1650

17 maart 2018

Marie Oesterley (1842-1916)
A Forest Clearing

1649

15 maart 2018

Dat is alles wat we kunnen doen, dromen, en dan wakker worden en onder ogen zien wat er werkelijk is.
Donal Ryan Een stand van de zon, 153

(...) de eeuwigheid een scharnierpunt tussen hoop en overdrijven.
Marieke Lucas Rijneveld Kalfsvlies, 15

Elke dag sta ik versteld: ik ken mezelf niet!
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 249

Er komt in de werkelijkheid niets voor dat strikt aan de logica be­ant­woordt.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 251

De Duitsers zijn gemakzuchtig en hebben daarom graag een ideaal­beeld, dan hoeven ze niet na te denken.
Friedrich Nietzsche Nagelaten fragmenten. Deel 3, 257

1648

11 maart 2018

er is geen weg (6)

I need an island, somewhere to sink a stone
I need an island, somewhere to bury you,
Somewhere to go.

Heather Nova

Ben jij gelukkig? vroeg ze terwijl ze een kopje thee naar haar mond bracht en haar linkerhand haar rechterarm bij de elleboog onder­steunde.

Hij legde de vraag op tafel als een opengevouwen wegenkaart, zo'n kaart uit vroeger tijden toen er nog geen google maps was. Hij herinnerde zich de zondagmiddagen waarop hij uren boven zo'n kaart kon hangen om de kortste, snelste of in ieder geval de mooiste route naar de vakantie­bestemming in Oostenrijk te vinden.

Was hij toen gelukkig? Hij had dat altijd een impertinente vraag gevonden, een ongemakkelijke vraag ook, want wat moest je daar nu op antwoorden? En zat in zijn aarzeling om direct volmondig ja of nee te zeggen niet al een antwoord besloten?

Eerder had hij het gevoel in een soort niemandsland te verkeren, ergens tussen geluk en ongeluk in. De mensen kenden hem toch als een rustig en tamelijk gelijkmatig persoon? Natuurlijk had hij momenten en periodes in zijn leven gehad, dat hij zich ongelukkig had gevoeld, het waren soms tijden van diepe ellende geweest. De laatste jaren op de middelbare school, de eenzaamheid tijdens zijn studie als hij H. miste en bovenal toen bleek dat zijn huwelijk op drijfzand gebouwd was. Maar dan had hij zich intens ongelukkig gevoeld, maar hij had nooit het gevoel gehad dat hij ongelukkig was. Het waren eilandjes en eilanden van wanhoop geweest, maar altijd temidden van een zee van hoop en geluk. Ook al kon hij verdwalen op zo'n eiland en soms zelfs het ruisen van de zee niet meer horen, hij had altijd geweten dat als hij maar bleef lopen hij vanzelf weer op het strand terecht zou komen. Alles komt goed, ook als het niet goed komt, zei hij vaak ironisch, alhoewel het eigenlijk een diepgeworteld vertrouwen was.

Waar kwam dat vertrouwen vandaan? Toch zeker niet uit zijn opvoeding. Zijn moeder zag altijd beren op de weg, zag altijd het negatieve en je wist dat de frase ik wil niet klagen hoor, maar ... de frase van haar leven was. Vader was ergens onderweg het vertrouwen kwijtgeraakt, al proefde hij soms bij hem de aanwezigheid van gelatenheid, humor zelfs. Of was het zijn protestantse opvoeding geweest, het idee dat er altijd iemand over je waakt? Zou het kunnen dat dat vertrouwen een laatste restant was van een gekoesterde illusie, terwijl de basis allang weggeslagen was? Of was het gewoon toeval, had hij bij zijn geboorte eenvoudigweg een gunstige chemische samenstelling meegekregen, voldoende goede stofjes in zijn hersenen, waardoor hij gevrijwaard werd van een al te persistent gevoel van ongeluk? Misschien was het beter het antwoord niet te weten.

