#1986 | 26 februari 2024

zonder context (126)

In de liefde zijn we allemaal dichters, ten goede of ten kwade.
Lisa Appignanesi Alles over de liefde, 66

Als je zegt 'ik ben', zeg je meteen 'ik heb iets verloren'.
Lisa Appignanesi Alles over de liefde, 67

Wat betekent het om deel uit te maken van een maatschappij waarin overdaad als iets begerenswaardigs wordt beschouwd?
Lisa Appignanesi Alles over de liefde, 97

Achter elke bevredigde behoefte schuilt een nieuw verlangen.
Mihaly Csikszentmihalyi flow, 22

Of zelfs de meest doorwrochte literaire schepping tot leven komt of niet hangt niet alleen af van het lezen, maar ook van de omgeving waarin dat gebeurt.
Gillian Osborne 'Natuurhistorische teksten lezen in de winter' in: Terras 24, 123

Zijn honger naar lectuur was al groter geworden, hij begreep niet hoe men leven kon zonder boeken.
S. Vestdijk Het vijfde zegel, 350

Ik hou van de aanwezigheid van de verstrijkende tijd, de geruisloze sporen die erdoor worden achtergelaten.
Katalijne De Vuyst 'Een gesprek met de Zwitserse dichter Pierrine Poget' in: Poëziekrant 2023/5, 4

18 februari 2024

'Maar hoe die te vinden? Wanneer ik één woord uitspreek,—als formule, als talisman,—stromen er tien toe, die ieder een wereld voor mij openen, die door geen honderdduizend woorden te vullen is! De woorden stromen door mij heen, maar zij veranderen mij niet… Maar goed, ik heb dan een woord gevonden, waarvan ik spoedig de verborgen krachten beproeven wil, en dat woord is: lelijkheid,—u wist het reeds. Ik verdraag niets meer wat op schoonheid of harmonie aanspraak maakt. Een mooie vrouw,—dit nuttig grondbegrip voor alle schildersacademies, om van de zoete werkelijkheid maar te zwijgen,—ik verdraag het niet meer. Symmetrie verdraag ik niet meer. Zonsondergangen, fonteinen en rozen al evenmin. Hier!'—Hij begaf zich naar de hoek van het atelier, waar de copie van Titiaans' Heilige Familie aan de muur hing. Maar hij bedacht zich; Esquerrer had de Titiaan eens tegenover hem geprezen, en hij wilde zo overtuigend mogelijk zijn. Lang te zoeken naar een beter exempel hoefde hij niet. Onder de doeken, die met hun beschilderde kant tegen de muur aan stonden, had hij aldra een uitgekozen en naar het licht gedraaid: eveneens een Heilige Familie, een van die massa-artikelen, onder zijn leiding vervaardigd, en waarvan hij er hier opzettelijk een paar had laten staan om zich, zodra hij daar behoefte aan had, te kunnen overtuigen van hun waardeloosheid.

S. Vestdijk Het vijfde zegel, 180

15 februari 2024

De weelderige tuin werd begrensd door een muur, een muur met prikkeldraad en elektrische bedrading om te voorkomen dat iemand over de muur zou kunnen klimmen. Soms zag men in de verte een wachttoren waarin iemand ijsbeerde. Soms zag men schoorstenen die zwarte wolken en vuur uitbraakten. Als toeschouwer weet je, de tuin is het paradijsje van de bewoonster, achter de muur is de hel. De hel kregen we niet te zien, hoorbaar was het des te meer, als een orgelpunt.

