jwl

1002

Ik zou willen weten hoe je je leesprogramma, dat je ons sinds enige tijd laat inkijken, opmaakt. (Pascal in 1000)

Wel, daar kan ik eigenlijk kort over zijn: ik maak geen leesprogramma op. Toch is dit maar de halve waarheid. Opnieuw realiseer ik me hoe onbewust keuzes gemaakt worden, want, nee, ik heb geen lijst met boeken die Ik achter elkaar ga lezen de komende periode. Zo weet ik niet zeker welk boek ik na het huidige boek ga lezen. Of over een aantal maanden. De titel leesagenda dat ik een aantal posts geleden gebruikte, was dan ook ongelukkig gekozen, want het suggereerde een planning die er niet is. Ook hier zou ik kunnen zeggen: ik lees wat zich aandient, wat er op mijn weg komt. Door gesprekken met vrienden over boeken, door boekbesprekingen in periodieken, door de boeken zelf (boeken verwijzen altijd naar boeken), door nieuwe uitgaven van uitgeverijen of door mijn blik die langs de schappen in de boekwinkel dwaalt en die gegrepen wordt door een titel, vormgeving enzovoort. Daarbij gaat mijn aandacht voornamelijk uit naar filosofie, literatuur, religie en de raakvlakken tussen deze drie. Ik ben geboeid door de geschiedenis van deze drie onderwerpen, de geschiedenissen van mensen en het zoeken naar antwoorden op vragen. Het gaat me daarbij niet om de juiste antwoorden op vragen – de vragen zijn interessanter. Het gaat me om de worsteling van mensen met het mysterie dat het leven uiteindelijk is en zal blijven. Ik ben nieuwsgierig naar de wijze waarop mensen met dit mysterie probeerden om te gaan, hoe ze antwoorden probeerden te vinden en hoe ze dit hebben vastgelegd in onze papieren geheugens.

Soms maak ik uitstapjes buiten deze interessegebieden, alhoewel je zou kunnen beweren dat al het geschreven geheugen van mensen uiteindelijk om het mysterie leven draait. De reis van de Beagle van Charles Darwin was zo'n uitstapje, de directe aanleiding om dit boek te lezen was heel banaal een televisieserie die ik samen met mijn oudste zoon volg. Het boek is ondertussen uit, het is een prachtig reisverslag van een jonge man die een lange zeereis heeft gemaakt en zich verwonderde over de diversiteit van de natuur. Het is een mijlpaal in Darwins ontwikkeling naar zijn neerslag van de evolutietheorie in The origins of species later in zijn leven. Mede daaraan ontleent het boek zijn historische waarde. Het zou op zich een idee zijn om nu ook dit latere boek te willen lezen, maar daarvoor is het te ver af van mijn interessegebied. Maar uitsluiten dat ik het ooit zal lezen kan ik ook niet. Uiteindelijk was het een boek dat ook in Nietzsches tijd de gemoederen behoorlijk bezig hield. Ik weet niet of Nietzsche het boek gelezen heeft, maar hij was zeker op de hoogte van de betekenis van het boek. Er zijn studies naar darwinistische aspecten in de filosofie van Nietzsche gedaan.

Eén van de hoogtepunten in het boek is zijn verslag van de aardbeving in Concepción aan de kust van Chili.

Een zware aardbeving doet onmiddellijk onze oudste gewaarwordingen teniet: de aarde, hét symbool van alles wat vast is, beweegt onder onze voeten als een korst boven een vloeistof; gedurende één seconde dringt tot de geest een vreemd gevoel van onzekerheid door, een gevoel dat zelfs niet door uren van gepeins kan worden gewekt. In het woud, waar een briesje door de bomen ging, voelde ik alleen de aarde beven en zag ik geen gevolgen. (299)
(...)
De volgende dag ging ik aan land in Talcahuano, en vervolgens reed ik naar Concepción. (...) Beide steden boden het vreselijkste, maar tevens interessanste schouwspel dat ik ooit had gezien. Op iemand die ze vroeger had gekend, zou het wellicht nog meer indruk hebben gemaakt, want de ruïnes waren zo door elkaar heen gevallen, en het geheel maakte zo weinig de indruk van een bewoonbare plaats, dat men zich nauwelijks een beeld kon vormen de vroegere toestand. (301)

Charles Darwin De reis van de Beagle
Amsterdam 2009

Helaas zakt het boek in zodra Darwin Zuid-Amerika verlaat. De terugtocht over de Stille Oceaan, de bezoeken aan Nieuw-Zeeland, Australië, Zuid-Afrika enzovoort, bevatten zeker interessante passages, maar de passie van Darwin lijkt af te nemen naarmate hij dichter bij huis in Engeland komt. Dan biedt de schrijfstijl van Darwin te weinig om geboeid te blijven. Het boek krijgt meer en meer het karakter van een opsomming, een en-toen-en-toen structuur. Jammer.

De afgelopen weken las ik naast Darwin nog het zesenveertigste nummer van Het trage vuur. Helaas gaat dit tijdschrift in de toekomst verdwijnen (net als de literaire tijdschriften Met Andere Zinnen en Revolver, dat ik met veel plezier las zo nu en dan). Ik vervolgde met de Poëziekrant jrg. 33 nr. 6. Ik realiseer me nu dat de frase Noem het inspiratie, noem het genade uit post 1001 uit het interview met Liesbeth Lagemaat komt. En zo werkt het dan, door dat interview zou ik haar poëzie wel willen lezen, dus wie weet, doemt het nog eens op in mijn leesagenda.

Na het uitlezen van Darwin wilde ik een nieuw boek uitkiezen. Er staan nog tientallen ongelezen boeken in mijn kast en ik vind het vaak moeilijk een keuze te maken. Zou ik voor Amoy van Allard Schröder kiezen, of Zomertijd van J.M. Coetzee? Of zou ik verder gaan met mijn lectuur van Sloterdijk? Zoveel keuze, een grote luxe! Uiteindelijk viel ik voor Hannah Arendt. Een biografie van Elisabeth Young-Bruehl, een boek dat me al zo vaak smekend aankeek.

30 december 2009

1001

Pascal stelde in 1000 een aantal vragen: Heb ik vragen die ik je zou willen stellen? Hoe je schrijft, of je teksten laat rusten, of je ze herwerkt, of je vaak in laatste instantie jezelf censureert, in hoeverre je private kwesties toelaat? Ja, die veeleer praktische zaken zijn interessant. Of je niet eens droomt van een groter werk, iets op papier, ja een echt Boek? Daarop antwoord je zelf in je notitie 992. Ik zou willen weten hoe je je leesprogramma, dat je ons sinds enige tijd laat inkijken, opmaakt. En of je vaak reacties krijgt en wat je ermee doet. En of je zelf vaak andere blogs leest. Ik ga proberen antwoorden bij deze vragen te geven.

Het is wonderlijk hoe dat werkt. Waarom schrijf iemand wat hij schrijft en waarom op die wijze? Doorgaans zeg ik: de stukjes voor mijn website dienen zich aan. Daarmee wil ik niet beweren dat het een passief proces is, ik ga niet met de handen over elkaar zitten wachten. Het is eerder: met open zinnen door het leven gaan, al of niet bewust indrukken verzamelen, die dan later een plek krijgen. Maar wat er dan precies gebeurt in mijn hersenen, dat weet ik niet. Zoals je voor het pakken van een beker om het aan je mond te zetten niet bewust opdracht geeft voor elke handeling die je lichaam uitvoert, zo verloopt het schrijfproces evenmin gecontroleerd. Soms begin ik aan een tekst omdat ik een idee heb en soms heb ik het allemaal al in mijn hoofd zitten. Tijdens het schrijven komen er allerlei associaties en verbanden boven drijven, die zich dan met je tekst gaan bemoeien. Vaak is het een doodlopende weg, soms een aardige aanvulling. De tekst gaat met me aan de haal en eindigt daar waar ik in het begin geen vermoeden van had. Schrijven is ordenen, zeggen ze wel eens, en het lijkt wel alsof er stapels materiaal in mijn hoofd zit dat zichzelf ordent als ik ga schrijven. Onderweg kom ik dan van alles tegen dat nuttig blijkt te zijn en dat krijgt dan en passant zijn plek. Dat maakt schrijven spannend, ik weet van tevoren nooit wat zich aandient.

Voorbeeld. Ik fiets op een donderdagavond naar de bibliotheek in Utrecht met onder andere de intentie om een boek van Bergson te lenen. Ik herinner mij tijdens het fietsen dat ik ooit eens een tekst had geschreven over de route in omgekeerde richting (zie 914). Het is al donker en deze binnendoorweg kent geen straatverlichting. Als ik het laatste bos passeer, valt mij het licht op van universiteitscentrum De Uithof en ik zie dat het weerspiegeld wordt in het regenwater dat op de weilanden ligt. Op een gegeven moment moet ik gedacht hebben dat ik hier een mooi stukje over zou kunnen schrijven.

De volgende dag begin ik eraan te schrijven en tijdens het schrijven denk ik aan een fragment in een boek van Joke Hermsen waar ze schrijft dat voor de Grieken de toekomst niet voor hen ligt, maar achter hen. Ondertussen had ik het idee opgevat om via google maps een link te leggen naar een kaart van het gebied waar ik doorheen fietste. Op de kaart zag ik de loop van de Kromme Rijn en hoe deze op een gegeven moment weer parallel aan het fietspad loopt. Ja, hoe dat dan werkt in je hoofd, dat weet ik niet, maar dat fragment van Hermsen gaat dan een verbinding aan met dat beeld van een riviertje dat zich weer voegt bij een fietspad en plotseling heb ik een wending in mijn stuk die ik niet gepland had. Noem het inspiratie, noem het genade, ik weet het niet, het blijft voor mij een mysterie.

