Jeroen Brouwers vertelt dat hij na het lezen van archibald strohalm van Harry Mulisch wist: zo wil ik schrijven. Een vergelijkbare ervaring had ik bij het lezen van De laatste deur van Jeroen Brouwers. Door dat boek heb ik voor het eerst als jongeling begrepen, dat er zoiets als een stijl van schrijven bestaat. Alleen, bij mij heeft het nergens toe geleid, ik kan me nergens op beroemen. Hooguit dat ik als een personage uit een boek van Brouwers geworden ben, een lulhannes.

28.12.2014

Het is heerlijk om naar landschappen uit vroeger tijden te kijken, de afgebeelde wereld is vaak nog CO2-neutraal. Schilderijen zijn geen objectieve weergave van de wereld zoals de schilder zijn wereld zag, maar desalniettemin heb ik vaak het gevoel te kijken naar een gearchiveerde wereld waarvan veel verloren is gegaan.

26.11.2014

Mijn grootmoeder prevelde als zij las en ik vond dat als kind zeer eigenaardig. Zij las voornamelijk in de Bijbel en ik heb vaak gedacht dat dat de oorzaak dan wel zou zijn. De Bijbel dient men immers niet zomaar in stilte te lezen, maar met aandacht en concentratie en hoe zou men dat beter kunnen doen, dan de woorden zacht voor zich uit te spreken?

Alberto Manguel vertelt in zijn boek Een geschiedenis van het lezen dat stil lezen pas vanaf de tiende eeuw gebruikelijk werd. Daarvoor las men hardop. Stil lezen was een uitzondering, iets wat vermeldenswaardig was als men het meemaakte.

Wanneer ik alleen ben en poëzie lees, lees ik het steeds vaker mezelf voor. Het helpt om het ritme, de structuur en de al of niet rijmende klanken te ontdekken. Om vergelijkbare redenen lees ik mijn eigen tekst ook altijd hardop om te controleren of het wel goed loopt. Vaak komen de aanpassingen dan vanzelf of dient zich de volgende nog niet geschreven zin aan.

Overigens, als hij las, gingen zijn ogen over de bladzijden en speurde zijn hart naar de betekenis, maar zijn stem en tong bleven stil. Als ik bij hem was – want iedereen mocht binnenlopen en het was geen gewoonte om bezoekers bij hem aan te melden – heb ik hem dikwijls zo stil zien lezen en nooit anders. Dan zat ik daar een tijdlang in stilte – want wie zou hem durven storen als hij zo in zijn lectuur verdiept was? – en ging dan weer weg, denkend dat hij in die paar ogenblikken die hij vond om even bij te komen, vrij van drukte van andermans zaken, liever niet gestoord wilde worden; dat hij misschien wel wilde voorkomen dat hij een passage van de auteur die hij las, zou moeten uitleggen als iemand aandachtig meeluisterde of met hem op moeilijke passages zou moeten ingaan; en dat hij minder kon lezen van zijn boek dan hij wilde, als daar zijn tijd aan opging. Een goede reden kan ook zijn geweest dat hij zijn stem wilde sparen, want hij werd heel gauw schor. Maar wat voor reden hij ook had, goed was ze zeker.

Aurelius Augustinus Belijdenissen, 127

25.11.2014

Toen de muur viel in Berlijn, kraaide het westen victorie, het communistische systeem had gefaald. Nu onze muur nog, dacht ik toen, de val van het kapitalisme. Maar het kapitalistische systeem blijkt hardnekkig, al vermoed ik dat er ondertussen genoeg aardschokken zijn geweest die een grotere omwenteling lijken aan te kondigen.

De onzichtbare hand van de vrije markt die alles in goede banen zou moeten leiden, die bestaat niet. Het is een aandoenlijk concept: laat mensen vrij ondernemen en alles komt goed. Zo min mogelijk regels, zo min mogelijk overheid. De maatschappij is niet maakbaar, ze vormt zichzelf ten goede als we maar niet teveel ingrijpen. Zo'n vertrouwen in de goedheid van mensen getuigt van een enorme naïviteit. De overheid moet beschermen en in goede banen leiden, zoals de kerk in christelijker tijden over het zielenheil van mensen waakte. Er schuilt een mensbeeld achter die we vooral in populaire films tegenkomen: de tweedeling tussen goed en kwaad en de wenselijke overwinning van het eerste. De mens is óf goed óf kwaad en het laatste moet paradoxaal op kwaadaardige wijze bestreden worden, want het kwaad bedreigt het succes van een vrije markt. Ode aan de beschaafde mens die verstandige en heldere keuzes kan maken, met een vinger aan de knop om de ander te vernietigen. Ik vermoed dat de mens een dier is dat zichzelf in toom probeert te houden met de meest fantastische illusies. De mens als boekhouder van zijn dromen.

Steeds minder mensen worden steeds rijker en de problemen stapelen zich op voor de rest van de wereld. Honger, ziekte, de gevolgen van klimaatveranderingen, de ellende treft vooral de landen waar Europa haar illusies geïmporteerd heeft. Maar ook in de zogenaamde westerse wereld krijgen steeds meer mensen last van financiële problemen en de sociale gevolgen daarvan. De westerse mens is tot consument gemaakt, een junk, die steeds verlangt naar de volgende aankoop om een gevoel van welvaart te behouden en dat gevoel stelt steeds hogere eisen. Er is meer geld nodig om de aangewakkerde behoeften te kunnen bevredigen en aangezien die bevrediging verward wordt met geluk, voelen mensen zich ongelukkig als de bevrediging uitblijft.

Is het een kwestie van tijd? Aan revoluties gaan vaak langere periodes van toenemende spanning vooraf. Revoluties komen voort uit een verlangen naar herstel van de goede oude tijd, vandaar de opkomst van rechtse partijen die dit verlangen levend houden. Hoe lang kan ons economische systeem met zijn repressieve tolerantie nog de onvrede reguleren? (Hoe lang werkt het drogeren met beeldschermpjes nog?) Waar ligt het keerpunt? Of denderen we als blijmoedige consumenten op een politieke, economische en klimatologische ramp af?

Onheilsprofeet! Doemdenker!

9.11.2014

Het was een herfstavond, ongetwijfeld, want ik keek op van mijn boek en zag mezelf in het raam. Het geluid van regen en storm, zwarte schaduwen van bomen dansend in het licht van lantaarnpalen. In de verte wat gerommel van onweer. Het was stil buiten, niemand waagde zich op straat. Misschien dat daarom die passerende grijze auto me zo opviel. De bestuurder leek te aarzelen toen hij de studentenflat voorbij reed, misschien zocht de chauffeur een huisnummer. Verderop zag ik de auto keren en weer mijn kant opkomen. Een vreemde fascinatie overviel me, een bang voorgevoel kroop in mijn lijf omhoog. Ik ging voor de balkondeur staan, drukte mijn neus tegen het raam en probeerde met mijn handen de spiegeling van het licht in mijn kamer af te schermen. Alsof de duivel ermee speelde, bleef de auto precies onder mijn balkon staan. Ik schrok van een harde knal en een fel licht aan de hemel en ik kon nog net zien dat de bestuurder van de auto naar me wees en iets zei tegen iemand achterin de auto. Vlug deed ik een stap achteruit, ik voelde me betrapt, ik wilde niet gezien worden.

