorecorder.

Vorige week vond ik de videoband terug. Opnieuw maakte de documentaire indruk, al viel het geluid door de slechte staat van de video soms weg. Hoe groot het verschil tussen Jeroen Brouwers en mij ook mag zijn, ergens voel ik verwantschap.

Shot van de werkkamer. Zomerlicht valt door het dakraam op de werktafel van de schrijver. Rook in het zonlicht.

De schrijver strijkt kleding van zijn kind. Stilte.

De schrijver op de rug gezien doet de afwas in de keuken. Stilte.

De schrijver schrijft aan zijn werktafel. Met gum worden een paar letters verwijderd. Concentratie.

Hulde aan Cherry Duyns. Hij durft beelden te laten zien die voor zich spreken. Zo worden ruimten en objecten personages in een verhaal, het verhaal dat Jeroen Brouwers wil vertellen.

22 juni 2005

424

Op de bank voor de open tuindeuren. Ergens buiten zitten mensen met elkaar te kletsen. Verder weg roept een jongetje huilend om zijn mama. Dan verwens ik de doe-het-zelver die zo laat op de avond lawaai maakt. Binnen begint het al donker te worden. Toch is er stilte door de pianoklanken van années de pèlerinage. Ik stel me Franz Liszt voor, in een andere tijd, in een ander land – Zwitserland, Italië? – op een zwoele zomeravond, improviserend achter zijn vleugel. Klanken die eigenlijk niet konden. Aarzeling, verstilling en een uitbarsting, een verlangen naar huivering. Dan een boerendeuntje met vogelgezang en de verfrissing van de fonteinen van de Villa d'Este.

21 juni 2005

423

"Laat ik het zo zeggen: ik vind eigenlijk dat we minder moeten praten. Dat we stiller moeten zijn. Dat we langer moeten nadenken voor we iets zeggen. Ik vind dat we in een kletsmaatschappij leven, waarin iedereen voortdurend lucht lijkt te willen geven aan zijn emoties en ongefundeerde meningen over van alles en nog wat. Al dat geluid draagt alleen maar bij tot een steeds grotere kluwen van leugens.

Ik geloof dat we, in onze tijd, een flinke dosis Socrates kunnen gebruiken, die schreef dat we alles wat wij voor de waarheid houden aan een kritisch onderzoek moeten onderwerpen, omdat we anders een ongepast en oppervlakkig leven leiden. Een leven zonder introspectie is, volgens Socrates, niet de moeite waard geleefd te worden."

Karen Armstrong in:
Trouw. De Verdieping, 18/6/2005, 8-9

Ik kan me hier aardig in vinden, al houd ik zelf soms wel heel erg van dat geklets. Daarnaast verbaas ik me toch over dat foutje in de tekst: Socrates heeft – zover we weten – nooit een boek geschreven. Het was Plato die Socrates in zijn boeken liet spreken.

19 juni 2005

422

Ik ben een tijd lang niet meer de bibliotheek geweest terwijl ik dat altijd als een fijn uitstapje zie. De bibliotheek heeft de termijn voor het lenen verlaagd van vier naar drie weken. Vier weken vond ik al heel weinig en met drie weken heb ik vaak het gevoel het materiaal gisteren geleend te hebben. Vandaag ben ik weer gegaan. Ik had me nog zo voorgenomen om geen boeken te lenen, ik heb thuis nog zoveel boeken die nog gelezen moeten worden. Het is niet gelukt. De oogst:

De boeken

Kathleen Norris De Kloostergang

W.G. Sebald Melancholische dwaalwegen

Sándor Márai Gloed

K. Michel Ja! Naakt als de stenen

John Numan Basiscursus QuarkXPress 5

De cd's

Franz Liszt années de pèlerinage Nicholas Angelich – piano

Anton Bruckner Symphony no. 5 with excerpts from the rehearsels; Wiener Philharmoniker olv Nikolaus Harnoncourt

Hanns Eisler 41 ausgewählte Lieder

St Germain Tourist

Norah Jones come away with me

Benny Green Green's Blues

18 juni 2005

421

Het
zingt niet
het riet

Er is
geen god.

De dingen
zijn
zoals
ze zijn.

Het riet
dat ruist
het is
er niet.

Er is alleen
de werkelijkheid.

Dat is
het riet.

Dat
is god.

Jan Arends Verzameld Werk, 383

17 juni 2005

420

Er is een tijd geweest dat ik 's avonds de lichten uit deed en de radio aan. Dan liet ik liggend op bed in het duister de wereld binnen komen. Tussen alle ruis zocht ik naar stemmen uit de wereld. De prachtigste programma's kwamen binnen, al viel ik helaas vaak tijdens zo'n programma in slaap.

Ik herinner me een nacht dat ik meereed op een ambulance in Amsterdam. Gedurende een aantal uren luisterde ik naar de belevenissen van het ambulancepersoneel. Indruk maakte op mij het fragment dat ze een verwaarloosd pand binnen gingen om er een jongen van een jaar of achttien te vinden die dood lag in zijn kleine kamertje. Overdosis. Het is meer dan tien jaar geleden, maar ik sta als het ware nog steeds bij die jongen in die kamer.

13 juni 2005

419

Jaren geleden hoorde ik op de radio een interview met een kenner van Nietzsche, waarschijnlijk was het Paul van Tongeren. Hij vertelde dat hij bezig was met een woordenboek bij het werk van Nietzsche. Woorden in het werk zouden verklaard worden: welke betekenis heeft een woord bij Nietzsche, welke betekenis had het woord in de tijd van Nietzsche, heeft er zich een verandering in betekenis van het woord voorgedaan enz. enz. Ik heb jaren publikaties bijgehouden in afwachting van dat prachtige boek, maar ondertussen was ik het vergeten. Vanochtend kreeg ik een mailtje van een collega die wist van mijn interesse in Nietzsche. Het boek is er. Nou ja, boek: het eerste deel is er, er volgen nog drie. Vermoedelijk kan het project wel tot 2010 voortduren. Uitgegeven bij Walter de Gruyter, de uitgeverij die ook de wetenschappelijke edities van Nietzsches werk en brieven op zijn naam heeft staan. Het leek me nu zo'n aardig vadersdagcadeautje, maar ja ... de prijs zou wel eens in de weg kunnen zitten .... Toch nog maar even wachten op de paperback-editie ...

9 juni 2005

418

Het gaat de laatste tijd niet zo goed tussen mij en mijn schaakhobby. Ik ga nog graag naar de clubavond, maar verder kan het schaken me zo nu en dan volkomen gestolen worden. Onlangs kwamen de formulieren weer, formulieren waarop ik in kan vullen met welke competities en andere activiteiten ik het komende seizoen mee wil doen. Ik heb nergens zin in, behalve dan een seizoen alleen maar interne competitie. Gewoon elke week op mijn clubavond een partijtje schaken en verder niets. Geen bekercompetitie, geen rapid- of snelschaakgedoe, geen externe competitie (tegen andere clubs), alleen maar op die dinsdagavond wat met houten poppetjes schuiven en daarbij een intelligent gezicht trekken. Na dit seizoen stop ik ook met de website die ik voor mijn club onderhoud. Gelukkig heb ik iemand bereid gevonden om dat over te nemen. De opmaak van het clubblad wil ik nog wel een jaar volhouden, maar dan is dat ook wel genoeg geweest.

Ooit ben ik door iemand gewaarschuwd voor dit effect. Jaren geleden interviewde ik clubleden voor het clubblad. Deze meneer op leeftijd zat ook op een andere schaakclub en daar heeft hij veel voor de club gedaan. Hij heeft daar een jeugdafdeling opgezet die ontzettend goed is (mijn zoon gaat er ook naar toe). Hij vertelde dat hij door al die activiteiten en betrokkenheid het schaken wel eens helemaal zat was. Ik kon me dat toen niet voorstellen, maar ik begrijp nu maar al te goed waar hij op doelde. Het gevaar is dan groot dat je helemaal wil stoppen met je hobby. Dat zou toch jammer zijn.

Resultaten blijven ook uit. Het vorige seizoen was ronduit slecht, het huidige seizoen is ook maar matig. Vechtlust heb ik nog wel. Gisteravond kwam ik snel door eigen onachtzaamheid in de problemen en ik heb ruim drieënhalf uur geknokt om niet ten onder te gaan. Het leek te lukken, mijn tegenstander begon uit frustratie ook foutjes te maken. Weliswaar zou ik door de vlag gaan en de partij verliezen, maar mentaal zou ik het een overwinning gevonden hebben om dat in een remisestelling te doen. Dat was zo goed als gelukt, maar met nog 20 seconden op de klok blunderde ik alsnog. Ik heb voor het eerst zelfs gedroomd over een schaakpartij.

Schaken zal voor mij nooit een sport worden maar altijd een spel blijven. Momenteel is het goed om wat afstand te nemen om de liefde niet geheel kwijt te raken. Activiteiten rond het schaken en de club die op zich niets met het schaken te maken hebben stoot ik langzaam maar zeker af. Ik durf te wedden dat de goede resultaten dan ook vanzelf weer terugkomen. Toch zal de noodzaak tot het spelen van schaak nooit zo groot worden voor mij zoals Hans Ree dat schrijft in zijn nieuwste column in New In Chess: My favourite writer Vladimir Nabokov escaped from Russia in 1919 on a ship that sailed from the harbour of Sebastopol. While enemy machine guns fired from the shore, Vladimir and his father Dimitri sat on deck, playing chess. They would never see their country again. I haven't been in such dire circumstances, but I think this is exactly what I would do, take a board and pieces and submerge myself in them. (New In Chess 2005/4 blz. 95)

8 juni 2005

417

6.522 Es gibt allerdings Unaussprechliches. Dies zeigt sich, es ist dat Mystische.

6.522 Er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke.

Ludwig Wittgenstein Tractatus Logico-Philosophicus, 150-151

1. Het Tau dat kan worden uitgesproken,
is het eeuwige Tau niet;

Lao Tze Tau Te Tsjing, 9

2 juni 2005

416

Tijdens mijn studie muziekwetenschappen heb ik geleerd dat je een muziekstuk kunt analyseren. Daar is niets geheimzinnigs aan, een ieder die noten kan lezen kan het leren. Leren hoe een muziekstuk opgebouwd is, hoe de stemvoering is, hoe de harmonieën uit elkaar volgen (of juist niet) enz. enz. Ik vond het zeer boeiend om te proberen in de keuken van de componist te kijken. Weliswaar bleef er bij hele goede componisten altijd iets over wat we dan 'het geheim van de smid' noemen, maar over het algemeen had je met muziekanalyse toch iets in handen waarmee je onderscheid kon maken tussen componisten met veel vakmanschap en componisten met weinig vakmanschap. Onnodig te zeggen dat dat dan niet veel zegt over het wel of niet mooi vinden van die muziek, dat is een andere kwestie.

Uiteindelijk heb je dan muziekpapier met allemaal lijnen, akkoordschema's, ideeën over hoe de harmonie de tekst uitbeeld enz. Dan is het vakwerk van de musicoloog muziektheoretisch gedaan. Heb je dan de muziek te pakken? Nee, natuurlijk niet. Daarvoor heb je iemand nodig die de muziek tot klinken, tot leven wekt. De musicus kan gebruik maken van de kennis van de musicoloog, hij kan het ook laten. Waar het om gaat is de magie die op het moment van uitvoeren ontstaat. Al het andere is slechts het scheppen van randvoorwaarden om die magie te laten ontstaan en dan nog weet je niet of het zal plaatsvinden. Muziekanalyse kan een musicus helpen om overzicht te krijgen, om de structuur helder te krijgen, wat belangrijke noten zijn en welke niet.

Ik moet altijd aan het bovenstaande denken als ik weer de discussies hoor en lees over de evolutietheorie, de schepping en al datgene wat er nog meer bijgehaald wordt. Wetenschap versus religie. Ik schrijf opzettelijk niet godsdienst, omdat ik dat woord eerder associeer met een geïnstitutionaliseerde vorm van religie. Het gaat me hier om een breder gevoel. Wetenschap kan observeren, meten, beschrijven enz., maar dat is niet het leven zelf, daarvoor heb je het leven zelf nodig en de levende wezens (de musici) die het leven tot het leven maken.

Marjoleine de Vos schreef onlang een mooi artikel in het NRC Handelsblad (bijlage Opinie & Debat 22 mei 2005 blz. 17). Zij maakte zich in dat artikel zorgen over het negatieve beeld rond religie. Als je religie verwerpt verwerp je ook de poëzie van religie, de verhalen, de beelden en dat vond zij erg jammer. Niet dat De Vos vond dat je dus in God moest geloven, maar ze wilde niet het kind met het badwater weggooien. Haar visie is niet nieuw, de socioloog Max Weber wees al op de onttovering van de wereld

En nu stuit ik zelfs met het debat over de Europese Grondwet op iets dergelijks. Ik word bijkans gebombardeerd op allemaal a-r-g-u-m-e-n-t-en, argumenten die onomstotelijk heten te zijn en dus het laatste woord zouden moeten hebben. Men wordt boos als ik daar geen boodschap aan heb, ik zet mijzelf daarmee duidelijk buiten spel. Zelfs de politiek onttovert. Dan mis ik weer die bevlogenheid, het enthousiasme en stuit ik op een cynische muur. Ik proef angst, angst voor verlies aan zogenaamde vrijheid en welvaart. Maar dat mag ik niet schrijven, want dat is geen argument. Schijnbaar moet wat ik zeg ergens 'kloppen'. Maar ik, ik die altijd tekeer is gegaan tegen alles wat zich liberaal noemt, wat riekt naar kapitalisme ... ik heb voor één keer het vertrouwen dat het wel goed komt. Laat mij nou!

Het is fris buiten, vindt u ook niet?

31 mei 2005

415

Ik had het me nog zo voorgenomen: ik houd me ver van die discussies over de Europese Grondwet. Toch trap ik er weer in en maak me weer druk. Reactie op reactie op reactie en waarom? Niet omdat ik anderen nu zonodig wil overtuigen. Integendeel. Misschien omdat ik wel eens zou willen horen: ik begrijp je keuze, maar ik denk er anders over. Dat zou namelijk prima zijn. Al die argumenten voor en tegen, ik heb ze nu zolangzamerhand allemaal wel gehoord en gelezen. Iedereen praat elkaar ook na, wat ook niet bevreemdend is gezien het omvangrijke van het onderwerp. Mijn reactie is dan steeds maar weer uitleggen waarom ik een andere keuze maak. Daar hoeft de ander het dan niet mee eens te zijn, maar ik zou soms zo graag willen weten waarom een ander dan een andere keuze maakt. Want argumenten kies je omdat ze voor jou wel of niet waardevol zijn, niet alleen omdat ze waar of onwaar zouden zijn. Soms geef je alleen maar meer gewicht aan het ene of het andere argument. Waarom iemand meer gewicht geeft aan het ene of andere argument, dát boeit mij. Het zegt iets over die persoon. Maar ik lees er zo zelden over en ik merk dat ik ook steeds in herhaling val. Dat is vermoeiend en als ik niet uitkijk maak ik me dan weer boos en word mijn toon harder. Dus: niet doen jwl. Niet mee bemoeien. Laat maar, zo verschrikkelijk belangrijk is het nu ook weer niet. Ook zo'n grondwet is uiteindelijk maar een zucht op de eeuwigheid.

30 mei 2005

414

Bosch en Duin 1986-1989 I (7)

Vlak voor de derde reis naar Taizé ging ik een paar dagen naar mijn ouders in Friesland. De reizen naar Taizé werden altijd door mijn middelbare school georganiseerd en ditmaal ging ik dan mee als oud-leerling. Schijnbaar had ik aan P. het adres van mijn ouders gegeven, want daar ontving ik een grote envelop van hem. Ik meende dat ik deze envelop had bewaard in mijn zwarte doos, maar ik kan het niet meer vinden. Ik herinner me dat in de envelop een korte brief zat waarin hij de hoop uitsprak elkaar na mijn vakantie weer te zien en dat hij ter illustratie van zijn gevoelens een verhaal van Maarten Biesheuvel had bijgevoegd. Ik was blij met deze brief.

Taizé 1986 was een zeer gedenkwaardige week. Mijn eerste studiejaar was eveneens een emotionele tijd geweest. Ik was toe aan wat rust en dat hoopte ik in Taizé 1987 terug te vinden.

Ik kon mezelf aardig voorhouden dat het niet zo was, maar ik liep natuurlijk de hele week mijn demon te zoeken. Wel was ik zo verstandig geweest om mezelf op te zadelen met extra activiteiten. Als ervaren Taizé-ganger vond ik het tijd om eens animator te zijn. Als animator krijg je de verantwoordelijkheid om een gespreksgroep op gang te brengen, problemen te signaleren en op te lossen. Er zaten een aantal Ieren en Duitsers in mijn groep. Gelukkig waren de Duitsers bereid om Engels te praten. De Ieren wilden niet over hun geloof praten! Dan ben je in Taizé en praten over je geloof is taboe! De Duitsers wilden meteen een andere groep. Het probleem lostte zich op een gegeven moment vanzelf op. In overleg met anderen werden nieuwe groepjes gevormd en uiteindelijk lieten de Ieren zich niet meer zien. Bij de bijbelintroducties wierp ik me op om te vertalen voor een aantal Nederlanders en Belgen, omdat zij het Engels van de broeder niet konden volgen. Het gaf me zelfvertrouwen en dat hielp me de week door. Vrijdag maakte ik gebruik van de gelegenheid om me af te zonderen. Ik noteerde die middag in mijn dagboek:

Ik ben nu een middag en avond in stilte gegaan. Het wordt misschien wel moeilijk. Alleen de stilte kan de innerlijke stem, de "innerlijke muziek" laten horen. Alles heeft dat en iedereen kan het van iedereen horen. Wie in staat is deze innerlijke stem in anderen wakker te maken is met liefde beizg en zal geluk ervaren.

Het weer is iets rustiger geworden. De wind is gedraaid, zodat de buien niet over-, maar langskomen. Het is een prachtig gezicht, die zware zware wolken te zien met in de verte een illusoire opklaring. Is dit symbolisch voor de mensen hier in Taizé. Dit weer leek niet echt onverwachts te komen.

Het was natuurlijk symbolisch voor mezelf. Nog diezelfde avond zouden de zware buien hun lading los laten. Pas een aantal dagen later schrijf ik weer in mijn dagboek en noteer: 'Afgelopen vrijdagavond volledig ingestort, maar goed opgevangen (...).' Het moest er een keer van komen. Alle spanningen van het afgelopen jaar moesten eruit. De dagen erna irriteerde ik me aan iedereen en redde me met wat nerveuze humor. Ik voerde gesprekken over filosofie en mystiek en op een middag brak de zon weer door. Ik zat voor de tent wat te componeren hetgeen werd opgemerkt door A. Ze kwam op mij toerennen en vroeg me wat ik nu aan het doen was. Ik liet mijn gekrabbel op de notenbalken zien. Met belangstelling bekeek ze wat ik geschreven had. Ze ging ook muziek studeren, vertelde ze. Toen ging ze weer weg, we zouden contact onderhouden. Dat is niet gebeurd, maar op dat moment was ze even een geschenk uit de hemel.

Na Taizé heb ik nog een aantal dagen gezeild met mijn zus, zwager en neefje. Weer terug in Bosch en Duin begonnen de bezoeken aan P. Het werd een ritueel: de ene maandagavond ging ik naar hem toe, de andere kwam hij mij bezoeken. P. moest niets hebben van dat new-age-gedoe van mij. Hij gaf tegengas aan mijn vlucht in de metafysica, hij liet een ander geluid horen.

In augustus kon ik dan eindelijk de moed opbrengen om mijn demon te bezoeken. Sinds Taizé 1986 hadden we elkaar alleen maar geschreven en gebeld. Het was heerlijk om haar weer te zien. Ze woonde nog thuis, maar haar ouders waren op vakantie. Ik ben mijn hele leven nooit meer iemand tegengekomen met wie ik zo levendig en vanzelfsprekend kon praten. In die tijd heb ik het Groot Astrologisch Handboek van de Menselijke Relaties van Linda Goodman gekocht. In deze Rode Bijbel (zoals ik dit lijvige boekwerk toen ironisch noemde) staat: Als we een poging willen wagen hen allen te ontwarren, kunnen we ons beter eerst concentreren op wat de Weegschaal en de Boogschutter met elkaar gemeen hebben, zoals – praten. Zeker, praten, zeer beslist. (Utrecht 1985, Veen 3e dr. blz. 626) Wij waren het rondlopende bewijs voor deze stelling.