Is het stukje dan af? Zeker niet, al moet ik er meteen aan toevoegen dat er tijden zijn geweest dat ik het dan ogenblikkelijk op mijn website plaatste. Dat is in de loop der tijden wel verandert. Ik laat een tekst nu minimaal een dag gisten (behalve als ik heel zeker ben van een tekst). Een dag later vallen mij dan eigenschappen van de tekst op die ik eerder tijdens het schrijven niet had opgemerkt. Onnodige woorden, storende woordherhalingen, zinnen die niet lopen, formuleringen die mooier kunnen, interpunctie enzovoort. Daarnaast schrap ik nog wel eens onnodige informatie uit een tekst. Om bij het voorbeeld te blijven, moet ik wel vertellen dat ik naar de bibliotheek ging om een boek van Bergson te lenen? Moet ik wel vermelden dat ik Hermsen parafraseer? Ik haal het eruit en merk meteen dat de tekst van karakter verandert: van een eenvoudig verhaal (ik ga naar de stad om ...) naar een verhaal dat loskomt van de oorspronkelijke anecdotische gebeurtenis. Door informatie achter te houden, wordt een tekst spannender, zo is mijn indruk en een manier om dat te doen is onnodige uitleg weg te halen (doet het er nu werkelijk toe waarom ik daar fietste?) Bovendien geef je de lezer ruimte om zelf in te vullen. Het resultaat is kan men onder 997 lezen.

Met private kwesties gaat het net zo. Er is een tijd geweest dat ik wel eens wat schreef over mijn dagelijkse leven, een scene uit het gezinsleven. Meestal iets onschuldigs. Tegenwoordig verdwijnt het in het wit van de tekst, ik benoem het niet meer concreet (al zit ik er soms heel dichtbij). Nogmaals bij het voorbeeld: ja, het gaat me privé de laatste tijd niet erg goed, de weg die ik ga is vaak duister, er zijn veel hobbels op de weg, mijn geschiedenis haalt me in en het licht wat er schijnt is nogal eens kunstmatig. Ik laat het aan de lezer over of hij dat eruit haalt en wellicht verbindt met andere teksten op mijn website. Wie werkelijk wil weten wat er aan de hand is, kan me altijd nog schrijven. Dat ik privékwesties niet direct benoem is niet alleen een esthetische keuze, maar vooral respect voor de privacy van betrokkenen. Maar ondanks deze werkwijze (of misschien wel dankzij), staan mijn teksten zeer dicht bij mijn leven.

Noem het een vorm van censuur, alhoewel niet in zuivere zin. Ik vind dat ik overal over mag schrijven, die vrijheid heb ik, maar ik hoef niet overal over te schrijven. Ik leg mezelf beperkingen op, die weliswaar niet absoluut zijn, maar waar ik me doorgaans wel aan houd. Ik schrijf niet (meer) over de politieke waan van de dag. Ik schrijf niet met louter als doel te kankeren, te zeuren of te mopperen over alledaagse incidenten (kankeren over de dominantie van sport en glamour in de media). Ik schrijf niet over weblogs van anderen, behalve als ik wat lovenswaardig te melden heb. Ik schrijf niet over zaken waar ik eigenlijk geen waarde aan hecht (waarom zou ik over voetballen schrijven, als het me niet interesseert). Beter: mijn teksten moeten iets bezitten wat ik van waarde vind. Als ik daarvoor mijn beperkingen moet opheffen, dan doe ik dat, maar dan is het altijd omdat ik het nodig heb voor het grotere verhaal. Maar nooit: meedoen met de emotie- en egocultuur, altijd proberen de grenzen van wat betamelijk is in de gaten houden.

Er zijn veel teksten op mijn website die ik nu te slecht of te banaal vind. Ik laat ze staan, ze horen bij de geschiedenis van deze website. Er zijn stukken bij waarover ik me verbaas dat ik ze ooit geschreven heb, maar dat komt door de afstand in de tijd. Er is één tekst waarvan ik achteraf echt spijt heb gehad, een tekst waar ik mijn eigen beperkingen nodeloos uit het oog verloor en waarmee ik mensen gekwetst heb. Het was een inschattingsfout, verklaarbaar uit de emoties die in die tijd speelden (het betreft 344 (en 345)).

Nee, ik droom niet van een groter werk. Ik vind mijn schrijven niet goed genoeg en mij ontbreekt het heilig vuur. Toch zit er een verhaal in mijn hoofd waaraan stilzwijgend gewerkt wordt. Dat ik onlangs wat eerste zinnen schreef, zou kunnen betekenen dat ik wellicht toch met een Boek bezig ben. Misschien, maar dan zou het me overkomen. Ik ruim er geen tijd voor in, ik voel geen noodzaak om eraan te werken, ik mis het schrijven aan een Boek ook niet. Als het verhaal in mijn hoofd toch op papier komt, dan is het ondanks mijzelf. En dan nog, stel dat ik ooit een manuscript zou hebben, dan zou ik het nog niet laten beoordelen door mensen die daar vaardigheid in hebben. Ik zou te zeer vrezen voor hun oordeel!

Op de andere vragen ga ik een volgende keer in.

24 december 2009

1000

Een aantal weken geleden nodigde ik mijn lezers uit om een bijdrage te schrijven voor mijn duizendste post. Ik wist niet wat ik moest verwachten, maar de bijdragen kwamen en maakten me verlegen. Er zijn vele mooie woorden geschreven en ik ben er blij mee! Zo is 1000 toch een mijlpaal geworden en een plek om naar terug te keren als ik wil opgeven. Nu kan ik hier komen lezen en beseffen dat ik weliswaar schrijf voor mezelf, maar dat ik mijn teksten gerust als flessenpost de virtuele ruimte in kan slingeren. Ik mag weten dat er lezers zijn die zo nu en dan komen kijken of er weer iets is aangespoeld.

Aan iedereen die heeft geschreven: mijn zeer hartelijke dank!

In de begintijd van deze website stond er dedicated to my beautiful demon boven. Daar heb ik me van losgeschreven. Toch kon ik de verleiding niet weerstaan – om de eenvoudige reden dat de mogelijkheid zich aandiende – juist vandaag de 1000e post te plaatsen. Zij is de lezeres in mij die hier niet zelf leest. Zij viert hopelijk in goede gezondheid vandaag haar 42e verjaardag!

En dan nu de bijdragen van mijn lezers. Ik heb ze op volgorde van binnenkomst geplaatst: Gert (polaroidvandedag.blogspot.com), Pascal (pascaldigital.blogspot.com), Lut, Christel (www.crystaldays.nl), Evy (anderewoorden.skynetblogs.be) en The Wandering Soul (wanderingsoul.web-log.nl). Alleen Pascal stelde vragen in zijn bijdrage, deze zal ik in een volgende post beantwoorden.

 

Duizend-en-één

Hoewel ik zelf een blog bijhoud, lees ik die van anderen eigenlijk niet. Ik heb me wel afgevraagd of dit niet vreemd was, iets kwalijks aan het licht bracht misschien, duidde op scheefgroei of onevenwichtigheid. Al was het maar omdat er een verband lijkt te zijn met de klassieke, gouden ethische stelregel 'doe een ander niet wat gij niet wilt dat u geschiedt'. Maar waarom zou alles altijd wederkerig moeten zijn, of alleen dan waarde kunnen hebben? Alleen de logica mag verwachtingen hebben, en dan nog alleen van een redenering. Is de onbeantwoorde liefde tenslotte minderwaardig aan de liefde die wederzijds is? Voor degene die liefheeft misschien, maar op zichzelf volgens mij niet. Ik denk dat ook zoiets geldt voor de makers van kunst, van muziek en literatuur, en voor de schrijvers van een blog.

Een blog in duizend stukken, dat is meer dan een schot hagel de duisternis in – dat heeft wel degelijk zin. Bovendien klinkt de echo van het rondvliegende lood door tussen de wanden en er is altijd wel iemand die het hoort, wat hij of zij in het schot ook denkt te beluisteren.

JWL lees ik dus wel. Vooral omdat ik de schrijver ken en zijn weblog onderdeel is van een voortdurend gesprek. Wat mij bevalt aan zijn reflecties is dat hij van ons tweeën het betere spitwerk verricht in film en filosofie, in muziek en ethiek. Het zal iets te maken hebben met het verschil in consistentie van de klei waarop we zijn opgegroeid. De zijne was steviger, stugger; de mijne zanderig, en bevond zich in de nabijheid van een alles voort spoelende rivier. Ik heb hem laatst in een e-mail getypeerd als Geweten. Daar schrok hij zelf voor terug natuurlijk, want hij mag dan diep graven; JWL wil geen kleikastelen maken van de opgegraven grond. Ik bedoelde dat hij door een draaiing van het perspectief de mensen soms wijst op hun bijziendheid, iets bij zijn lezers aanspreekt dat zou moeten schuilgaan in hun bewustzijn, maar dat misschien afwezig is. Hij plant het met zijn woorden weer terug aan, als herinneraar of uit verbazing, verontwaardiging of ergernis.

Toch zou ik niet willen zeggen dat JWL een moralist is. Dat misverstand ligt op de loer voor alle slechte lezers die door hun krimpende woordenschat ook niet langer in staat zijn subtiel onderscheid te maken, een voorstellingsvermogen hebben dat niet gekocht is op de groei. Want iemand die zich met moraal bezighoudt, is niet per definitie een moralist. Oordelen is dan ook niet wat JWL doet. Meestal niet tenminste, want op elke regel zijn uitzonderingen. In het precieze, genuanceerde gebied dat JWL heet, kun je de man sardonisch horen lachen; je kunt hem in eloquente bewoordingen zien ontploffen van woede; als poëtisch geïnspireerde vader ontroert door suburbia zien wandelen; als een goed gedocumenteerde amateurbiograaf en vriendelijk docerende liefhebber van filosofie, literatuur en klassieke muziek aantreffen in het scriptorium. De weblog van JWL bevat geen geboden, eerder ervaringsdeskundige handreikingen van een beweeglijke geest die bereid is alles, inclusief zichzelf, kritisch te onderzoeken.

JWL valt hooguit terug in een geprefabriceerde mal van het bestaan om te kunnen overleven, en niet aan de wolven overgeleverd te zijn. Want die buitenwereld, de zogenaamde echte wereld, de wereld die verschilt van de zogenaamde virtuele wereld van de blog, verlangd eenduidigheid van ons; één dimensie, één verhaal, eenheid. En dat terwijl de werkelijkheid veelzijdigheid is, verwarrende, verontrustende veelheid. Rust is ons alleen gegeven door tegenwicht, en door niet hier virtueel te zijn, maar in de tram en op straat: onze ware avatar is degene die de anderen zien als we op ons kantoor zijn, of in de trein.