Het was al avond toen we het zwembad verlieten. Er werd een noordwesterstorm voorspeld en het waaide al hard. Ik moest de ruitenwissers van de auto flink laten werken. 'Papa, het onweert, hoor je dat?' vroeg mijn dochtertje. 'Dat vindt papa wel fijn, dat het weer echt herfst wordt,' merkte mijn zoontje op. Ik moest omrijden, de weg die ik doorgaans nam was afgesloten. Ik kreeg een idee. 'Jongens, zal ik eens laten zien waar ik vroeger gewoond heb? We komen er nu vlak langs!' De kinderen protesteerden, ze wilden naar huis, maar ik besloot het toch te doen, zoveel tijd zou het niet kosten. Toen ik het terrein opreed met de studentenflats, zag ik dat de kleuren die ze vroeger hadden, er niet meer waren. Moeizaam probeerde ik de huisnummers door de regen te herkennen. De eerste keer reed ik er langs zonder mijn oude flat te herkennen, maar aangezien het een doodlopende straat was, moest ik toch keren. Nu reed ik erop af en zag ik het. Het vierde balkon, dat moest het zijn. 'Kijk jongens, daar heeft papa ooit gewoond, nu zal er wel iemand anders wonen.' Het onweer barstte nu echt los. Achter het raam van mijn vroegere studentenflat zag ik een schaduw bewegen. Een vreemde nostalgie maakte zich van mij meester en het gevoel dit al eens eerder meegemaakt te hebben.

21.10.2014

brieven aan A. (8)

Lieve A.,

Ik mis je. Ik mis je vreselijk! En ik mis je uit egoïsme, omdat ik je nodig heb. Was vloeken maar niet zo ongepast, ik zou even flink los willen gaan. Waarom woon je zo ver weg? Ik wil je vriendschap vlakbij, hier, om de hoek, je lach en je woorden. Maar dat gaat niet en ik weet het, er zijn goede redenen voor. Daarom schrijf ik je zoals ik alleen jou kan schrijven. Dat zou een troost moeten zijn... Is het de maandagochtend? Heb ik te weing koffie en nicotine gehad? Is het die halfslachtige herfst hier in de Laagste Landen? Of is het een stompzinnig romantisch verlangen te ontsnappen, te verlangen naar verre oorden, verlangen naar vroeger tijden achter de horizon...?! Ja. En nee, want ik weet dat het niet helpt.

Nee, ik ben niet ongelukkig, maar ik ben het leven soms zo zat. Het is allemaal zo treurig en ergerniswekkend. Heb jij het gevoel dat er in ons korte leven iets wezenlijks veranderd is? Of veranderd er niet echt iets. Vergis ik mij of zijn het altijd maar weer dezelfde problemen en conflicten, in mijn eigen leven en daarbuiten in de grote wereld? Altijd maar weer hetzelfde gedoe, dezelfde onzin, dezelfde hopeloosheid... Het gevoel alles al een keer meegemaakt te hebben. Het dendert maar voort, het openbare leven, elke dag is er wel iets in de media waardoor iedereen weer over elkaar heen valt met meninkjes, opvattingen, opinies... Zucht. Allemaal met goede bedoelingen natuurlijk en met de hoop de wereld beter, rechtvaardiger, mooier te maken. Hoeveel honderden jaren modderen wij mensen al niet door? Wat zijn we opgeschoten? Elke generatie begint weer bij het begin, met nieuwe energie en idealisme, met zogenaamde frisse ideeën, met hoop op een betere toekomst. Wanneer ze wat ouder worden en merken dat zij het niet zullen meemaken, doen ze het niet meer voor zichzelf, maar voor hun kinderen. En als die kinderen groot geworden zijn, de nieuwste generatie vormen, roepen de gefrustreerde ouders dat ze alles wel eens gezien hebben en is de cyclus weer rond. Soms word ik daar zo moedeloos van. Tutto nel mondo é burla. Jaja, de mensheid is een klucht, de librettist van Verdi had het begrepen.

Misschien had meneer Nietzsche wel gelijk. Het probleem is dat mensen zo menselijk zijn. De mens zou wellicht zijn behoefte om de wereld te verbeteren, zijn idealisme, moeten overwinnen. Iets doen door actief niets te doen, zegt de taoïst in mij. Geen paradijselijke vergezichten meer, maar eenvoudig dat wat voorhanden is. Het stukje dat ik schrijf, het eten dat bereid moet worden, de was die opgehangen moet worden. Hoe leg ik mensen die paradox uit, dat ik meen, dat juist die voortdurende pogingen om de wereld te verbeteren en rechtvaardiger te maken, juist die pogingen het tegenovergestelde bereiken? En dat ik vermoed dat als we nu eens zouden ophouden alles beter te maken, misschien juist dan wel de wereld beter en rechtvaardiger wordt? Dat mijn idealisme eruit bestaat, geen idealen meer na te streven. Ik laad dan altijd de verdenking op mij, dat ik mensen in nood aan hun lot wil overlaten, maar dat is zeker niet zo. Natuurlijk moeten we mensen helpen, maar niet vanuit een ideaal, niet omdat bijvoorbeeld Jezus dat vraagt of omdat het economisch voordeel oplevert of wat dan ook. Nee, je helpt iemand anders, omdat die ander hulp nodig heeft, niet meer en niet minder.

Niet dat ik denk met deze vage vermoedens iets te bereiken. Integendeel, de wereld is zo in de ban van kampioenschappen in geloofs- en politieke overtuigingen, dat ik niet de illusie koester dat die ban ooit gebroken zal worden. Misschien moet ik daar blij mee zijn, want ik denk dat kunst niet zonder vergezichten kan, al was het maar om er tegenaan te trappen. Kunst heeft transcendentie, immanentie (of hoe dat ook allemaal maar heet) nodig. De behoefte aan andere werelden, of dat nou transcendent of immanent is (en wellicht is daar geen wezenlijk verschil tussen), zou wel eens een primaire levensbehoefte van mensen kunnen zijn, een bescherming tegen de werkelijkheid. Hoeveel werkelijkheid kan een mens aan? Niet veel, denk ik.

Dus lieve A., schrijf! Schrijf je verhalen, je roman. Niet voor de roem, niet om de mensheid te verheffen (hahahaha!), maar voor mij en de anderen die het willen lezen. Vergeef me mijn humeur en blijf brieven sturen, ik weet dat je in gedachten vlakbij bent. Het komt allemaal goed.

Vaert wel ende levet scone,
je jwl

14.10.2014

De herfst begint zichtbaar te worden door de geelgroene bladeren. Het bos is mooi in de ochtend! Het is nog vochtig van de regen of de dauw uit de vorige nacht, de zon begint door de breken door de heiige hemel. Het is windstil, er heerst een gelaten sfeer als ik wandel over het pad met bladeren, dennennaalden, dennenappels, eikels, beukennootjes... Natuurlijk, het is niet echt stil, want in de verte hoor ik het gebrom van het verkeer, de mensenwereld is nooit ver weg. Ook het bos heeft zo zijn eigen geluiden: het druppelen, de vogels, het ritselen. Maar wie er gevoelig voor is, bemerkt het grote zwijgen van de natuur, zoals Nietzsche dat genoemd heeft (Morgenrood 423). Het bos oordeelt niet, het bos denkt niet na over verleden en toekomst, maar leeft, zo lijkt het, 'in het nu'. Graag zou ik die zwijgzaamheid willen verinnelijken, maar mijn gedachten babbelen voort. Ik denk over gisteren en morgen, dat is wat mij tot mens maakt. Al dat modieuze geneuzel over 'zelfrealisatie in het hier en nu' en het loslaten van verleden en toekomst, daar schuilt een ontkenning van het mens-zijn achter, ik heb daar geen boodschap aan. Ik wil in gesprek blijven. Wat zou zo'n herfstbos mij te vertellen hebben, kon zij spreken als een mens? Ik vrees dat het een huiveringwekkende boodschap zou zijn.