Nee, hij zat graag aan de vloedlijn, liet het water zijn voeten kriebelen. Soms trok hij de broekspijpen omhoog en ging hij pootje baden en als het hem te heet onder de voeten werd, zwom hij in zee, maar nooit te ver, want je moest het geluk ook niet tergen. Maar hij kwam ze wel tegen op het strand, mensen die altijd met de rug naar de zee zaten. Hij begreep ze niet, ze hoefden zich maar om te draaien. Dat er ook mensen waren die alleen maar eb zagen, die het water steeds vaker en verder zagen terugtrekken totdat de zee helemaal verdwenen was, die mensen kende hij alleen van horen zeggen, het waren mensen die uiteindelijk de laatste deur namen. Met hen had hij compassie, dat zij niet het vermogen (meer) hadden om de zee te kunnen zien, zij moesten werkelijk ongelukkig zijn, zij konden zelfs niet kiezen voor geluk. Niet dat hij dacht dat geluk een keuze was, dat was voor mensen die er een soort calvinistisch genoegen in schiepen om anderen het gevoel te geven dat hun ongeluk altijd hun eigen schuld was. Nee, er is geen weg naar geluk, daarvan was hij ondertussen ook wel overtuigd geraakt, maar om een gelukkige weg te vinden, daarvoor moest je ook wel een beetje geluk hebben.

Hij had een pauze laten vallen en bracht zijn kopje thee naar zijn mond. Hij hield niet van thee – gekookt water met een smaakje, blèh –, vooral niet van rooibos. Toch dronk hij er goedmoedig van en terwijl hij het kopje weer neerzette, keek hij haar aan in die mooie bruine verbaasde ogen en zei glimlachend: natuurlijk, ben ik gelukkig!

Natuurlijk.

1647

5 maart 2018

Een boomblaadje, een uitgedroogd, bruin boomblaadje, wiegde op de golven van een stevige bries. Het danste een dans van een onbekende op de klanken van een krassende kraai en een roffelende specht. Slechts even maar een eeuwigheid.

1646

5 maart 2018

Hugh Ramsay (1877-1906)
Study of a Girl, half-nude, leaning on a box (c. 1896-1900)

1645

27 februari 2018

Voor mij zit het mystieke in het omgekeerde, in het afdalen in de krochten van het lichaam, tot een voortalig brein, waar de sprakeloosheid toeslaat.
Peter Verhelst in Poëziekrant 2018/1, 8-9

Een metafoor is voor mij een mogelijkheid om te spreken over iets waar­over je niet kunt spreken.
Peter Verhelst in Poëziekrant 2018/1, 9

De vraag is of ik het leven dat ik leid, een leven zonder basis, nog kan recht­vaardigen.
Frida Vogels Dagboek 1968-1969, 608

Deze weg is net zo goed als elke andere, of net zo slecht.
Donal Ryan Een stand van de zon, 65

Het universum was ooit een stipje, geladen met het gewicht van alles wat ooit zou bestaan.
Donal Ryan Een stand van de zon, 97

1644

20 februari 2018

Johann Heinrich Füseli (1741-1825)
Silence (1799-1801)

1643

15 februari 2018

Hij is dood. Mijn ouders hadden me naar mijn grootvader willen noemen, maar die heette Adolf en dat riep nare associaties op. Dus wilden ze er Rudolf van maken, hetgeen in praktijk natuurlijk Ruud was geworden. Het is me bespaard gebleven.

Hij is dood, de man waardoor ik altijd de vraag kreeg: ben je familie? Ik was vijftien toen hij minister-president werd en hij domineerde in mijn adolescente jaren de politiek, de jaren waarin iemand politiek bewust kan worden. Ik mag hem dankbaar zijn, want mede door mijn aversie tegen hem ben ik links geworden, in mijn jonge jaren in gedachten op het anar­chistische af.