In mijn kindertijd had ik een fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog. Of misschien beter: een fascinatie voor soldaten. Mijn vader was per slot beroepsmilitair. Mijn ouders hadden niet veel boeken, maar Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van dr. L. de Jong stond prominent in de huiskamer. Daarnaast stond in tien delen de Geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog in foto's en documenten met inleidingen van G.B.J. Hiltermann (Hitlerman verbasterde ik als kind). Het waren vooral de foto's in deze boekjes die mijn aandacht keer op keer trokken. Afschuwelijke foto's weet ik nu, maar als kind realiseerde ik me dat niet. Ik was zelfs onder de indruk van de Duitsers, wat zagen ze er allemaal prachtig en indrukwekkend uit. De Amerikanen trouwens ook, die met vlammenwerpers de eilanden in de Stille Oceaan aan het bevrijden waren. Ik weet niet meer op welke leeftijd de omslag plaatsvond van kinderlijke fascinatie naar een beginnend gevoel van afschuw voor de geschiedenis achter die foto's. Toch, een zekere fascinatie bleef, een fascinatie voor het feit dat de geschiedenis zichtbaar was, ook al wist ik ondertussen wat een onvoorstelbaar leed die foto's documenteerden. En de kast met L. de Jong en G.B.J. Hiltermann staat nu bij mij, het zijn de enige boeken die ik uit erfenis heb meegenomen.

Wat-als-vragen zijn zelden zinvol. Toch heb ik me meermaals afgevraagd of ik als Duitser in de jaren dertig weerstand had kunnen bieden aan de verleidingen van het nationaal-socialisme. In hoeverre zou ik meegesleept zijn door de ontwikkelingen? Had ik weerstand kunnen bieden aan de uniformen? Aan de alom verkondigde illusie dat wij als volk superieur waren? Aan het charisma van Hitler? Zou het banale kwaad ook in mij schuilen?

Bevinden wij ons niet voortdurend in een niemandsland tussen paradijs en hel?

Ik ben ooit in mijn tienerjaren in het museum Auschwitz-Birkenau geweest. Ik heb in een gaskamer gestaan, ik heb de ovens gezien. In de stilte probeerde ik me het onvoorstelbare voor te stellen, maar ik voelde niets en schaamde me daarvoor.

Wanneer we in mei de doden herdenken en de bevrijding vieren is er altijd wel iemand die zegt dat we dit vooral moeten blijven doen, want wat er in de Tweede Oorlog gebeurde, dat mag nooit meer gebeuren. Dan voel ik woede en zou ik die persoon vloekend willen toeschreeuwen: het gebeurt nog elke dag, weet je dat dan niet? Die muur en die wachttorens, die zijn er nog steeds, op vele plekken op de wereld. Misschien niet met datgene wat de Holocaust zo uniek maakte – de logistieke en industriële hang naar het vernietigen van mensen met bepaalde eigenschappen, het uitroeien van een volk –, maar de concentratiekampen waar mensen gemarteld en ontmenselijkt worden, die bestaan nog steeds. Het gebeurt nog elke dag! Wij bevinden ons vooralsnog aan de paradijselijke kant van de muur.

Ze bestaan nog, de mensen die op een humanistisch beschavingsideaal vertrouwen. Als je maar voldoende deelneemt aan en kennis neemt van cultuur en wetenschap, als we de mensen maar uit onwetenheid trekken (het ideaal Bildung), dan komt het wel goed met de mensheid. Die idealisten zien alleen het licht van de Verlichting, niet de schaduw die het vooruit werpt. Was het niet George Steiner die zich terecht afvroeg hoe het toch mogelijk was, dat mensen die 's avonds na het werk Schubert zingen aan de piano, de volgende dag gewoon weer doorgingen met het vernietigende werk in het concentratiekamp? Het enige antwoord dat ik kan verzinnen is: omdat het in de aard van mensen zit. Wij leven in een niemandsland, we reiken naar het paradijs en negeren het orgelpunt van de hel.