30.9.2014

Afgelopen dinsdag overleed mijn vader. Bij de crematieplechtigheid heb ik onderstaande woorden gesproken.

Lieve mensen,

Lieve papa,

Een aantal jaren geleden, als we het wel eens over het onvermijdelijke hadden, realiseerde ik me dat ik op een dag hier zou staan en dat ik zou spreken op je begrafenis of crematie. Wat zou ik moeten zeggen? Hoe goed kende ik jou eigenlijk, papa. Een groot deel van jouw leven ben ik er niet geweest en als kind vergeet je wel eens dat je ouders ook een leven hebben gehad, voordat ze vader of moeder worden. Hoe dan ook, de afgelopen jaren heb ik zo nu en dan geprobeerd om informatie uit je te trekken, maar dat was niet eenvoudig. Elke keer wanneer we elkaar spraken kwamen er wel een paar puzzelstukjes te voorschijn, maar vaak pasten ze niet goed in elkaar en een volledig beeld wilde maar niet tevoorschijn komen. Maar toch, laat ik het proberen en laat ik dan maar bij het begin beginnen.

Je werd geboren op 26 februari 1930 in De Bilt. Dat was een woensdag en volgens de geschiedenis van het KNMI was het een frisse en grijze dag, gemiddeld ongeveer 6 graden, met maxima van 11, en het regende niet. Je kreeg de naam Pierre Louis, naar een familielid uit de geschiedenis van de familie, komend uit andere windstreken. Niemand noemde je zo, het werd Loek. Je had één oudere zus en later zouden daar nog vijf jongere zussen en een broer bij komen.

Ik heb begrepen dat je als kind ernstig ziek geweest bent, dat je zelfs enige tijd in het ziekenhuis gelegen hebt en naar een plaats aan zee bent gestuurd om aan te sterken. De geruchten gaan dat je daarna het lieverdje van je moeder was en vreselijk verwend werd. Ik ben daar eigenlijk wel blij om, want het voorbeeld van je moeder heb je later maar al te graag nagevolgd bij je kinderen en vooral bij je kleinkinderen. Altijd stond er wel ergens een pot met snoep waar de kleinkinderen uit mochten pakken, het gemopper van de ouders, dat je de kleinkinderen veel te veel verwende, werd altijd glimlachend genegeerd.

Toen je tien jaar was begon de oorlog in Nederland. Dat waren moeilijke tijden. Veel wilde je er niet over kwijt, behalve dan over de schaarste van voedsel en de tochten die je te voet met een kar gemaakt hebt met je moeder naar de Achterhoek om daar bij de boeren nog iets van aardappelen en groente te halen. Die tijden zouden wij als kinderen nooit kunnen begrijpen, vond je, en ik denk dat je daarin gelijk had. Daarom moesten we dus netjes ons bord leeg eten en mocht er nooit eten weggegooid worden.

Na de oorlog, je had de Mulo ondertussen afgerond, ging je als knechtje werken bij een banketbakker. Het is me nooit duidelijk geweest of je nu bij één bakker of bij meerdere bakkers gewerkt hebt. Hoe dan ook, ik denk dat het voor ons als kinderen één van je belangrijkste periodes geweest is. Schijnbaar had je daar goed opgelet of had je er gewoon gevoel voor. Wie herinnert zich niet jouw taarten! Naar verjaardagen nam je altijd taart mee. We moesten soms alleen wel wat op je inpraten dat het toch niet altijd mokkataart behoefde te zijn. Slagroomtaart of een vruchtentaart leek ons ter afwisseling ook wel eens aardig. Waarna je vervolgens met een taart aan kwam zetten die half mokka-, half slagroomtaart was, waarbij altijd toch nog even opgemerkt werd dat je het niet snapte: mokka was toch echt het lekkerste. En niet alleen de verjaardagen, volgens mij heb je ook bij elk huwelijk van je kinderen de huwelijkstaart gebakken, met etages en een echtpaar er bovenop. En laat ik niet de beroemde kersttaarten vergeten waar ik als kind altijd met grote ogen naar keek. Ik herinner me nog de taart, waarop een kerkje van chocola stond met een paadje van chocoladehagel ernaartoe. Dagen was je bezig om al die onderdelen van chocola te maken. Uit de tuin haalde je hulstbladeren die bedekt werden met chocola en het was me altijd weer een raadsel hoe je dat eraf kreeg zonder dat het brak. En nu we het toch even over je bak- en kookkunsten hebben: velen hier zullen zich je banketstaven wel herinneren, de befaamde nasi (waar je ook dagen mee bezig kon zijn), je koude buffetten op feesten en partijen en op oudejaarsdag stond je uren in de keuken om voor een weeshuis oliebollen te bakken, schalen vol gingen overal naar toe. Thuis wisten we niet hoe we ze op moesten krijgen en dagen later waren die oliebollen zo hard dat je elkaar er de hersens mee kon inslaan.

Nog voordat je achttien was melde je je aan bij de marine. Je werd aangenomen en je volgde in Loosdrecht een opleiding tot hofmeester. Je hebt veel gevaren op zee, op foto's uit die tijd zie ik een knappe, lachende jonge man in uniform in verre landen. Volgens mij had je het wel naar je zin met dat avontuurlijke leven op zee. Maar de reis waar je vaak over sprak was de reis naar Indonesië, na de onafhankelijkheid dus, niet om te vechten. Daar heb je ongetwijfeld je nasi leren koken.

Maar voor ons kinderen, was de belangrijkste gebeurtenis eigenlijk wat na Indonesië gebeurde. Want als dat niet gebeurd was, waren wij er niet geweest. Terug in Nederland werd je meegenomen door je vriend B*, althans zo is mij verteld, voor een uitje van de Jonge Kerk, een club van belijdeniscatechisanten. In de bus kwam je tegenover een bloedmooie jonge vrouw te zitten die ook nog eens bevriend was met een aantal zussen van je. Er sloeg een vonk over en jullie kregen verkering. Waarbij, zo vermoed ik, dat uniform van jou en natuurlijk die stoere motor geen onbelangrijke rol gespeeld hebben. Geef het maar toe papa, je was niet alleen een heel innemende man, maar ook wel een beetje een macho. Voordat je het wist zat je als marineman in het huwelijksbootje: op 8 augustus 1955 trouwde je in dat kerkje in De Bilt met B* W*. Ruim een jaar later kwam de grootste ommezwaai in je leven: op 9 november 1956 werd je vader, van een dochter, M*. Het was allemaal nog niet zo eenvoudig in die tijd, want jullie waren weliswaar getrouwd, maar jullie hadden nog geen eigen huisje. Toen M* een half jaar was konden jullie dan eindelijk terecht in Den Helder. Jaja, dat huisje in Den Helder, een krot, als ik mama mag geloven. (Overigens, een ieder die daar meer over wil weten: vraag het gerust eens aan mijn moeder, ze kan er uitstekend en beeldend over vertellen.) Jij, papa, was nog veel op zee, maar je was altijd blij om weer thuis te komen, met cadeautjes voor de kleine en je vrouw. Toen jullie echter een tweede kind verwachtten, weigerde je om uitgezonden te worden naar Nieuw-Guinea. J* werd geboren op 14 augustus 1959 in Den Helder. Je ging weg bij de marine en kwam uiteindelijk aan het werk in de keuken van de kazerne in Leeuwarden. De volgende woonplaats werd Hardegarijp.