JWL schrijft als Sherazade tegen de klok, tot het moment dat de tijd ons gunstig gezind zal zijn. Tegen de dreiging van de ondergang en de vergankelijkheid in, oproeiend tegen de stroom van de tijd, in de wetenschap dat er een punt komt waar de stroming minder sterk is; een zijtak van de rivier, of een dode arm – zodat we even gered zijn, of met rust worden gelaten. Hij zegt: gij zult niet doden, want gij zult niet ten prooi vallen aan het cynisme (dat ik wel degelijk zelf ken); gij zult uw geest niet laten doden door de magiërs van de vrije markt economie (waarvan ook ik soms in de illusies trap); gij zult u niet laten hypnotiseren door een geloofsovertuiging (ook al begrijp ik de aanvechtingen daartoe); gij zult niet doodzwijgen, ook al begrijp ik het zwijgen heel goed, omdat ik dat zelf ook vaak gepast vind, en ook graag naar anderen luister. Een blog lezen is vaak lezen wat je wilt lezen, horen wat je wilt horen. Wat ik denk te beluisteren in het schot JWL dat nog altijd nagalmt, is een onmogelijke liefde voor de wereld, een liefde die zelden beantwoord wordt en waarover het beter zwijgen is misschien. Bij deze dan maar, voor nu.

Gert
polaroidvandedag.blogspot.com

Beste JWL,

Je vraagt mij om een bijdrage voor je duizendste aflevering.

Je vraagt mij om je te vertellen waarom ik weblogs lees, en meer in het bijzonder waarom ik jouw weblog lees.

Ik kan beide vragen in één keer beantwoorden want ik lees maar één weblog echt systematisch: de jouwe. Soms zijn er zaken die mij minder boeien (ik zeg niet dat ze minder goed zijn) en die lees ik dan enkel diagonaal. Dat zijn vooral de posts over muziek. Dat is omdat ik met muziek, en zeker met schrijven over muziek, weinig affiniteit heb. Ik hoor wel graag muziek, maar ik bezit niet over de gave om ernaar te luisteren. En zeker niet om erover te schrijven. Maar als het over Nietzsche of over jezelf gaat, dan lees ik het wél.

Waarom lees ik je blog? Omdat JWL een vertrouwde stem is geworden, intussen. Omdat ik JWL één keer in levende lijve heb ontmoet en ik ervaar het lezen van zijn blog als een voortzetting van die ontmoeting. Omdat JWL iets van dat verre Nederland bij mij binnenbrengt (iets ánders dan die eeuwige 'uitdieping van de Westerschelde' of de 'koffiehops' of 'Geert Wilders'). Omdat ik vind dat wat JWL schrijft een hoog niveau haalt, erudiet is, vrij goed geschreven is, vaak interessant is. En omdat er een zweem over die blog hangt die mij heel erg bevalt. Iets persoonlijks dat net gesloten genoeg blijft om niet vrijpostig te zijn.

(Vrijpostig, dat is wel een goed woord in verband met blogs.)

En ik lees JWL, laat ik daar niet flauw over doen, omdat ik mij door hem gevolgd weet en ik vind het dan ook maar normaal dat ik me diezelfde moeite getroost – al zal het voor jou, Jan-Willem, veel meer moeite kosten want ik schrijf meer en vaker op mijn blog dan jij dat doet op de jouwe.

En dan is er nog onze briefwisseling, natuurlijk. Brieven naar Bunnik – Brieven naar Brugge. Ik ben blij met dat initiatief, tevreden over het totnogtoe behaalde resultaat en ik hoop dan ook dat we daar nog een tijdje mee kunnen doorgaan en dat de brieven een zekere kwaliteit blijven halen.

JWL, is dit een antwoord op jouw vraag? Ik wens je toe dat je de energie en de moed vindt om ook na de duizend nog een tijdje door te gaan. Het is beslist de moeite waard. Het is goed dat je wat je schrijft aan een aantal mensen voorlegt. Enkele tientallen. Dat lijkt niet veel, je bent er al een paar keer door ontmoedigd geraakt. Maar wat is het verschil met enkele duizendtallen? Ook al zijn het er maar twintig of vijftig, daardoor bestaat wat je schrijft méér dan indien je het niet via je blog openbaar zou maken – want als je dat niet zou doen, zou het helemaal niet bestáán. Ik maak me zelfs sterk dat je veel van wat je schrijft zonder blog niet eens zou schrijven.

Ten slotte dit: voor mezelf ben ik er steeds vaster van overtuigd geraakt dat de zin van het schrijven in het schrijven zelf hoort te liggen. Of preciezer: in de vreugde die je bij het schrijven ervaart. Wat er verder mee gebeurt, dat is iets anders. Een ding is zeker: zonder die vreugde kom je nergens.

Nog één dingetje over de lay-out van je blog. Je verandert regelmatig. Maar het blijft altijd mooi en smaakvol. Sober en grijs. Overzichtelijk en zeer handig in het gebruik. Ik houd daarvan. Je zegt al evenveel iets over jezelf – over wie je bent en over wie je wilt zijn – in de opmaak van je blog.

Heb ik vragen die ik je zou willen stellen? Hoe je schrijft, of je teksten laat rusten, of je ze herwerkt, of je vaak in laatste instantie jezelf censureert, in hoeverre je private kwesties toelaat? Ja, die veeleer praktische zaken zijn interessant. Of je niet eens droomt van een groter werk, iets op papier, ja een echt Boek? Daarop antwoord je zelf in je notitie 992. Ik zou willen weten hoe je je leesprogramma, dat je ons sinds enige tijd laat inkijken, opmaakt. En of je vaak reacties krijgt en wat je ermee doet. En of je zelf vaak andere blogs leest.

Tot spoedig! Ik schrijf binnenkort mijn antwoord op jouw brief naar Brugge.

Hartelijke groeten,

Pascal
pascaldigital.blogspot.com

Dag Jwl,

Waarom een lezer weblogs leest?

Waarom een lezer Jwl leest?

Volgens mij om héél diverse redenen, waaronder misschien een paar van mij.

Op een dag waarop ik eens wou bijleren wat muziektherapie kan zijn / bieden, komen de verwijzingen naar muziek in je weblog bovendrijven in het geheugen.

Over lezen en schrijven kan veel geschreven worden.

Deze lezer leest onregelmatig, evolueert in de tijd, is soms te moe, en op andere momenten misschien toch wat nood aan een weblog dat aanzet geeft tot reflectie. Een weblog van een mens die zelf eerlijk en soms zoekend is.

Bij mij kwam het bij de eerste stukjes dat ik las, als een weblog van een einzelgänger over.

Ook de benaming Café Sisyphus intrigeerde mij.

Café als ontmoetinsplaats en Sisyphus, was dat niet die van de Sisyphusarbeid? Of verwarde ik het met Atlas die de wereld torst ? De mythen kwamen bovendrijven en nog meer zin in lezen.

Een weblog met een intrigerende naam, iets van kwaliteit, waar je voorzichtig moet mee zijn, want het vraagt om veel aandacht en daarbij inspanning.

Soms een oase in de woestijn. Soms te zwaar, soms zéér herkenbaar en soms vertroostend.

Deze lezer ontdekte weblogs in periodes van ziek-worden, chronisch ziek-zijn en geconfronteerd met loodzware beslissingen.

M.a.w. wie dan nog eens niet denkt aan filosofie over leven en dood, tja, lijkt me niet echt een type dat in het leven staat als deze lezer.

Er zijn periodes waarin het weblog lezen niet meer aan de orde kwam. Het kan wat schommelen, mee met het evolueren van hoe levens zich afspelen. Partner eerst werkend, dan niet meer, tijd om andere dingen voorrang te geven.

Ach, je 1000ste bijdrage Jwl. Ik ben er blij mee, 1000 en 1 redenen om te blijven schrijven, 1000 en 1 redenen om niet te vergeten dat ik nu en dan weer eens meer moet gaan bijlezen bij jou.

Voor ik met een vervolgbehandeling begin, drink ik een glaasje op jou en alles wat jou interesseert en bezighoudt.

Mogen we nog lang hier blijven lezen en jij héél lang je goesting in schrijven behouden.

Dank voor dit delen.

Eén van je nu-en-dan passerende vrouwelijke lezers uit België.

Vriendelijke groet,

Lut

Een stukje schrijven voor jwl? Is dat te doen? Bij jwl schrijf je niet, bij jwl léés je.

Bij jwl lees je als de avond gevallen is. Bij jwl lees je als de dingen van de dag gedaan zijn.

Bij jwl lees je als de rust weer wat gevonden hebt of juist als je de rust wil vinden.

Bij jwl lees je voor het slapen gaan.

Je hebt de stilte en de avond nodig voor jwl.

Je zou jwl ook niet op een scherm moeten lezen. Eigenlijk zou jwl op papier moeten staan.

Zo dat je af en toe eens bladeren kan. Dat je dan weer eens dit leest en dan weer eens dat.

Een boek dat door je handen glijdt. Dat je af en toe eens op je nachtkastje legt. Dat je soms vergeet en dan weer tegenkomt.

Misschien ooit. Het spokende verhaal van jwl. Ooit zal het wel uitgespookt zijn en gevangen worden.

Ik ben benieuwd.

Christel
www.crystaldays.nl

Uiteindelijk doe ik een beroep op de oude blauwe linnenzak en graai ik enkele letters. Ik probeer een zin te breien, het lukt niet, het lukt wel, de buurjongen komt zich moeien en beslist over de geldigheid van het alfabet.

Jij en ik jagen hem weg; we hadden immers veel plezier met dat grote legbord en met die linnenzak, de waarde van de letters van het alfabet legden we naast ons neer en we speelden voort, zonder gouden muntstukken, zonder tinnen schotels of nagemaakte paarden. Zelfs de schilderijen lieten we heel.

De buurjongen kijkt beteuterd.

We sluiten de tussendeur en zetten enkele stoelen en een tafel op het terras. Het woordenbord en de linnenzak nemen we mee. We spelen het spel voort.

Als het jouw beurt is grijp je zes keer een zelfde klinker en drie verschillende medeklinkers. Je kan er geen woord mee vormen, rommelt een extra letter uit de linnenzak en je glimlacht.

Ik zie het, verwacht me aan een nieuw record en vraag wat je met die trofee zal doen. 'Hij bestaat niet,' antwoord je.

Ik leg je opmerking naast me neer en herbegin het spel. Ik lees a, b, c, d, e, f, g en je onderbreekt me. We gooien de letters op een hoop en dan terug in de linnenzak en maken een nieuwe afspraak.

'Morgen,' klinkt jouw voorstel. Ik ben het er volledig mee eens.