Ik bleef eten en na het eten luisterden we samen naar pianomuziek van Satie. Ik vertelde haar over de bijzondere harmonieën van Satie. Toen ik mijn enthousiaste betoog beëindigde keek ik haar aan en zag dat ze me lachend zat op te nemen. Waarom lach je zo naar me, vroeg ik haar. Ik heb nog nooit iemand zo enthousiast over muziek horen praten, zei ze. Het zijn van die momenten en beelden die je nooit vergeet.

In de trein naar Utrecht werd ik overvallen door gevoelens die ik nog nooit in die mate had gevoeld. Toen pas begreep ik wat verliefdheid inhield.

27 mei 2005

413

Friedrich Nietzsche wilde er tien schrijven en schreef er maar vier: Oneigentijdse Beschouwingen. In het Duits vond ik ze al onleesbaar en in het Nederlands is het niet veel beter. Toch was het boeiend, al zijn de Beschouwingen door het gezwollen taalgebruik niet bepaald leesbaar.

Om het eerste deel David Strauss, belijder en schrijver kon ik nog wel lachen. In 1872 had Strauss het boek Der alte und der neue Glaube gepubliceerd en Nietzsche grijpt dit boek aan om de zelfgenoegzaamheid in de jonge staat Duitsland belachelijk te maken. Duitsland had net Frankrijk verslagen in een oorlog. Nietzsche ergert zich aan het gebrek aan elan in het intellectuele Duitsland en Strauss is hier het slachtoffer van. Nietzsche drijft de polemische toon zo ver door dat het soms lijkt alsof hij met een kanon een mug wil ombrengen. Nietzsche bewijst dat hij een prachtige scherpe pen heeft.

In het tweede deel Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven is de toon al wat milder. Hier wordt dan ook geen schrijver aan de kaak gesteld, maar een tijdsverschijnsel dat tegenwoordig het historisme wordt genoemd. Ook hier gaat het Nietzsche om het belachelijk maken van de futloze tijdgeest, ditmaal in het onderwijs. Wanneer het onderwijs de leerlingen volgiet met kennis over de geschiedenis, met historisch besef, dan gaat dat ten koste van de vitaliteit van de jeugd.

De eerste twee delen hebben nog de charme van een pamflet, in het derde deel Schopenhauer als opvoeder wordt de toon al bombastischer. Ondanks de titel gaat het boek niet over Schopenhauer, al laat Nietzsche geen ogenblik ongebruikt om de loftrompet af te steken over zijn grote voorbeeld. Filosofisch is Nietzsche al een andere weg ingeslagen en het is meer de heldere en directe stijl van Schopenhauer die Nietzsche wil vasthouden. De verheerlijking van het genie doet mij echter de wenkbrauwen fronsen. Genieën maken de geschiedenis en moeten koste wat kost groot gemaakt worden. Nietzsche draaft hier veel te ver door, hij wordt op een verkeerde manier lachwekkend.

Richard Wagner in Bayreuth, het laatste deel, heb ik geregeld mismoedig terzijde gelegd, er is niet doorheen te komen. Nietzsche bewonderde dit Orakel uit Bayreuth enorm, maar in de tijd dat hij deze Beschouwing schrijft, zijn er al vele barsten in de vriendschap gekomen. Later zou het tot een breuk komen. Toch schrijft hij een lofrede op de Grote Meester, maar zo overdreven dat de ironie er afdruipt. De glans en het venijn van de eerste Beschouwing heeft plaats gemaakt voor een plichtmatige toon. Nietzsche geloofde niet meer in wat hij schreef, het was een vriendendienst. Wagner was te dom om die ironie te begrijpen, hij liet zich maar al te graag bewieroken.

Was Nietzsche gestorven na het publiceren van deze Beschouwingen, hij zou slechts een voetnoot in de geschiedenis van de filosofie zijn geworden (en misschien zelfs dat niet). De waarde van deze Beschouwingen zitten vooral in de plek die ze innemen in de ontwikkeling van Nietzsche. Nietzsche is in deze Beschouwingen op zoek naar een eigen stem en een eigen stijl. Schopenhauer en Wagner waren voor hem grote voorbeelden en moesten als het ware 'overwonnen' worden. Dat is hem gelukt. De Oneigentijdse Beschouwingen gaan wezenlijk over Nietzsche zelf.

O ja. Naast al het gezucht en gesteun bij het lezen van Richard Wagner in Bayreuth heb ik éénmaal dubbel gelegen van het lachen. Onderaan bladzijde 330 las ik de zin: Zodra een enigszins ontvankelijke ziel zich voor hem opende stortte hij er zijn zaad in uit. Hoe verzint de vertaler het! In het Duits: Wo eine halbwegs empfängliche Seele sich ihm aufthat, warf er seinen Saamen hinein.

25 mei 2005

412

Wat is het toch heerlijke pianomuziek die Lyriske Stykker van Edvard Grieg. Ik geniet al jarenlang van de opnamen van de pianiste Eva Knardahl, deze geweldige naam is vast een onbekende naam voor u.

Voor mij was ze eveneens zeer onbekend, maar een Noorse vriendin die piano gestudeerd heeft in Oslo kende haar maar al te goed. Een pianiste van de oude stempel, geen gemakkelijke dame. Type: autoritair, geen ruzie mee krijgen. Op foto's zag ik een forse vrouw met een zware jaren '50 bril. Maar piano spelen kan ze! Bovendien mag lyrische muziek best een strenge uitvoering krijgen om al te veel weeïgheid te voorkomen.

De opnamen zijn gemaakt door het label BIS, een label dat heel interessante opnames maakt. Ik weet niet veel van de achtergrond van het label, maar in de beginjaren waren ze vooral bezig om complete oeuvres van Scandinavische componisten vast te leggen op cd. Daarvoor vroegen ze voornamelijk Scandinavische musici en orkesten. Deze beperking is allang verlaten. Wanneer ik cd's leen in de bibliotheek let ik op dit label. Het stelt me zelden teleur, de kwaliteit ligt erg hoog!

Edvard Grieg schreef, verspreid over zijn gehele leven, tien boeken met Lyriske Stykker. Dat maakt die pianowerken zo interessant, omdat de veranderingen in stijl te volgen zijn.

Voor de gevorderde amateur is het eerste boek goed te spelen. Het zijn mooi korte karakterstukken in de romantische traditie. Wat deze muziek echter nou precies zo Noors maakt, dat kan ik niet uitleggen.

24 mei 2005

411

"Als je dus momenten hebt waarop je niet weet wat je moet doen, dan moet je een boekwinkel binnenwandelen. Je vindt er altijd wel iets wat je nodig hebt!" Aldus filosoof Wilhelm Schmid in Trouw, iemand die het begrepen heeft.

23 mei 2005

410

Soms kan het goed zijn om met landen met verdachte regeringen relaties te blijven onderhouden. Je kan dan druk uitoefenen, in gesprek blijven en proberen zo'n regering een goed kant op te dirigeren. Maar waar ligt de grens?

Er is een grens overschreden wanneer deze relaties zo'n regering in stand houdt ten koste van de bevolking van zo'n land. Wanneer dictators 'gewoon' hun gang kunnen gaan omdat andere landen diplomatieke en economische relaties onderhouden met zo'n dictator.

Dat de Verenigde Staten een militaire basis heeft in Oezbekistan, dat wist ik wel. Dat Oezbekistan al jaren lijdt onder een weerzinwekkende dictator, dat wist ik niet. Het is toch erg merkwaardig dat de Verenigde Staten een kwalijk regime gebruikt om andere weerzinwekkende regimes ten val te brengen. Ik mag toch hopen dat Bush cs op diplomatiek niveau hun 'vriend' Karimov het vuur na aan de schenen legt.

Ronduit shockerend vind ik het bericht in de krant dat de Navo al jaren samen met Oezbekistan werkt aan een 'partnerschap voor vrede'. De Navo: een organisatie waar Nederland ook lid van is en waarvan een Nederlander voorzitter is. De Navo moet al jaren geweten hebben dat de Oezbeekse bevolking lijdt onder haar regering, dat ze een misdadig president steunt door relaties met deze klootzak te onderhouden. Zijn Saddam Hoesein en de Taliban ook niet op een dergelijke wijze 'groot' geworden?

Zou Oezbekistan olie hebben?

20 mei 2005

409

Maar moet ik mijn ja voor de Grondwet dan niet motiveren? Is alleen maar schrijven dat ik ja ga zeggen wel voldoende? (Het lijkt bijna wel een huwelijk: neemt u, jwl, de Europese Grondwet tot uw wettige echtgenoot ... en bij ja: waarom dan wel?) Wat zijn mijn argumenten? Heb ik me wel voldoende verdiept in de materie?

Laat ik er maar niet omheen draaien: mijn keus voor ja is gevoelsmatig. Ik sta met mijn mond vol tanden als u me naar rationele argumenten gaat vragen. Artikelen in de krant over de Grondwet heb ik genegeerd. Toen de Grondwet werd geschreven las ik trouw het nieuws erover. De discussie over wel of niet God in de Grondwet heb ik – vreemd genoeg – wel gevolgd. Met een glimlach.

Ik voel een culturele verbondenheid met andere Europese landen, niet een politieke verbondenheid. De Europese politiek is als alle politiek op alle niveaus: het gaat niet om waarheid, maar om macht en invloed. Politiek is zelfbevrediging. Politiek is intellectuele porno.

Als ik ja zeg tegen de Grondwet zeg ik ja tegen die culturele verbondenheid. Dat is naief, dat weet ik. Natuurlijk had ik liever een heldere Grondwet gehad met betere democratische spelregels. Ik heb alleen niet de illusie dat die Grondwet er komt als Nederland straks per referendum de Grondwet afkeurt. De kans dat er op zeer lange termijn een betere Grondwet gemaakt wordt lijkt mij groter als er al een grondwet is. Bewijzen kan ik dat natuurlijk niet, het is een kwestie van vertrouwen.

Nee stemmen zou voor mij echter ook een nee zijn tegen al die andere Europese landen met hun inwoners, hun literatuur, hun filosofieën en religies, hun geschiedenis. Een gemeenschappelijke grondwet – hoe onvolmaakt ook! – zou van Europa een grotere eenheid kunnen maken. Ik wil dat een kans geven.

19 mei 2005

408

Vorige week werd weer De Zevensprong op televisie uitgezonden. Ik had de verfilming niet gezien. Wel had ik het hele boek aan mijn zoon voorgelezen. Omdat we op vakantie waren had ik de serie uitzendingen op video opgenomen. We kijken elke avond één of meer afleveringen. Gisteravond trof me een mooi stukje:

'Nou, en wat zou dat?' zei mevrouw Bakker. Ze wendde zich af van de spiegel en keek Frans aan. 'Waarom mag de jongen niet twee personen zijn? Dat is toch heel gewoon! Ieder zinnig mens bestaat toch uit meer dan één persoon – jij, als schoolmeester, moet dat zeker weten!'

'Ja maar ...' zei Frans, enigszins overbluft.

'Als Rob er zin in heeft een paar verschillende levens te leiden, láát hem ...' vervolgde zijn hospita. 'Over een poosje zal hij wel leren al die knapen – brozems, vrijbuiters en jongens die naar school moeten – in één leven onder te brengen. Ben jij niet méér dan alleen Frans van der Steg? Ik zelf besta uit verscheidende mensen hoor – wel meer dan twee.'

'Mevrouw Bakker ... Tante Willemijn ...' zei Frans.

'Voor jou wil ik wel Tante Wilemijn zijn,' sprak zijn hospita. 'Kom, steek jij de lampen in de eetkamer even aan; dan zal ik thee zetten en de koek snijden.'

Mooi dat Ze wendde zich af van de spiegel ... en dan die opmerking Ieder zinnig mens bestaat toch uit meer dan één persoon. En mooi die afsluiting dan zal ik thee zetten en de koek snijden. Zo eenvoudig kan literatuur zijn. Het is een korte passage en zo voorbij, maar dit soort momenten maakt onderscheid tussen literatuur en lectuur. Bovendien lijkt deze passage zo onschuldig, maar dat is het niet. Hoelang hebben mensen niet gedacht dat hun persoonlijkheid uit één geheel bestaat? (Jeroen Bartels heeft daar mooie boeken over geschreven: De geschiedenis van het subject, uitgebracht bij Kok Agora / Klement).

13 mei 2005

407

Het is alweer een tijd geleden dat ik u liet raden naar een eerste zin uit een boek. U had er geen moeite mee om The Fall of the House of Usher van Poe te raden.

De Engelse taal kan zo mooi zijn. De volgende eerste zin uit een beroemd boek is daar eveneens een voorbeeld van. Het gaat me niet zozeer om de inhoud van de zin, maar om het ritme. Kunt u raden uit het welk boek het komt? Ik zou het heel knap vinden.

The studio was filled with the rich odour of roses, and when the light summer wind stirred amidst the trees of the garden, there came through the open door the heavy scent of the lilac, or the more delicate perfume of the pink-flowering thorn.

12 mei 2005

406

Afgelopen zaterdag ben ik naar Leeuwarden geweest om mijn moeder in het ziekenhuis te bezoeken. Vorige week kreeg zij het advies een bypass-operatie te ondergaan. Alhoewel ik vaak gehoord heb dat deze operaties goed verlopen en de patiënten er heel erg van opknappen, vond ik het toch belangrijk om mijn moeder voor de operatie nog gezien te hebben. Je weet immers maar nooit.

Mijn zus woont op loopafstand van het ziekenhuis MCL-zuid, dat was wel makkelijk. Ik ging alleen naar het bezoekuur. Wie via de hoofdingang het ziekenhuis inloopt komt in een lange gang met rechts allemaal winkeltjes. Nu had ik al een bos bloemen gekocht, maar ik kon het niet laten om toch even te kijken of ik nog iets geschikts voor mijn moeder kon vinden. Mijn oog viel als eerste op een boek van Gerard Reve – Op weg naar het einde – en ik vroeg me af of dat nu wel een geschikte titel was voor in een winkel in een ziekenhuis. Om niet teveel tijd te verliezen van het bezoekuur heb ik niet lang gezocht en ging ik uiteindelijk zonder boek naar mijn moeder.

Ze had ook geen boek nodig. Ze las het boek van Traudl Junge dat ik een tijd geleden aan mijn vader had geleend. Verder amuseerde ze zich prima met het personeel en de andere patiënten, er werd heel wat afgelachen. Het was vreemd om mijn moeder zo te zien. Thuis is ze nooit zo ontspannen. Mijn moeder heeft de neiging om altijd eerst de donkere kant van de zaken te zien, maar hier in het ziekenhuis had ze een vast vertrouwen dat het allemaal goed zou komen. Ze wilde geen televisie, geen telefoon, ze vermaakte zich prima. Mijn moeder is een oneigentijdse vrouw.

We hebben twee uur lang geannimeerd gepraat. Aan het einde van het bezoekuur bracht ze me naar de lift. Ik keek haar nog eens goed aan, je weet immers maar nooit. Zo vrolijk had ik haar nog nooit gezien. Toen ging de liftdeur dicht.

Gisteravond heb ik mijn zus gebeld. De operatie was goed gegaan, ze had maar liefst vier omleidingen gekregen. Voorlopig moet ze nog op intensive care blijven. Ik hoop nog lang van haar vrolijkheid te kunnen genieten!

11 mei 2005

405

Op de avond van Dodenherdenking bevond ik mij in een zwembad. Nou ja, niet in een zwembad, maar in het Aqua Dome van het Heijderbos, Centerparcs. Ik moet toegeven dat ik even helemaal weg was totdat ik de omroeper hoorde. Boven het lawaai van het zwembad probeerde hij mede te delen dat het acht uur was en of iedereen een minuut stilte in acht wilde nemen in verband met Dodenherdenking. Ik stond op mijn zoontje te wachten die elk moment het einde van de wildwaterbaan kon bereiken en ik vroeg me af of nu de wildwaterbaan stop gezet zou worden. Maar er veranderde niets. Iedereen ging gewoon door met zijn pret alsof er niets aan de hand was. In gedachten zag ik soldaten sneuvelen voor de vrijheid van mijn zoon om met veel genoegen naar beneden te worden voortgestuwd door het water. Aan mijn surrealistische verwondering kwam een einde toen dezelfde omroeper met dezelfde ernst iedereen bedankte voor de medewerking.

9 mei 2005

404

Bosch en Duin 1986-1989 I (6)

Wat er rond Kerst 1986 met mij gebeurd is weet ik niet meer. Tussen 1 december en 1 januari staat niets in mijn dagboek. Op 1 januari 1987 vind ik de zinsnede: 'De afgelopen week is voor mij beslissend geweest'. Maar wát er dan beslissend is geweest staat er niet! Ik kan het ook niet meer terug halen, het zal ongetwijfeld een boek zijn geweest waarvan ik onder de indruk was. Hoe dan ook, na die tijd begint mijn dagboek nog religieuzer te worden, ik word bij het lezen heen en weer geslingerd tussen gêne en vrolijkheid. Nieuwe boekaankopen volgen rap: op 5 januari bijvoorbeeld De Geheime Leer van H.P. Blavatsky (één van mijn studievrienden was theosoof) en een paar dagen later De Aquarius Samenzwering van Marilyn Ferguson. Mijn aantekeningen beginnen hier en daar wat 'filosofischer' te worden. Zo kom ik een heel stuk tegen over muziek en literatuur waarbij ik beweer dat er eigenlijk geen wezenlijk verschil bestaat tussen deze twee.

In deze tijd raak ik bevriend met iemand die ik nog kende van de middelbare school: E. Ik had hem in Leeuwarden opgezocht en later een brief geschreven. Het zou een hele waardevolle vriendschap worden. Een paar zomers later gingen we samen liftend naar Taizé.

Het is een wonderbaarlijke tijd en ik giet me helemaal vol met nieuwe ervaringen. Ik koop mijn eerste Werke van Nietzsche en ik lees tegelijk Die Leiden des Jungen Werthers en Die Wahlverwandschaften van Goethe. Ik word lid van Het Wagnergenootschap en bezoek mijn eerste koncerten met klassieke muziek uit India. Ik luister naar het radioprogramma Het Zwarte Gat, ik maak gebruik van de I Tjing. Ik lees me helemaal suf over Wagner. Mijn studentenkamer begint langzaam maar zeker uit te puilen met boeken. De boekenkast wordt te klein, dus de vensterbank en het bureau moeten uitkomst bieden. Ondertussen probeer ik manmoedig te studeren, maar door gebrek aan discipline gaat het allemaal niet voorspoedig. Ondertussen correspondeer ik met mijn demon, dat ook de nodige emoties oplevert. Elke dag de stille hoop dat er een brief van haar in de brievenbus zou zitten. In mei begin ik de eigenaardige boeken van Jane Roberts te lezen, beginnende met Seth Spreekt. Ik ben er helemaal van in de ban. Als een ongeleid projectiel verdiep ik me in andere dimensies en werkelijkheden. Mijn studievrienden kijken vreemd op als ik op een dag midden op een brug over de Oude Gracht in Utrecht beweer dat God ook in die brugleuning zit. Mijn studievrienden beginnen te twijfelen aan mijn geestelijke gezondheid.

In juni 1987 is er dan ook niets meer over van de euforie die ik een half jaar eerder beleefde. Ik vind mezelf 'depressief'. Het eerste studiejaar loopt ten einde, ik kijk tegen een lege zomer aan waarin alleen een weekje Taizé gepland is. Ik heb geen idee hoe ik die zomer door moet komen, ik wil niet wekenlang bij mijn ouders zijn. Met dergelijke overwegingen en gevoelens loop ik naar de bibliotheek. Net als ik naar binnen wil komt er een bekend gezicht naar buiten. We herkennen elkaar. Hij was halverwege het jaar verschenen bij muziekwetenschappen, hij deed muziekwetenschappen als bijvak bij taalkunde. We hadden elkaar gesproken in de wandelgangen, maar verder niet. In juni 1987 had ik hem al een tijdje niet meer bij de colleges gezien. We gaan een kopje koffie drinken aan de gracht en dan komt er een heel verhaal alsof hij al weken niemand meer gesproken had. Zijn vriendin met wie hij al enige tijd had samengewoond was bij hem weggegaan. Hij had twee weken alleen maar op bed gelegen en nauwelijks iets gegeten. Hij was blij mij te spreken, want hij had bijna een maand met niemand meer contact gehad. Toen we weer allebei onze eigen weg gingen beloofde ik hem een brief te schrijven en weer contact op te nemen als ik terug zou komen uit Taizé. Zo begon mijn vriendschap met P., de grootste vriendschap die ik gekend heb. Hij zou er voor zorgen dat ik weer een beetje met beide benen op de grond zou komen te staan. Hij zou er voor zorgen dat ik mijn studie niet totaal zou verknallen. Hij bracht mij de liefde voor de muziek van Bach bij. P. was een echte boezemvriend. Het was een vriendschap waarvan ik me toen niet kon voorstellen dat het ooit over kon gaan.