Paradijs? Ik vraag me af of het nog wel goed komt. De klimaatverandering dendert maar door, de gemiddelde temperatuur stijgt en de gevolgen daarvan worden steeds duidelijker waarneembaar. Extremere weersomstandigheden, bosbranden, overstromingen, droogte, hoge temperaturen, maar ook het uitsterven van diersoorten, het sterven van bossen, koraalriffen, je kunt niet meer naar een natuurfilm kijken zonder er aan herinnert te worden dat datgene wat je net gezien hebt wellicht aan het verdwijnen is. Ik stel me zo voor dat over vijfenzeventig jaar een film wordt gemaakt voor de mensen die dan nog weten te overleven in de weinige leefbare gedeelten van de aarde, waarin getoond wordt, hoe aan het begin van de eenentwintigste eeuw mensen gewoon doorgingen met hun alledaagse leven terwijl ze wisten wat er aan de andere kant van de muur gebeurde. De klimaatverandering is het orgelpunt van onze tijd.

Want die muur zit in ons allemaal. Niemand kan de zwaarte dragen van de andere kant, dat kunnen we alleen als collectief, als samenleving. En hoewel ik iedereen zijn paradijsje gun, zijn feestje, zijn carnaval, zou het goed zijn als we allemaal zo nu en dan eens luisteren naar dat orgelpunt en daar consequenties uit trekken voor onze manier van leven. Ik vrees dat die samenleving niet meer mogelijk is.

Naast het orgelpunt was er ook voortdurend een zwarte hond die rond rende. Eigenlijk had niemand echt aandacht voor die hond. Die hond was er, net als het geluid vanachter de muur. Die hond leek niet geregisseerd. Wat was de betekenis van die hond? Hij deed niemand kwaad, hij wilde alleen maar aandacht. Hij was aanwezig, zoals de bloemen en planten in de tuin, de prachtige meubels in het huis, het stromende water van de rivier, het paard in de stal. Zij waren onwetend en onschuldig, niet eens stille getuigen.

Het meest ontluisterend vond ik niet alleen het contrast tussen het alledaagse voortleven in weelde en negeren van de hel achter de muur, maar het besef dat in ieder van ons een Rudolf Höss en Hedwig Hensel schuilt.

trailer The Zone of Interest

13 februari 2024

honderd woorden (35)

Nee mevrouw, ik ben geen aanhanger, geen volgeling of gelovige. Hij zou dat ook niet gewild hebben. Hij stelde ter discussie, hij twijfelde aan heersende waarheden en de waarden die daaruit voortvloeiden. Dat een waarheid ook een geschiedenis heeft en dat het ontstaan ervan vaak niets met waarheid te maken had. Nee mevrouw, hij heeft niet gezegd dat God dood is, hij liet dat een personage zeggen, een dwaas met een ontstoken lamp op klaarlichte dag. Dat we bij onszelf te rade gaan, ook al leidt dat soms tot waanzin. Wees een wandelaar, een reiziger, een avonturier in het denken.

10 februari 2024

zonder context (125)

De problemen in de wereld van vandaag zijn niet het gevolg van een gebrek aan vrijheid, maar juist het gevolg van een teveel aan vrijheid.
Cees Zweistra 'Verantwoordelijkheid en het complotdenken' in: Filosofie-Tijdschrift 2023/4, 6

Onszelf leren kennen is het leren kennen van onze afweermechanismen.
Johan Reijmerink 'De glans van de gebrokenheid' in: Filosofie-Tijdschrift 2023/4, 56

Niet de zwijnen dragen verantwoording, doch de man die de parelen werpt, hij doet het zichzelf aan…
S. Vestdijk Het vijfde zegel, 139-140

Stilte kan een gevolg zijn van angst: spreken lijkt enger dan niet spreken, vooral als het kwesties van uitspreken betreft, maar het is de rottende taal in je binnenste die uiteindelijk een veel groter gevaar vormt voor de gezondheid.
Maria Barnas & Niña Weijers 'Briefwisseling. Onuitgesproken taal' in De Gids 2023/4, 77