Evy
anderewoorden.skynetblogs.be

Ik lees JWL omdat woorden voor hem niet vanzelf spreken, hij weegt ze, zet ze in zinsverband. Ik lees JWL omdat hij mij verrrast, vergast op muziek en teksten waar ik het bestaan niet van vermoedde. Ik lees JWL, immers wie wil niet bevestigd worden in zijn opvatting over het Leven, de Wereld en de Ander of met gezag tegengesproken? Ik lees JWL omdat hij met regelmaat teksten schrijf die ik zelf had willen schrijven. Ik lees JWL, want wie wil niet weten dat als hij gek is dat ie dat niet alleen is? Ik lees JWL omdat hij eigenlijk alleen voor vrienden schrijft en als JWL een hond heeft, dan zal hij, zo denk ik mij, Laelaps heten.

The Wandering Soul
wanderingsoul.web-log.nl

15 december 2009

999

In de Poëziekrant jrg. 33 nr. 3 stonden twee besprekingen van bundels die ik al kende en een bespreking van een boekwerk waarin ik al gebladerd en gelezen had: Lies van Gasse Hetzelfde gedicht steeds weer, Sylvie Marie Zonder en Na de dood stond ik midden in het leven. Kopstukken uit de naoorlogse Poolse poëzie. De eerste bundels had ik met plezier gelezen, maar ik was niet vreselijk onder de indruk. De naoorlogse Poolse poëzie is indrukwekkend en ik heb me voorgenomen dat boek eens wat meer aandacht te gaan geven. Overigens vind ik het soms heel plezierig om besprekingen achteraf te lezen, omdat ik dan al een eigen indruk heb van het boek en niet door de bespreking al een richting ben opgeduwd. Ik stopte de bundel van Lies van Gasse weer in mijn werktas, maar ik kwam er niet aan toe.

De Poëziekrant heeft als vaste rubriek De werkkamer en ditmaal mochten we meekijken in de werkkamer van Dirk van Bastelaere. Wat is het toch dat we zo graag zien waar schrijvers (en andere kunstenaars) werken? Hopen we zo achter het geheim van de smid te komen? Zijn we geïntrigeerd door boekenkasten, even kijken wat hij of zij op de planken heeft staan? Of zegt het atelier iets over de kunstenaar en zijn werk? Is het een romantisch overblijfsel in onze bewondering voor kunstenaars?

Van de bibliotheek had ik Bergsons Inleiding tot de metafysica geleend, om na het boek van Hermsen eens te proeven van Bergson. Meer werd het ook niet. Na een adequate inleiding van Jan Bor, heb ik geprobeerd grip te krijgen op Bergsons durée, maar ik kon mijn gedachten er niet bij houden. Een collega wilde graag een boek van een leerling van Bergson met mij lezen, Beleving van de tijd van Vladimir Jankelevitch, maar ik zie daar voorlopig van af. Filosofische beschouwingen over de tijd zijn interessant, herkenbaar, maar ik kan me momenteel maar matig concentreren om alle finesses van al dat denken te doorzien.

Dus koos ik in de tweede helft van de week voor een makkelijker boek. Ik kreeg het op mijn verjaardag en ik had er al een paar hoofdstukken in gelezen: De reis van de Beagle van Charles Darwin. Een prachtig geïllustreerd boek. Aanvankelijk was ik van plan om het op te lezen met de serie op de Nederlandse en Belgische televisie, maar dat heb ik nu los gelaten. Het is een boeiend boek, want naast het verslag van Darwins wetenschappelijke werk krijgt men ook een beeld van de menselijke kant van Darwin. Hij gruwelt van de slavernij in Zuid-Amerika en is zeer begaan met de mensen. De distantie die Darwin kan opbrengen voor de hardheid van de natuur, de wetenschappelijk blik waarmee hij naar de geologische samenstelling van gesteenten kijkt en de biologische eigenaardigheden van de flora en de fauna, zo persoonlijk is hij als het om medemensen gaat. Daarnaast krijg je een intrigerend beeld van de moeilijkheden die zo'n enorme expeditie met zich meebrengt. Het leest als een groot avontuur en soms moest ik wel eens denken aan de boeken van Jules Verne die ik als tiener verslonden heb.

Bij de meisjes die bij diezelfde schermutselingen gevangengenomen waren, bevonden zich twee heel knappe Spaanse meisjes, die op jeugdige leeftijd door de indianen waren ontvoerd en nu alleen nog de indianentaal konden spreken. Volgens hen waren ze afkomstig uit Salta, hemelsbreed een afstand van bijna vijftienhonderd kilometer. Dat geeft een idee van het enorme gebied waarin de inidanen rondtrekken; maar ondanks die omvang geloof ik dat er over nogmaals een halve eeuw ten noorden van de Rio Negro niet één wilde indiaan meer gevonden zal worden. De oorlog is te bloedig om lang te kunnen duren; de christenen doden elke indiaan, en de indianen doen hetzelfde met de christenen. Het is treurig te zien hoe de indianen hebben moeten wijken voor de Spaansse indringers. Schirdel zegt dat er in 1535, toen Buenos Aires gesticht werd, dorpen met twee- of drieduizend inwoners waren. Zelfs in de tijd van Falconer (1750) ondernamen de indianen invallen tot in Luján, Areco en Arrecife, maar nu zijn ze verdreven tot over de Salado. Niet alleen zijn hele stammen uitegeroeid, de overblijvende indianen zijn minder beschaafd geworden: ze wonen niet meer in grote dorpen, waar ze zich bezighouden met visvangst en jacht, maar zwerven nu over de open vlakten, zonder woning of vaste bezigheden. (blz. 146)

(...)

Santa Fe is een rustig plaatsje, netjes en goed onderhouden. López, de gouverneur, was ten tijde van de revolutie gemeen soldaat geweest, maar bekleedt zijn ambt nu al zeventien jaar. Dat langdurig bewind moet toegeschreven worden aan zijn tirannieke gewoonten, want tirannie lijkt voor deze landen voorlopig beter geschikt dan republikanisme. De dierbaarste bezigheid van de gouverneur is de jacht op indianen: kortgeleden heeft hij er achtenveertig afgeslacht, en hun kinderen verkocht voor drie of vier pond per stuk. (blz. 161)

Charles Darwin De reis van de Beagle
Amsterdam 2009

13 december 2009

998

Als ik geheel in de ban ben van een boek, dan lees ik dat boek vaak slecht. Ik ben dan zo nieuwsgierig naar het vervolg, dat ik eigenlijk te snel lees. Dat gebeurde ook met het boek van Hermsen. Dus legde ik in het begin van de week het boek even weg en las eerst het juni-nummer van Dietsche Warande & Belfort uit. Ook dat ging in een hoog tempo, alsof ik zo snel mogelijk weer terug wilde naar het boek van Hermsen. Goed lezen is ook een kunst en ik beheers dat niet altijd.

Het nummer van DW B heet Aangespoeld. In het redactioneel staat al het thema 'Aangespoeld' gaat alle richtingen uit. Inderdaad, van een samenhangend geheel is nauwelijks sprake en als deze er al is, dan is de samenhang heel dun. Niet dat dat erg is, er staan toch aansprekende stukken in, zoals van Peter Verhelst en een voorproefje uit een roman van Atte Jongstra. Naast deze 'thematische' stukken bevat het nummer een minidossier over flarf en Google sculpting. Deus ex Machina had daar ook al eens aandacht aan geschonken en net als toen kon ook ditmaal het onderwerp mijn aandacht niet vasthouden. De flarfdichters geven op Google woorden in, en de resultaten van de zoekmachine worden omgebouwd tot gedichten via collage en montage. Het onderscheid tussen 'hoge' en 'lage' taal, tussen hooggestemde ideeën en aanstootgevende trash valt weg. Er ontstaat een bizarre relatie tussen het at random ontvangen van tekstmateriaal, en het daarmee componeren van gedichten. Ik kan me voorstellen dat het wellicht een leuk spel is om te doen, maar het moet uiteindelijk een goed gedicht opleveren en de gedichten die in dit nummer zijn afgedrukt grijpen mij niet. Nee, wat opnieuw in DW B mijn aandacht trok, waren de boekbesprekingen achterin. Gaston Franssens Vuur met vuur bestrijden. Over de poëzie van H.H. ter Balkt, maakt dat je nu eens zelf wil kennis maken met die poëzie. Hugo Bousset schrijft over de verwantschap van JMH Berckmans, een auteur die ik graag las, en Pjeroo Roobjee, waar ik nog nooit van vernomen had.

De vertragingstactiek werkte overigens niet. Elk momentje om te lezen gebruikte ik om weer een paar bladzijden in Hermsen te lezen. Het is ondertussen uit en ik vrees dat ik het zal moeten herlezen. Naar aanleiding van dit boek leende ik Inleiding tot de metafysica van Henri Bergson, om er even aan te snuffelen of wellicht helemaal te lezen.

Van de stapel nog te lezen tijdschriften heb ik een nummer van de Poëziekrant gehaald en zie, prompt stuit ik op een uitspraak van de Litouwse dichter Eugeniusz Ališanka dat aansluit bij het boek van Hermsen.

'Als ik zeg dat een dichter een klok zonder wijzers is, bedoel ik vooral dat dichters getuigen van de tijd waarin ze leven, hoewel die tijd eigenlijk niet concreet is, en niet de tegenwoordige tijd is, maar de tijd van onze gedachten en onze verbeeldingskracht, die dus zowel het verleden, het heden als de toekomst omvat, ja zelfs het onbestaande, of beter gezegd, dat wat er niet is geweest, maar er had kunnen zijn. Je zou een dichter ook kunnen omschrijven als een wijzer zonder klok, maar de interpretatie van dat beeld laat ik over aan anderen.'

Jo Govaerts Omgekeerd evenredige Litouwse poëzie
in: Poëziekrant, 33/3, 35

8 december 2009

997

Deze weg is niet verlicht. Alleen op het kruispunt waar ik de Vossegatsedijk was ingeslagen brandde een lantaarn. In het donker moest ik extra opletten op wandelaars of fietsers zonder verlichting. Ik omzeilde enkele afgewaaide takken en hobbelde over boomwortels die door het asfalt probeerden te komen. Zo ging ik voort langs het fort Rhijnauwen en passeerde het laatste witte bruggetje voor Het Hoge Bospad. Een vage schemer kwam nu over het fietspad en het was niet de maan, maar het kunstmatige licht van De Uithof. De grote oplichtende letters Universiteit Utrecht spiegelden in het water op de weilanden. Samen met de Kromme Rijn ging ik onder de A27 door. De Kromme Rijn, een altijd stromend riviertje, had me met een omweg toch weer ingehaald. Toen besefte ik, de toekomst ligt niet voor ons, de toekomst komt van achteren.