Hij is dood en nu wordt hij de hemel in geprezen, altijd fijn voor een CDA'er. Misschien dat hij de hemel ook uit een diepe crisis kan halen. Voor mij was hij niet de man die het land uit een vermeende diepte haalde, voor mij was hij de crisis zelf.

Laat hem rusten in vrede.

1642

14 februari 2018

Ik zag haar juichen, ik zag haar lachen, ik zag haar volledig uit haar dak gaan, een sterk staaltje van euforie.

De vraag: wat gaat er nu door je heen?

Het antwoord: het is alsof er een droom uitgekomen is.

Alsof.

Ik moest aan al die andere sporters denken. Hun droom was niet uitgekomen, omdat de heldin van de dag een paar tienden van een seconde sneller was geweest. Hadden zij nu gefaald?

Een paar tienden van een seconde! (Hoe lang duurt een knipper van je ogen?) Jarenlang had zij getraind, haar hele leven ingesteld op het bereiken van het hoogst haalbare. Alles moest ervoor wijken, zelfs vrienden en familie moesten maar begrijpen dat zij werkte aan het uitkomen van haar droom, de droom een paar tienden van een seconde sneller te zijn dan de anderen. Zodat zij en niet de andere dromers op het erepodium kon gaan staan.

Het publiek juicht, de journalisten prijzen haar, het is ongekend. Misschien was hun droom nu ook uitgekomen, hun droom om ooit hun heldin te zien winnen. Daarvoor hadden ze veel uitgegeven om met het vliegtuig de halve wereld over te reizen. Om haar te zien juichen, om haar te zien lachen, om haar volledig uit haar dak te zien gaan. Om zelf te juichen en te lachen. Nu was iedereen gelukkig, er was immers een droom uitgekomen.

1641

13 februari 2018

De ochtendzon verlicht het duister achter de bomen. Later worden de takken en de stammen zichtbaar in een langzame dans van licht en schaduw. Natte bladeren glinsteren, de randen van bemoste takken iriseren groen. Dan schijnt de zon door de toppen van de bomen mijn woon­kamer binnen, recht in mijn gezicht. Vlakken licht worden zichtbaar in mijn kamer en verschuiven in de tijd. De rand van de fruitschaal weerkaatst het felle zonlicht, het reliëf van de muur krijgt diepte. Het wordt me pijnlijk duidelijk dat ik nodig de ramen moet lappen.

1640

1 februari 2018

393. An Franz Overbeck in Basel

<Genua, 22. März 1883>

Mein lieber Freund, mir ist zu Muthe, als hättest Du mir lange nicht geschrieben. Aber vielleicht täusche ich mich, die Tage sind so lang, ich weiß gar nicht mehr, was ich mit einem Tage anfangen soll: es fehlen mir alle „Interessen“. Im tiefsten Grunde eine unbewegliche schwarze Melancholie. Im Übrigen Müdigkeit. Zumeist zu Bett; auch ist das Vernünftigste für die Gesundheit. Ich war recht mager geworden, man wunderte sich; jetzt habe ich eine gute trattoria und will mich schon wieder herausfüttern. Aber das Schlimmste ist: ich begreife gar nicht mehr, wozu ich auch nur ein halbes Jahr leben soll, Alles ist langweilig schmerzhaft degoutant. Ich entbehre und leide zu viel und habe einen Begriff von der Unvollkommenheit, den Fehlgriffen und den eigentlichen Unglücksfällen meiner ganzen geistigen Vergangenheit, der über alle Begriffe ist. Es ist Nichts mehr gut zu machen; ich werde nichts Gutes mehr machen. Wozu noch etwas machen! —