De tijd van huisje, boompje, beestje brak aan. De tijd van opgroeiende kinderen, schoolgaande kinderen. Een goede baan als militair, een rijtjeshuis, in de fotoalbums zie ik de foto's van vakanties aan zee, foto's met kinderen bij de kerstboom. Jij had wel meer kinderen gewild, jij kwam uit een groot gezin, mama had alleen een zus, die vond het wel goed zo. Maar toen M* bijna elf was en J* al acht, diende zich nog een nakomertje aan. Op 7 oktober 1967 werd ik geboren in Hardegarijp en jullie noemden mij Jan-Willem.

Nu ging de tijd steeds sneller. Er was nog één verandering van werk en één verhuizing. De kazerne ging sluiten en jij liet je omscholen tot administrateur. Daarvoor moest je naar Middelburg en was je alleen de weekenden thuis. Ik herinner me nog altijd het afhalen op het station, want je had altijd een cadeautje bij je en welk kind zou daar niet naar uitkijken. Je werd gedetacheerd op vliegbasis Leeuwarden, waar je een nieuwe naam kreeg: Pierre was te moeilijk en dus werd het Piet. Het gezin verhuisde naar de andere kant van Leeuwarden, naar Menaldum, tegenover de ijsbaan. Daar heb je dus bijna 44 jaar gewoond. Daar zijn je kinderen groot geworden. Eerst moesten ze die pubertijd nog door en dat ging niet altijd zonder kleerscheuren. Je opvoedingsmethoden waren ook niet altijd bepaald orthodox. Als M* op een avond voor de zoveelste keer niet op tijd thuis was, belde je gewoon de bar op waar ze was en vroeg je of ze even wilden omroepen dat M* L* thuis moest komen. Maar je had slimme kinderen, vaak waren ze je net een stap voor. Toen je M* voorhield dat ze mocht stoppen met school als ze maar zorgde dat ze werk had, kon M* meteen antwoorden dát ze al een baan had. J* wilde ook maar wat graag het leger in, maar uiteindelijk is hem dat helaas niet gelukt. Je jongste zoontje hobbelde er wat achteraan, hij zou het je uiteindelijk ook niet makkelijk maken. Hij herinnert zich nog wel de uitroep van je 'als jij lid wordt van GroenLinks hoef je nooit meer thuis te komen'. De volgende dag was ik lid van GroenLinks en kwam ik natuurlijk gewoon thuis.

Uiteindelijk trok de rook van het slagveld opvoeding en vaderschap op. Als militair heb je nooit hoeven vechten, als vader is het vaak een strijd geweest. Maar de kinderen kwamen terecht, vonden een baan, een partner, trouwden, kregen zelf kinderen. Je werd opa op 26 maart 1985 toen B* geboren werd. En je werd niet zomaar een opa, je werd een verschrikkelijk trotse opa. Nu je eigen kinderen volwassen waren, kon je genieten van je kleinkinderen en uiteindelijk werden het er zeven: Na B* volgden Y*, S*, R*, S*, M* en M*. Maar je bleef niet hoofdschuddend aan de zijlijn van je kinderen staan. Want ondanks de soms moeilijke tijden met en tussen ons, was je nooit te beroerd om de handen uit de mouwen te steken. Als er weer eens verhuisd moest worden, stond je altijd in de frontlinie om het nieuwe huis op te knappen, te verven, te behangen. Dat we soms wat anders in gedachten hadden dan jij, daar was je soms moeilijk van te overtuigen, maar schoorvoetend deed je dan uiteindelijk wat wij graag wilden. Maar hoe dan ook, we konden altijd op je rekenen.

Wel pap, ik moet langzaam naar een einde toe breien en ik moet veel overslaan, ik kan niet alles vertellen. Ik had nog willen beginnen over je muzikale talent om muziek na één keer horen na te spelen op het orgel - het liefste zo hard mogelijk, dat we het straten ver konden horen - en dat je mij noten hebt leren lezen en dat je me orgellessen gaf. Je liefde voor de gouden strotten in de Italiaanse opera's (Pavarotti was natuurlijk de beste), de christelijke koren en de muziek van Johannes de Heer op zondagochtend galmend door het huis. De tijd dat ik meeging met je naar de bijeenkomsten van het Leger des Heils. Dat je zo goed kon dansen en dat je nog danslessen hebt gegeven. Dat je voor jan en alleman de belastingen invulde. De enorme typemachine in je kantoor in de kazerne waar de kinderen op mochten spelen. Samen naar het avondvliegen kijken op de vliegbasis. Ik had nog willen vertellen over de vakanties op de eilanden Ameland en Vlieland en die in Oostenrijk en je liefde voor de bergen. Ik had willen vertellen over de enorme open haard in de huiskamer die je op een dag was gaan bouwen. Tegelijkertijd had je je baard laten staan, ik weet niet wat toen meer indruk gemaakt heeft, de open haard of die baard. De jaren dat je met overgave je eigen groente en aardappelen verbouwde in je moestuin even buiten het dorp. En aardbeien, verschrikkelijk veel aardbeien, op mijn brood, in het toetje, op de taart ... weet je dat ik na al die jaren nog steeds geen aardbei meer kan zien? Misschien had ik ook nog ergens je eeuwige strijd met de eeuwige sigaret willen aanstippen. Hoe vaak heb je niet geprobeerd te stoppen? En elke keer werd je dan zo onuitstaanbaar chagrijnig dat we met z'n allen vaak niet konden wachten op het moment dat je er weer één opstak. Of je ongeduld als de wereld om je heen weer eens niet opschoot. Het gemopper in de auto met krachttermen die ik hier maar niet zal herhalen, er zijn kleine kinderen bij. De humor die ik met je deelde als we samen Tom en Jerry, Bud Spencer en Terrence Hill, Laurel en Hardy en nog veel langer geleden bij de VPRO, de enige programma's van de die vreselijke VPRO waar je een oogje voor dichtkneep: La linea en vooral All in the family. Ik denk dat je veel herkende in Archie Bunker als karikatuur van jezelf. De man met zijn stoel waar niemand anders mocht zitten, die manhaftig probeerde de wereld om zich heen onder controle te houden, terwijl ondertussen zijn vrouw de schade probeerde te beperken en alles in goede banen probeerde te leiden.

Pap, ik ga hier niet beweren dat je een perfecte vader was. Nee, je was lange tijd bepaald niet makkelijk. Maar ondanks je menselijke, al te menselijke kanten, ondanks je driftbuien, je starheid, je eigenwijsheid, je dominante aanwezigheid vaak, je militaire discipline in de opvoeding - 'om half zes aan tafel en anders zonder eten naar bed!' -, ondanks dat alles, stond je altijd voor ons klaar, konden we altijd een beroep op je doen en had je zo je onhandige manieren om toch te laten zien dat je van je vrouw en je kinderen hield.