4 december 2009

996

Ze wilde de maan zien, dus nam ik haar op de arm om samen uit het raam te kijken. Een prachtige volle maan, we waren er allebei even stil van. Ik dacht, nu moet ik iets zeggen wat diepte geeft aan het moment, maar er schoot me niets te binnen. We keken en de maan keek terug.

Het was al middernacht toen ik het clubgebouw verliet. Zelden duurt een schaakpartij zo lang bij mij, want ik heb maar zelden de wil om het eindspel helemaal uit te spelen. Misschien kwam het wel omdat mijn tegenstander net iets te vaak remise aanbood in een stelling waar nog zoveel mogelijkheden waren. Maar remise werd het uiteindelijk toch en ik liep me nu af te vragen waar ik de winst gemist had. Toen ik naast de auto stond en nog even opkeek, zag ik daar die gigantische volle maan weer. Ik dacht aan mijn meisje en alle frustraties van een gewonnen partij die remise werd, gleden van me af.

2 december 2009

995

Een lichte koorts, misselijkheid en kramperige benen lieten mij afgelopen dinsdag het bed houden. Gelukkig was ik niet dermate ziek dat ik niet kon lezen. Dinsdagland. Schetsen van België van Dimitri Verhulst was aangename lectuur om mijn zinnen te verzetten, ik las het boek met plezier uit. Karikaturen van België was misschien een betere ondertitel geweest, want Verhulst beheerst de kunst om met taal karikaturen van zijn landgenoten te schetsen en dat ook nog zo te doen dat het niet verveelt. Al vind ik zijn stijl soms erg behaagziek – hij wil zo graag leuk zijn –, zijn karikaturen zijn niet beledigend, eerder mild en dat redt zijn boek in mijn ogen. Verhulst beheerst de kunst van de satire, heeft een vlotte pen en alleen als voor de zoveelste keer de Vlaamse verslaving aan het wielrennen ter sprake komt, wilde ik nog wel eens glimlachend een zucht slaken.

Ondertussen ben ik gefascineerd door Stil de tijd. Pleidooi voor een langzame toekomst, een nieuw boek van filosofe Joke J. Hermsen. In diverse essays ontwikkelt zij een visie op een andere, vergeten, tijdsbeleving. Zij leunt hierbij zwaar op Henri Bergson en probeert sporen van de filosofie van Bergson te traceren in literatuur (Proust, Mann, Broch, Woolf), muziek (Simeon ten Holt), beeldende kunst (Mark Rothko) en filosofie (Heidegger, Sloterdijk). De persoonlijke noot ontbreekt niet in deze essays en zoals het hoort bij essays: Hermsen zoekt, is fragmentarisch, experimenteert. Of zoals Hermsen het zelf in haar reisjournaal beschrijft: Ik wil geen dichtgetimmerd, academisch betoog over de tijd schrijven, maar een boek maken met een meer open, meer fragmentarische structuur: een bonte verzameling van inkijkjes, ervaringen en perspectieven op de tijd. Een stuk of twaalf eassys, die ieder vanuit een andere windrichting het vliedende middelpunt van mijn boek benaderen: de onbenoembare 'andere tijd' (107-108). Ik ben nu halverwege het boek en ik kan niet anders zeggen dat ze uitstekend slaagt in haar opzet. Bovendien ben ik haar dankbaar voor de introductie in de filosofie van Bergson waar ik slechts terzijde kennis van genomen had. Het boek opent deuren voor mij, laat mij in gedachten verder denken en laat me zelfs met andere ogen naar de film De spiegel van Andrej Tarkovski kijken. Ineens begreep ik een aspect van Tarkovski's beeldentaal die me voordien altijd ontgaan was. Helaas komt Tarkovski niet voor in het boek van Hermsen.

Het verschil tussen een mechanistische, lineaire kloktijd en de tijd als duur heeft Bergson zoals we zagen betrokken op het onderscheid tussen een ik dat handelt volgens de principes van het praktische verstand en een zelf – le moi profond – dat met de dynamische tijd als duur verbonden is. Meestentijds zijn we volgens Bergson dat handelende ik, een soort bewust automaton, dat verstandelijk reageert op prikkels uit de omgeving. Soms echter breekt door deze 'korst van mechanische handelingen' de ervaring van de tijd als duur heen. Dat is wat ons bijvoorbeeld in (dag)dromen overkomt of in de reflectie, de kunst, of in andere ervaringen met een verhoogde concentratie, zoals sporten, erotiek of meditatie, waarbij we het gevoel voor het verstrijken van de lineaire tijd als het ware verliezen. In het belangeloos beschouwen of het artistieke scheppen krijgt de tijd als duur volgens Bergson meer kans, omdat de schrijven of kunstenaar tijdens het scheppingsproces afstand moet nemen van zijn functioneel handelende ik en in de diepere lagen van zijn zelf moet afdalen, dat, net als de duur, dynamisch, dat wil zeggen permanent in wording is. Als we iets van de tijd als duur willen ervaren, is het noodzakelijk dat we uit de economische tredmolen stappen, die ons leven zo sterk bepaalt, en als het ware een pas op de plaats maken, of zoals Bergson het zegt 'ons leven op zijn beloop laten'. Onze intuïtie voor de duur kan ontwikkeld worden als we onze aandacht ook richten op muziek, de kunst en de literatuur, waar zij op steeds andere wijze van zich doet spreken.

Joke J. Hermsen Stil de tijd, 62

29 november 2009

994

KRONIEKEN LEZEN

vijandige dauw in opstandige pruimebloesem
bewaakt het duister dat het noenzwaard uithouwt
de revolutie begint de volgende ochtend
en de klacht van een weduwe doorkruist de toendra als wolven

om de voorspelling trekken de voorouders zich terug
in een van geloof en verlangen omstreden rivier
zonder einde – alleen de kluizenaar in de draaikolk
ervaart de stilte van een ander soort gedachten

van hoog ziet men de zon die zakt op de troon
als beschaving en fluitspel vervliegen in de lege vallei
verheft zich het seizoen uit de puinhopen
klimmen vruchten over de muur op jacht naar morgen

Bei Dao Overwinteren
in: Het trage vuur 45, 45

19 november 2009

993

leesagenda week 47
- Het trage vuur. Tijdschrift voor Chinese literatuur. nr. 45 april 2009
- Dimitri Verhulst Dinsdagland. Schetsen van België
- Friedrich Nietzsche Menselijk, al te menselijk

16 november 2009

992

Afgelopen week gebeurde het dan. Afgelopen woensdag om wat preciezer te zijn. Ik opende een nieuw word-document en schreef de eerste zinnen op van een verhaal dat al zo lang in mijn hoofd spookt. Iemand die veel leest vraag zich wel eens of hij niet zelf een boek zou willen of kunnen schrijven. Bij mij ontbreekt elk heilig vuur om een verhaal of een roman te schrijven, dat zit eenvoudigweg niet in me. Desalniettemin is er in de loop der jaren toch een idee ontstaan, waar zo nu en dan in gedachten aan gesleuteld wordt. Het is nog lang niet een afgerond geheel, maar het skelet, waarin nog vele onderdelen missen, is er wel. Echter, het daadwerkelijk beginnen, het opschrijven, daar was het nooit van gekomen. Maar afgelopen woensdag deed ik het ineens, de eerste zinnen opschrijven die ik al een tijdje in gedachten had. Ik durf ze eigenlijk niet eens meer terug te lezen, laat staan er verder mee te gaan. Het is alsof ik eerst weer afstand moet nemen om te kunnen bepalen of dit nu wel het juiste begin is. Maar schijnbaar wil het verhaal eruit en schroomt het zelfs niet om mijn lichaam de nodige handelingen daarvoor te laten verrichten. Het wacht op het volgende onbewaakte ogenblik.

15 november 2009

991

De scheiding heeft hij in zijn brein wel kunnen plaatsen, maar zijn gevoel wil er maar met moeite aan. Zijn verstand is redelijk en snel en sterk genoeg om zijn negatieve emoties te weerstaan, maar het schiet tekort als baken voor zijn koers. Op het langzaam zinkende schip van zijn bestaan is zijn verstand de stuurman en zijn gevoel de kapitein. Het is een taai gevoel, dat maar moeizaam wil doven en zich steeds weer herstelt. Chaos voor de boeg, heeft hij gedacht, want zo ging het ook na twee eerdere strandingen. Jaren varen op gegist bestek, jaren zwalken op een oceaan van whisky en van bier. Alles valt te zeggen in een nauties idioom, maar geen haven komt in zicht. Potare necesse est.

Waarom kon zij niet aanvaarden dat mannen en vrouwen elkaars natuurlijke vijanden zijn en dat elke concessie een voorschot is op het menselijk tekort. Dat eenzaamheid onvermijdelijk blijft, maar eerlijker is dan trouw.

Het zij zo.

Het is gedaan.

Over en uit.

L.H. Wiener Eindelijk volstrekt alleen, 156-157.

12 november 2009

990

leesagenda week 46
- L.H. Wiener Eindelijk volstrekt alleen
- Het trage vuur. Tijdschrift voor Chinese literatuur. nr. 45 april 2009
- Friedrich Nietzsche Menselijk, al te menselijk

11 november 2009

989

Brieven naar Brugge (6)

wat voorafging

Bunnik, 30 oktober 2009

Waarde Pascal,

Dit wordt dan de eerste brief aan jou die ik achter mijn nieuwe bureau schrijf. Op mijn website schreef ik al, dat deze plek me doet denken aan mijn studietijd. Vreemd hoe ik nog steeds put uit die tijd, een veelbewogen tijd, waarin ik ontzettend veel las, muzieken beluisterde en films bekeek. Ja, ik teer nog steeds op die tijd, al is het decor en zijn de figuranten veranderd. Indertijd pasten al mijn bezittingen in een kamer van drie bij vijf. Mijn boeken, lp's, video's, alles had ik als het ware binnen handbereik. Ik gunde mezelf ook de tijd om echt te lezen, echt te luisteren en te kijken, het ging niet zo goed met mijn studie. Nu is mijn leven veel minder overzichtelijk. De ruimte waarin ik nu schrijf is tweemaal zo groot, maar mijn boeken staan in de huiskamer, alleen mijn collectie Nietzsche-boeken heb ik nu naast het bureau staan (naast de ordners met administratie en de woordenboeken).