9 mei 2005

403

Het boek ziet er mooi uit, maar de associatie met de conservatieve Edmund Burke Stichting weerhoudt mij om het te willen lezen. Voorwaar een oneigenlijk argument, u vergeeft het mij vast wel.

Ik las in de krant Trouw dat vier van de vijf bestuursleden van deze stichting zijn opgestapt. Sinds jongetje Spruyt (directeur van de stichting) met jongetje Wilders in de conservatief-liberale zandbak aan het spelen is vonden ze de stichting niet onpartijdig genoeg meer. Vreemd dat dan vier van de vijf bestuursleden opstappen en niet die ene die nu blijft zitten.

Verbaasd was ik ook dat de rechtsfilosoof Kinneging de nieuwe voorzitter is geworden. Want las ik in een interview in Filosofie Magazine (FM 3/2005 blz. 11) niet de volgende uitspraak over de stichting: ‘Als het aan mij ligt wordt de stichting een soort universiteit, waar conferenties belegd worden, waar boeken geschreven worden over fundamentele vraagstukken. Ik ben ook niet onverdeeld gelukkig met de koers die de stichting nu vaart. Ze richt zich naar mijn smaak te veel op de politiek.’? Dat kan nog heel gezellig worden in die zandbak.

Vergist u zich niet in deze meneer Andreas Kinneging. Hij heeft zelfs een boek geschreven. Geografie van goed en kwaad heet het werkje. Daarin zou Kinneging constateren dat ‘de twee grote tradities die daaraan [ic aan Verlichting en Romantiek – jwl] vooraf gingen en nu in vergetelheid dreigen te raken – de Grieks-Romeinse en de joods-christelijke traditie – veel meer waarheid bevatten.’ In vergetelheid dreigen te raken? Ach hoepel toch op! De winkels liggen vol met nieuwe vertalingen van boeken uit die tijd. Je kunt geen filosofisch getint artikel meer lezen of er wordt teruggegrepen op de Grieken en de Romeinen! Plato en Aristoteles? Ik word er doodmoe van. Trouwens wel aardig om te beweren dat er voor de Verlichting tradities waren met meer waarheid terwijl Edmund Burke een Verlichtingsfilosoof was.

Andreas Kinneging zal ongetwijfeld een goed hoogleraar rechtsfilosofie zijn (‘Ik ben een uitzondering als ik Thomas van Aquino in mijn hoorcolleges rechtsfilosofie behandel’ – nou grote jongen hoor, Andreas, maar ik geloof helemaal niets van die uitzonderlijkheid), maar het doet me allemaal sterk denken aan die koffie-met-gebak-filosofietjes. U kent dat wel (ik doe het zelf ook met liefde): de problematiek van de wereld en het leven doornemen terwijl men zijn gebakje nuttigt. In een handomdraai wordt alles even geduid en verklaard waar de mensen al eeuwen over aan het denken zijn. Dat moet ook vooral zo doorgaan. Mocht er ooit eens iemand komen met het Ultieme Antwoord, dan dient deze ogenblikkelijk vermoord te worden. Maar om nu die filosofietjes in erudiete taal te gieten en uit te geven, dat zou nou nooit in mij opkomen. Meneer Kinneging dacht daar schijnbaar anders over. Ik ben benieuwd hoe hij straks met kleutertje Wilders zandgebakjes gaat maken.

(...) maar wat je je moet afvragen is, waarom je als enkeling bestaat, en wanneer niemand anders je dat kan vertellen, moet je maar eens proberen de zin van je bestaan als het ware a posteriori te rechtvaardigen, namelijk door jezelf een doel, een bedoeling, een 'daartoe' voor te houden, een hoog en edel 'daartoe'. Ga er maar aan te gronde – ik ken geen beter levensdoel dan aan het grote en onmogelijke, animae magnae prodigus, te gronde te gaan.

Friedrich Nietzsche Oneigentijdse beschouwingen: Over nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven, 159

26 april 2005

402

Variaties voor een klein publiek

Hij wordt steeds zieker en laat zich in een taxi
vervoeren naar het podium waar hij lang
zijn handen aan de toetsen warmt voor hij begint

Onafgebroken verzamelde hij stemmen
en natuurlijke geluiden tot hij alles eerder had gehoord

Een zwakke belichting en toch denkt hij
aan zijn moeder om zich niet te moeten verdiepen
in de hem omringende gezichten zonder voortdurend te stoppen

Hij kan dit onmogelijk doen.

Alfred Schaffer Dwaalgasten, 40

23 april 2005

401

Bosch en Duin 1986-1989 I (5)

Van 31 augustus 1986 tot 23 februari 1989 woonde ik op kamers in Bosch en Duin. Niet de meest ideale plek voor een student, er kwam maar zelden iemand op bezoek bij mij. Even langskomen zat er niet in en ik bezocht ook zelden de nieuwe vrienden die ik in mijn studietijd maakte. Ik kan me verjaardagen herinneren later in Zeist waar ik meer dan 20 gasten had die maar net pasten in mijn 3 bij 5 meter kamer. Ik zal die verjaardagen niet licht vergeten. Sommigen kwamen van heel ver: Groningen, Leeuwarden, Enschede, Den Haag ... als het om aantal vrienden ging en de moeite die ze deden om het contact op grote afstand te onderhouden, dan was ik een rijk iemand. Maar de eerste jaren ging ik vooral met studiegenoten om. We volgden samen college, gingen na afloop koffie drinken, bezochten films en koncerten enz. Alleen de studiegenoot D. in Den Haag bezocht ik wel eens.

Financieel had mijn vader het goed voor mij geregeld, te goed zegt de vader in mezelf nu. Ik heb nooit gewerkt in mijn zes jaren studie, maar ik heb nog steeds een flinke studieschuld. De huur was laag, het collegegeld was nog laag, de studiebeurs nog redelijk, de leningen waren nog zonder rente en mijn ouders droegen zonder problemen bij. Het was wennen om verantwoordelijk te zijn voor mijn eigen financieën. Met name de rijke keuze aan boeken en muziek in Utrecht was heel verleidelijk. Het was moeilijk om op de rem te trappen, dat is mijn hele studietijd gebleven. Al op 11 november 1986 noteer ik in mijn dagboek: ‘Vandaag heb ik me succesvol kunnen inhouden, wat betreft het kopen van boeken, die ik niet echt nodig heb. Ik hoop dat ik dat volhou.’ Later ging het wel eens mis, er zijn maanden geweest waar ik de laatste dagen voor mijn nieuwe studiebeurs geen geld meer had om eten te kopen, omdat ik weer zonodig een of ander boek moest kopen. Soms nodigde ik mezelf dan uit bij een ander om te eten, soms was het gewoon water en (droog) brood.

Het muziekaanbod in Utrecht was enorm in mijn ogen. Het eerste koncert dat ik met mijn nieuwe muziekwetenschappelijke vrienden bezocht was een gratis koncert van de pianist Daniel Wayenberg. Hij ging een pianistisch kunststukje uithalen door voor de pauze de etudes van Chopin te spelen en na de pauze de vreselijk moeilijke Etudes d'exécutions van Franz Liszt. We moeten ons in de pauze als ware arrogante eerstejaars snobs gedragen hebben. In mijn dagboek lees ik terug dat D. in de pauze luidkeels liep te beweren dat hij Wayenberg een bedrijver van porno vond met hier en daar een hoogtepunt. Ik vond het dolkomisch allemaal, al was ik veel te verlegen en bescheiden om echt mee te doen met deze genante toestanden.

Een paar dagen later ging ik alweer naar en koncert in Vredenburg. Ditmaal alleen, want voor deze muziek kreeg ik mijn nieuwe vrienden niet mee. Ik zou nog veel meer koncerten en films alleen bezoeken en soms kwam ik dan ook in contact met andere koncert- of filmbezoekers. Dit eerste koncert was meteen raak: ‘Vanavond naar het koncert van Philip Glass geweest. Ik ben niet echt onder de indruk. De [muziek] werd keihard versterkt, werd daardoor agressief en schril. Aan dit soort muziek heb ik dus een hekel. In de pauze had ik een gesprek met een jonge vrouw over de muziek. Zij was wel degelijk diep onder de indruk. Zij zag er, als ik het goed begrijp, een soort cosmische harmonie in. Naar ze beweerde was ze tijdens het koncert ook even “weg", niet bewust van haar omgeving. Ik begrijp niet hoe zij dat bij deze muziek kan beleven’ (Bosch en Duin, maandag 22 september 1986).

Hier raak ik aan een ander kenmerk van die tijd. Ik was in de ban van new-age. Het boeide me ontzettend maar iets weerhield mij om me actief in dat wereldje te storten. Heel langzaam maar zeker zou ik steeds meer afstand nemen van het modieuze gezweef.

Een koncert waar ik overigens vele malen meer van onder de indruk was, was het koncert van Nina Hagen in Vredenburg op 17 november 1986. Ook ditmaal kreeg ik geen studievrienden mee. Ze begrepen mijn muzikale smaak niet helemaal. Een dag na het koncert voerde ik mijn eerste heftige discussies over populaire muziek en noteer in mijn dagboek: ‘Ik ben de hysterie rond de schoonheid van klassieke muziek goed zat’.

22 april 2005

400

Het zien van de nieuwe paus deed me aan M. denken. M. leerde ik in het begin van mijn studietijd kennen. Ik zag hem niet vaak, maar als we elkaar zagen was het altijd gezellig. Toen ik net als hij op de Warande in Zeist op kamers ging wonen, bezocht ik hem geregeld op de studenteneenheid waar hij een kamer had. Woonde ik op een relatief rustige studenteneenheid, hij woonde op een etage waar geen enkele normale student leek te wonen.

Toen ik M. als eerstejaars muziekwetenschapper leerde kennen was hij enkele jaren ouder. Hoe alles precies verlopen is, is me nooit helemaal duidelijk geworden, maar ik heb begrepen dat het ongeveer als volgt moet zijn gegaan. Eerst was M. biologie gaan studeren totdat hij een roeping meende te hebben. Hij trad in als novice in het klooster van Vaals. Daar hield hij het niet vol en ging weer studeren: muziekwetenschappen. Tegelijk met de studie muziekwetenschappen deed hij een studie filosofie in Amsterdam, met als specialisme Thomas van Aquino. Toen hij één van de twee studies beeindigde (ik weet niet meer welke) ging hij ineens een verplegersopleiding volgen. Ik weet niet of hij die opleiding heeft afgemaakt – ik had ondertussen geen contact meer met hem – maar later kwam ik hem tegen in de trein tussen Amsterdam en Utrecht. Hij vertelde dat hij 'stage' liep als priester. Toen ik hem nog geregeld zag plaagde ik hem wel eens dat hij later ongetwijfeld een thomistische muziektherapeut zou worden, maar ik heb begrepen dat hij nu priester is in één of andere parochie. (Overigens denk ik dat zijn 'mislukken' in het klooster wellicht samenhing met het feit dat er toen of later een man in zijn leven was gekomen. Ik heb zijn vriend eenmaal ontmoet (hij was 'erg onder de indruk' van mij, zou M. me later vertellen), want doorgaans was hij ver weg aan het werk: hij werkte op een boortoren.)

Bij één van mijn bezoeken aan M. vertelde hij me dat er op de studenteneenheid een geestenuitdrijver woonde die het vooral op hem gemunt had. Ik lachte. Of ik hem niet geloofde? Hij zette keihard een cd op met gregoriaanse gezangen. Gregoriaanse gezangen zouden volgens M.'s huisgenoot kwade geesten aantrekken. En ja hoor, ergens hoorde ik een kabaal vandaan komen waar elke rechtgeaarde boze geest wel voor op de vlucht moest slaan. Ik heb deze 'geestenuitdrijver' later ontmoet op een verjaardag van M. Hij vertelde toen in geuren en kleuren dat zijn vader op het politiebureau had moeten komen. Ja, zijn vader had die planten in zijn tuin wel opvallend gevonden, maar die waren van zijn zoon. Als de buurt er last van had zou hij zijn zoon wel vragen om die planten te verwijderen. Dat had hij gedaan. Alleen paste deze wietplantage maar nauwelijks op het balkon van zijn kamer. Volgens M. had geestenuitdrijver vaak last van een plotselinge inkeer. Dan had onze exorcist besloten om nooit meer te drinken en te blowen en stond hij vol overtuiging sinaasappels uit te persen in de keuken waarbij hij een ieder die voorbij kwam vertelde van zijn hernieuwd idealisme. Een idealisme overigens dat dezelfde avond dan weer vergeten was.

Maar goed, dit was niet de herinnering die gisteren bovenkwam toen ik de nieuwe paus zag. Die herinnering is verbonden met een andere huisgenoot van M. die veel problematischer was. Deze huisgenoot was zwaar gereformeerd. Toen hij een keer geen verjaardag wilde vieren met zijn eenheid besloot M. hem dan toch maar een fles wijn cadeau te doen. Deze werd nog minzaam in ontvangst genomen met de vraag 'of M. misschien de wijn ook gezegend had?' De fles wijn bleef een jaar lang ongeopend in de keuken staan, de gereformeerde huisgenoot wilde hem 'bij een speciale gelegenheid drinken'. Toen huisgenoot weer jarig was, was M. het zat om nog tegen die fles op het aanrecht aan te kijken en besloot met de andere huisgenoten de fles leeg te drinken. Toen hij de volgende ochtend vanuit de douche naar zijn kamer liep zag hij in grote letters met krijt op zijn deur gekalkt: JIJ SCHIJNHEILIGE KATHOLIEK.

Wel – het duurde even – maar nu weet u wat de eerste gedachte was die bij mij opkwam toen ik gisteren de paus op het balkon zag staan.

20 april 2005

399

Het is al weer een jaar geleden dat ik stopte met roken. Heb ik het volgehouden? Ja, omdat ik geen gewoonteroker meer ben. Nee, omdat ik nog wel eens op een schaakavond of in de pauze van twee uur rijlessen een sigaret biets. Of ik er echt helemaal mee zou kunnen ophouden? Ik vrees van niet.

Ik heb de laatste dagen veel aan het vervolg van mijn Bosch en Duin-verhaal gedacht. Dat komt er ook, maar voorlopig niet. Ik heb niet de tijd en de rust om verder te gaan, dus u moet nog even geduld hebben.

18 april 2005

398

Het blijft toch iets aparts, een rijexamen. De spanning de dagen vooraf, ik had er ontzettend veel last van. Wat gebeurt er toch allemaal in je lijf als je zo gespannen bent? Soms ben ik dan chagrijnig niet dóór de spanning, maar ómdat ik gespannen ben. Het is toch helemaal niet nodig? Ik wilde bijna dat examen halen om maar van dat gevoel af te zijn.

Ik heb best ontspannen gereden en ik had een hele aardige en prettige examinator, daar lag het niet aan. Het was gezellig. Dat ik toch niet geslaagd ben kwam door een aantal punten, waaronder het ver vooruit kijken, het blijk geven van verkeersinzicht enz. Natuurlijk ben ik teleurgesteld, maar die man moet ook zijn werk goed doen en niet iemand de jungle insturen als hij vindt dat degene die naast hem zit te rijden daar nog niet aan toe is. Wat dat betreft heb ik er vrede mee. Vanmiddag het volgende examen maar gaan regelen.

15 april 2005

397

Nee, je moet niet altijd andermans opvattingen en overtuigingen respecteren. Wat vooral gerespecteerd moet worden, zijn de personen en hun burgerrechten, niet hun opvattingen en hun geloof. Ik weet wel dat er mensen zijn die zich zozeer identificeren met hun overtuigingen dat ze die als deel van hun lichaam zijn gaan zien. Dit zijn mensen die voortdurend roepen: “Ze hebben me gekwetst in mijn overtuigingen!" Alsof iemand met opzet op hun tenen is gaan staan. Het is misschien niet erg beleefd om luidruchtig te bekvechten met een medemens, maar dan gaat het alleen om een kwestie van manieren, niet om een misdaad.

Fernando Savater in:
Annette van der Elst ‘Kiezen voor nieuwe banden, nieuwe riten, nieuwe mythen’
in: Filosofie Magazine 2004/10, 14

14 april 2005

396

Bosch en Duin 1986-1989 I (4)

Wanneer ik 's avonds thuis was ging ik wel eens een bezoekje brengen aan mevrouw Van der K. Aanvankelijk om een praatje te maken, maar het groeide uit tot een gewoonte om eerst 'samen' naar het journaal te kijken. 'Samen', omdat zij meestal de tijd van het journaal gebruikte om 'een bakkie troost' te gaan zetten. Ze hoefde ook geen journaal te kijken, want ze luisterde al de hele dag naar radio 1, 2 of 5. Mevrouw Van der K. wist precies wat er in de wereld gaande was en voordat het journaal begon, was ik al op hoogte van het grootste nieuws. Bij de thee kreeg ik overigens altijd standaard 'een kaakje'.

Als mevrouw naar de keuken was om thee te zetten werd ik goed in de gaten gehouden door de drie poezen. Soms vroeg ik me wel eens af of er niet achter die ogen drie betoverde heksen schuil gingen die zich avond aan avond afvroegen of deze jongeman niet in een kikker veranderd moest worden. Wellicht zat ik gewoon op 'hun' stoel. Alhoewel er wel eens één per abuis op mijn schoot sprong als tussenstop naar de tafel is het me nooit gelukt een goede verstandhouding op te bouwen. Was mevrouw de kamer uit, werd er meteen naar mij geblaasd.

We hebben vele gesprekken gevoerd, mevrouw en ik. Ik zie haar nog zitten met haar kaarsrechte rug en de ietwat gekromde pink bij het drinken van haar thee. Ze was cynisch, er was weinig goed aan de wereld en aan de mensen. Naast mij en E. zag ze zo nu en dan een glazenwasser, de bezorger van de kruidenier, de notaris. Ik hoorde zelden de telefoon gaan (en als de telefoon toch ging, was het meestal voor mij). Soms hoorde ik haar mopperen en kankeren op de poezen, maar verder 'communiceerde' ze alleen met de radio. Dag en nacht, in die ene kamer waar volgens mij sinds de jaren '50 geen nieuwe meubelen meer waren geplaatst.

Mevrouw Van der K. liet zeer weinig over zichzelf los, maar in de loop van de jaren kon ik me uit de spaarzame puzzelstukjes toch een beeld vormen. Ze zal ergens rond de Eerste Wereldoorlog geboren zijn. Haar vader was een hoge pief bij Justitie in Den Haag. Ze groeide op in de hogere kringen van Den Haag. Vaak noemde ze een straat of wijk die ik altijd spelde als Kattebras, maar misschien moet het Quatrebras zijn, ik heb het niet terug kunnen vinden. Als mevrouw het over 'de meisjes van tegenwoordig' en hun slechte manier van kleden had, refereerde ze vaak aan haar eigen streng op etiquette gerichte opvoeding. Haar doen en laten gaf daar ook wel blijk van, want al die aangeleerde houdingen en formuleringen zaten er nog steeds in, het was een tweede natuur geworden.