En je klaagde nooit! Ook niet toen je langzaam maar zeker begon te merken dat het leven je begon te ontglippen. Graag had je nog de wereld van de computer en de mobiele telefoon leren kennen, maar het muntje viel niet, je begreep het gewoon niet. Je lichaam begon je in de steek te laten. Eerst de reuma in je handen wat het klussen steeds moeilijker maakte. De TIA's die je gehad hebt, al probeerde je dat altijd te verdoezelen. Je karakter veranderde daardoor, je werd rustiger, milder, je gezicht, je ogen en je stem werden zachter, we konden weer gesprekken voeren zonder dat de spanning om te snijden was. Je zintuigen gingen langzaam maar zeker achteruit. Ik moest harder praten. Het werken in de moestuin ging niet meer, de wandelingen konden niet meer, pijnlijke artrose diende zich aan. Autorijden werd moeilijk, zeker zo'n lange rit naar Bunnik. Alles werd vermoeiender, je kreeg het benauwd en dus een puf van de huisarts voor je longen. Eigenlijk wilde je je stoel niet meer uit en liet je de wereld bij jou komen via de televisie. En als ik suggereerde dat het geen schande zou zijn om met een rollator ..., dan keek je me aan met een blik van een 84-jarige die geen twijfel wilde laten bestaan: jíj met een rollator, je was toch zeker niet bejaard? Nee, je wilde het huis niet meer uit. Nee, je hoefde niet naar Franeker voor nieuwe schoenen, maar toen mama een verjaardagscadeau suggereerde wilde je wel samen met haar dat boek kopen in Franeker. Ik hoor het je zeggen 'ik zal vast de auto uit de garage rijden' en ik zie je het doen. En als je even later weer binnen komt, loop je moeizaam achter mama langs die bij het aanrecht staat in de keuken. Je zegt iets als 'ik moet nog even naar de wc' en je zegt dat je wat pijn voelt op de borst. Je loopt de gang in en je zakt in elkaar. Eerst denkt mama nog dat je gestruikeld bent, maar toen ze zag dat je buiten bewustzijn was, rende ze naar de buren - die fantastische buren die, als er een Nobelprijs voor goed nabuurschap zou bestaan, zij die zouden verdienen. Buurvrouw reanimeerde, buurman belde 112. Twee ambulances, politiewagens en de huisarts spoedden zich naar je toe. Het mocht allemaal niet meer baten. Het onvermijdelijke, de dood die bij je geboorte al was ingebakken (en ik denk dat deze beeldspraak je wel zal bevallen), had zich aangediend. Het lichaam dat exact 84 en een half jaar had gefunctioneerd, hield ermee op. Het was dinsdagmiddag, 26 .8.2014.

Toen ik later op de middag even alleen was met je levenloze lichaam in het ziekenhuis, heb ik het tegen je gezegd: papa, je hebt het goed gedaan, dank je wel. En als je het niet erg vindt, blijf ik niet te lang, want zoals je weet, zal ik spreken op je crematie en ik moet de tekst nog schrijven.

Papa, ik zal eindigen met een fragment uit een gedicht. Een gedicht van mijn favoriete dichteres Miriam Van hee, die naam zal je waarschijnlijk niks zeggen. Bij dat gedicht moet ik vaak aan onze wandelingen in de bergen van Oostenrijk denken en dan zie ik je hijgend staan uitrusten in een bocht van een paadje, sigaret in je mond, fototoestel op je buik, om je heen kijkend en genietend van een prachtig panorama.

stapvoets

(...)

wij klommen langs smalle en stenige paden
en ook de zon klom steeds hoger zodat wij
de wereld beneden ons konden aanschouwen

er moest een meer zijn daarboven
er moesten zonnige graasplaatsen zijn
een plek aan de rand van het water
waar we vrij zouden zijn om te doen
of te laten, we konden er praten of
wachten tot onze huid zo dun werd als lucht
en wij elkaars gedachten raadden

er was geen andere weg daarvandaan
dan terug naar beneden, met zere voeten
met honger en dorst, maar toch als vanzelf,
in het avondlicht, met onze schaduwen nu
aan de andere kant

[Dankwoord]

Lieve mensen,

Namens mijn moeder, maar natuurlijk ook namens M*, H*, J*, W* en ikzelf dank ik u allen heel hartelijk dat u hier bent om samen met ons afscheid te nemen van vader, opa, broer, vriend, buurman ... van Loek. Ach, zei papa vaak, begrafenissen en crematies, altijd van die reünies bij de koffie en een plakje cake erbij en dan gaat het leven weer gewoon door. Nou, laten we hem daar dan maar niet in teleurstellen zo meteen en geniet u ook vooral van de broodjes kaas, u weet wel die kaas, die hij zogenaamd niet mocht eten van de doktor. En als ik straks in de auto stap, zal ik onwillekeurig kijken waar papa nu weer het geld voor de benzine heeft verstopt ... maar ditmaal zal ik het niet vinden.

B*, Y*, S*, R*, S*, M* en M*. Jullie opa is er niet meer, maar hij heeft het leven doorgegeven en jullie kunnen de herinnering aan hem levend houden. Want zolang iemand herinnerd wordt, is hij niet werkelijk dood. Het verdriet en het gemis zal nog wel even duren, maar ik denk dat opa nog trotser op jullie zal zijn als jullie straks met opgeheven hoofd verder gaan met het leven dat hij doorgegeven heeft.

31.8.2014

Waarom nog boeken lezen? Word ik er wijzer van? Nee. Word ik er een beter mens van? Zeker niet. Leidt het uiteindelijk ergens toe? Nee. Dus houd ik de schijn op en koester de illusie.

20.8.2014

Er lag een groot vel papier op de grond. Daarop twee vloeiende lijnen getekend die een weg moesten voorstellen. Wat er verder nog op getekend stond, dat weet ik niet meer. Misschien een boom of een kerk, een stad of een dorp. We moesten onszelf ergens op het papier tekenen om aan te geven waar wij in het leven wilden staan. Daarna natuurlijk de uitleg en het gesprek.

Ik tekende mezelf niet op de weg, maar op een flinke afstand ervan. Ik distantieerde me en wilde slechts toekijken. Laat iedereen maar passeren, ik groet wel en ik heb mijn gedachten, ik hoef die weg niet te gaan.

Het zat er al vroeg in, dat afstand willen nemen tot de wereld. Als tiener kon ik nog naïef zijn daarin en dromen. Het is me nooit echt gelukt, want alleen verlangde ik naar mensen en onder de mensen verlangde ik naar alleen.

Het leven wordt vaak met een weg vergeleken die we allemaal zouden moeten gaan. De toekomst ligt voor ons, het verleden achter ons.

Vrienden wijzen me er wel eens op dat ik teveel in het verleden leef, dat ik met de rug naar de toekomst sta en zo nu en dan slechts over mijn schouder kijk. Keer om, wordt me dan gezegd, blijf niet zo hangen in je persoonlijke geschiedenis, ga op pad, ga je eigen weg, de weg die je wilt gaan.

Het lijkt wel een ideaal van deze tijd, een vorm van vrijheid waar we recht op menen te hebben: je eigen weg willen en kunnen gaan. Soms ook: je eigen weg moeten gaan en als het dan niet zo loopt als we zouden wensen, moet het schijnbaar zo gegaan zijn en was er vast een goede reden voor. Als onze weg maar naar geluk en succes leidt.

Ik heb in toenemende mate het gevoel dat ik niet een weg ga, hoezeer ik ook wandel in tijd en ruimte. Ik heb evenmin het gevoel ergens op een heuvel te zitten en slechts toeschouwer te zijn. Steeds vaker betrap ik mezelf op de gedachte, dat ik niet een weg ga, maar dat er een weg door mij gaat. Of is het geen weg (schiet de beeldspraak hier niet eenvoudigweg tekort?), maar iets dat stil beweegt? Of iets dat bewogen wordt, in mij? Herinnering en verwachting komen er samen.

Het waren niet de vloeiende lijnen, maar het tekenen van de lijnen. Het was niet dat poppetje ver in de periferie dat mij moest voorstellen, maar het tekenen van dat poppetje. En het gesprek. Nu zou ik mezelf overal en nergens kunnen tekenen, het ligt eraan waar ik me naar toe laat bewegen.

2.8.2014

Er is iets dat er uit moet. Misschien wel dat wat mensen zeggen. Misschien ook niet. Maakt het uit? Wil het uit? Kan het er uit? Wie zal het zeggen. Roept u maar, voordat het door stilte in grijze brij van hersenen is opgelost. Verweekt wellicht? Ikzelf zal het zeggen, moeten of willen. Moeten en of willen dan. Of helemaal niks nada niente

20.7.2014

Ze kwam thuis met een gedicht, een gedicht op plastic. Een raamposter dat met zuignapjes aan het glas bevestigd kon worden. Het gedicht ging over de zee en het had haar meteen getroffen, ze moest het kopen.