Das erinnert mich an meine letzte Thorheit, ich meine den „Zarathustra“ (Ist es jetzt deutlich zu lesen? Ich schreibe wie ein Schwein) Es passirt mir alle Paar Tage, daß ich es vergesse; ich bin neugierig, ob es irgend einen Werth hat — ich selber bin in diesem Winter unfähig des Urtheils und könnte mich im allergröbsten Sinne über Werth und Unwerth täuschen. Übrigens höre und sehe ich Nichts davon: äußerste Schnelligkeit war meine Bedingung des Drucks. Nur meine allgemeine Müdigkeit hat mich Tag für Tag verhindert, den ganzen Druck abzutelegraphiren; ich warte mehr als 4 Wochen auf Correcturbogen, es ist unanständig, mich so zu behandeln. Aber wer ist denn noch anständig gegen mich! So nehme ich's denn hin. —

Der Winter verzögert sich dies Jahr um ein, zwei Monate. Sonst würde ich dran denken können, bald etwas in die Berge zu gehen und Höhenluft zu versuchen. Genua ist nicht das Rechte für mich; so findet Dr. Breiting.

Ich bin auch noch keinen Schritt spazieren gewesen. Die Nächte schwitze ich. Der tägliche Kopfschmerz ist milder geworden, aber immer noch regelmäßig.

Ich habe neulich Liebermeister's im Hôtel de Gênes besucht; sie sind jetzt in Santa Margherita.

Hoffentlich bist Du mit Deiner lieben Frau in guter Stimmung, das Leben ist Euch wahrlich nicht mißrathen, ich denke mit Vergnügen daran.

Dein Freund

F N.

KSB 6, 348-349

1639

27 januari 2018

Mary Lizzie Macomber (1861-1916)
Jewels

1638

26 januari 2018

Het was al laat in de avond toen hij het gevoel kreeg niet langer alleen te zijn. Hij durfde niet om te kijken, maar iemand had plaatsgenomen in de stoel tussen de piano en de boekenkast. Het kostte hem geen moeite om zich voor te stellen wie het was, daarvoor hoefde hij die cynische, wellicht sarcastische grijns niet te zien, die voelde hij. Het liefste had hij hem bij de kladden gepakt en hem het huis uitgetrapt, maar hij wist dat dat niet zou gaan, hij moest het gesprek aangaan.

Wat kom je doen?

Stoor je niet aan mij, ga gerust verder met schrijven, misschien wordt het nog eens wat.

Fijn, dank je, maar ik geloof niet dat je hier bent om mij te stimuleren, om mij wat zelfvertrouwen te schenken.

Hij hoorde hem met heel zijn lijf grinniken, de stoel kraakte ervan.

Niet zo negatief, ik wilde gewoon eens zien hoe het met je gaat, wat er van je geworden is.

Hij draaide zich om.

Onzin, maak dat jezelf wijs! Nooit heb je echt belangstelling gehad. Voor de vorm ja, maar je vroeg nooit door, het interesseerde je niet echt. Vaak heb ik getwijfeld of jij wel wilde dat ik er was, of je niet heftig teleurgesteld was, dat je je zoon anders had voorgesteld. Waarom kon je niet eenvoudigweg trots op me zijn, waarom moest je altijd kritiek hebben, waarom kon jij het uiteindelijk altijd beter. Laat mij het maar doen, dan komt het tenminste goed. Ja, je zorgde ervoor dat het allemaal goed geregeld was, dat ik niets tekort kwam, dat je deed wat je behoorde te doen. Het kacheltje brandde, maar er was geen warmte. Heb je me ooit aangeraakt sinds ik geen kleuter meer was? Een schouderklopje, een aai over mijn bol? Heb je ooit gezegd dat je me leuk vond, dat je van mij hield? En waarom niet? Wat deed ik dan verkeerd? Was ik te onhandig? Hield ik van de verkeerde muziek? Las ik te moeilijke boeken? Was ik niet sportief genoeg? Was ik te weinig mannelijk?