Nietzsche, het zal je niet zijn ontgaan dat deze historische figuur een blijvende liefde is in mijn leven. Het ontging mijn psycholoog ook niet en hij vroeg me wat het dan precies was, dat me zo met deze man en zijn werk verbond. De vraag overviel mij en tot mijn eigen verbazing wist ik niet direct aan antwoord te geven. Na een lange stilte hoorde ik mezelf antwoorden: ik denk dat ik het gevoel me niet thuis te voelen in deze wereld, deel met Nietzsche. Elke dag de verwondering over de wereld waarin ik terecht gekomen ben. Het werkelijk niet kunnen begrijpen waarom mensen leven zoals ze leven en me daarbij realiseren, dat ik net zo'n leven leid. Daarom voel ik me een dwaas, omdat ik wel weet dat ik me niet onderscheid en tegelijkertijd met een brandende lantaarn in vol daglicht aan het zoeken ben. Kijk, jwl jij dwaas, het is al licht, waarom dan de wereld willen verlichten?

Er zijn verschillende teksten waar ik steeds naar terugkeer (heb jij ook zulke teksten?). De dolle mens uit De vrolijke wetenschap, waar we over schreven in onze vorige brieven, is er één van. Ik weet evenmin als jij wat de officiële Nietzsche-exegese over deze tekst te melden heeft, maar sta mij toe met jouw brief in de hand, wat gedachten over deze tekst met je te delen. Want ik interesseer me er doorgaans bar weinig voor hoe je tekst zou moeten lezen en begrijpen. Het gaat mij uiteindelijk om wat een tekst bij mij teweeg brengt. Ik lees de tekst van Nietzsche namelijk anders dan jij. Het is niet mijn bedoeling je te overtuigen van mijn visie op deze tekst (het zegt meer over mij dan over de tekst), maar ik wil je graag tonen, hoe je het ook kunt lezen.

Laat ik beginnen met de constatering dat ik deze tekst nauwelijks als een filosofische tekst kan lezen. Het heeft alles van een vertelling (Habt ihr nicht von jenem tollen Menschen gehört ... en verderop: Man erzählt noch ...), een verhaal van horen-zeggen. De tekst is eerder literair dan filosofisch, iets wat Nietzsche voor onacademische lezers van filosofie als ik natuurlijk zo aantrekkelijk maakt. Zodra een tekst literair is, mag (moet) men het anders lezen, mag (moet) men zoeken naar verbanden in een tekst die niet direct aan de oppervlakte liggen. Ach, dit hoef ik jou toch niet uit te leggen!

Mijn keus om Der tolle Mensch te vertalen met de dwaas heeft een paar redenen. Ik vind De dolle mens een ongelukkige vertaling, omdat de betekenis van het bijvoeglijk naamwoord 'dolle' niet zo duidelijk is. Tegenwoordig kennen we in Nederland het werkwoord 'dollen', gek doen op een vrolijke wijze. Daarvoor vind ik Nietzsches tolle Mensch te ernstig. Bovendien weten we dat Nietzsche graag parodieerde op teksten uit de Bijbel en in verband met deze tekst is vaak gewezen op een tekst uit het boek Psalmen: De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij bedrijven gruwelijk en afschuwelijk onrecht; niemand is er, die goed doet. God ziet neder uit de hemel op de mensenkinderen, om te zien, of er één verstandig is, één, die God zoekt. (Psalm 53:2-3). (In de Bijbel wordt wel vaker goddeloosheid verbonden met dwaasheid, de goddelozen verkeren in duisternis, ze zijn ontwetend. De weg der goddelozen is als duisternis; zij weten niet, waarover zij kunnen struikelen. (Spreuken 4:19)) In Duitse vertalingen van deze verzen vindt men het meervoud voor 'de dwazen': Die Toren. Dat doet me ogenblikkelijk denken aan de opera Parsifal van Richard Wagner waar de hoofdrol wordt gespeeld door Die reine Tor Parsifal, een naieve dwaas die uiteindelijk tot inzicht komt en promotie maakt tot hoofd van de graalridders, een christelijke, mystieke orde. Parsifal brengt de graalridders uit de duisternis naar het licht. Nietzsche kende het libretto van deze opera en verafschuwde het. Parsifal ging in 1882 in première, het jaar waarin De vrolijke wetenschap uitkwam.

Nee, ik kan De dolle mens niet beschouwen als een vroom mens, althans niet in godsdienstige zin. Hij onderscheidt zich van de goddelozen op het marktplein (Wir haben ihn getötet – ihr und ich! Wir alle sind seine Mörder!) niet door zijn vroomheid, maar door het besef van de betekenis van Gods dood. Onze dwaas somt in beeldende taal de gevolgen op en je kan je afvragen: wie is hier nu eigenlijk dwaas? De dood van God is een metafoor voor het verlies van alle metafysische zingeving en wat de dwaas zoekt is niet zozeer God, als wel een zingeving die buiten de mens gevonden moet worden. Hadden we niet zelf eerst goden moet worden, voordat we God vermoorden? Hadden we niet eerst een zingeving in onszelf moeten vinden, voordat we alle externe zingeving overboord gooiden? De dwaas twijfelt niet aan de grootsheid van de moord op God (Ist nicht die Größe dieser Tat zu groß für uns?). De dwaas die God zoekt, zoekt uiteindelijk de God in zichzelf. (Had Augustinus in zijn Belijdenissen al niet ergens geschreven dat wie God zoekt, niet naar buiten moet gaan, maar moet inkeren in zichelf?) Of wellicht beter: wie God zoekt, zou uiteindelijk wel eens bij zichzelf uit kunnen komen.

Meer nog dan de provocerende proclamatie van de dood van God, vind ik het kapot gooien van de lantaarn het dramatische moment in deze tekst. Eerst diende het als hulpmiddel bij het zoeken naar God, maar als dat een gepasseerd station is, moeten er lantaarns aangestoken worden om de oprukkende duisternis te verdrijven (Kommt nicht immerfort die Nacht und mehr Nacht? Müssen nicht Laternen am Vormittage angezündet werden?). Maar als de dwaas zwijgt en de anderen op het marktplein ook zwijgen en hem bevreemd aankijken, realiseert de dwaas zich dat ook het licht niet van de mensen zal komen. Wanneer hij dat beseft, gooit hij de lantaarn, die toch een bron van hoop was, kapot. (Ook hier Bijbelse associaties. De dolle mens lijkt wel een karikatuur van een Bijbelse profeet die het volk Israel vermaant en die zich afwendt als het volk niet wil luisteren.) Der tolle Mensch is een antiparabel. Hier wordt geen hogere waarheid aanschouwelijk gemaakt. Deze tekst brengt ons een intens sombere boodschap: we kunnen niet meer rekenen op een door God gegeven zingeving en de mensen zijn (nog?) niet in staat dit gat in de wereld op te vullen. Er zijn geen vaste waarden meer, er zijn geen referenties meer (de dwaas is verstandig, de mens moet goddelijk worden, het daglicht is eigenlijk duisternis - het is allemaal inwisselbaar geworden). Wie licht wil, zal in zichzelf moeten zoeken, maar ook dat is geen garantie.

Prachtig hoe de verteller aan het eind van dit korte verhaal nog de camera afwendt van het marktplein en de dwaas kerken laat binnendringen. De dwaas treurt om een wereld die verloren is gegaan en nooit zal terugkeren. Kerken zijn musea geworden en ik denk dat dat al geldt voor veel kerkgebouwen in onze tijd. Het kan zijn dat ik teveel met eigentijdse bril deze tekst lees, maar desalniettemin denk ik dat Nietzsche een schitterende tekst heeft geschreven dat nog steeds van betekenis is voor onze tijd.

Pascal, je hebt gelijk, we hebben een kompas nodig. Maar wat zou de status van dat kompas zijn, wanneer de grond voor een absolute waarde ontbreekt? Hoe moeten we het kompas dan ijken? Waar moeten we zoeken? Gaat het niet om het vinden, maar om het zoeken? Of is het zoeken zelf het probleem – alle pogingen van filosofen als Martha Nussbaum ten spijt? Moeten we niet eens proberen juist niet te zoeken naar een absoluut waardensysteem? Misschien vinden we dan wel iets waar we niet naar zochten, maar dat best iets zou kunnen zijn waar wel naar zochten.

Er zijn nog zoveel gedachten die geen plek hebben gevonden in deze brief. Wie weet vinden ze nog hun weg in een volgende brief of in een andere tekst op deze website. Nu ben ik moe, ik doe het licht uit en verlaat mijn plek achter het bureau. Soms moet je eenvoudigweg doen wat je moet doen, daar is geen hoger waardensysteem voor nodig. Ik heb slaap, dus ga ik slapen. Zo eenvoudig kan het leven zijn.

het ga je goed!
jwl

1 november 2009

988

Enige tijd geleden heb ik mijn video's weggegooid, althans de video's die ik zelf had opgenomen. Twee vuilniszakken vol. Ik deed het zonder oplettendheid, want ik wilde niet dat ik bij elke video zou gaan twijfelen. Dus heb ik nu films en ander materiaal niet meer binnen handbereik waar ik vroeger zeer van onder de indruk was. Eén zo'n video bevatte opnames van werk van Samuel Beckett. Iedereen moest die toneelstukken zien van mij en als men mij vroeg wat mijn opvattingen over kunst waren, dan was deze band één van de voorbeelden die ik uit de kast haalde. Want meer dan een betoog houden over kunst, kun je beter tonen en laten horen. En wat zou beter een bepaalde vorm van eenvoud kunnen tonen dan juist deze drie werken van Beckett? Ik vond de opnames terug op YouTube.

29 oktober 2009

987

Het was een oude wens en in het nieuwe huis zou het uitkomen. Toch duurde het nog ruim een jaar, maar daar is het dan: een eigen plek waar ik in alle rust kan lezen en schrijven. De noodzaak voor zo'n plek was toegenomen en mijn vrouw leverde een waardevolle bijdrage door mij een bureau cadeau te doen op mijn verjaardag.

Daar staat het nu op de grote zolderetage, voor een raam met een uitzicht. Ik ben er blij mee, maar voordat ik er optimaal gebruik van kan maken, moet eerst al die administratieve achterstand weggewerkt worden. Op een plek waar ik dicht bij mezelf wil komen moet orde zijn. Het is tijd om overbodige ballast te verwijderen, ik wil keuzes maken en weer tot de kern komen. Dat zal nog niet meevallen.