In de Tweede Wereldoorlog zijn ze alles kwijt geraakt. Ze kwam terecht in Bosch en Duin en in de laatste oorlogsjaren werden Duitse soldaten in hun huis ingekwartierd. Dat moet een donkere tijd geweest zijn. Ze is na de oorlog in het huis blijven wonen met haar zus, ze bleven beide ongetrouwd. Op een gegeven moment is haar vader overleden (hij was een groot voorbeeld voor haar; over haar moeder had ze het overigens nooit). Samen met haar zus verhuurde ze kamers aan alleenstaande adellijke dames. Toen ik er kwam wonen was het alweer lang geleden dat de laatste dame was vertrokken. De zus van mevrouw had kanker gekregen en ze had haar zus jaren verzorgd. Toen haar zus overleed bleef mevrouw alleen achter. Ze had nog wel neven en nichten, maar daar hoorde ze zelden wat van. Om haar eenzaamheid wat te verlichten had ze op een gegeven moment besloten om studenten op kamers te nemen, al was het maar om het idee dat er nog anderen in huis waren. Voor mij had ze nog een andere jongeman op kamers gehad. Die was zo vriendelijk en voorkomend geweest, maar had haar bestolen bij zijn vertrek, zei ze. Na zijn vertrek was ze van alles kwijt geweest. Aan E. mankeerde ook van alles, natuurlijk. Ik maakte me geen illusies: achter mijn rug om zou ze ook wel over mij klagen tegen E.

Toch stelde ze mijn bezoeken op prijs, dat weet ik zeker. Als ik aankondigde om 'mijn boeken maar weer eens op te zoeken' probeerde ze het gesprek altijd nog zo lang mogelijk te rekken. Als ik in de deuropening stond bleef ze maar praten. Als ik haar dan eindelijk een goede nacht kon toewensen kreeg ik nog naar mijn hoofd geslingerd dat ik rechterop moest lopen: 'u (ze zei altijd u en meneer tegen me) moet rechterop lopen, dat is beter voor u', waarbij ze veel venijn in de intonatie legde om haar teleurstelling te verbergen. Jaren later hoorde ik die stem 's avonds nog wel eens en dan rechtte ik mijn rug ... met een glimlach.

11 april 2005

395

Bosch en Duin 1986-1989 I (3)

Dagboek, Bosch en Duin, zondag 31 augustus 1986:

Vandaag definitief verhuisd. Ik ben het huis uit!! Wat de toekomst zal brengen weet ik niet. Morgen mijn eerste dag op de universiteit. Het wordt ongetwijfeld zeer spannend.

Trouwe lezers van mijn weblog weten dat ik ineens verhalen ga vertellen over een periode in mijn leven. Dat gebeurt tamelijk spontaan. Er komt van alles boven en ik begin te schrijven. Het is erg persoonlijk wat ik hier ga schrijven, maar omdat het zo ver weg is heb ik daar zelf geen moeite mee. Het voelt als een klein onderzoek naar een jongetje, dat jongetje dat ik ooit geweest ben. Ik verwonder me over dat jongetje. Wie was hij? Wat ging er toen in hem om? Gelukkig heb ik dagboeken uit die tijd. Het lezen in die dagboeken voelt alsof ik als een voyeur in mijn eigen dagboeken zit te lezen. Dat het toch echt mijn tekst is herken ik aan de beelden en gevoelens die boven komen, beelden en gevoelens die ik dacht kwijt te zijn. Zeker als het gaat om de eerste jaren op kamers in Bosch en Duin, die jaren zijn volkomen overschaduwd door de jaren erna. Zonder al te dramatisch te willen klinken kan ik zeggen dat de eerste jaren op kamers donkere jaren waren, zo donker dat ik begonnen was ze over te slaan. Alsof ze nooit bestaan hebben. Ik moet mezelf vaak voorhouden dat ik niet meteen op kamers in Zeist ben gaan wonen, daar zaten nog een paar jaar voor.

Nu noem ik die jaren donker, maar ik geloof dat ik ze toen niet zo beleefde. Een beeld vormen aan de hand van mijn dagboeken is gevaarlijk, want in een dagboek komen vaak de sterkste emoties terecht, de uitzonderingen. Het is een man van 37 jaar die bij het lezen denkt: 'Wat was je eigenlijk verschrikkelijk ongelukkig toen!' Ik zie mezelf in een spiegel 19 jaar jonger en ik schrik er soms van.

Wat was ik voor een jongen die op z'n achttiende uit Friesland vertrok om te gaan studeren in de grote stad Utrecht? Uit mijn dagboeken komt een uiterst onzeker en in zichzelf gekeerde jongen te voorschijn die worstelt met de wereld om zich heen en met zichzelf. In de zomer van 1986 had zich een flinke aardverschuiving in mijn hoofd voorgedaan en de naschokken waren lange tijd voelbaar.

Verrast was ik door een passage in mijn dagboek die ik enkele dagen voor de verhuizing schreef (25 augustus 1986): Doordat mijn gevoelens zo overheersen zal mijn studie uiteindelijk wel een mislukking worden. Misschien is 'mislukking' niet helemaal juist, maar ik heb zes jaar gestudeerd en de studie nooit afgemaakt. Het is eigenaardig om dan nu die woorden te lezen, geschreven nog voordat ik aan mijn studie moest beginnen! (Ik verbaas me steeds over de stijl van mijn zinnen uit die tijd. Ze zijn soms zo overdreven dramatisch, dat ik telkens bijna in de lach schiet.)

De eerste weken van mijn studie miste ik ontzettend veel mensen. Ik miste niet alleen mijn ouders, maar ook mijn vrienden (en één in het bijzonder), de middelbare school, de leerkrachten, kortom het hele leventje dat ik voordien leidde. Ik was de enige van mijn middelbare school die in Utrecht ging studeren, ik moest het helemaal zelf zien te organiseren. Ineens moest ik zelfstandig zijn: eten kopen en koken, financieën en administratie bijhouden enz. enz. Daarnaast moest ik de weg zien te vinden op de universiteit, nieuwe mensen leren kennen. Ik voelde me toen verschrikkelijk alleen. Op de eerste dag schrijf ik: De enige troost is, dat ik mijn eigen spulletjes hier heb waaraan je (sic!) gehecht bent. Mooi die verschrijving, het is alsof ik mezelf toespreek en daarbij probeer mezelf moed in te spreken. Het enige wat op dat moment dichtbij en vertrouwd was waren mijn eigen spullen in een vreemde kamer. Dat gaf troost, maar was ook erg definitief: terug naar mijn ouders kon niet meer zomaar. Vanaf nu ging ik 'op bezoek' bij mijn ouders.

8 april 2005

394

Bosch en Duin 1986-1989 I (2)

Hoe we mijn piano op de eerste etage hebben gekregen via die trap is me nog steeds een raadsel. Eerst een klein stukje omhoog, dan een bocht naar links, weer een klein stukje, weer een bocht naar link. Vervolgens naar de andere kant lopen om daar weer een bocht naar links te maken.

Het hoge plafond maakte het tot een ruimtelijke studentenkamer. Aan ene lange kant was het schuine dak, waarbij aan beide kanten een kast was gebouwd. Tussen deze kasten paste mijn bed. Aan de andere kant een wastafel, mijn koelkast met daarop een elektrisch kookstel. Verder stond er een groot bureau dat ik leende van mevrouw Van der K. Zo'n ouderwets groot bureau, ik mis 'm soms nog! Een rookstoel die nog van mijn grootvader was geweest, een heerlijke leesstoel voor mij. Een boekenkast (later is er nog een bij gekomen). Een platenkastje met een stereo erboven op. Indertijd (we hebben het over 16 tot 18 jaar geleden) had ik nog geen computer, geen televisie en geen (mobiele) telefoon.

Naast mijn kamer was een toilet in een grote ruimte, zo groot dat er misschien ook nog wel een student te huisvesten viel. Een deur verder was een douche met een ouderwets bad, een bad op pootjes.

Het uitzicht uit mijn kamer was prachtig. Ik keek uit over de oprijlaan en bos. Soms speelden de eekhoorntjes in de boom voor mijn raam. Achter de luiken naast het raam zaten vogelnestjes die in het voorjaar in gebruik waren. Het waren van die ouderwetse ramen die je omhoog moest schuiven en die dan niet bleven zitten. Ik loste dat op met een stuk hout.

Het aangenaamste van deze kamer was de stilte en de alleenzaamheid. Ik moet toegeven dat dat niet altijd prettig was, maar ik kon er tot diep in de nacht ongestoord lezen, studeren, schrijven en componeren. Ik kon er piano spelen en muziek draaien wanneer ik maar wilde. Er kwam niemand en niemand wist mij er te vinden. Mevrouw Van der K. kwam nooit boven, de trappen waren te zwaar voor haar.

De andere studente was er zelden. Zij studeerde al meer dan tien jaar Italiaans en was bepaald niet goed snik. Aanvankelijk probeerde ze met me aan te pappen, maar toen ze merkte dat ik afstand hield begon ze te klagen bij mevrouw Van der K. Die nam dat allemaal ter kennisgeving aan, want die had al lang door dat E. niet helemaal spoorde. Zo was E. eens een weekend thuis en heeft ze het hele weekend geklaagd over geluidsoverlast. Ik zou mijn muziek te hard hebben gedraaid. Tranen, wanhoop, ze haalde alles uit de kast om mevrouw Van der K. te overtuigen dat ik probeerde haar weg te treiteren. Echter, ik was dat weekend daar niet geweest, maar in Friesland bij mijn ouders.

Soms kookte E. in de bijkeuken. Dan mikte ze allerlei groenten in een grote pan en dat liet ze dan de hele middag koken. Dat stonk verschrikkelijk. Ze at het op en had de eigenaardige gewoonte om 's nachts in de badkuip op pootjes de afwas te doen. Over geluidsoverlast gesproken! Volgens mevrouw Van der K. liep ze soms naakt in het huis rond als ik er niet was.

Op de tweede verdieping kwam eigenlijk nooit iemand, ik had er niets te zoeken. Mevr. Van der K. vroeg me een keer of ik daar eens wilde kijken want ze had het vermoeden dat E. daar ook kamers gebruikte. En dat deed ze. Alleen, ze verzamelde er appels! Kasten vol met appels!! Honderden appels!!! Wanneer ze die daar gebracht had, wat ze ermee deed, ik had geen idee.

Op een ochtend vond ik een brief onder mijn kamerdeur. E. verkondigde daarin op dramatische toon dat ze vluchtte naar een vriendin in België en dat ze voorlopig niet meer terugkwam. Het was natuurlijk allemaal mijn schuld. Ze is zeker een jaar weggeweest en toen ze ineens op een dag opdook was dat met een verhuiswagen.

8 april 2005

393

Bosch en Duin 1986-1989 I (1)

Het station van Den Dolder ligt tussen twee sporen. Wanneer u linksaf over het spoor gaat loopt u het centrum van Den Dolder in. 'Centrum' is misschien geen goede omschrijving. Er is een café, een kruidenier, een Chinees, een zaak met nutteloze spullen, een fysiotherapeut en nog wat meer. (In het Chinees restaurant kan men zich een sigaret laten serveren; ober komt met een klein zilveren dienblad; op het dienblad een sigaret; men neme de sigaret van het dienblad en steekt het in zijn mond; ober pakt een aansteker en steekt voor u de sigaret aan; sommigen krijgen hiervan een zeer belangrijk gevoel.) Wanneer u denkt dat u het centrum wel gehad heeft, gaat u rechtsaf. (Geen idee meer wat er op de hoek zat; ook een kruidenier dacht ik.) Na een meter of vijftig stuit u op een doorgaande weg, deze steekt u over.

Nu bevindt u zich op de Baarnseweg. Deze weg heeft geen trottoir, maar tussen de hekken van de huizen en de bomen langs de weg is een uitgesleten pad te vinden. (Als het regent of geregend heeft raad ik u dit pad af: modder; loop dan half op het asfalt en de berm; loop aan de linkerkant, dan ziet u het verkeer aankomen, er wordt namelijk veel te hard gereden in dit bos) Ongemerkt verlaat u Den Dolder en loopt u Bosch en Duin in. Bosch en Duin laat zich nog het beste omschrijven als een bos met hier en daar een villa. Er wonen rijke mensen in Bosch en Duin, dat moet wel. In sommige villa's wonen geen rijke mensen, maar wordt er zorg gegeven aan de psychiatrisch gestoorde medemens. In weer andere villa's komen mannen in pakken en stropdassen en vrouwen in mantelpakjes bijeen om over gewichtige zaken te praten. Na ongeveer twintig minuten lopen vindt u aan de rechterzijde van de weg nummer 25 (herinner ik me dit goed, was het echt 25?). Links van de oprijlaan een portierswoning. De oprijlaan loopt de heuvel op. Men kan de auto achter het huis parkeren; is men lopend dat neemt men de trap aan de zijkant van het huis.

U laat de bel schellen en u oefent enige tijd geduld. Achter de deur hoort u geschuivel en gemopper. Dat is mevrouw Van der K. Mevrouw Van der K. is erg eenzaam. Behalve een aantal poezen heeft zij familie, maar de familie laat zich nooit zien. Een enkele keer per jaar laat zij zich door een taxi ophalen om haar financieën te regelen in Zeist. Eten laat zij bezorgen. Als het mooi weer is werkt zij in de tuin, als haar gezondheid dat toelaat. Verder komt zij nooit buiten en ziet zij nooit iemand. Ze is niet in staat om het huis schoon te houden dus u moet zich niet verbazen over de lucht in huis. Het ruikt er naar poes. Vraag naar jwl en ze zal spottend zeggen dat 'de jonker' thuis is. Als u onderaan de trap in de centrale hal staat kijkt u dan eens om u heen. De tijd heeft er namelijk stil gestaan, u waant zich in de hogere kringen van het Den Haag in de jaren '30. Vergane glorie. Mevrouw Van der K. zal een bel laten klinken en ik kom u ophalen. Ik zal u voorgaan naar mijn studentenkamer waar ik tweeënhalf jaar gewoond heb.

6 april 2005

392

In general I consider the urge to be a winner a childish dream. One may experience a brief moment of blissful triumph, but the hunger for victories is never satisfied and always calls for more. In the end everyone is defeated, either by a mighty successor champion at the top of his powers or by the death sentence that we all carry with us. In a way, winning doesn't exist, but losing certainly does. It is the experience of most chess players that losing produces stronger emotions than winning.

Hans Ree Shadow Years
in: New In Chess 2005/2, 90

5 april 2005

391

Soms lijkt het me heerlijk om iets gemeenschappelijks met anderen te kunnen delen. Ik keek dan ook met verwondering naar het collectieve verdriet van de vele katholieken rond de ziekte en dood van de paus. Ik ga er vanuit dat het voor die mensen geen pose of façade is.

Atheïsten zullen er ongetwijfeld wel weer een bevestiging in zien van de verdwaasdheid van gelovigen. Ze zullen dit collectieve rouwen als zeer gevaarlijk zien. Soms denk ik dat atheïsten die zo strijdbaar tekeer kunnen gaan tegen religie en geloof vaak zelf nog niet klaar zijn met religieuze gevoelens.

Ik voel me niet verbonden met het geïnstitutionaliseerde geloof. Ik wil me niet aansluiten bij een christelijke kerk en de bijbehorende leefregels. Voor mij is godsdienst een vorm van esthetiek. Ik ervaar religie zoals ik kan luisteren naar mooie, interessante muziek. Een vorm van sublimatie wellicht.

Gisteravond stuitten we zappend op een programma van de VPRO dat – meen ik – R.A.M. heet. We zagen Arnon Grunberg (o gruwel!) in Miami dj's interviewen. (Ik moet toegeven dat Grunberg het nog niet eens zo slecht deed.) Beelden van het interview werden afgewisseld met beelden van een danshal met springende en hossende jonge mensen. Op een podium een dj die de boel probeert te inspireren. Het was niet moeilijk om er een paus en zijn gelovigen in te zien. Of hier echter sprake is van een gemeenschapsgevoel, dat weet ik niet. Zoals één der dj's (Photek, als ik me niet vergis) opmerkte komen de meeste mensen niet alleen om te dansen maar ook om iemand te zoeken om mee te neuken, voor één nacht natuurlijk.

Gemeenschappelijk zingeving versus particuliere behoeftebevrediging? Of zijn de scheidslijnen minder duidelijk dan het oppervlakkig lijkt?

4 april 2005

390

Ziet u ze wel eens lopen in de winkelstraten van onze steden? Vooral op zaterdag wanneer de doordeweekse zuurverdiende centjes te gelde moeten worden gemaakt in de koopriolen? De consument, de kroon op onze westeuropese beschavingsgeschiedenis! Het loopt en consumeert, het kijkt verveelt en het kletst. Boerend en frietvretend bewegen logge lichamen zich langs etalages. In de ogen een gapende leegte die opgevuld moet worden met het nieuwste hebbedingetje, een schoentje of een geurtje. De authentieke mens in optima forma. Zorg dat je erbij hoort.

Of maak dat je weg komt.

31 maart 2005

389

De kachel was vanochtend niet aangeslagen toen ik om kwart voor zes beneden kwam. Ik was vergeten de klok van de thermostaat een uur vooruit te zetten.

Toen ik in het donker wegfietste gaven de vogels in het Julianapark een waar fluitkoncert. Soms moet ik denken aan de film Birds en het gevoel van onbehagen dat mij na zo'n film kan bekruipen wanneer ik dan vogels zie overvliegen.

Een vriend zei wel eens grijnzend midden in een gesprek: Jaja, Das Unbehagen in der Kultur. Meestal had ik me dan weer van mijn cynische kant laten zien. Het woord 'onbehagen' kom ik de laatste tijd steeds vaker tegen sinds ik het boek van Ad Verbrugge Tijd van onbehagen heb gelezen.

'Volgens de Duitse filosoof Peter Sloterdijk geeft Simon Schama met dit geweldige boek [Overvloed en onbehagen – jwl] het gevoel weer dat de moderne mens karakteriseert. Diens onbehagen komt deels voort uit christelijk schuldgevoel. Hij is zondaar en tegelijkertijd rijk, hetgeen ingewikkeld is. Een ander deel van zijn onbehaaglijke gevoel komt voort uit een overschot aan mogelijkheden. Hij heeft last van postmoderne 'kiespijn'. Geconfronteerd met overvloed in plaats van tekort, weet hij niet meer waarop hij zijn keuzes moet baseren.'

Yoram Stein in de inleiding bij zijn interview met Simon Schama afgelopen vrijdag in Trouw. Schama zegt verderop in het interview:

'"Het onbehagen wordt alom gevoeld. Het is niet iets typisch Nederlands. Nederlanders hebben de neiging te denken dat alles altijd hun fout is. Dat zit er diep in, de gedachte dat het allemaal hun eigen schuld is. Maar soms zijn historische toevalligheden, zoals het mislukken van de integratie van islamitische bevolkingsgroepen in West-Europese steden, de fout van niemand. Ze gebeuren gewoon."'

Op het station Amsterdam nog even de Ako binnen gelopen. Al snel zie ik het nieuwste nummer van Filosofie Magazine liggen. De voorkant bijna helemaal zwart en in grote witte letters: 'Onbehagen. Diagnose van de 21e eeuw – deel I'.

30 maart 2005

388

Gelezen in de wachtkamer van de tandarts:

'Alles wat we zien is aan het veranderen en raakt uit zijn evenwicht. De reden dat alles er zo mooi uitziet, is omdat het uit zijn evenwicht is geraakt, maar zijn achtergrond is altijd in volkomen harmonie.'

Shunryu Suzuki Zen-begin, 38-39

Kan zijn, maar mijn kaak voelt nog steeds twee keer zo dik van de verdoving. Als ik in de spiegel kijk is er echter niets te zien.

29 maart 2005

387

Rije rije rije rije, hoor ik een jongetje in de wachtende trein zeggen. Het is nog geen tijd om te vertrekken, maar de reis duurt hem schijnbaar al te lang. De moeder fluistert, probeert haar zoontje wat rustiger te krijgen. Stomme trein, stomme treinchauffeur, hoor ik hem nog zeggen.

Vijftien jaar in coma ligt ze al. Vijftien jaar! Het lichaam zou nog slechts vegeteren. Als ik gesprekken met artsen lees, dan hebben ze het over processen in de hersenen. Alleen datgene wat het lichaam nog gaande houdt zou nog werken, zolang het maar gevoed wordt.

Wat is een mens meer dan zijn lichaam? Is er zoiets als een ziel, een geest? Of is datgene er niet meer wat dat lichaam tot Terri Schiavo maakt(e)? Er zijn mensen die niet meer in God geloven, maar de aanwezigheid van iets dat we 'ziel' zouden kunnen noemen als vanzelfsprekend achten. Is het lichaam van Schiavo een gevangenis waar de ziel niet uit kan ontsnappen zolang het lichaam niet dood is? Heeft een ziel hersenfuncties nodig? Of zou die ziel allang weg zijn?