Stilte. De man in de stoel keek weg. Chagrijnig. Zijn handen werden onrustig. Hij wist wel wat hij wilde, dat wilde hij zelf ook. Naar buiten. Lopen. Een sigaret roken. De woede eruit banjeren en dan verdrietig worden, terug komen, spijt hebben, maar het niet zeggen, misschien later, als de spanning van de ketel was. God, wat leken ze op elkaar!

Weet je, ik knuffel mijn kinderen wel, ik zeg wel dat ik van ze hou, ik stimuleer ze, ik vind ze fantastisch en lief, ik zeg dat ik trots op ze ben, want dan ben ik! Ik toon het! Waarom kon jij dat niet?

Hij was opgestaan om door de kamer te ijsberen. Hij had het gezegd, maar vreesde de reactie, vooral de reactie de niet zou komen. Hij kon het niet. Gevoelens! Moeilijk!

Het bleef stil en toen hij weer achter zijn laptop ging zitten, voelde hij zich weer alleen, er was niemand meer. Hoe lang had het geduurd?

Toen zijn handen weer boven het toetsenbord zweefden, realiseerde hij het zich ineens. Wat had dat eigenlijk goed gevoeld! Er was ineens ruimte geweest, alsof er iets uit hem was getreden. Maar toen hij naar zijn spiegelbeeld keek, daar in het raam, brak het besef pas echt door. Hoe hard en liefdeloos was hij voor zichzelf! Was hij al die jaren niet doorgegaan met zichzelf te vertellen dat hij niets kon, niets was. Bagatelliseerde hij niet alle complimenten die hij kreeg? Geloofde hij eigenlijk nog wel in zichzelf? Alle liefde die hij voor zijn kinderen voelde, voelde hij niet voor zichzelf. Alles wat er mis ging bij anderen bedekte hij met de mantel der liefde, van zichzelf eiste hij een onbereikbare, compromisloze perfectie! En dus deed hij niets, kwam er niets uit zijn handen en zou het nooit wat worden. Waarom kon hij niet tegen zichzelf zeggen, dat hij best trots op zichzelf mocht zijn, op wat hij kon en op wat hij wel voorelkaar gekregen had.

Zeg het! Zeg het dan godverdomme nou eens één keer tegen jezelf en meen het dan ook eens een keer: ik ben trots op mezelf!

Hij kon het niet en hoorde zichzelf grijnzen. Cynisch, wellicht sarcastisch.

1637

24 januari 2018

Het pad is breed en kaarsrecht. De bomen ernaast zijn waarschijnlijk door mensenhanden geplant, ze staan in een rechte lijn. Het zijn monumentale bomen geworden, de kruinen strelen elkaar in de wind. Alsof ik door een grote kerk loop met zuilen en gewelven. Ik hoor de de symfonische klanken van Bruckner, zijn symfonieën worden wel kathedralen van muziek genoemd.

Ook al stoort de rechtlijnigheid van het pad mij, ik kies het toch vaak op de terugweg. Ik liep het al toen ik nog niet in Z. woonde, in een roerige en emotionele tijd. De herinneringen eraan lijken nog als een onzichtbare mist onder de takken te hangen. Dit pad is een pad geworden met een persoonlijke geschiedenis.

Wie wandelt tussen bomen ervaart niet de blikken van heiligen en discipelen en loopt niet af op een altaar waarboven een luguber beeld hangt van een man aan een kruis genageld. In het bos hoor je hooguit het knisperen van bladeren, het fluiten van vogels, het ruisen van bomen. Hier is de tijd cyclisch, onder de hoge gewelven van een kerk loopt het pad naar het einde der tijden. Hier wordt niet geoordeeld, maar in een kerk weet je het: op een dag zit die man van het kruis aan de rechterhand van zijn vader om te oordelen over de levenden en de doden.