Verrast las ik het gedicht. Alhoewel het beeld van de zee mij evenzeer aansprak, werd ik getroffen door de poëzie van de tijd.

Daar hangt het nu, voor het keukenraam. Elke keer als ik het huis verlaat zal ik het mij herinneren.

EB

Ik trek mij terug en wacht.
Dit is de tijd die niet verloren gaat:
iedre minuut zet zich in toekomst om.
Ik ben een oceaan van wachten,
waterdun omhuld door 't ogenblik.
Zuigende eb van het gemoed,
dat de minuten trekt en dat de vloed
diep in zijn duisternis bereidt.

Er is geen tijd. Of is er niets dan tijd?

M. Vasalis Vergezichten en gezichten, 42

23.5.2014

La grande bellezza

Waarom ... heeft u nooit meer een boek geschreven?

Ik zocht de grote schoonheid. Maar ... die heb ik niet gevonden.

Ik betreed langzaam de wereld van Jep Gambardelli, hij is zojuist vijfenzestig geworden. Het is de mondaine wereld van Rome, een wereld van feesten, drank en sex. Hij is de koning van deze wereld, een wereld die onwillekeurig doet denken aan het Italië van Berlusconi. In deze schijnwerkelijkheid volg ik Jep in zijn nachtelijke wandelingen, in zijn ontmoetingen met oude vrienden. Dit alles tegen het stille en zwijgzame decor van het oude Rome, de architectuur, de beelden, de schilderijen en prachtige muziek.

Wanneer Jep verneemt dat zijn jeugdliefde is overleden breekt er iets, er gaan luiken open, oude verborgen herinneringen komen boven. Langzaam maar zeker ga ik vermoeden dat achter deze charmante verleider een grote tragiek schuil gaat. Al die feesten, al die vrouwen, was dat niet een hang naar vergetelheid?

Aan het einde van de film gaat Jep terug naar de plek uit zijn jeugd. Ik zie hem staan, ik zie hem herinneren, zijn gezicht vertrokken van smart. Ik snap hem, ik kan hem navoelen, het grote verlies. Wie dat heeft meegemaakt, zal altijd op zoek zijn of altijd op de vlucht. Maar is het grote verlies niet ook de bron van de grote schoonheid?

Zo eindigt het altijd.
Met de dood.

Eerst was er het leven ... verborgen onder bla, bla, bla, bla, bla.
Alles ligt bezonken onder het gekwebbel en het lawaai.

De stilte en het sentiment.

De emotie en de angst.

De bij vlagen luttele sprankjes van schoonheid.
En dan de akelige naargeestigheid en miserabele mensheid.
Alles bedekt onder de deken van onbehagen over het zijn in de wereld.

Bla, bla, bla, bla, bla.

Elders is het elders.
Ik hou me niet bezig met het elders.

Dus ... moge deze roman beginnen.

Tenslotte is het maar een truc.

Ja ... het is maar een truc.

2.5.2014

Er hangt een vochtige stilte, druppels liggen nog op bladeren te glinsteren. Het fluiten van de vogels in de bomen geeft de stilte diepte, ik lijk wel het enige menselijke wezen in deze wereld. Verder hoor ik alleen het geluid van mijn stappen op de bodem van het bos, een bodem die meeveert, meebeweegt, ik zou op blote voeten willen lopen om het fysiek te voelen.

Soms, eens in de zoveel tijd, kom je iemand tegen die met een welgeplaatste, goedbedoelde en toch bijna terloopse opmerking, je volledig uit het lood weet te slaan. Aanvankelijk moest ik glimlachen, maar naarmate het innerlijke verzet tegen de boodschap toenam, wist ik, dat er een open zenuw geraakt was. Hier helpt geen analytisch vermogen meer, hier helpt geen slimme retoriek, hier moet ervaren en gevoeld worden en ik moet er dwars doorheen.

Ik neem het pad waarvan ik weet dat er een omgevallen boom ligt. Een stevige boom, maar schijnbaar toch uit zijn evenwicht gebracht door een harde wind of storm. Hij trok zich niets aan van door mensen gebaande paden en viel er eenvoudig overheen. Ik liep eromheen en bekeek de uit de grond getrokken wortels.

29.4.2014

brieven aan A. (7)

Lieve A.,

Deze brief schrijf ik je vanaf mijn bankje aan de Kromme Rijn. Niet op papier, maar in gedachten. Kijk je mee over het water? Er is nauwelijks wind vandaag, de rivier beweegt sloom en hier in de bocht is het water bespiegelend glad. Alleen een meerkoet weet rimpelingen te veroorzaken door onder te duiken en even later weer boven te komen. Ik kijk er graag naar en zo geniet ik van stilte op een late doordeweekse middag. Hier kan ik mijn zorgen even vergeten en als het meezit laat ik ze er achter.

Niemand heeft erom gevraagd dat deze rivier er is, maar ze is er en gaat haar natuurlijke gang, iets waar ook niemand om gevraagd heeft, het gebeurt gewoon. Zoals de meerkoet niet zijn werk doet, maar onderduikt en weer boven komt, gewoon omdat het in zijn aard zit om te duiken en weer boven te komen, niet omdat een manager dat verstandig vindt.

Ik mis dat soms zo in de mensenwereld, zo'n vanzelfsprekende manier van leven. De mensen overdenken, plannen, ze willen de wereld naar hun hand zetten, ze forceren. Alles lijkt rationeel te moeten zijn, alles moet een doel en nut hebben. Waar is de tijd voor reflectie? Waarom mogen we in onze doelgerichtheid geen omwegen maken om eens goed om ons heen te kijken. Wie weet liggen de oplossingen wel gewoon op straat of drijft er zomaar eentje voorbij. Ik kan me daar soms zo over verbazen als ik onderweg ben. De alomtegenwoordigheid van haast, onrust en lawaai. Natuurlijk ben ik daar zelf ook onderdeel van, al staat het me tegen. Ik vertraag bewust om goed om me heen te kijken. Anderen observeren terwijl ik op de trein sta te wachten is een geliefde bezigheid. Hoe kijken mensen, wat dragen ze, hoe bewegen ze, hoe gaan ze met elkaar om. Niet om er over te oordelen overigens en ik kan je verzekeren dat er schoonheid in al dat gedrag schuil gaat. Kijk die meneer daar, die met z'n telefoon aan z'n oor, geanimeerd in gesprek, ondertussen rondjes draaiend, waarbij hij lichte buigende bewegingen maakt en zo nu en dan een voet in de lucht laat gaan als hij weer een bocht maakt en op zijn schreden terugkeert. Het is bijna een dans.

Zoals je ondertussen weet, ben ik ditmaal niet aan de dans ontsprongen op mijn werk. Opvallend veel lieve en belangstellende mensen komen mij vragen naar mijn plannen. Soms voel ik hun ingehouden verbijstering als ik zeg dat ik me (nog) niet zo druk maak, dat ik stapje voor stapje wil, dat ik rustig wil afwachten, kijken wat er voorbij komt en het juiste moment bepalen (mevrouw Hermsen heeft daar nu een dik boek over geschreven, maar dat heb ik nog niet gelezen). Ik heb altijd een heimelijk, naïef vertrouwen gehad dat alles goed komt, ook als het niet goed komt. Terugkijkend op mijn leventje zie ik allerlei grote en kleine momenten die bepalend zijn geweest, maar waarvan geen enkele gepland of voorzien was en ik weet dat het nu niet anders zal gaan. Niet dat ik lui achterover hang en alleen maar afwacht, dat niet, maar ik weiger om mezelf gek te maken en volledig in een krampachtige stress te schieten. Er moet ruimte blijven voor het onaangekondigde, het onverwachte, het toeval en als het zich aandient, wil ik het niet missen.