Tijdgenoten van Aquino dachten dat mensen meerdere zielen hadden. Kenny: 'Zij meenden dat menselijke wezens niet één enkele vorm bezaten – de intellectuele ziel – maar ook een dierlijke en een vegetatieve ziel.' En daar lieten ze het niet bij, want er moest ook nog iets zijn wat het menselijke wezen tot lichaam maakte. 'Dit is een 'vorm van stoffelijkheid' die mensen gemeen zouden hebben met levenloze dingen, zoals zij een zintuiglijke ziel gemeen hebben met dieren en een vegetatieve met planten.' (71)

Aquino dacht dat de mens alleen een rationele ziel had, één van de twee gedachten waarvoor hij in Oxford in 1277 werd veroordeeld. 'Zouden er namelijk meerdere vormen zijn, zo betoogde hij, dan zou je niet kunnen zeggen dat het één en hetzelfde menselijke wezen is dat denkt, liefheeft, voelt, hoort, eet, drinkt, slaapt en een bepaalde lengte en een bepaald gewicht heeft. Sterft een menselijk wezen, dan treedt er een substantiële verandering op, en zoals bij elke substantiële verandering is er vóór en na de verandering niets anders gemeenschappelijk dan de materia prima.'

Ik heb het jongetje tijdens de treinreis niet meer gehoord. De meneer naast mij probeerde steeds zo onopvallend mogelijk mijn aantekeningen mee te lezen. Ik schrijf: 'de meneer naast mij probeert steeds mee te lezen.' Wanneer ik opkijk kijkt hij glimlachend een andere kant op.

25 maart 2005

386

Het is heel moeilijk, zoniet onmogelijk, om na te voelen hoe een middeleeuwer tegen de wereld aan keek. Dat realiseerde ik me gisteren ineens weer bij het lezen over Aquino. Bijna alles wat ik op school geleerd heb zou ik overboord moeten zetten. Scheikunde? Een middeleeuwer die voor geleerd doorging dacht doorgaans nog dat iets bestond uit een bepaalde combinatie van water, lucht, aarde en vuur.

De Nederlandse regering beleeft een crisis. Voor de oppositie in Kirgizië zijn het spannende tijden. De vogels kwetteren: zij maken zich op om nesten te bouwen, eten te zoeken, voor het nageslacht zorgen. Zij maken zich niet druk over democratie. Soms benijd ik ze.

Manguel citeert een mooi gedicht uit De Verhalen van Ise:

Is dat niet de maan?
En is de lente niet dezelfde
Lente als die van vroeger?
Mijn lichaam is hetzelfde lichaam
Toch lijkt alles anders.

24 maart 2005

385

Een zonnige ochtend. Ik zag twee meeuwen drijven op het stille water in de gracht. Het wit van de meeuwen tegen het zwart van het water. Ik verbeelde me dat ze terug keken.

Met sommige vrienden deel ik een kijk op de wereld. Met die vrienden kan ik eindeloos praten, het vieren van het feest der herkenning en me daarbij minder alleenzaam voelen. Dat feest had ik ook bij lezen van Manguel.

Manguel: 'Ik voel me ongemakkelijk als ik andermans boeken in huis heb. Ik wil ze ofwel houden, ofwel meteen terugbrengen. Geleende boeken hebben iets van bezoekers die te lang blijven hangen. Ze te lezen in de wetenschap dat ze niet van mij zijn, geeft me het gevoel van iets onafs, iets waarvan maar half te genieten is. Dat geldt ook voor bibliotheekboeken.'

Politiek voel ik me verwant met Femke Halsema. Ik loop daarmee niet te koop, want meestal krijg ik dan de reactie 'je stemt natuurlijk op haar omdat ze mooi is'. Ik stemde al op Halsema voordat ze een prominente positie had verworven binnen GroenLinks. Ooit had ik haar horen spreken op de radio – over haar vertrek bij de PvdA als ik me niet vergis – en toen al hoorde ik iemand die op een betere politieke manier wist te verwoorden wat ik zelf doorgaans ook vond. Sindsdien zocht ik haar op de lijst en kreeg ze mijn stem. Overigens lijkt me het ook geen goede reden om niet op iemand te stemmen omdat diegene mooi zou zijn.

23 maart 2005

384

Gisteren schreef ik een log over Bach en de Matthäus Passion. Ik realiseerde me pas later op de dag dat 21 maart naast het begin van de lente de geboortedag van Bach is. Bach zou 320 jaar geworden zijn.

Straks is het Goede Vrijdag, de dag waarop door christenen het lijden en sterven van Jezus Christus wordt herdacht. Jezus stierf aan het kruis en nam de zonden van de mensen op zich. God houdt een grote voorjaarschoonmaak zeg maar.

Een andere muzikale band met Goede Vrijdag en Pasen is het Bühnenweihfestspiel Parsifal van Richard Wagner. Ooit zag ik die opera voor de eerste maal op televisie op Goede Vrijdag. Ik herinner me dat ik dat stuk in trance van begin tot eind heb gezien en beluisterd. Ik begreep er niet veel van, maar de muziek is betoverend. De opera zit vol met verwijzingen naar het Nieuwe Testament en de derde akte speelt op Goede Vrijdag. Parsifal komt na vele omzwervingen juist op deze dag terug bij de Graalburcht. Gurnemanz (één van de mooiste rollen in de operaliteratuur) ontvangt de in wapenrusting gehulde Parsifal:

Hier bist du an geweihtem Ort:
da zieht man nicht mit Waffen her,
geschloss'nen Helmes,
Schild und Speer.
Und heute gar! Weißt du denn nicht,
welch' heil'ger Tag heut' ist?
(Parsifal schüttelt mit dem Kopfe.)
Ja! Woher kommst du denn?
Bei welchen Heiden weiltest du,
zu wissen nicht, daß heute
der allerheiligste Karfreitag ist?

Vroeger vond ik dit één van de mooiste passages in het werk om het doorklinkende pacifisme. Ik kan die tekst ook niet meer gewoon lezen, ik zing die tekst in mijn hoofd, ik hoor het orkest spelen.

Tegenwoordig concentreer ik me maar zoveel mogelijk op de muziek. Kennis van een kunstwerk maakt niet altijd dat het mooier wordt. De Parsifal van Wagner heeft zeer racistische en antisemitische kanten, daar kan ik niet meer omheen. Het werk is een vreemd amalgaam van christelijke en boeddhistische elementen met het idee dat er een zuivering moet plaatsvinden om een gemeenschap van uitverkorenen te vormen.

Gelukkig bestaat er ook nog minder grootschalig werk rond de lijdenstijd. Uitermate mooi is Die Sieben letzte Worte unseres Erlösers am Kreuze voor strijkkwartet van Joseph Haydn. Geen zang, geen orkest, maar slechts de intimiteit van vier musici die muzikale meditaties uitvoeren. Er is een tijd geweest dat ik niet naar strijkkwartetten kon luisteren. Ik vond de klank niet mooi, het was me vaak te valsig, te krasserig en er wordt zo vaak zo onrustig gespeeld. Het strijkkwartet Quatuor Mosaiques heeft voor mijn oren een mooi geluid en speelt als een ensemble (in plaats van vier solisten).

22 maart 2005

383

Het is de tijd van de Matthäus Passion, dat muziekstuk dat boven de gehele muziekgeschiedenis uit torent als een kathedraal boven een Middeleeuwse stad. Misschien wel een muziekstuk dat op een bepaalde manier de kern onze gehele westeuropese cultuur samenvat, een mziekstuk dat ons denken en voelen typeert. Niet het verhaal van Jezus Christus als zoon van God, maar als mens van vlees en bloed.

Plato met zijn Ideeën, waarvan onze werkelijkheid een zwakke afspiegeling zou zijn. Niet onze werkelijkheid, maar een werkelijkheid elders is het ware. De christenen die wachten op de terugkeer van de Messias, die wachten op het Rijk Gods. De liberalen, de socialisten ... vult u maar aan ... allen kennen ze een typisch westerse neiging om de verlossing, het paradijs ergens in de toekomst achter de horizon te plaatsen. Daarbij de gedachte dat we die toekomst ook nog moeten verdienen door hard te werken en veel te lijden.

Als iemand dát lijden wonderbaarlijk mooi op muziek heeft gezet, dan is het wel Bach. Het is misschien een foute romantische gedachte, maar schoonheid schijnt niet zonder lijden te kunnen. In een tijd zonder Grote Verhalen kunnen we niet zonder sublimatie.

Eén van mijn favoriete Cantates van Bach, Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen BWV 12, vat het zo mooi samen:

Wir müssen durch viel Trübsal
in das Reich Gottes eingehen.

Ik moet altijd glimlachen om die passage.

21 maart 2005

382

Het is niet aardig, maar ik kan het niet helpen.

Ik lees 's avonds mijn zoontje voor uit Matilda van Roald Dahl. We lachen heel wat af wanneer het hoofd van de school De Bulstronk weer een hak wordt gezet. De tekeningen in het boek zijn mooi maar kunnen niet verhinderen dat ik in plaats van de getekende Bulstronk steeds het beeld van Verdonk voor mijn geestesoog schuift. Dit beeld is nu aanzienlijk versterkt door de spotprent in de Trouw van vanochtend.

Het is niet aardig om iemand om uiterlijkheden belachelijk te maken, maar ik kan het niet helpen. Dit is een geval van overmacht.

18 maart 2005

381

Het is heerlijk om weer zo'n boek te hebben. Zo'n boek dat voortdurend gelezen wil worden door mij. Dagboek van een lezer is na Een geschiedenis van het lezen het tweede boek van Alberto Manguel dat ik lees met grote liefde.

Ik weet niet waar het in zit. Misschien is het een enthousiasme voor het lezen en voor boeken die zo duidelijk naar voren komt. Niet een nadrukkelijk en opdringering enthousiasme, maar één met een vriendelijke glimlach. Ik kan me voorstellen dat andere lezers zich zouden kunnen storen aan het gestrooi met namen van auteurs en boeken, andere lezers zouden dat pretentieus, misschien zelfs wel arrogant kunnen vinden. In mijn ogen is het geen poging van Manguel om indruk te maken, maar zijn manier om zijn verhaal te vertellen. Het is prachtig hoe hij in dit dagboek zijn dagelijks leven verbindt met zijn lectuur en daarbij vrij associeert. Het is fragmentarisch, maar dat geeft mij als lezer de kans om zelf ruimte in te vullen. Zo zou ik ook wel over het lezen van boeken willen schrijven.

Het boek ontroert mij, alsof ik een ongedachte vriend heb gevonden met wie ik over mijn passie voor boeken en lezen kan praten. Ik besef dat dit een heel persoonlijke ervaring is.

17 maart 2005

380

Stonden ze ook bij u thuis in de kast? Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog in zoveel delen?

Mijn ouders waren geen boekenliefhebbers. Ze lazen wel, maar boeken werden niet gekocht. Je leest ze maar één keer en dan staan ze maar in de kast, dat is zonde.

Mijn moeder was nog wel enigszins literair. Toen ik op de middelbare school zat wilde ze lezen wat ik ook las. In mijn studietijd leende ze geregeld boeken van mij en las ze ook daadwerkelijk, al deed ze er soms maanden over.

Mijn vader las damesromans. Ik heb nooit begrepen waarom, maar hij las ze, avond aan avond, kettingrokend op de bank, als er niks op televisie was. Voor hem was Konsalik al iets uitzonderlijks.

Maar zo nu en dan had hij een echt boek op schoot. Dat was een onwennig gezicht: mijn vader die probeerde een omvangrijk boek te lezen. Dan was er een deel Lou de Jong binnengekomen. Ooit zal hij wel een keer in een onbewaakt ogenblik ingetekend hebben op alle delen en elke keer als De Jong een deel afhad moest mijn moeder naar het postkantoor, want dan was er een pakketje. Mijn vader nam zich dan weer voor om het nieuwe deel te lezen, want je hebt per slot van rekening voor betaald nietwaar? Of hij echt alle boeken van a tot z gelezen heeft, ik betwijfel het, maar hij zegt van wel. Ik ben als tiener een keer in deel 1 begonnen, maar ik gaf het snel op. Ik was nog te jong.

In mijn studietijd had ik een vriend die er prat op ging de hele Lou de Jong gelezen te hebben. Hij vond het zo geweldig, dat hij zelfs een tweede keer aan begonnen was. Hij was er zo enthousiast over, dat het mijzelf nog steeds verbaast dat ik niet een tweede poging gewaagd heb. (Over die vriend moet ik nog eens vertellen)

Ik zal de boeken van De Jong ooit wel erven. Misschien dat ik het dan nog eens zal proberen.

16 maart 2005

379

Lezen is een gesprek.

Alberto Manguel Dagboek van een lezer

15 maart 2005

378

Mijn zoon naar school fietsen is soms een groot feest. Zelfs op maandagochtend. Ik ga altijd zingen als ik hem achter op de fiets heb. Maar het plopperiaanse liedje Lalala mag niet meer en vanochtend werd ik hardhandig in mijn bil geknepen bij het zingen van Ik ben vandaag zo vrolijk.

'Papa, dat irriteert mij!'

'Maar ik ben vandaag zo chagrijnig loopt niet!?'

'Zing dan maar Kwek, kwek, kwek, ik ben wel gek maar ik ben niet goed.'

Die jeugd van tegenwoordig.

14 maart 2005

377

Het is wel even wennen aan al die aandacht ineens voor de schaaksport. Nou ja, niet de schaaksport, maar Kasparov. Dat hij ermee stopt schijnt ineens wereldnieuws te zijn. Had hij alleen maar Linares gewonnen – het wordt wel het Wimbledon van het schaken genoemd – dan was het hooguit een hoekje in de kranten geweest.

Ik vind dat ook wel prettig, niet te veel aandacht voor het schaken. Als ik kijk naar de aandacht die aan andere sporten wordt gegeven dan hoef ik niet treurig te zijn om het stilzwijgen rond schaken. Ik hoef u wellicht maar te wijzen op de belachelijke koehandel bij het voetballen en u begrijpt misschien wat ik bedoel.

Het schaken heeft heel veel aan het medium internet te danken. Er wordt dagelijks enorm veel on line geschaakt, er zijn waanzinnig veel sites waar men informatie weg kan halen. Schaken is een denksport dat men quasi wetenschappelijk kan benaderen (niet mijn benadering overigens) en internet leent zich daar uitstekend voor. Chessbase is één van de beste leveranciers van schaaknieuws, ik heb er voor mijn log al geregeld gebruik van gemaakt. U kunt mij ook wel eens vinden op het forum UtrechtSchaak.nl, al zit ik daar vaak met kromme tenen te lezen. Soms vind ik het heerlijk om daar al die pretenties van die schaakamateurs uit te dagen en soms toon ik me daarin wat onsympathiek. Dat vind ik een groot gevaar van een forum: een tekst is zo getyped en geplaatst en voordat ik het weet roep ik van alles wat ik normaal gesproken niet zo snel zou doen. Gelukkig valt er ook veel te lachen.

Kasparov stopt met het professioneel beoefenen van het klassieke schaak. Jammer, ik weet niet wat ik er meer van moet vinden. Een grote fan ben ik nooit van hem geweest, daarvoor zat zijn mediapersoonlijkheid hem in de weg. Zijn schaakpartijen kan ik alleen maar bewonderen. Natuurlijk valt er een gat in de schaakwereld, Kasparov was een unieke schaker, ik zal zijn partijen missen. Er zijn echter nog voldoende andere geweldige schakers aan de top, schakers die met meer bescheidenheid hun sport beoefenen, die qua persoonlijkheden het grote schaakpubliek minder aanspreekt. Ik heb daar geen moeite mee, ik vind schaken meer een monnikenbezigheid: in alle rust en stilte een spel spelen, meer is het voor mij niet.

Bij het vertrek van Kasparov moet ik aan die acteurs in Hollywood denken: die sterren die met elkaar trouwen en een jaar later weer scheiden. Trouwen en scheiden om de publiciteit. Van iets dergelijks verdenk ik Kasparov ook: vandaag stoppen en volgend jaar met veel bombarie een come back maken. Het zou typisch iets voor hem zijn.

12 maart 2005

376

Meisje: "We spelen omgekeerde wereld! Snap dat dan!"
Vader: "Dat kan niet, want de wereld is rond."
Meisje: "...!? Neehee, je begrijpt er helemaal niets van ..."

11 maart 2005

375

Ach, wat een gedoe. Voor mij is het elke week boekenweek.

10 maart 2005

374

Afgelopen zondag zijn we naar de nieuwe film Erik of het kleine insectenboek geweest. En als je naar de film bent geweest dan krijg je onherroepelijk vaak de vraag hoe was de film? Het is dat ik de aanduiding het was wel onderhoudend de doodssteek voor een film vind, maar eigenlijk was deze film typisch zo'n film: ik heb me zeker niet verveeld, maar ik verliet de bioscoop ook niet enthousiast.

Mijn zoontje was nogal stil na afloop, het was natuurlijk geen tekenfilm geweest à la Spongebob. Nee, dit was een film waarbij nagedacht moest worden. Jaja, nagedacht, ik geef toe dat ik met enige schroom en huiver dit zeer onpopulaire woord in verband met film gebruik, want een film is er toch in de eerste plaats om juist niet te hoeven nadenken? Menig bioscoopbezoeker gaat toch naar de film om het verstand op nul te zetten? Lekker ontspannen zegt men dan. Wel, ik kan u verzekeren dat niets mij meer vermoeid, irriteert, boos maakt dan een film waarbij je je verstand op nul moet zetten. In het beste geval val ik nog gewoon in slaap (zoals mij in de bioscoop een keer is overkomen, ironisch genoeg tijdens de film Sleepless in Seattle; ik werd gewekt door mijn buurvrouw die geluiden signaleerde die duiden op een diepe nachtrust). In het slechtste geval kom ik als een volleerd misantroop en hypochonder de bioscoop uit.

Maar goed, ik dwaal af.

Mijn zoontje was stil na de film. Toen ik hem vroeg wat hij van de film vond kwam hij met allerlei momenten in de film aan die hij onlogisch vond. Inderdaad, er waren wat sprongen in het verhaal gemaakt die voor een achtjarige misschien niet helemaal in te vullen waren. Ik kon hem daar niet helemaal ongelijk in geven.

Maar toen kwam de vraag: maar papa, wat is eigenlijk een instinct? Ai, zo'n vraag waarvan je als ouder jeuk op je hoofdhuid krijgt. Ja gut, instinct, hoe leg je dat nu weer uit?

Bij dit soort vragen neem ik meestal mijn toevlucht tot een analogie. Ditmaal verzon ik iets over al die dingen die in je lijf gebeuren zonder dat je er bij na hoeft te denken: je hart tikt als het ware vanzelf. Als er eten in je maag komt wordt het als het ware vanzelf verteert, je hoeft er niet bij na te denken. Nou, dieren doen heel veel dingen als het ware vanzelf zonder dat ze daar bij na hoeven te denken. Vogels vliegen naar het zuiden als het kouder wordt. Ze denken niet hé, het wordt koud, laat ik eens naar het zuiden vliegen. Nee, ze doen het gewoon. Ik geef toe, een sterke uitleg was het niet, maar hij was er voorlopig tevreden mee.

Een element in het Taoïsme is de gedachte dat je de natuur haar gang moet laten gaan. Niet zoals de Confucianisten alles proberen vast te leggen in regels, normen en waarden, maar doen wat er in je opkomt, wat vanzelf gaat. Als mensen nu maar niet ingrepen in de natuur, niet een kuntmatige wereld creëerden, dan zou er veel meer harmonie en evenwicht zijn. Niet dat goed en kwaad dan de wereld uit zouden zijn, maar ze zouden elkaar in evenwicht houden. Mensen zouden meer instinctmatig moeten gaan leven. Niet het denken uitschakelen (dat behoort nu eenmaal tot de natuur van de mens), maar het denken geen dominante plek geven. Meer luisteren naar je intuïtie zeggen we dan.

Het is een gedachte die op een speelse manier je in de film Erik of het kleine insectenboek aanwezig is. Het gaat mis in de dierenwereld wanneer Erik informatie geeft uit het insectenboek wat hij heeft meegenomen. De dieren gaan denken en volgen niet meer hun instinct, chaos is het gevolg. Erik, die opziet tegen een spreekbeurt over insecten, krijgt als boodschap mee: gebruik je instinct.