Wanneer 's avonds laat het huis tot rust gekomen is, schuif ik achter mijn bureau en zie ik mijn spiegelbeeld in het raam verschijnen. Dat roept herinneringen op aan de tijden dat ik op mijn studentenkamer soms dagen achter mijn bureau zat te lezen, te studeren en brieven te schrijven. De alleenzaamheid van toen, de confrontatie met mezelf, de demonen. Ik vrees en verwelkom het allemaal, ik kan niet anders.

28 oktober 2009

986

Zo sta ik in de late avond buiten nog een sjekkie te roken. Het duister wordt spaarzaam verlicht door enkele lantaarns. In zo'n stilte komt een andere wereld tot leven. De zachte muziek van de bomen. De wolken die voorbijschuiven in het schijnsel van de maan. De zilvergrijze poes van de buren die me van een afstandje gadeslaat. Ik kijk naar het donkere silhouet van het huis waar ik nu meer dan een jaar woon. Hier kunnen we oud worden, zeiden we tegen elkaar. De gedachte stort in zonder geluid te maken, het verbrokkelt tot ruïne. Ik laat het vuur nog eenmaal gloeien, adem uit en gooi de peuk in een put. Verdoofd.

23 oktober 2009

985

Ik zou de stilte willen verbreken. Ik zou willen schrijven over wat mij vanbinnen verteert, maar ik ben geen schrijver. Misschien ooit als de diepste eenzaamheid mij geen andere keus meer laat, misschien dan. Ondertussen wacht ik, totdat in mijn gedachten weer ruimte ontstaat om te schrijven over alles wat mij dierbaar is. Ik hoop dat deze woorden al helpen om de drempel te kunnen nemen. Troostrijk zal het in ieder geval niet zijn.

20 oktober 2009

984

[ Helaas verloren gegaan. ]

2009

983

[ Helaas verloren gegaan. ]

2009

982

de eeuwige terugkeer (15)

Nietzsche was een wandelaar als hij zich lichamelijk goed voelde. Het liefste ging hij lopen in de vroege ochtend, als de schaduwen nog lang zijn. De ochtend is het mooiste moment van de dag, het volgt op de nacht. Wie 's avonds met raadsels blijft zitten ontdekt niet zelden dat de volgende ochtend de oplossingen zich als vanzelf aandienen. Dat moet je niet overstemmen met lezen en schrijven, dan kun je beter gaan wandelen en opmerken wat zich aandient.

Het wandel-motief komt voortdurend terug in Nietzsche's teksten. De titel van de tweede aanvulling bij Menschliches, Allzumenschliches heb ik al genoemd, Der Wanderer und sein Schatten. Of het de eerste maal is dat hij die titel noemt weet ik niet, maar in een aantekeningenboekje uit juli 1879 staat: De wandelaar en zijn schaduw. Een gezwets onderweg (N IV 1, juli 1879, 41[72]). Bij de tweede editie in 1886 schrijft Nietzsche een nieuw voorwoord, waarin hij terugblikt op het ontstaan van Menschliches, Allzumenschliches en het werk in een ontwikkeling probeert te plaatsen. In het volgende fragment zou men zich kunnen voorstellen dat Nietzsche, in gesprek met zichzelf, zijn gezelschap verzon om mee te wandelen.

– Zo heb ik dan op een keer, toen ik er behoefte aan had, ook de 'vrije geesten' verzonnen aan wie dit zwaarmoedige-moedige boek met de titel 'Menselijk, al te menselijk' is opgedragen: zulke 'vrije geesten' zijn er niet, waren er niet, – maar ik had ze destijds, zoals gezegd, als gezelschap nodig, om goedgeluimd te blijven onder slechte omstandigheden (ziekte, vereenzaming, buitenland, acedia, lediggang): als dappere kerels en spoken, met wie men keuvelt en lacht als men zin in keuvelen en lachen heeft en die men naar de duivel zendt als ze vervelend worden, – als een schadeloosstelling voor ontbrekende vrienden. Dat zulke vrije geesten ooit zouden kunnen bestaan, dat ons Europa onder zijn zonen van morgen en overmorgen zulke montere, vermetele kerels zal tellen, in levenden lijve en tastbaar, en niet, zoals in mijn geval, alleen als schaduwbeelden en schimmenspel van een kluizenaar: daar zou ik in de laatste plaats aan willen twijfelen. Ik zie hen reeds komen, langzaam, langzaam; en wie weet doe ik iets om hun komst te bespoedigen wanneer ik bij voorbaat beschrijf onder welk gesternte ik hen zie ontstaan, over welke ik hen zie komen? – –

Friedrich Nietzsche Menselijk, al te menselijk, 12-13

Het woord kluizenaar valt en wellicht zag Nietzsche zichzelf zo. Maar niet een kluizenaar die onthecht in zijn sobere kluis in een klooster zijn leven wijdt aan God, maar een wereldlijke kluizenaar die zich niet terugtrekt in een stenen gebouw, maar voor wie de wereld zijn klooster is. Hij wijdt zich aan het nabije leven, niet aan een God ergens ver weg, maar hij probeert illusies te ontmaskeren. Liever alleen dan slecht gepaard. Wie elke zomer uit zijn woonplaats weggaat, vlucht niet zozeer voor zichzelf als wel voor zijn omgang met anderen. (...) Je wordt reiziger, 'wandelaar' als je je nergens thuis voelt. Dus: het moderne klooster, (N IV 2, juni-juli 1879, 40[20]) schrijft hij in een aantekeningenboek. (Terzijde: Thomas Graftdijk vertaalt voor de Arbeiderspers Der Wanderer und sein Schatten als De reiziger en zijn schaduw wat volgens mij dus foutief is. Dit is aan de hand van het voorgaande citaat mooi te zien, aangezien Nietzsche hier Reisender naast Wanderer gebruikt, door Mark Wildschut vertaald in respectievelijk reiziger en wandelaar.) Het is niet de eerste keer dat hij over een modern klooster schrijft. Al in 1876 bracht hij het in verband met vrije geesten: Moderne kloosters – instellingen voor zulke vrije geesten – iets lichts bij onze grote vermogens. (N II 1, 1876, 16[45])

Wie als vrije geest zijn geld goed wil besteden, moet instituten oprichten in de trant van kloosters, om voor mensen die verder niets meer met de wereld te maken willen hebben een vriendschappelijk samenleven in de grootst mogelijke eenvoud mogelijk te maken.

U II 5b, zomer 1876, 17[50]

De wereld als klooster waarin mensen in eenvoud samenleven, niet om God te aanbidden, maar om het leven zelf te omarmen zoals het zich aandient. Wel, daar zie ik meteen een oplossing voor de milieuvraagstukken en de kredietcrisis in, wat ik u brom! Het kan ogenblikkelijk op mijn sympathie rekenen, al zal Nietzsche het wel niet zo bedoeld hebben, hij hoefde zich niet druk te maken over overconsumptie en milieuvervuiling. Toch komen sommige aantekeningen van hem verrassend actueel over, want terwijl ik de passages over het moderne klooster zocht, kwam ik de volgende aantekening tegen die zo van toepassing zou kunnen zijn op de deze tijd.

De moderne ziekte is: een overdaad aan ervaringen. Laat daarom iedereen tijdig bij zichzelf te rade gaan om zich niet in die ervaringen te verliezen.

U II 5b, zomer 1876, 17[51]

23 september 2009

981

de eeuwige terugkeer (14)

857. An Franz Overbeck in Basel (Postkarte)

<Wiesen, 15. Juni 1879>

(...)
Hr. Schmeitzner berichtet über einen abscheulichen Mißerfolg meines Hauptbuchs (M<enschliches> Allz<umenschliches>), nach der Ostermessen-Abrechnung. Es sind, statt 1000 Ex, wie er erwartet, nur 120 Ex. verkauft. (Er wird wohl daran zu Grunde gehen!)
(...)

KSB 5, 418

Menschliches, Allzumenschliches is niet de eerste publicatie van Nietzsche. Naast enkele kleinere publicaties gingen zijn hoofdwerken Die Geburt der Tragödie aus dem Geiste der Musik (1872) en Unzeitgemässe Betrachtungen (1873-1876) vooraf. De laatste bestaat uit vier delen en oorspronkelijk was materiaal uit Menschliches, Allzumenschliches bedoeld voor een volgend deel onder de titel Die Pflugschar of Die Freigeist. (Wie de nagelaten aantekeningen kent, weet dat Nietzsche een liefhebberij had in het verzinnen van titels en titelpagina's.) Dat het uiteindelijk een zelfstandig boek zou worden, was onvermijdelijk.

Naast de onvrede met zijn baan als filoloog aan de universiteit van Basel, begon hij ook steeds meer moeite te krijgen met zijn grote voorbeelden Arthur Schopenhauer en Richard Wagner. Met name het verlies van zijn grote vriend Wagner moet voor hem een ontnuchterende ervaring geweest zijn. De eerste Bayreuther Festspiele in 1876 waren cruciaal. In zijn autobiografische schets Ecce Homo (1889) schrijft Nietzsche:

De wortels van dit boek horen thuis in de weken van de eerste Bayreuther Festspiele; een diep gevoel van vreemdheid tegenover alles wat me daar omringde, is een van zijn ontstaansvoorwaarden. Wie er enige idee van heeft wat voor visioenen toen al mijn weg gekruist hadden, kan vermoeden hoe ik mij voelde toen ik op een dag in Bayreuth wakker werd. Net alsof ik droomde... Waar was ik toch? Ik herkende niets, ik herkende Wagner nauwelijks. Vergeefs bladerde ik in mijn herinneringen. Tribschen – een ver eiland der gelukzaligen: geen schaduw van enige gelijkenis. De onvergelijkelijke dagen van de eerstesteenlegging, het kleine, saamhorige gezelschap dat die kwam vieren en dat het niet aan gevoel voor fijne naunces ontbrak: geen schaduw van enige gelijkenis. Wat was er gebeurd? – Men had Wagner in het Duits vertaald. De wagneriaan was Wagner de baas geworden! – De Duitse kunst! de Duitse meester! het Duitse bier!... Wij anderen, die maar al te goed weten tot wat voor geraffineerde artiesten, tot wat voor kosmopolitisme op het gebied van smaak Wagners kunst zich uitsluitend richt, waren buiten onszelf toen we Wagner behangen met Duitse 'deugden' terugvonden. (...) Genoeg, ik reisde midden in de spelen voor een paar werken af, heel plotseling, ondanks het feit dat een charmante Parisienne mij probeerde te troosten; ik verontschuldigde me bij Wagner enkel met een fatalistisch telegram. In een diep in de bossen verscholen plaatsje in het Bohemerwoud, Klingenbrunn, droeg ik mijn melancholie en mijn verachting voor de Duitsers met mij om als een ziekte – en schreef van tijd tot tijd, onder de verzameltitel 'die Pflugschar', iets op in mijn zakboekje, louter harde pschychologische zinnen die misschien in Menschliches, Allzumenschliches nog zijn terug te vinden.