O, ik bewonder het bouwkundig vernuft, het vakmanschap van de beeld­houwers en zeker ook de polyfone weefsels van de oude toon­kunstenaars. Maar wanneer ik tussen de bomen wandel, betrap ik mezelf er op dat ik de natuur­geluiden muzikaler vind, dat ik de groei en het verval vanzelf­sprekender ga vinden dan het maken van eeuwige kunst. Dan ervaar ik de ingewikkelde menselijke cultuur als hopeloos gekunsteld. Het fluiten van een vogel kent geen perfecte uitvoering, de ruis van de bomen komt niet voort uit een partituur, laat staan dat er een interpretatie nodig is. Je kunt eenvoudigweg om je heen kijken, luisteren, stilstaan en weer de ene voet voor de andere zetten. Het is de beleving van een afwezigheid, de afwezigheid van de menselijke cultuur. Ook al verraadt dit pad een menselijke meetlat, al wandelend voel ik me er vrij en thuis en er hoeft geen diepere betekenis gevonden te worden.

1636

21 januari 2018

zie die spreken over realiteit alsof ze werkelijk bestaat
Dries van Doorn in: Poëziekrant 2017/5, 87

Not he is great who can alter matter, but he who can alter my state of mind.
Ralph Waldo Emerson Essays and Lectures, 65

Het verlangen naar een toekomst die beter is dan het heden / moet ook een vorm van nostalgie zijn
Nikki Dekker Wie slaat z'n arm om z'n eigen, in: Hollands Maandblad, 2017/10, 39

'Een stoïcijn,' zei ik, 'redeneert alles kapot wat hij kapot kan redeneren, maar houdt ten slotte iets over dat niet kapot kan, een harde kern, zichzelf.'
Frida Vogels Dagboek 1968-1969, 379

Dat ik zo veel mogelijk buiten de maatschappij wil leven en geen geld, macht of aanzien verlang, is gewoon een karaktertrek.
Frida Vogels Dagboek 1968-1969, 449

1635

12 januari 2018

Je moet je tijd investeren, zei zij.

Je moet je tijd investeren, herhaalde ik in gedachten en liet de gedachte rondgaan, probeerde te proeven hoe deze uitspraak zou smaken. Smakeloos dus.

Voor de toekomst, vervolgde zij.

Voor de toekomst, zei ik haar na met een vies gezicht.

O, maar dat kan ook leuk zijn, zei zij met haar gestifte glimlach. Haar stem maakte een huppeltje.

Leuk, leuk! Daar heb je dat woord weer, dat nietszeggende woord dat elk mogelijke negatieve gedachte moet platwalsen zonder verder argumenten aan te dragen. Een vriend gaat naar de film, de film viel tegen, maar ja, hij had er geld in geïnvesteerd voor een leuke avond, dus hij wilde niet teleurgesteld zijn of in ieder geval niet teleurgesteld overkomen, dus hij zei: de film was wel leuk. Geen recensie is dodelijker.

Net als met geld, je investeert in een bedrijf of zoiets en later strijk je je winst op. Prachtig toch!

Zou zij het zelf geloven?

Of je gaat failliet. Ik had meteen spijt van deze uitspraak. Mevrouw zuchtte en sprak de woorden die zij tegelijkertijd aantekende: meneer wil niet investeren in zijn toekomst.