Laat ik zo vrij zijn om dit een anarchistisch element in het Taoïsme te noemen: geen regels, geen wetten, maar de natuur volgen. In onze westeuropese cultuur kijken we daar met argusogen naar: dat leidt toch tot chaos? Mensen zouden toch als dieren worden die elkaar afmaken?

Kan zijn, maar toch vind ik het vreemd dat we het van dieren in hoge mate accepteren. Hebben we ooit een leeuw voor de rechter gebracht omdat deze een antilope heeft gedood en opgegeten? Hebben de Verenigde Staten ooit een inval gedaan in de jungle om daar democratie onder de dieren te brengen? U mag dit een flauwe vergelijking vinden, maar mij intrigeert het mateloos. We accepteren van dieren gedrag, dat we van mensen niet accepteren omdat het hun instinct, hun natuur is. Wij mensen kunnen denken, dus zijn wij verantwoordelijk en aanspreekbaar op ons gedrag. Maar is het ook niet de dominantie van dit denken dat zoveel ellende veroorzaakt?

9 maart 2005

373

Anarchy is terror, the creed of bomb-throwing desperadoes wishing to pull down civilization. Anarchy is chaos, when law and order collapse and the destructive passions of man run riot. Anarchy is nihilism, the abandonment of all moral values and the twilight of reason. This is the spectre of anarchy that haunts the judge's bench and the government cabinet. In the popular imagination, in our everyday language, anarchy is associated with destruction and disobedience but also with relaxation and freedom. The anarchist finds good company, it seems, with the vandal, iconoclast, savage, brute, ruffian, hornet, viper, ogre, ghoul, wild beast, fiend, harpy and siren.

Zo begint Peter Marshall zijn onvolprezen boek Demanding the impossible. A history of anarchism. Dit 767 bladzijden tellende boek (paperback) is op vele vakanties meegeweest. Ik heb het nooit uit gekregen, toch heeft het boek me mateloos geboeid en me aan het denken gezet. Ook in mijn boekenkasten neemt het een bijzondere plek in: het is het meest verfomfaaide boek, alsof de buitenkant een uiting wil zijn van de binnenkant.

6 maart 2005

372

Over twee weken mag ik een proefexamen doen. Heel spannend. Vandaag zei ik min of meer langs mijn neus weg dat ik het gevoel begon te krijgen wel eens met een rijbewijs achter het stuur te willen zitten. Dat ik het soms jammer vond dat dat nog niet kon, maar dat ik het wel zou willen dat ik het al kon.

Ik kan niet beoordelen of ik eraan toe ben, maar het rijden voelt goed de laatste tijd. Bovendien, die spanning voor zo'n les elke keer op vrijdag, daar baal ik elke keer erg van. Aan het einde van de les vraag ik me dan steeds af waar ik me druk over maakte.

Zullen we dan maar eens een examen gaan plannen, er zijn toch wachtlijsten. Ze overviel me er toch mee, ik had het nog niet verwacht. Op een haartje na rij je eigenlijk al prima, zei ze.

Driekwartier later belde ze me op. Of ik 15 april zou kunnen.

Vijftien april! Oef! Dan ga ik mijn eerste poging wagen om het rijbewijs te halen. Het is nog ver weg, maar ik krijg acuut de zenuwen. Gelukkig mag ik nog even aan het idee wennen. Er zijn tijden geweest dat ik dacht dat ik het nooit zou leren!

4 maart 2005

371

Soms is het niet verstandig om eerst andere weblogs te lezen voordat ik zelf ga schrijven. Velen schrijven over de sneeuw en dan ga ik me afvragen welk sneeuwvlokje ik daar nog aan toe moet voegen. Want ik vind het sneeuwlandschap erg mooi. Gisteren moest ik voor mijn werk in Rijswijk zijn en 's middags naar Amsterdam. Na Leiden zag ik in een weiland een heleboel konijnen rondhuppelen. Normaal gesproken zijn ze door hun schutkleur natuurlijk niet te zien, maar nu liepen ze erg in het oog.

Vanochtend zag ik veel fotografen in Amsterdam hun kans grijpen om mooie plaatjes te schieten bij de grachten. Het is een prachtig gezicht met al die bruggen, besneeuwde bomen langs de grachten en al die sneeuwsculpturen die de frames van fietsen verraden tegen de brugleuningen.

Librarian heeft met zijn log van 26 februari voor de nodig ophef gezorgd, ophef waarover ik me alleen maar kan verbazen. Na lezing kon ik die log absoluut niet serieus nemen, maar anderen dachten daar heel anders over. De toon in sommige reacties zijn werkelijk buiten proporties, ik begrijp het helemaal niet. Ik kan me ook niet aan de indruk onttrekken dat sommigen zich behoorlijk te kijk gezet voelen nu blijkt dat zij niet in staat waren om de ironie van het geschrevene in te zien. Lange tenen in blogland.

Een engelstalige weblog die ik de laatste tijd graag bezoek is genkaku. Misschien ook iets voor u?

3 maart 2005

370

Er is een tijd geweest dat we er geregeld naartoe gingen. In de zomer op de fiets. Het is niet ver van huis, hooguit een half uurtje fietsen. Eerst in een stukje de stad uit (we zitten aan de gunstige kant) en dan nog een stukje langs de Vecht richting Maarssen.

Na enige tijd komt men dan in het plaatsje Oud-Zuilen. Meteen na het plaatsnaambordje gaat men rechtsaf en men komt bij Slot Zuylen, bekend geworden door schrijfster Belle van Zuylen.

Helaas valt het slot alleen met een rondleiding te bezichtigen, want het is mooi klein en intiem slot. Wij pauzeerden er vaak even om wat te drinken, buiten op het terras aan de gracht. Of we liepen wat door de kasteeltuin.

Als lezer houd ik van boeken en wie van boeken houdt houdt doorgaans van bibliotheken. Dit slot heeft een kleine en mooie bibliotheek. Het liefst werd ik daar alleen achtergelaten om urenlang de ene band na de andere uit de kast te halen. Maar helaas ...

Toch vind ik het niet de mooiste ruimte van het slot, dat is de werkkamer van Belle van Zuylen. Op de foto op de website komt het niet zo goed over, maar het is een kleine ruimte en het uitzicht achter het kabinet is prachtig. Daar zou ik ook wel mijn boeken willen schrijven!

1 maart 2005

369

Maar wat bedoel je dan met je opmerking dat je een langzame lezer bent?

Wel laat ik het illustreren met een voorbeeld. Vanochtend pakte ik het boek Aquino van Anthony Kenny weer eens uit de kast. Het is een monografie over de Middeleeuwse filosoof/theoloog Thomas van Aquino in de serie Kopstukken filosofie van uitgeverij Lemniscaat. Op bladzijde 9 lees ik het volgende: Op vijfjarige leeftijd werd Thomas door zijn vader naar de bekende benedictijner abdij van Monte Cassino gestuurd (...). Als ik dat gelezen heb kan ik vervolgens de rest van de treinreis naar Amsterdam dagdromen over hoe dat dan zou zijn. Als vijfjarige, een kleuter nog, weggebracht worden naar een klooster. Geen vader en moeder meer die voor je zorgen. Geen broers en zusters meer (Thomas kwam uit een rijk gezin overigens). En hoe zou dat zijn om als vader je zoon naar een klooster te brengen? Kan ik me nog wel verplaatsen in een wereld waarin dat schijnbaar normaal was? Was het vijfjarig-zijn en het vader-zijn anders in die tijd?

Dit soort vragen komen in mij op en voordat ik het weet moet ik alweer uitstappen uit de trein. Dan heb ik dus ongeveer één bladzijde gelezen. Dat is wat ik bedoel met langzaam lezen.

24 februari 2005

368

Er zijn zoveel dingen in het nieuws waar je je maar moeilijk een goed oordeel over kunt vormen ... als je dat al zou willen. Neem nou die Ruud Lubbers. Tsja, het zou allemaal kunnen, maar ik ben er niet bij geweest. Toch vind ik het frappant dat er gesproken wordt over een reeks van incidenten. Was er nu één aanklacht dan kun je nog denken aan rancune of wraak, maar bij een reeks van aanklachten ga ik toch twijfelen. Maar goed: zeker weten kan ik het niet.

Vreemd vind ik dat er zoveel Nederlanders zijn die Ruud Lubbers verketterden toen hij minister-president was, maar toen hij veilig ver weg zat was het ineens een toffe peer met hart voor zijn werk. Hoe kan ik nou beoordelen of hij zijn werk bij de UNHCR wél goed heeft gedaan. Ik weet nog dat ik dubbel lag van het lachen toen de Nederlandse regering probeerde hem secretaris-generaal te maken van die misdadigersclub NAVO: als iets gevaarlijk was voor de wereldvrede dan was het wel het Lubberiaans taalgebruik van Ruud.

Maar alles valt in het niet als je dan vervolgens kijkt naar de ongewenste intimiteiten tussen Chirac en Bush. Wat een staaltje hypocrisie. Trouw wist duidelijk niet zo goed wat ze met de protesten tegen dit bezoek aan moest. Een prachtige foto op de voorpagina: een vrouw houdt een bord in de lucht met de tekst MORT AU CAPITALISME. Ik moest wel even twee keer kijken. Dit soort protesten komen heden ten dage wel erg anachronistisch over. Ook Trouw is onwennig gezien de kinderlijke kop boven de foto (Boegeroep in Brussel) en het onderschrift: 'Dood aan het kapitalisme' staat op het bord van deze demonstrante in Brussel. Zij was een van de naar schatting 3000 mensen die voor de Amerikaanse ambassade in Brussel protesteerden tegen het beleid van president George Bush. Ze riepen en ontrolden spandoeken tegen onder meer het Irak-beleid van Washington en de weigering van de Verenigde Staten om het klimaatverdrag van Kyoto te ondertekenen. En kennelijk ook tegen het economisch systeem waarvan de VS vaandeldrager zijn.

Let op dat kennelijk dat hier toch ook een soort verbazing uitdrukt: hoe zou je daar nu tegen kunnen zijn? Tsja, moeten we dat nog steeds uitleggen?

22 februari 2005

367

Als fans van Spongebob Squarepants moesten we natuurlijk naar de De Film. Gisteren was de grote dag. Mijn grote zoon had de film al gezien, want in de vakantie mocht hij met het dagverblijf mee naar de film. Wekenlang heeft hij moeite gedaan om niets te verraden en dat is 'm nog gelukt ook.

Het was een gezellige middag, maar de film viel tegen. O, ik heb gelachen om die gatige gele schreeuwlelijk, maar er ontbrak iets. Tekenend was de situatie na afloop: mijn zoon vroeg wat ik nu het leukste had gevonden aan de film en ik stond met mijn mond vol tanden. Ik moest toegeven dat er eigenlijk niets uitgesprongen was. Ergo, ik had me zo nu en dan een beetje gestoord aan de geforceerde oplossingen in het verhaal. Natuurlijk heb ik dát niet gezegd, maar het kostte moeite om geen greintje teleurstelling te laten blijken.

Misschien had ik te grote of een verkeerde verwachtingen van de film. Bij Spongebob zit het toch erg in de overdrijving tot in het absurde. Als er iets voortdurend ondergraven moet worden dan is het wel logica en conventies. Verwachtingen worden niet te lang opgebouwd en het liefst met een mokerslag de grond in geboord. Emoties worden zeer uitvergroot: Spongebob is of tenenkrommend optimistisch of lachwekkend verdrietig. Soms doet hij me in de verte denken aan die vaders van in de dertig die me een blijde gelukzalige glimlach hun kinderen per fiets naar school brengen, ambities zijn opgegeven, maar ze hebben het goed, want huisje boompje beestje en een baan waar ze het naar hun zin hebben dus moet er genoten worden van het leven en waar kun je nu het meeste van genieten natuurlijk je kinderen en dan vooral ook Het Kind in jezelf ontdekken en dus fluitend en zingend de dag doorkomen 'ik ben er klaar voor ik ben er klaar voor'. Dat soort kortademig en aandoenlijk treurig optimisme. Ik heb daar zelf ook vaak last van als ik mijn zoon zingend op de fiets naar school breng. Ik hoor mijn zoon nogal eens zuchten: o god, gaat ie weer zingen.

Het zou allemaal kunnen. Misschien werkt die formule in korte afleveringen op de televisie, maar voor mij niet in een film. Toch heb ik me wel vermaakt, ik had alleen meer verwacht ... en misschien is dat wel hetgene waar juist de draak mee gestoken wordt. Ik trap er ook elke keer in.

21 februari 2005

366

Afgelopen dinsdag hebben we de '20 weken echo' gehad. Dan kijken ze of bepaalde belangrijke lichaamsfuncties er goed uitzien bij de ongeboren baby. Het ruggetjes, de hersentjes, het hartje, de nieren enz. enz. Het blijft altijd spannend zo'n zwangerschap, het is toch een wonder dat het 'zomaar' groeit. Maar we hoeven ons vooralsnog geen zorgen te maken, het zag er allemaal prima uit.

Onze grote zoon weet nu dat hij erop mag rekenen dat hij een broertje krijgt. We hadden al tamelijk definitief de naam voor een dochter, maar nog niet voor een zoon. Suggesties?

19 februari 2005

365

Het verbaast mij nog steeds. Er zijn mensen die niet tegen stilte kunnen. En niet alleen stilte: rust maakt ze eveneens zenuwachtig. Er moet altijd dynamiek zijn, beweging, ontwikkeling, geluid (liefst popmuziek). Deze mensen dragen dan ook vaak sportieve kleding, hun hele imago is erop gericht om een vlotte, sportieve indruk te maken.

Ik heb dat niet. Thuis heb ik vaak geen muziek op staan, al moet ik zeggen dat stilte niet per se afwezigheid van geluid is. Stilte is voor mij verbonden met rust, niet voortdurend uitgedaagd worden. Rusten is voor mij die mentale dynamische heksenketel in mijn hoofd tot stilstand brengen. Daarbij hoeft het niet stil te zijn, maar de geluiden die er zijn moeten de ruimte hebben. Soms is het ook heerlijk om na verloop van tijd pas muziek op te zetten, zodat de muziek de kans krijgt om in die stilte te kunnen spreken. Dan kun je het aandacht geven en met die aandacht wordt geluid pas muziek.

17 februari 2005

364

DICHTER!

Kam je haar, poets je schoenen!
Trek je innerlijk aan!
We gaan de wind een hand geven.
We gaan de horizon begroeten.

Zoveel te zien! Zoveel te doen!

We gaan de taal van de vogels leren.
We eten het zand van de tijd.
We blazen de wereld als een glas.

Ja! De namen zijn adem.
Het licht is een vogelkreet.
De waarheid een fabel

We gaan de handpalm van de wind lezen.
We geven de dingen een andere naam.
We slaan de idiomen met stomheid.
We spreken de horizon onder vier ogen.

Ja! Ja! We ontmoeten, we groeten iedereen.
Douane, wolken, rondvaartbootjes.
Lakens in de wind, meeuwen, lindebomen.
Muziek, atleten, streekgerechten.
Obers, lokale gebruiken, zebrapaden. Alles!

We reizen zonder landkaart.
We komen overal.
En we schudden alle handen, alle dingen
alle namen door elkaar.
En we roepen, we brullen overal:

Aap! Noot! Mies!     Aap! Noot! Mies!

K. Michel Ja! Naakt als de stenen

16 februari 2005

363

"Pessimisten zijn doorgaans optimisten in disguise; negatieve optimisten die waarschuwen dat het volgende optimum slechter wordt. Ze zijn nodig, maar ik vind ze stierlijk vervelend." René Gude in Trouw vanochtend. Het doet me denken aan een gesprek met een vriend. We kwamen tot de conclusie dat cynici met een dosering ironie zeer prettige mensen zijn omdat ze uiteindelijk de ware optimisten zijn. Iemand is cynisch omdat hij een idee heeft van Het Ware en Het Schone, maar inziet dat de realiteit daar niet aan voldoet. De overtuiging dat het anders zou kunnen zijn maakt hun tot optimisten. Dit in tegenstelling tot pessimisten. Zij gaan ervan uit dat het nooit meer goed komt en verliezen hun humor. Ze lopen desalniettemin vaak de hele dag met een blijmoedige glimlach rond, want je moet er immers maar het beste van maken nietwaar?

Of we het bij het rechte eind hebben weet ik niet. Meer dan een cynicus vind ik mezelf een scepticus. Als er zoiets is als Het Ware, Het Schone en/of Het Goede dan is dat niet kenbaar. Desalniettemin ken ik wel de euforie van dat ene moment, dat ene moment – vaak heel kort – dat je even de vervoering geeft van iets waarvan we dan vaak zeggen dat het niet in woorden uit te drukken is, een mentaal orgasme. Het eigenaardige van die momenten is dat ze zich niet laten dwingen, ze zijn er ineens en zijn ook ineens voorbij. Je kunt proberen de voorwaarden te scheppen waarin zo'n moment kan optreden, maar dat is het dan. Maar of zo'n moment dan een glimp van iets goddelijks of een hogere waarheid is, dat kan ik niet zeggen. Wat rest is slechts herinnering.

16 februari 2005

362

Dodenherdenking roept bij mij gemengde gevoelens op. Ik hoef niet overtuigd te worden van het nut van Dodenherdenking, maar als tiener werd ik vaak erg kriegel van de drammerigheid en bombarie waarmee Dodenherdenking omgeven werd. We mogen niet vergeten, het is goed erbij stil te staan, niet alleen bij de slachtoffers van vroeger maar ook bij die van vandaag. Het is een onderwerp dat bij mij verstilling en discretie oproept, een onderwerp waarmee men niet te koop loopt, waarbij tact geboden is. Dat mis ik de laatste jaren nogal eens.

Vanochtend weer, op bladzijde drie van Trouw: 'Dodenherdenking moet beter gepromoot'. Wat is het toch dat zo'n kop meteen mijn schamele haardos recht overeind doet staan? Het is zo langzamerhand een vaststaand ritueel naarmate de maand mei dichterbij komt: de jongeren, ze herdenken niet genoeg. De laatste jaren is daar een variant bij gekomen: de allochtone jongeren. Voetballen met kransen gaat mij ook te ver, maar het gebod 'Gij zult herdenken' ook. Straks wordt het nog een voorwaarde voor een verblijfstatus: heeft u wel netjes herdacht?

En dan meneer Enrico Bartens. Hij schreef 'een boekje "Mo"' – die formulering zegt alweer genoeg – over het aandeel van Marokkaanse soldaten in het verzet tegen de Duitsers. Heel goed meneer Bartens, alleen jammer wat Trouw in de laatste alinea citeert: Bartens denkt dat je 4 mei vooral beter moet verkopen. "Ik ben een reclameman. Ik weet hoe je mensen aan bijvoorbeeld een specifiek merk bier krijgt. Als je weet hoe je dat moet doen, dan weet je ook hoe je mensen aan de dodenherdenking krijgt. Met informatie én een stukje verpakking."

De Dodenherdenking als produkt dat verkocht moet worden. Laten we er dan maar meteen mee stoppen. Als je het cynisme van zo'n aanpak al niet meer kan zien ...

Als je wilt herdenken kun je maar het beste je huis afsluiten, gordijnen dicht en vooral geen tv en radio aan. Een paar minuten aandacht en stilte voor al die mensen die het leven lieten voor een beter leven voor anderen.

14 februari 2005

361

Nu ik aan het herstellen ben van een heftige buikgriep kom ik misschien toe aan het stokje dat Anneke me op 16 januari aanreikte.

1. Wat is de totale grootte aan muziekbestanden op je computer?
Deze vraag zegt veel over diegene die dit stokje begonnen is. Ik hecht niet veel waarde aan de hoeveelheid muziekbestanden op mijn computer. Het geeft me geen status. Ik download maar zelden muziek, een cd-brander heb ik niet. Maar goed, na een globaal optelsommetje kom ik op ruim 63 MB uit. Straks maar eens grote opruiming houden.