Langzaam daagt het inzicht dat de wereld een waterbed is: het onwennige ecobesef dat we onze problemen slechts verplaatsen in plaats van er echt iets aan te doen.
Henk Oosterling Waar geen wil is, is een weg, 51

Makkelijker is het te spreken / over de boodschappen / die de dichter gedaan heeft en in het gedicht heeft laten liggen / zonder door te trekken.
Nachoem Wijnberg 'Poëzienieuws' in: DW B 2023/3, 101

Want in de liefde bemint men nog iets buiten zichzelf, in die staat van genade echter, die zich bij mij sindsdien zelden nog herhaald heeft, hoezeer ik er ook naar streef (maar misschien moet men dit juist niet doen), is er niets anders meer, men is alleen, men heeft zich veranderd in datgene wat men liefhad, men is zèlf liefde, maar men merkt het niet, het zou ook haat of verachting kunnen zijn, of machtsgevoel, men weet het niet.
S. Vestdijk Het vijfde zegel, 262

8 januari 2024

honderd woorden (34)

Het stelde niets voor, maar ik werd blij van de enkele sneeuwvlokjes die naar beneden dwarrelden. Het liefste zou ik het landschap weer bedekt zien onder een laag sneeuw. Onpraktisch voor mensen die zich op kunstmatige wijze voortbewegen, maar esthetisch is er bijna niets mooiers. Niet alleen vanwege het introverte beeld, maar vooral ook omdat het licht anders is en het geluid anders klinkt. Het kraken van sneeuw, het breken van ijs in wat een regenplas was, ik ontleen er een jongensachtig genoegen aan. Dus deed ik mijn winterjas en handschoenen aan, muts op en ging wandelen in het bos.

2 januari 2024

Neem dus aan dat het leven een door verlangen gestuwde reeks transformaties is van verlies naar nieuwe liefde, van gedwongen afscheid van wat levend was naar een vitale hechting met herinnering, van gemis aan vervulling naar vervulling met gemis.
Dan is het conflict tussen de verloren liefde en de nieuwe liefde dat leidt tot de ervaring van de melancholie, ook het conflict van de logica van het leven zelf. Leven is de pijnijke overgang van het ene zijn naar het andere, met verlies, tekort, gemis, maar ook met vreugde, vervulling en geluk. Melancholie kijkt dubbelzinnig, maar uiteindelijk vooral met vreugde naar de transformatie van het verlies in de vervanging. Ze beaamt wat er gebeurd is. Het is goed zo. En in feite beaamt ze daarmee dus het leven zelf. Wie tot melancholie in staat is, heeft de structuur van het leven aanvaard.

Het is verleidelijk te opperen dat de wereld er beter aan toe zou zijn – mooier zou zijn, menselijker, meer de moeite van het leven waard, optimistischer beloftevoller –, als er minder verzet tegen verdriet was en als melancholie erin toegelaten zou worden. Niet welkom geheten, maar gewoon toegelaten, gedoogd, misschien soms gewaardeerd, als een signaal van een integere omgang met het leven.
Dat klopt, een wereld waarin melancholie niet verborgen of verdrongen hoeft te worden, is mooier, interessanter, zelfs echter. Maar dat kan niet bewerkstelligd worden door de melancholie toe te laten, alsof ze ondergronds gegaan zou zijn en op een vingerknip van, nu van wie precies? van de tijd? van een cultuur? of van onszelf, die niet langer bereid zijn ons te generen?: op een vingerknip dus van een geheimzinnige hand tevoorschijn zou springen. Melancholie is een symptoom van een bepaalde omgang met het leven.
(…)
Melancholie is een symptoom van een leven dat zich voortdurend ijkt aan een oorspronkelijk zelf – niet aan een zelf dat aanbevolen, ingebeeld en nagedaan wordt –, waarin het verlangen een gidsende rol speelt en waarin de zijnsvormen uitdrukkingen van onszelf zijn.

Ben Schomakers Het begin van de melancholie, 164, 179-180