Ach, mevrouw, zei ik toen zo vriendelijk mogelijk, u begrijpt het verkeerd. Ik wil best investeren in het lezen van een roman, in het beluisteren van Bach, in het schrijven van een stukje tekst of het maken van een wandeling. Ja, dat is ook investeren, dat is investeren in mijn welbevinden. Maar die gedachte komt niet bij u op, u kunt alleen maar denken aan één of andere vorm van werkzaamheden die moeten bijdragen aan de moderne god van deze tijd, De Economie. Maar ik ben geen gelovige, ik wil best werken, mijn steentje bijdragen zoals dat heet, maar kom niet bij mij aan met het investeren van tijd in mijn toekomst, want u weet net zo goed als ik dat het helemaal niet om mijn toekomst gaat, maar dat het erom gaat dat ik geen kostenpost ben. Ik moet wat opleveren, ik moet tijd investeren opdat samen met anderen we de economie naar grote hoogte opstuwen zodat we aan het einde van de dag allemaal moe op de bank mogen hangen om te kijken naar die volstrekt idiote programma's op de televisie. En als je pech hebt vertellen ze ook nog op die treurbuis dat je tijd moet investeren in meer bewegen, in gezond eten, dat we meer aan cultuur moeten doen en nog allerlei andere adviezen waarmee ik mijn leven kan vullen tot aan de dag dat ik met pension mag en mag oogsten uit de tijd die ik mijn hele leven heb geïnvesteerd en denk: wauw, wat een winst zal ik opstrijken, laat de vrachtwagen van de postcodeloterij met al die lachende mensen maar voorrijden! Maar nee, niets, nada, niente. Na al die jaren ben je dan afgeschreven en verwijderd van de balans. Dan kan de gedachte opkomen: mijn leven is voltooid. Maar was het mijn leven nog wel?

Onbewogen had ze me aangehoord, alsof het niet de eerste keer was dat ze iemand zo'n nutteloze tirade hoorde afsteken. Ze boog zich weer over het formulier en noteerde: meneer kan goed praten.

Ergens in het universum implodeerde een sterrenstelsel.

Heel leuk, zei ik nog.

1634

10 januari 2018

Als ze niet bij mij komen, dan moet ik maar naar hen. Dus ging ik het bos in, want daar weten ze me te vinden. Maar hoe ik ook mijn oren ver­wachtings­vol te luisteren legde, ze kwamen niet. Toen ik begon te zoeken, wist ik, dat ik me zou vergissen, maar als mijn aanwezigheid niet genoeg was, dan moest ik ze een handje helpen. Nergens doemden ze op, niet in het geritsel van de bladeren, niet in het kraken van de boomstammen, niet vanuit het wuiven van de takken en zelfs niet bij het rimpelen van het water.

Urenlang liep ik en luisterde ik, het was hopeloos. Uiteindelijk ging ik midden op de hei op een heuveltje staan, keek eens goed rond en spitste nogmaals mijn oren. Leegte en stilte benam me de adem, ik raakte in paniek: wat als ze nooit meer zouden komen, dan zou ik met stomheid geslagen zijn, ik zou stilvallen, sterven misschien als er geen gedachte zich nog van mij meester zou maken. Ik wilde schreeuwen, maar er kwam slechts een flauw fluisteren en ik snikte: kom nou toch, waar blijven jullie? Geen antwoord, slechts een onheilspellend karig briesje zweefde boven het winterse landschap, er was geen woord om mee aan te vangen.

Toen het donker werd, besloot ik naar huis te gaan. Maar het mocht geen neder­laag zijn, ik zou niet opgeven, uiteindelijk zouden ze me wel vinden. Ik had de deur van mijn flat nog maar nauwelijks geopend en ik werd uit alle hoeken besprongen met een luid verrassing! Daar waren ze, onver­wachts als altijd. Ik probeerde een goede gastheer te zijn en schikte de tafel.

1633

10 januari 2018

Het intellect is bij de allermeesten een traag draaiende, duistere en knarsende machine, die moeilijk op gang te brengen is: ze noemen het 'de zaak serieus nemen' als ze met deze machine willen werken en goed denken — o, wat moet goed denken lastig voor hen zijn! Het lieftallige beest 'mens' verliest elke keer, naar het schijnt, zijn goed humeur, als het goed denkt: het wordt 'serieus'! En 'waar lachen en vrolijkheid is, daar deugt het denken niet': — zo luidt het vooroordeel van dit serieuze beest tegen alle 'vrolijke wetenschap'. — Welaan! Laten we aantonen dat het een vooroordeel is!

Friedrich Nietzsche De vrolijke wetenschap §327