Nee, het zijn niet die onzekerheden, mijn dierbare A., die me daar aan het bankje kluisteren om in gedachten jou een brief te schrijven. Nee, het is dat talent dat ik heb, dat talent voor het openrijten van mijn oude wonden, wonden die slechts schijnbaar littekens waren; het talent dat ik heb voor de onbeantwoorde liefde. Dat is de werkelijke reden dat ik troost zoek in het schrijven, in het kijken naar de meerkoet die steeds weer boven komt in die wel eeuwig voortstromende Kromme Rijn. De troost dat jij deze woorden zult lezen en in gedachten een arm om mij heen zal slaan zoals je dat lang lang geleden ook gedaan hebt toen ik het nodig had. En je zult me terugschrijven, toch?, met bemoedigende woorden, met tips voor mooie boeken en muzieken, met een grap, zodat ik weer kan glimlachen, omdat ik weet, ergens ver weg, achter de horizon, daar ...

Vaert wel ende levet scone,
je jwl

18.4.2014

Wie vaak genoeg alleen door de bossen wandelt, hoort vanzelf de bomen fluisteren en de schaduwen spreken.

16.4.2014

Het pad is te smal.

Waar ik hem meestal voor mij laat lopen, gebied ik nu te volgen, ik heb geen zin om hem in de rug te kijken. Tegen mijn gewoonte in begin ik sneller te lopen, ik probeer hem af te schudden, maar hij blijft aan me kleven als een slecht geweten. Driftig draai ik me om.

Sodemieter op, ik wil je niet, ga weg!

Ik kan je niet loslaten, al zou ik willen, we zijn tot elkaar veroordeeld als een foetus tot zijn moeder.

Zwijg!

Ik kan niet zwijgen, jíj bent het die me laat spreken!

Waar de rivier een bocht maakt, gaan we op een bankje zitten. Ik steek een sigaret op. Kerkklokken luiden de nacht in. Nog net kan ik in de verte twee schaduwen, een man en een vrouw, gearmd over een witte brug zien lopen. Tot rust gekomen sta ik op. Ik kijk mezelf onderzoekend aan.

Kom jwl, we moeten verder.

2.4.2014

De cirkel is rond. Waar het ooit begonnen is, daar moet het ook eindigen in een nieuw begin. Als een ensō, de zenboedhistische cirkel die met één vloeiende beweging wordt gekalligrafeerd, maar die zelden gesloten is.

Vanaf dat moment hebben we gepraat en gepraat en gepraat.

In die zomer bereikte de Franse zon haar hoogste stand en begon aan een jarenlange ondergang in mij.

Alhoewel het niet de intensiteit van vroeger had, herinnerde ik me ineens hoezeer het een feest was om eindeloos met elkaar te praten.

In de schemer hoorde ik buiten kinderen lachen, de muziek van het verdwijnende licht achter de horizon. De nacht bracht stilte om te lezen, te schrijven, te mijmeren. Het waren mooie jaren.

En nog steeds, wanneer ik dit opschrijf, voel ik herwonnen ruimte in mezelf, donkere wolken maken plaats.

Heb ik je niet lang geleden gezegd dat je de mooiste ogen hebt? Maar zelfs die laatste herinnering begint op te lossen in het ochtendlicht. Ik heb nu mooiere gezien. De cirkel is rond, maar nog niet gesloten.

26.3.2014

We voeren het gesprek aan tafel en ik kijk in de spiegel. Snel laat ik mezelf veranderen. Oefeningen in zelfbedrog, ik schmink de binnenkant van mijn huid. Waar ben je trots op, waar kun jij jezelf enthousiast voor maken, vragen ze me. Ridi Pagliaccio! Ridi! Denk aan je energieke uitstraling, je lichaamstaal, verhoog de impact van je woorden en lach terwijl het om te huilen is! Vanuit mijn ooghoeken zie ik ze observeren. Ik moet ze over de streep trekken. Maar wie is dat in die spiegel?

16.3.2014

Wanneer ik aan het einde van de middag nog een wandeling over het Jaagpad langs de Kromme Rijn wil maken, loop ik vaak met de stroom mee. In deze tijd van het jaar ga ik de ondergaande zon tegemoet. Het is stil, veel mensen zijn al met het avondeten bezig. Slechts een enkeling die zijn hond uitlaat of iemand die rent voor zijn gezondheid, maar verder alleen een verre ruis van snelwegen en de geluiden van de natuur. Onlangs hoorde ik dat de spechten weer actief zijn. De kwakende eenden zijn er, naast het roepen van de waterhoen en zo nu en dan een kras van een kraai. Dan moet ik vaak denken aan dat aforisme van Nietzsche: wij zijn zo graag in de vrije natuur omdat deze geen mening over ons heeft (Menselijk, al te menselijk aforisme 508).

Wandelen is voor mij geen sport. Wandelen is een gesprek, met een ander, met mijzelf of met de ander die ik zelf ben – soms met mezelf in de ander, maar dat is lang geleden. Wandelen is vertragen, ik ben altijd een verlangzaamde loper geweest. Het is geen neerzetten van een prestatie, het is geen training om fit en gezond te blijven, het is een vorm van reflectie tussen mij en het landschap. Mijn gedachten zijn de eeuwig voortstromende en golvende Kromme Rijn met al zijn diepten en ondiepten, met het leven aan de oppervlakte en onder de spiegel, met alle vertakkingen en bochten. Veel ongeschreven brieven zijn daar geschreven.

De invallende avond laat het duister van de bomen weerspiegelen in het kabbelende water. In het rode licht boven de horizon zie ik schaduwen van mensen over de witte brug fietsen, ze haasten zich naar thuis, waar wellicht een gezin en een eettafel wacht.

2.3.2014

Elke keer wanneer ik een boek van Anjet Daanje lees, vraag ik me af waarom zij geen grotere bekendheid geniet. Doorgaans worden haar boeken goed tot welwillend besproken en ze zijn absoluut de moeite waard. De afgelopen jaren ben ik maar twee mensen tegengekomen die de boeken van deze schrijfster kennen: één slechts van horen zeggen, de ander had enkele boeken gelezen en in de kast staan.

Wat me elke keer weer opvalt aan haar boeken is de vorm, de rangschikking van de hoofdstukken. Gezel in marmer is een grote puzzel, het verhaal is in vele stukken gehakt en doorelkaar geplaatst. Het werkt fantastisch. De vorm van Delle Weel lijkt aan te sluiten bij het onderwerp van het boek. Alles draait om een soap rond de chefkok van een restaurant en de invloed die deze soap heeft op een aantal vrouwen die in meer of mindere mate betrokken zijn bij deze soap. Elk hoofdstuk is gewijd aan het wel en wee van één van deze vrouwen en het boek krijgt daardoor eveneens iets van een soap, zonder de oppervlakkigheid ervan, maar wel met de dwingende behoefte om verder te lezen.

Dit laatste raakt aan een ander kenmerk van de boeken van Anjet Daanje. Het zijn niet zozeer de gebeurtenissen in het verhaal die spannend zijn, maar de wijze waarop deze gebeurtenissen ingrijpen in de personages. Anjet Daanje weet dat zo te beschrijven dat ik elke keer een grote betrokkenheid voel bij haar hoofdpersonen. Je wilt weten hoe hun leven verder gaat, hoe het zal aflopen. Iets wat ook een soap kenmerkt, maar in deze boeken zit meer ernst en geloofwaardige emotie. En de lezer zal een geduldige lezer moeten zijn.