2. Wat is je laatst gekochte cd?
Dat vond ik ook nog moeilijk om te beantwoorden, want ik koop maar zelden cd's. Ik heb in mijn studietijd muziekwetenschappen zoveel muziek gekocht en gekopieerd dat ik merkte dat er toch wel een kritische grens zit aan een zinvolle muziekcollectie. Ik kan geobsedeerd zijn door een muziekstuk, het helemaal grijs draaien en er dan vervolgens jaren niet meer naar omkijken omdat er zich weer nieuwe liefdes en obsessies aandienen. Op een gegeven moment heb ik besloten dat het genoeg was. Er is een tijd geweest dat ik alleen nog maar cd's leende van de bibliotheek. Als ik die muziek wilde kopieren dan zocht ik een bandje uit dat al heel lang lag te verstoffen en werd deze overgenomen. Zo breidde ik mijn muziekverzameling niet uit, maar vernieuwde het voortdurend. Alleen als muziek een blijvende aandacht van mij vroeg werd de originele cd aangeschaft.

De laatste gekochte cd's (een doos met drie cd's) hoort wel een beetje bij dit verhaal. De opera Médée van Marc Antoine Charpentier (1643-1704) is de beste opera uit de Franse barok die ik ken. De uitvoering van Les Arts Florissants onder leiding van William Christie is ontzettend mooi: zeer levendig en theatraal.

Ik had deze opera al jaren op een aantal bandjes toen ik een aantal jaren geleden de cd's voor een zeer aantrekkelijk prijsje bij Scheltema in Amsterdam zag liggen (3 voor de prijs van 1 zeg maar). Ik aarzelde en kocht het niet. Waarom zou ik het kopen, de bandjes had ik al zo lang niet meer gedraaid. Toen ik uiteindelijk toch besloot de cd's toch te kopen waren ze natuurlijk al verkocht. Laatste exemplaar meneer.

Oktober vorig jaar ging ik vanuit mijn ouders winkelen met mijn vrouw in Leeuwarden. Ik had nieuwe schoenen nodig. We passeerden muziekhandel Poort en daar moest ik nog wel even naar binnen.

Muziekhandel Poort! Ik herinner me nog de tijd dat ik daar met mijn bijelkaar gespaarde zakgeld de opera's van Wagner kocht. De mevrouw die op de afdeling klassiek de scepter zwaaide vond dat wel vreemd zo'n jonge knul die geregeld dozen met vier à vijf lp's bestelde. Toen mijn moeder een keer voor mij de bestelling ophaalde werd er toch nog even geïnformeerd of dat allemaal wel in orde was.

Die mevrouw stond er niet meer, maar wel een jonge vrouw die haar dochter zou kunnen zijn. Ik had nog een cd-bon bij me, gekregen op mijn verjaardag. Tot mijn grote verbazing stond daar weer die doos met die opera van Charpentier. De twijfel sloeg weer toe, maar opnieuw liet ik ze staan. Later op die dag zou ik in een andere muziekhandel de cd-bon omzetten in de cd The nightly Disease van de band Madrugada, alwaar nog een bonus-cd aan vast zat The nightly Disease 2.

Maar goed, Médée liet me niet los. Uiteindelijk beschouw ik Charpentier toch als één van mijn favoriete componisten. Op 6 december schreef ik hier op mijn log over kerstmuziek van Charpentier en ik vond ineens dat die opera niet in mijn cd-collectie mocht ontbreken. Ik mailde mijn zus en zwager in Leeuwarden of ze alsjeblieft alsjeblieft zich voor mij naar muziekhandel Poort wilden spoeden om alsnog de cd's aan te schaffen. De volgende dag kreeg ik al het verlossende mailtje: het ligt bij ons op tafel.

Overigens gaan mijn cd-aankopen niet altijd zo moeizaam ...

3. Wat is letterlijk het laatst geluisterde nr voor je dit bericht las?
Dat is te lang geleden, geen idee. Daarnet zat ik te luisteren naar elektrieke muziek van de cd Quiet City van Pan American, het bleek op mijn harde schijf te staan en is niet eens zo oninteressant, ergens best mooi. Geen idee hoe ik eraan gekomen ben. Vast eens ergens gedownload met de bedoeling het later eens te beluisteren en vervolgens vergeten.

4. Geef 4 nrs door die je heel vaak beluistert of die veel voor je betekenen.
De moeilijkheid met dit verzoek is dat ik bij 'nrs' eerder aan popmuziek denk dan aan andere genres en mijn liefde voor muziek kent geen genregrenzen. Bovendien zijn er ontzettend veel muzieken die iets voor me betekenen of betekent hebben. Mijn keuze is noodgedwongen willekeurig (alhoewel ...).

1. The Cure – The Figurehead van het album Pornography. Misschien niet helemaal willekeurig omdat ik ooit overwogen heb mijn log The Figurehead te noemen in plaats van jwl. Dat dat nummer mij nog steeds raakt komt door de herinneringen die ermee vervlochten zijn. De muziek werkt dan als een katalysator die een bepaalde tijd, een bepaalde herinnering terughaalt, een tijd waarin ik die muziek dan ook veel draaide. In dit geval ging het om het verlies van een bijzondere vriendschap dat ik eerder op deze log beschreven heb.

2. Alanis Morissette – Unsent van het album supposed former infatuation junkie. Ligt in het verlengde van de vorige. Het doet me altijd weer denken aan al die bijzondere mensen die ik ooit een tijd gekend heb, maar door wat voor reden dan ook uit het oog verloren ben. Er blijft bij mij die nieuwsgierigheid hoe het hen verder vergaan is.

3. Johann Sebastiaan Bach – Erbarme Dich uit de Mattheus Passie gezongen door Michael Chance in de opname onder leiding van John Eliot Gardiner. Gardiner is absoluut niet mijn Bach dirigent (dat is Philippe Herreweghe), ik vind het allemaal veel te theatraal en te extravert, vooral in zijn versie van de Mattheus. Maar juist in deze opname zit een parel die zo mooi is en het geloof in het Schone en het Goede elke keer weer een beetje voedt en dat is juist de vertolking van die beroemde aria Erbarme Dich door Michael Chance. Daar kan ik niet ongevoelig voor zijn.

4. Heinrich Ignaz Franz von Biber (1644-1704) – Passacaglia in g uit de Mystery Sonata gespeeld door Ryo Terakado op barokviool. Gespeeld door anderen vind ik het vaak minder mooi. Terakado speelt het zo rustig en etherisch, zo verstild. Eigen begrafenismuziek.
De klavecinist is Siebe Henstra (de voormalige leraar van mijn vrouw) en de gamba wordt bespeeld door Kaori Uemura. Het is helaas maar een kort fragment, maar genoeg om een idee te krijgen van die prachtige vioolklank.

5. Aan welke 3 personen geef jij het stokje door en waarom?
Ik zal eens proberen of de kijker Dagmar ook een luisterend oor heeft. Zij heeft toch één van de mooiste weblogs die er op het internet rondwaardt.

Verder mag iedereen opgelucht adem halen.

7 februari 2005

360

Meestal ben ik al op voordat de krant door de bus valt. Vanochtend kon ik niet uit bed komen en dus wist ik dat het tijd werd om op te staan toen ik de krant door de bus hoorde ploffen. Ploffen? Ik had me afgevraagd of de krant vandaag anders zou klinken. Zou Trouw anders klinken nu het op tabloid-formaat uitkomt?

Ik was nog te slaperig om het geluid goed mee te krijgen, maar ik vond het wel spannend om te zien hoe de krant er in het vervolg uit zou gaan zien. Natuurlijk is tabloid handzamer, praktischer, maar zo'n grote krant heeft meer uitstraling. Wellicht heb ik dat vooroordeel opgedaan door de Engelse pulp en de proletarische Metro en Spits.

Daarnaast is het misschien wel een voorschot op de nostalgie die komen gaat. Ik herinner me die keer dat mijn zoontje geagiteert de kamer binnenkwam met een grote zwarte schijf: 'papa, papa, kijk wat een grote cd!' En dan kijk je naar die grote zwarte schijf en dan kan ik me niet ontrekken aan het gevoel dat het misschien onhandiger was maar wel mooier.

Nee, nee, het erge is natuurlijk dat ik in de trein niet meer door het formaat kan laten zien dat ik tenminste nog een echte krant lees in plaats van die gratis troep. Geen reden om me op een andere krant te abonneren (dan zou ik pas door de mand vallen).

Nee, mooier vind ik de krant niet geworden. De artikelen komen wel beter tot hun recht. Ik lees de krant anders. Een artikel dat gisteren nog een fragment van een bladzijde was, is nu ineens de hele bladzijde waardoor het meer belang uitstraalt en waardoor je het sneller leest. Wat dat betreft heb ik het gevoel een totaal andere krant te hebben.

Zo nu en dan koop ik wel een NRC. Lekker harkerig, degelijk en ouderwets. En om mijn vouwtechnieken in de trein te blijven trainen.

3 februari 2005

359

Afgelopen zondagmiddag werd het schoolschaakkampioenschap van de stad Utrecht gehouden. Het werd voor het eerst georganiseerd door mijn schaakcluppie Oud Zuylen en schaakclub Moira-Domtoren waar mijn zoon schaakles heeft. De school van mijn zoon deed mee met twee teams. Mijn zoon speelde samen met zijn vriendje aan de eerste twee borden van De Brug 1.

Er waren veertig viertallen, dus er liepen zeker honderdzestig lagere school kinderen rond in de speelzaal. Tel daarbij de teamleiders, ouders, broertjes, zusjes enz. op en u begrijpt dat het een drukke middag was. Gelukkig was het goed en duidelijk georganiseerd zodat het niet uit de hand liep en het nauwelijks later werd dan gepland. Petje af voor de organisatoren.

Ik nam algauw het teamleiderschap van De Brug 1 op mijn schouders, om te voorkomen dat de vader die het allemaal voor De Brug had geregeld niet steeds heen en weer moest rennen tussen de twee teams. Alhoewel ik vooraf bang was geweest gillend gek te worden van de chaos van honderdzestig kinderen heb ik met volle teugen genoten. Mooi om te zien hoe die kinderen genieten van een spelletje schaak. Zodra ze allemaal weer achter dat bord zitten daalt er een relatieve rust over de zaal. Alleen tussen de zeven rondes door was het rumoerig en druk.

De Brug 1 deed mee voor het plezier. De eerste twee borden zitten allebei op schaakles dus daar werden de punten binnen gehaald (4 uit 7 en 4½ en 7). Bord 3 en 4 wisten hoe de stukken moesten gaan, maar van enig inzicht was verder geen sprake, laat staan dat ze wisten hoe ze mat konden zetten. Toch zaten ze fanatiek en vol overgave aan het bord. Trots waren ze wanneer hun tegenstander hun overgebleven koning per ongeluk pat zette (en dus remise).

Het hoogtepunt van de dag was voor mij de laatste ronde. J. – die vooraf nog had gevraagd hoe de loper moest gaan – pakte de dame en zette hem quasi nonchalant op de achterste rij. Zijn tegenstander zakte ineen van ellende: mat. We moesten het J. wel even uitleggen dat hij gewonnen had, het ging een beetje per ongeluk. Maar trots dat hij was! Zelden iemand zo zien stralen na een schaakpartij!

De Brug 1 eindige op plek 23 (een gedeelde vijfde plaats, als ik het me goed herinner) en de Brug 2 eindigde op plaats 32. De echte winst zat natuurlijk in het enthousiasme van de kinderen voor het spelletje schaak.

1 februari 2005

358

Als ik op donderdag uit mijn werk kom loop ik vaak even langs de tijdschriftenafdeling van boekhandel Atheneum op het Spui in Amsterdam. Even kijken wat de weekbladen ons nu weer menen aan te moeten doen. Terwijl ik gisteren de inhoudsopgave van De Groene bekeek kwam er achter mij een klant binnen die aan de kassa vroeg 'heeft u nog De Morgen van gisteren'. Ik lachte een beetje voor me uit en draaide me om: ik keek in twee zeer serieuze gezichten die verstoord terug keken.

Vroeger lag de humor op straat, maar tegenwoordig ben ik daar niet zo zeker meer van.

28 januari 2005

357

Het boek dat als inspiratiebron diende voor de film Der Untergang heb ik uit. Ik heb het met bijna dezelfde intensiteit gelezen als ik de film bekeken heb. Boek en film zaten elkaar niet in de weg. Grote delen van het boek zitten niet in de film en dat maakt uit. Bovendien is de tekst van Traudl Junge vlak na de oorlog geschreven, er is nog geen tijdsfilter overheen gegaan. De film is een typisch produkt van deze tijd.

Juist omdat het vlak na de oorlog geschreven is komt het zo authentiek over. Het heeft niet die drift tot zelfrechtvaardiging en sensatie die latere 'ik-was-er-bij'-literatuur zo kenmerkt. Junge schrijft onbevangen en komt zeer oprecht over. Het boek is niet zozeer schokkend door wat ze schrijft, maar door wat ze weglaat. Geen beschouwingen over het leed dat andere bevolkingsgroepen is aangedaan. Geen schuldbelijdenissen voor de gruwelijkheden die mede door haar directe chef in gang zijn gezet. Het perspectief is nog van binnenuit en daarom zoveel boeiender, omdat het nog niet gekleurd is door de wetenschap van achteraf. In de avonduurtjes voert zij ontspannen en gezellige gesprekken met kopstukken uit het Derde Rijk die op andere tijden en andere plaatsen gruwelijkheden laten plaatsvinden die elke fantasie te boven gaat. Die wetenschap heeft Junge nog maar mondjesmaat laten doordringen in de tijd dat ze dit document schreef, al kan een oplettende lezer toch hier en daar merken dat ze ondertussen niet ontwetend meer is.

Wat redt Traudl Junge? Wat maakt toch dat ik door interviews, de film en dit boek op één of andere manier sympathie voor haar begin te koesteren. Haar rol in de oorlog is niet die van een massamoordenaar, maar ze ging ook wel heel makkelijk voorbij aan datgene wat ze wist. Ze was niet dom, ze wist ongetwijfeld genoeg om te weten dat ze in dienst was van een weerzinwekkend politiek apparaat en toch heeft ze zich niet verzet.

Wat Traudl Junge in mijn ogen redt is haar streven naar eerlijkheid in een later stadium. Toen ze eenmaal begon in te zien welke rol ze gespeeld heeft in de oorlog, heeft ze deze rol ook niet meer ontkent en verborgen. Het vreemde was: niemand was geïnteresseerd. Historici interviewden haar om haar feitenkennis, niet om haar schuldgevoelens en depressies.

'Ik heb me teruggetrokken en de schuldgevoelens, het verdriet, de narigheid opgekropt. Toen ben ik als overlevende uit die tijd ineens interessant geworden – waardoor ik in ernstig conflict met mijn schuldgevoelens raakte. Want in deze gesprekken ging het nooit om de schuldvraag maar enkel en alleen om historische feiten. Ik kon er dus over vertellen zonder me te hoeven rechtvaardigen. Ik heb daar verschrikkelijk mee gezeten – en het heeft me nóg meer aan het denken gezet. Nu heb ik een dubbele reden om te treuren: om het lot van de miljoenen mensen die door de misdaden van de nazi's om het leven zijn gekomen. En om het meisje Traudl Humps dat niet zelfverzekerd en bedachtzaam genoeg was om zich op het juiste moment hiertegen te verzetten.'

Het is de alledaagsheid van Junge die zo angstwekkend is. Het is het besef dat het mijzelf ook had kunnen overkomen! Ik kan me haar menselijke vergissingen zo voorstellen, ik kan me zo in haar inleven. Ik voel me opnieuw gewaarschuwd: blijf alert!

Een bijzonder boek.

Traudl Junge Tot het laatste uur
Baarn 2004

27 januari 2005

356

Ik drukte a in maar besefte ineens dat het fout was. Het moest natuurlijk c zijn. Ik wilde het corrigeren maar de bedenktijd was alweer om. Stom, stom, stom dacht ik nog. Als ik straks zeven fouten heb ben ik door deze stommiteit gezakt! Ik was na die vijftig vragen helemaal niet zeker van mijn zaak. Ik had niet teveel nagedacht, geprobeerd de zaken logisch te beantwoorden, maar bij sommige vragen was ik niet honderd procent zeker.

Maar ik was geslaagd!!! Een hele opluchting! Ik vergat gewoon te kijken hoeveel fouten ik had gemaakt zo opgelucht was ik. Pas toen iemand vroeg hoeveel fouten ik had werd mijn nieuwgierigheid gewekt. Ik wist het niet. Maar het staat op je certificaat. Eens kijken: 1 fout. Ik wist meteen welke, maar ik maalde er niet meer om. Dat theoretisch rijexamen is binnen. Nu nog het praktisch rijexamen.

24 januari 2005

355

"Papa, papa, ik heb een woord in mijn hoofd en dat begint met een r ...".
"Euh, ik weet niet ... euh ... een radiografisch bestuurbaar onderzeebootje?"
"Neeheeee!!!"

23 januari 2005

354

De laatste ronde heb ik geheel onnodig verloren. In de opening (voor de kenners: ik speelde met zwart een Scandinavische verdediging) kwam ik heel snel in het voordeel. Maar in plaats van snel toe te slaan of af wikkelen naar een remisestand liet ik mijn voordeel vervlakken en kwam mijn tegenstander terug. Nog steeds had ik niet hoeven verliezen, maar een venijnig trucje deed me in het stof bijten. Door een gunstig eindresultaat aan het andere bord werd ik toch ongedeeld eerste. Met enige bescheidenheid, dat wel.

De eerste partij heb ik met geluk gewonnen. De hele partij stond ik slecht en het was een kwestie van tijd. Toen mijn tegenstander de partij wilde gaan uitcombineren bracht ik een eenvoudig valletje in de stelling die hij over het hoofd zag: mat in één. Soms is het schaakspel heel wreed. Mijn tegenstander had urenlang zitten zwoegen om een voordeeltje tot een gewonnen partij te brengen, vervolgens ziet hij één zet over het hoofd en alle moeite was voor niks.

De tweede partij was spectaculair en op het scherpst van de snede. Het bord stond in brand zeggen schakers dan, je kunt niet alles meer overzien en alles moet je in de gaten houden. Overal combinaties, penningen, stukken die in staan enz. enz. In tijdnood doe ik het verkeerd en ineens zit ik ontdaan naar een schijnbaar niet te voorkomen mat in één te kijken. Tijd om naar een oplossing te zoeken heb ik niet en ik doe wat veel schakers in dit soort situaties doen: door middel van schaakjes tijd winnen. Mijn tegenstander doet op de automatische piloot zijn zetten in de overtuiging dat ik mat toch niet meer kan voorkomen, maar bij mijn laatste schaakje val ik ook zijn dame aan waarmee hij mat had willen zetten. Hij moet ruilen, de matdreiging is voorbij en mijn tegenstander kijkt ineens naar een verloren eindspel aan. Had de zwartspeler iets langer de tijd genomen voor het tweede schaakje dan had een rustig ander zetje kunnen doen en had ik kunnen opgeven.

Ik mag niet ontevreden zijn met het resultaat. Ik had me ditmaal helemaal niet voorbereid en me voorgenomen om schaakopeningen te spelen die ik nooit speel. Geen routine dus en vanaf het begin improviseren en vertrouwen op eigen creativiteit. Dat beviel me uitermate goed. Ik moest stellingen spelen die ik anders nooit speel en waar ik dus fris tegenaan kon kijken. Er kwam zowaar weer wat spelplezier boven waarvan ik vergeten was dat dat er nog was. Ik was als schaker behoorlijk ingeslapen de laatste tijd en liep op de schaakclub alleen nog maar op mijn eigen spel te mopperen.

Het Corustoernooi is sowieso een stimulerende omgeving. Aan het weekendtoernooi deden er bij de amateurs maar liefst ruim 400 spelers mee, van jong (meisjes van jaar of acht) tot oud (heren op zeer hoge leeftijd). Toch valt op dat de kalende mannen van middelbare leeftijd domineren. Daarnaast zie je dat de gemiddelde leeftijd daalt naarmate het niveau hoger cq lager wordt.