Anjet Daanje schrijft eveneens scenario's, in 2012 was een dramaserie De geheimen van Barslet op Nederland 2 te zien. Ik heb dat helaas gemist. In Delle Weel komt de wereld van de studio's, de filmset, nadrukkelijk voorbij. Maar het is niet alleen de kennis van de filmwereld die zo levendig aanwezig is in Delle Weel, maar ook de techniek van de montage, het scenario, de wisseling van camera enzovoort die ik hier en daar in het boek meen te proeven.

Op de omslag van Delle Weel heeft de uitgever een citaat van Kees 't Hart afgdrukt: Anjet Daanje is goed, zeer goed. Dat is niets teveel gezegd.

Waarheid is het verhaal waarin de meerderheid van de bevolking gelooft. Dat verandert met het jaar, met de dag. En als je handig bent, zorg je dat ze geloven wat jij wilt. Denk je dat jij weet waarom een of andere bekende Hollywoodacteur gaat scheiden, waarom er ineens een broeikaseffect uit de lucht komt vallen, hoeveel moslims ervan dromen om ons op te blazen, waarom we ergens ver weg in een onbekend land oorlog voeren? Ja? Weet je waarom je dat denkt te weten. Omdat je het op de televisie hebt gezien. De televisie bepaalt wat echt is. De kijkers geloven gretig in de onheilsvoorspellingen en drama's die ze iedere avond op hun scherm zien. Dit is een ongekende ramp, het einde van de wereld zoals wij die kennen, nu wordt alles anders. Ja, wat moet je dan? Als iedereen het zegt zal het wel kloppen. Mensen willen geen waarheid, Wina, ze willen iets om in te geloven. Meer niet. En dat ben jij. Wat is daar mis mee? Ze houden van je, van ieder woord dat je zegt, van je adembenemende verschijning, van de vrouw die je naar je evenbeeld hebt geschapen, die zij uit jou hebben geschapen. Je bent een geschenk aan hen. Je maakt hen gelukkig. Zo moet je het zien. Je maakt hen gelukkig, en dat maakt jou weer gelukkig. Weet je hoe zeldzaam dat is? Je bent uitverkoren. Ga heen en zeur niet, geniet van wat je in de schoot is geworpen.

Anjet Daanje Delle Weel, 392

Waar is die grens tussen verzinsel en werkelijkheid waarover hij het heeft? Die bestaat helemaal niet. Hij kent alleen interpretaties van de realiteit, wat zijn zintuigen aandragen, wat hij daarbij denkt, wat hij zich herinnert, wat een ander hem vertelt en hij dan weer op zijn eigen manier duidt. De realiteit is een constructie, in ieder hoofd weer een vernuftige nieuwe, een gammele, een stevige, een sobere, een ingewikkelde, maar allemaal verzonnen. Hij is juist degene die doodsbang is voor de wereld om hem heen, zegt zij, daarom probeert hij hem in een vorm te persen die houvast biedt, waarheid, verzinsel, zijn gelijk, haar ongelijk, zonder dat durft hij niet te leven.

idem., 451

11.1.2014

Eén van de eerste cassettebandjes die ik ooit van mijn zakgeld kocht, bevatte een opname van het tweede pianoconcert van Rachmaninov. Wie de uitvoerenden waren weet ik niet meer, het bandje heeft het vele draaien uiteindelijk niet overleefd. Later heb ik nog vaak andere uitvoeringen beluisterd, maar geen enkele kon tippen aan die ene uitvoering waar ik in mijn jeugd zo mee gezwijmeld heb. Toen ik mijn belangstelling voor dit soort laatromantische muziek begon te verliezen, vergat ik het stuk.

Het is een pianiste die me intrigeert. Ik heb Hélène Grimaud de sterren van de hemel horen spelen, ik heb haar op een wijze horen spelen die me totaal niet boeide. Wat blijft is, dat ze een geheel eigen stijl heeft en soms is dat prachtig, soms niet, maar saai is het nooit. Misschien past haar stijl ook niet bij sommige stukken. Ze heeft een helderheid in haar spel die soms koud overkomt, onderkoeld. Op de cd werkt dat voor mij niet, dan wordt het plastic, maar in de concertzaal wel. Telkens wanneer ik opnamen van haar concerten op YouTube vind, raak ik door haar spel gegrepen. De afstandelijkheid van de cd wordt ineens doorleefd. Anderen zullen het wellicht theater vinden, maar ik krijg toch elke keer weer de indruk dat ze echt opgaat in het moment. Ze maakt een integere indruk op mij.

Zo vond ik dan enige tijd geleden een fantastische uitvoering van het tweede pianoconcert van Rachmaninov met Grimaud als pianiste. Juist in deze muziek werkt die helderheid fantastisch. Geen romantische mist, geen melodramatiek, de muziek is van zichzelf al emotioneel genoeg, daar hoef je als orkest en pianist niet nog een paar scheppen bovenop te doen. In plaats daarvan hoor ik nu details die ik nooit eerder hoorde en nog belangrijker: er wordt een verhaal verteld, een verhaal van verlangen, verdriet, schoonheid en troost.

10.1.2014

Soms hoor ik pas hoeveel geluid een laptop of pc maakt als ik het uitgeschakeld heb. Of hoezeer het beeldscherm nadrukkelijk mijn aandacht trok, wanneer ik deze op zwart heb laten gaan. Als ik 's avonds laat nog wat wil lezen, zorg ik dat mijn laptop uit is. Dat is het mooie van die virtuele wereld, ik kan het met een muisklik doen verdwijnen. Alleen nog een boek op een leesplank, pen en aantekenschrift ernaast. Dan hoor ik weer vaag de geluiden van de echte wereld buiten, zoals ik dat ook hoorde in mijn studententijd toen ik nog niet over een virtuele wereld kon beschikken. Even zit ik weer in mijn studentenkamer achter mijn bureau waar ik mijn spiegelbeeld in het raam zag als ik opkeek van mijn lectuur. Toen al ervoer ik hoe de wereld groter wordt als je langzaam maar zeker opgaat in het boek dat je leest. Ik weet me dan verbonden met een geschiedenis van lezende en schrijvende mensen. De monnik in zijn cel, de rederijker achter zijn werktafel, de bohemien op zijn armoedige zolder. Zou het een wereld zijn die langzaam maar zeker aan het verdwijnen is? Zou een eeuwenoude lees- en schrijfcultuur verloren gaan of marginaal worden door het gebruik van apparaten? En zou dat erg zijn?

5.1.2014

Misschien was er wel een directe oorzaak, maar die herinner ik me niet meer. Hoe dan ook, ineens realiseerde ik me, dat er iets was veranderd, al wist ik niet precies wat. Een vreemd gevoel van vermoeidheid. Jarenlang had ik volgehouden dat ik weliswaar fysiek ouder werd, maar dat ik me mentaal niet ouder voelde worden. Wellicht hadden de afgelopen jaren sluipend hun sporen nagelaten en was het omslagpunt bereikt: ik ben ouder geworden. Ik heb geen zin meer in de voortwoekerende onwelgevalligheden van het leven. Ik wil het lawaai van de wereld niet meer. Ik wil stilte in mijn hoofd. Stilte om me te kunnen concentreren. Om mijn verplichtingen na te kunnen komen. Om te lezen en te schrijven. Misschien moet ik mezelf opnieuw uitvinden.

2.1.2014