De kijkers komen voor de schaakgoden in de grootmeestergroepen. Behalve aapjes kijken kun je ook naar een tent waar deskundigen uitleg geven over de partijen die de grootmeesters spelen. Gisteren deed Jan Timman dat en dat gaf mij een wrang gevoel. Jan Timman speelde vorig jaar nog mee in de hoogste grootmeestergroep, maar gebrek aan resultaten en een toevallige samenloop van omstandigheden heeft de organisatie doen besluiten Timman dit jaar niet uit te nodigen. Hij mocht wel commentaar geven. Wrang. Daar sta je dan als vergane glorie. Ooit was je the best of the west, je hebt nog meegespeeld om het wereldkampioenschap en dan sta je daar ineens als een schoolmeester uitleg te geven. Ik moet zeggen, hij deed zijn best, maar ik denk dat zijn grote deskundigheid voor zijn gebrek aan flair voor velen niet geen compensatie was. Timman stond voortdurend te twijfelen over de zetten en zijn beoordeling daarvan terwijl arrogante amateurs uit het publiek deden alsof ze het allemaal wél wisten. Timman zal zelden zo zijn geduld geoefend hebben.

17 januari 2005

353

Al het succes wat jullie me toegewenst hebben voor het schaaktoernooi helpt: ik heb twee van de drie partijen gewonnen. Mijn dank daarvoor! De eerste plaats kan me al niet meer ontgaan. Als ik morgen verlies kan er nog iemand even veel punten krijgen, het wordt dan gedeeld eerste. Met remise stel ik mijn eerste plaats helemaal veilig, maar ik zal mijn sportieve plicht doen en proberen te winnen. Morgen voor mij de laatste partij alweer.

15 januari 2005

352

Pfoe, wat een dag gaat dit worden. In plaats van in alle rust op mijn werk te zitten moet er van alles gebeuren. Gelukkig zijn het plezierige dingen.

Eerst op tijd op om mijn zoontje naar school te fietsen. Als ik terug ben snel nog even een bakje koffie voordat ik aan twee uur rijles ga beginnen. Twee uur rijlessen zijn zwaar, zeker omdat ik vandaag ook nog een proefexamen moest doen. Ik ben nog lang niet zover om af te rijden, maar het is een goede oefening. Ik voel vooraf veel spanning voor zo'n les en achteraf ben ik altijd weer blij als ik het gehad heb, maar toch beleef ik er wel plezier aan.

Dan nog een logje schrijven.

Zometeen naar school om in de middagpauze gezellig met mijn zoon op het Bankaplein wat te eten. Dan weer naar huis om me voor te bereiden op de reis naar Wijk aan Zee. Ongeveer om half drie neem ik de bus bij het Julianapark om om drie uur de trein te halen. In Amsterdam stap ik vast over op de stoptrein naar Beverwijk (dat kan eventueel in Haarlem ook). In Beverwijk heb ik de tijd om de bus te pakken naar Wijk aan Zee waar ik dan veel te vroeg aankom om mijn inschrijving te bevestigen. Te vroeg, omdat ik altijd wat marge inbouw in dit soort reizen. Ik heb eventueel dan nog wat tijd over om wat te eten en te wandelen, ontspanning en concentratie te zoeken.

Ik heb me ditmaal voorgenomen om geen schaakboeken in de trein mee te nemen. Dat voelt dan net alsof je nog wilt leren voor een examen en dat je dan daar eigenlijk te laat mee bent. Bovendien ben ik helemaal verslingerd aan het boek van Traudl Junge, het boek waarop de film Der Untergang gebaseerd is. Het is een hele reis naar Wijk aan Zee. Volgend jaar zal ik het met de auto kunnen doen, hoop ik. Dus ga ik er nu nog eens extra van deze reis genieten.

Vanavond na de partij kan ik gelukkig weer meerijden met mijn grote vriend JW! Ik vind het toch altijd weer geweldig dat hij speciaal naar Wijk aan Zee wil komen om mij op te halen!

14 januari 2005

351

Nog één nachtje slapen en dan is het weer zover!!! Het Corus Chess Tournament. Ik speel weer mee in de weekendvierkampen.

13 januari 2005

350

Mijn vader was beroepsmilitair, hij werkte als administrateur op vliegbasis Leeuwarden. Soms mocht ik een dag mee. Dan kon ik 's ochtends vanuit het kantoor zien hoe de enorme betonnen hangars open gingen en de vliegtuigen tevoorschijn kwamen. Het was nog de tijd van de starfighters. Een enkele keer gingen we ook kijken bij het avondvliegen. Dan zaten we in de auto vlak bij het punt waar 's avonds de vliegtuigen startten. Als zo'n vliegtuig startte dan trilde de grond en de auto waar we in zaten, kwam er zo'n enorme vuurkolom uit de staart van het vliegtuig en met een bulderend geraas vertrok zo'n ding de donkere lucht in met een vuurbal achter zich aan.

Het zal geen verbazing scheppen dat ik als jongetje gefascineerd was door het leger. Ik speelde met soldaatjes, tanks enzovoort. Een echt besef van wat oorlog was had ik niet behalve dan dat het iets heel ergs moest zijn, maar met mijn onschuldige spel had dat natuurlijk niets te maken.

Ik ontdekte de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in zoveel delen van G.B.J. Hilterman in de kast van mijn ouders. Ik herinner me die boekjes nog goed: het waren pockets met een rode rug en in het midden van die rug was een wit gedeelte met het getal dat het deel aangaf. Elk deel begon met een lap tekst en dan volgde bladzijden lang foto's, foto's en nog eens foto's. Die foto's fascineerden mij als kind. Ze lieten een wereld zien die ik niet kende: de gruwelijke wereld van de Tweede Wereldoorlog. Hoezeer ik me bewust ben geweest van die gruwelijke kant weet ik niet meer, maar er stonden ook heel veel soldaten, tanks en schepen op. En ... die Duitsers díe waren machtig en sterk. (Wat betreft die gruwelijkheid: ik zal nooit vergeten dat ik op een dag getroffen was door een foto van een Japanse soldaat die op een eiland in de Stille Oceaan gedood was door een vlammenwerper; ik herinner me dat ik ontzettend lang naar die foto heb zitten kijken. Wat ging er in die man om? Had hij familie? Wie was hij? Ergens had ik medelijden met die man, al wist ik dat hij aan de verkeerde kant had gevochten.)

Een andere herinnering is een godsdienstles op de middelbare school. Als 16-jarige hield ik al erg van gesprekken voeren over levensbeschouwelijke onderwerpen. Het precieze onderwerp weet ik niet meer, ik denk dat de vraag op een gegeven ogenblik was of mensen die wel hele slechte dingen gedaan hadden nog mochten rekening op vergeving. Natuurlijk, zei ik meteen, Adolf Hitler was toch ook maar een mens. Grote ophef. Het is me door sommige klasgenoten lang nagedragen dat ik zo'n gedachte serieus kon nemen. Wekenlang werd ik geconfronteerd met feiten over de wandaden van de nazi's alsof ik die feiten zelf niet kende. Ik werd moe van het uitleggen dat het daar niet om ging, maar om de gedachte dat als een mens oprecht berouw heeft van wat hij heeft aangericht hij altijd zou kunnen rekenen op de vergevingsgezindheid van God. Dat was immers de uiterste consequentie van het Nieuwe Testament. Elk christen zou dit uiteindelijk moeten erkennen, hoe weerzinwekkend hij of zij die gedachte misschien ook zou vinden.

Ik werd pacifist en ik deed een beroep op de wet gewetensbezwaarden militaire dienst. Mijn kijk op de militaire wereld had gedurende de puberteit en adolescentie een draai van 180 graden gemaakt. Ik heb veel moeite moeten doen om dit uit te leggen aan mijn vader. Uiteindelijk kon ik hem geruststellen door te vertellen dat ik niets had tegen vaders had die hun hele leven hard gewerkt hadden voor hun gezin, ook al was dat met een militaire baan. Ik had niets tegen militairen, maar iets tegen het militaire syteem ... wat dat dan ook mocht zijn.

Mijn fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog ging niet over. Ik bleef benadrukken dat we de onmenselijkheid van die tijd alleen in het juiste perspectief konden zien als we de nazi's als mensen bleven beschouwen. Het waren geen duistere krachten of demonen, geen beesten, maar mensen. Alleen dan zouden we inzien waartoe een mens in staat is.

Ik verbaasde mezelf keer op keer wanneer ik een fragment film zag van Adolf Hitler en zijn stem hoorde en dat die man een ongekende uitwerking op mij had. Nooit zal ik nazi worden, maar was ik een Duitser geweest in de jaren dertig van de vorig eeuw zonder de kennis van de geschiedenis die ik nu heb ... nou ik weet niet of ik zo sterk was geweest om de verleiding van die vreselijke waandenkbeelden te kunnen weerstaan temidden van zo'n tumultueuze tijd. Het eerste deel van de biografie van Hiltler door Ian Kershaw heb ik zonder verbazing gelezen. Zo kan het lopen in een mensenleven. Dát ontkennen is veel gevaarlijker dan het bagatelliseren ervan.

Gisteravond ben ik dan naar de film Der Untergang geweest. Een film gebaseerd op de getuigenissen van de secretaresse van Adolf Hitler: Traudl Junge. Iemand die hem van nabij als mens heeft meegemaakt.

Er schijnt een discussie geweest te zijn over het feit dat een man als Hitler hier als personage in een film wordt opgevoerd. Het zou het gevaar meebrengen dat je je als kijker zou inleven in die man en misschien medelijden met hem zou krijgen. Wel – en ik kan alleen voor mezelf spreken – ik heb geen enkele medelijden met dat personage gevoeld juist omdat Hilter als mens werd neergezet. Bruno Ganz heeft die rol overtuigend en prachtig neergezet. Of de film overeenkomt met de historische werkelijkheid kan ik niet beoordelen, maar als poging is de film in mijn ogen geslaagd. Zelden ben ik van het begin tot het eind zo in een film getrokken. Zelden was het publiek in de bioscoop zo stil. Ik verbaas me over de gretige nieuwsgierigheid die ik had om te willen zien hoe het was.

Sommige beelden en fragmenten zal ik niet licht vergeten. En als het op mij al zo'n indruk heeft gemaakt in een veilig bioscoopzaaltje, hoeveel meer vreselijk moet de werkelijkheid niet geweest zijn! Wat een waanzin! Die waanzin vond in mijn ogen in deze film een hoogtepunt in de scène waarin Frau Goebbels haar kinderen vermoord door het toedienen van een gif in hun slaap, een scène die symbolisch is voor de moord die de nazi-top op de eigen bevolking pleegde.

En toch. Als het lijden universeel menselijk is, als mensen oog in oog met de dood hun meest naakte moment hebben waarbij geen onderscheid meer is in geloof, politieke overtuiging, sexuele voorkeur of het biologische ras waartoe iemand behoort, is het dan verkeerd om toch, tóch medelijden te voelen met die Duitse moeder die na een bominslag naar haar zoontje rent en boven op het dode lichaam in huilen uitbarst?

12 januari 2005

349

Gisteravond zond het programma Het uur van de wolf de documentaire De weg naar huis uit. Ooit had ik al een fragment uit deze documentaire gezien over pianiste Maria Joao Pires en haar boerderij waar ze cursussen geeft.

Ik heb al eens geschreven over de prachtige opname van de Nocturnes van Frederic Chopin die zij gemaakt heeft. Pires is een pianiste die niet alleen mooi speelt maar ook een verhaal maakt van elke nocturne.

In de documentaire wordt een beeld gegeven van een alternatieve manier van lesgeven in muziek. Pires wil niet haar leerlingen klaarstomen voor het grote succes, de carrière. Geen nadruk op techniek, techniek en nog eens techniek. Je zou kunnen zeggen: geen intellectuele benadering van muziek maken, maar één vanuit het lichaam. De documentaire laat beelden zien van leerlingen die geconfronteerd worden met hun eigen lijf en opvattingen. Hoe vast zit hun eigen lijf met spanningen en blokkades. De leerlingen wordt geleerd op hun lichaam te letten, spanningen los te laten, te ontspannen en in de ruimte die ontstaat zich vrij te voelen.

Het was intrigerend om te zien hoe het werkte. Gelukkig behield de maker van de documentaire ietwat afstand zodat we niet té dicht op de emoties van de leerlingen kwamen te zitten. Bij sommige cursisten ging de muziek duidelijk hoorbaar beter ademen. En wie beter ademt kan beter een verhaal vertellen.

Overigens werkt Pires niet alleen met getalenteerde musici. In de documentaire kan men ook zien hoe ze les geeft aan kinderen in haar omgeving en werkt met de locale bevolking. Niet alleen de klassieke muziek, maar ook de puurheid van flamenco of een lied dat gezongen wordt op het land. Pires ziet goed dat de muziek kan verschillen, maar dat de makers van muziek wezenlijk allemaal hetzelfde zijn.

11 januari 2005

348

Gisteravond was het weer zo ver. Ik was met het achttal van de schaakclub waarin ik meespeel (Oud Zuylen 4) naar Amersfoort om daar tegen Amersfoort 4 te spelen. Het zou een spannende avond moeten worden, want Amersfoort 4 had verrassend gewonnen van beoogd kampioen van de poule: Hoogland 1. En het werd een spannende avond. Pas in de laatste minuten, bij een stand van 3½-3½, viel de beslissing. De partij was remise, maar de Amersfoorder bezweek schijnbaar onder de spanning van de tijdsdruk en greep mis. Mijn teamgenoot maakte het keurig af.

Maar ik had weer zo'n tegenstander. Vriendelijk, dat wel, maar van een soort etiquette aan het bord nauwelijks benul. Het bleef binnen de marges van het betamelijke – ik heb wel eens erger meegemaakt – maar juist dat maakte het moeilijk, ik kon er net niet iets van zeggen. Wippen op de stoel en daarbij de tafel vasthouden zodat de tafel steeds een beetje bewoog. Als ik aan zet was soms even zachtjes met de vingers naast het bord trommelen. Snuiven, zuchten enz. enz. allemaal lastig als je je concentratie probeert te vinden en vast te houden. Ik ben maar veel gaan wandelen als ik niet aan zet was. Verder probeerde ik nog onverstoorbaarder te doen als hij onrustiger werd, alsof we ook buiten het bord een wedstrijdje deden. Op het bord ondertussen ging alles in mijn voordeel, dar hoefde ik me geen zorgen over te maken. Waarom hij veertig minuten over een zet nadacht was me een raadsel, maar misschien was dat ook een poging om mij uit mijn evenwicht te krijgen.

Ik heb de hele avond beter gestaan maar mijn tegenstander bleef actief spelen. Ook ik kwam in een matige tijdnood voor de veertigste zet. En juist in mijn veertigste zet, terwijl de laatste minuut aan het wegtikken was, bood hij remise aan. Een remise-aanbod moet je overwegen, soms even overleggen met je teamleider, afhankelijk van de tussenstand. Daar had ik geen tijd voor. Het is regelementair toegestaan, maar zeer onsportief om op zo'n moment een remiseaanbod te doen. Ik kookte van binnen, maar bleef uiterlijk zo kalm mogelijk. Natuurlijk speelde ik stoïcijns verder, zonder verder commentaar, zijn remiseaanbod kwam eerder uit zwakte. Uiteindelijk deelden we het punt wel, maar we hebben elkaar niet meer gesproken na de partij.

8 januari 2005

347

Ik weet het niet meer.

7 januari 2005

346

Maar jij zou het ook zien als je mijn ogen sloot:
het is donker in mijn hoofd.

Maria Barnas Twee zonnen, 18

6 januari 2005

345

Ik heb gemerkt dat door mijn generaliserende en polemische toon in mijn tekst van 5 januari lezers zich aangesproken en gekwetst voelen. Dat is niet mijn bedoeling geweest. Aangezien ik me nu verantwoordelijk voel voor de onbedoelde effecten van mijn tekst kan ik niet anders dan mijn welgemeende excuses maken.

Ten overvloede wil ik benadrukken dat het log het leed en ellende van de slachtoffers in Azië niet heeft willen relativeren. Ook ik ben getroffen door wat daar gebeurd is, meer dan u voor mogelijk houdt.

5 januari 2005

344

Ik ga een onsympathiek stukje schrijven dat realiseer ik me, maar het houdt me bezig. Die actie van giro555 komt mijn strot uit. Niet de actie, niet de noodzaak om geld in te zamelen, niet de hulp aan de mensen die het nodig hebben, maar het feit dat ik geen weblog kan openen of: giro555, dat ik geen andere site kan openen of: giro555, dat ik geen televisie kan aanzetten of: giro555, dat ik geen krant kan openslaan of: giro555, dat ik geen radio kan aanzetten of giro555, ik kan geen voet buiten de deur zetten of: giro555. Ja, nu weet ik het wel! En waarom? Werkt het geld inzamelen in Nederland zo slecht? Of willen we graag laten zien dat we meeleven, willen we zo graag meedelen in de positieve imagevorming die het rondbazuinen van giro555 oplevert. Kijk eens hoe ik meeleef (hoeveel aidsdoden per dag?), kijk eens hoe sociaal voelend ik ben (hoeveel doden in Darfur?), kijk mij nou eens (nog steeds bezetting en onderdrukking in Tibet). Grijpen we dit soort rampen aan om een kunstmatig saamhorigheidsgevoel te creëren? We bedenken een actie om geld bijelkaar te schrapen en sturen een e-mail naar de televisie, want misschien komen wij dan wel op teleivisie, dat zou leuk zijn! Weblogs op wit (nog steeds genocide in Rwanda), drie minuten stilte met z'n allen (Amerikanen martelen nog steeds krijgsgevangenen). De Amerikaanse regering komt er tenminste openlijk voor uit dat hun hulpactie hopelijk een positieve bijdrage levert aan het imago van Amerika in islamitische landen. Het is van een godsgeklaagd opportunisme, maar ze zijn tenminste voor één keer eerlijk in hun bedoelingen denk ik dan maar. Hoe eerlijk bent u? Hoe eerlijk ben ik?

Weet u, het interesseert me niet wie wat geeft en waarom. Ik ga er als vanzelfsprekend vanuit dat er zeer veel mensen geraakt zijn en wellicht geven wat in hun vermogen ligt, maar zoals ditmaal omgegaan wordt met deze ramp lijkt eerder op sociaal-emotioneel exibitionisme.

5 januari 2005

343

Is het alweer acht jaar geleden? Nee, niet de Elfstedentocht, maar de geboorte van mijn zoon? Acht jaar! Het is onvoorstelbaar.

Hij is minstens zo blij als mijn vrouw en ik dat hij in juli een broertje of zusje krijgt. Toen we het hem vertelden liep hij de hele dag te zingen. Het leeftijdsverschil is misschien groot, maar daar is nu eenmaal niets aan te doen. Ik weet zelf hoe dat is: mijn broer is acht jaar ouder en mijn zus is elf jaar ouder. Leeftijd zegt niet zoveel over de mogelijkheid of 'de kinderen iets aan elkaar zullen hebben'. Mijn zoontje speelt gemakkelijk met kleintjes, vooral met zijn veel jongere nichtje.

Zelf vind ik het geweldig om het allemaal weer mee te maken. Het voelt bijna alsof we weer onze eerste kind krijgen. Mijn vrouw en ik kijken elkaar zo nu en dan aan: hoe ging dat ook alweer? Wat moeten we ook alweer allemaal regelen en in huis hebben. Onze eerste zorg is om ruimte te maken in huis. Er zal flink opgeruimd en verplaatst moeten worden. De tijd lijkt sneller te gaan dan acht jaar geleden.

Maar het grootste gevoelsmatige verschil vind ik toch wel dat ik niet vader hoef te worden: dat ben ik al. Het is één van de grootste keerpunten in mijn leven geweest. Door de geboorte van mijn zoon veranderde mijn leven enorm, ineens stond al mijn doen en laten ook in het teken van een verantwoordelijkheid voor een klein leventje. Die emotionele verandering kan ik moeilijk uitleggen aan anderen die zelf geen kinderen hebben. Ik heb het zelf als een verrijking ervaren, maar ik kan me best voorstellen dat jonge volwassenen voor dat grote onbekende leven als ouder terugschrikken. Je weet niet waar je aan begint en dat valt ook niet over te brengen. Het ouderschap zal ik overigens nooit idealiseren, maar spijt heb ik niet gehad. Ik kan me een leven zonder de aanwezigheid van mijn zoon niet meer voorstellen.

Straks zijn er twee kinderen in mijn leven, maar ik ervaar deze verandering vooralsnog als een minder groot verschil dan acht jaar geleden.

4 januari 2005

342

Wat is het toch een wonder dat materie bewustzijn kan hebben. En dat dat bewustzijn kan denken: wat is het toch een wonder dat materie bewustzijn kan hebben.

Kan een illusie van zichzelf zeggen dat het een illusie is?

3 januari 2005