Friedrich Nietzsche Ecce Homo, 81-82

Nietzsche suggereert hier dat zijn teleurstelling in Bayreuth de basis vormde voor het schrijven van Menschliches, Allzumenschliches. Dat is een dramatisering achteraf. (Nietzsche schreef Ecce Homo in een tijd waarin zijn geestelijke gezondheid al achteruit ging, de laatste maanden van 1888.) Niet letterlijk waar, maar in de geest zal het wel kloppen. In werkelijkheid had Nietzsche in het voorjaar van 1876 al grote delen aan zijn vriend Peter Gast gedicteerd en hij zou er tot eind 1879 aan blijven werken.

Het schrijven aan Menschliches, Allzumenschliches was voor Nietzsche een schrijven naar vrijheid. Hij wilde zich al schrijvende losmaken van zijn grote voorbeelden. De waarheden die hij meende gevonden te hebben, bleken uitgevonden waarheden. In Bayreuth had Nietzsche achter de façade van Wagner kunnen kijken. Alhoewel Nietzsche de componist Wagner heimelijk zal blijven bewonderen, wil hij niets meer weten van die enge nationalistische en antisemitische omgeving waarin Wagner tot wagneriaan werd en genoot van de bewieroking die hem ten deel viel. Nietzsche zal zich ook gebruikt gevoeld hebben, zijn schrijven was voor Wagner filosofische propaganda ter meerdere glorie van hemzelf. Nietzsche wilde zijn eigen filosofische weg gaan, maar kon zich alleen op radicale wijze losmaken van de invloed van Wagner.

Toen Nietzsche in 1879 Basel verliet en in feite verder zou leven zonder woon- en verblijfplaats, had hij dat dus ondertussen ook in figuurlijke zin gedaan. We treffen in Wiessen een man aan die schepen achter zich verbrand heeft en lichamelijk voortdurend ziek is. Hoofdpijnen, braken en slechte ogen, doktoren adviseerden hem om niet te lezen of te schrijven, om in ieder geval de tijd daarvoor te minimaliseren. Door het publiceren van het eerste deel van Menschliches, Allzumenschliches had Nietzsche een vrijheid voor zichzelf gecreëerd, die tegelijkertijd een eenzame vrijheid was. Wagner had het boek doorgebladerd, zo lezen we in de dagboeken van zijn vrouw Cosima, om het vervolgens met weerzin weg te leggen en nooit meer in te kijken. Ook had Nietzsche zich vervreemd van andere vrienden en bewonderaars. Zijn grootste vriend uit zijn studententijd, Erwin Rohde, kon hem niet meer volgen en langzaam maar zeker verstomde het contact. In Rusland werd het boek zelfs verboden, de uitgever Schmeitzner liet dat in andere landen met een band om de boeken vermelden om de verkoop te verhogen.

Naast de inhoudelijke breuk met het verleden, was Nietzsche overgaan op een andere vorm van schrijven. Waren zijn eerdere boeken nog afgeronde betogen, lange teksten met een rode draad en een conclusie, in Menschliches, Allzumenschliches stapte hij over op een aforistische schrijfstijl. Het ligt voor de hand om dit in verband te brengen met zijn slechte ogen. Het was onverstandig voor Nietzsche om zijn ogen te vermoeien, dus zou hij daarom fragmentarisch gaan schrijven. Maar zijn ogen waren zeker niet de enige reden. Nietzsche beschikte niet meer over een alomvattende visie, hij was een zoekende geworden. Hij noteert op essayistische wijze zijn gedachten. Soms zijn dat meerdere alinea's, soms slechts enkele zinnen, splinters van gedachten. Er zit geen systeem in, fragmenten spreken elkaar tegen of de teksten overlappen elkaar. Het boek is een neerslag van gedachten die hij tijdens zijn wandelingen in zijn denklaboratorium heeft uitgedacht. Het zal zeker geen toeval zijn, gezien zijn afkeer van Bayreuth en alles wat Duits-nationalistisch was in die tijd, dat hij daarbij aansloot bij Franse schrijvers (Wagner had een hekel aan alles wat Frans was). Nietzsche was een lezer van Montaigne en noemt ook de namen van La Rochefoucauld, La Bruyère, Fontenelle, Vauvenargues en Chamfort. Het eerste deel werd aan Voltaire opgedragen: Dem Andenken Voltaire's geweiht zur Gedächtniss-Feier seines Todestages, den 30. Mai 1778. De essayistische en aforistische stijl zal Nietzsche niet meer opgeven. Had Nietzsche nu geleefd, hij zou een weblog bijgehouden hebben.

Het eerste deel van Menschliches, Allzumenschliches verscheen in april 1878. De eerste aanvulling Vermischte Meinungen und Sprüche verscheen in maart 1879, dus nog voordat Nietzsche ontslag nam. De tweede aanvulling Der Wanderer und sein Schatten zal in december 1879 verschijnen. In 1886 werden het eerste deel en de aanvullingen samengebracht in één band, waarbij de aanvullingen het tweede deel werden genoemd.

18 september 2009

980

Gisteren heeft iemand zich op klaarlichte dag in het hart van Utrecht van de Domtoren geworpen. Een theatrale daad, ongetwijfeld zelfdoding, waarvan vele mensen op deze toeristische plek (het Domplein kent veel terrasjes) getuige waren en de ervaring waarschijnlijk hun leven lang niet meer kwijt raken. Een buitengewone ingrijpende gebeurtenis voor omstanders, de psychische hulpverlening zal overuren gedraaid hebben. Tenminste dat mag ik hopen, want ik kan nog niet geloven dat iedereen dermate afgestompt is door alle gruwelijke beelden die dagelijks op televisie en internet te consumeren zijn en dat ze het alleen maar zullen gebruiken als een sensationeel verhaal voor op feesten en partijen.

Maar ik ben wel geschokt door reacties van mensen die er niet bij waren, mensen die boos zijn op die persoon die zelfmoord pleegde. Waarom moest hij dat nou doen op zo'n tijdstip en op zo'n plek? Kon dat nou niet ergens anders? Beseft hij dan niet wat hij de mensen aandoet? Natuurlijk, ik besef heel goed dat het een enorme impact heeft om iemand zo te zien sterven, twijfelt u daar niet aan, maar ik kan ook niet voorbijgaan aan de tragiek die de zelfdoder tot deze sprong heeft gebracht. Ik ken de achtergrond van deze man niet, maar er is toch niet heel veel empathisch vermogen nodig om je te realiseren dat iemand niet zomaar tot zo'n daad overgaat? Hoeveel ellende moet een mens in zijn leven niet meegemaakt hebben, hoe diep moet iemand niet gevallen zijn om tot zo'n laatste val over te gaan. Of, denkend aan het boek van Jeroen Brouwers, aan hoeveel deuren zal iemand niet geklopt hebben om uiteindelijk door de laatste deur zijn psychische nood het zwijgen op te leggen?

We zullen het leven niet beter leren begrijpen door alleen maar begaan te zijn met de slachtoffers van andermans daden, hoe belangrijk dat ook is. Nee, het maakt het leven vele malen inzichtelijker om ook oog te hebben voor het verhaal van daders, zeker als het om zo'n afschuwelijke wanhoopsdaad gaat als zelfdoding. Dan zou ik willen weten wat het leven was van zo iemand. Wat bracht hem tot deze laatste deur? Wat ging er mis in zijn leven? Ik zou dat willen weten terwijl ik niet eens getuige was van zijn daad.

17 september 2009

979

Hij keek me verwonderd aan. Was ik zojuist niet tegen zijn geloofsovertuiging ingegaan? Had ik daarnet niet beweerd dat alle pogingen tot zingeving illusies zijn? Ik had al enige tijd ergernis in zijn houding opgemerkt en daarom had ik na een gespannen stilte maar gezegd, dat ik desondanks een geloofsovertuiging heel nuttig vond. Immers, beweren dat het leven zinloos is, is één ding, maar die zinloosheid tot in alle uithoeken van je leven ervaren is totaal wat anders. Wie zou het besef aankunnen dat alles tevergeefs is, geen enkel doel dient en dat wijzelf niet meer zijn dan een zucht in de eeuwigheid ... en misschien zelfs dat niet? Natuurlijk, het zou best kunnen dat er wel degelijk een zin is, alleen missen we een antenne om die zin op te vangen en te herkennen, laat staan om daar absolute zekerheid over te verkrijgen. In ieder geval zijn de meningen en overtuigingen daarover zeer verdeeld. Echter, het maken van illusies is zeer nuttig voor onze geestelijke gezondheid. Daarom, uit liefde voor onze naasten en onszelf, ja, voor het leven zelf: laten we illusies scheppen, ze weliswaar doorzien, maar ze niettemin willen. Laten we instemmen met de misleiding en het bedriegelijke van wat we waarheid noemen. Er was weer een stilte gevallen en toen hadden we de fles wijn maar geleegd.

Enkele weken later moest ik aan dit gesprek terugdenken. Mijn ouders waren op bezoek geweest bij een oom die leed aan ALS (Amyotrofe laterale sclerose). Hij wist dat hij ging sterven en dacht na over na de dood. Omdat mijn moeder gelovig is, wilde hij graag weten wat haar ideeën waren over een leven na de dood. Mijn moeder vertelde me over dit gesprek en sindsdien denk ik er wel eens over na wat ik geantwoord zou hebben? Wat zeg ik tegen iemand die in een rolstoel zit, nauwelijks zonder beademing kan en de dood in de ogen kijkt? Natuurlijk iets geruststellends en wellicht zou ik begonnen zijn over al die bijna-dood-ervaringen waar ik wel eens over gelezen had. Over die tunnel en het witte licht waar aan het einde de reeds overleden dierbaren je zouden staan opwachten. Ik zou illusies scheppen, ik zou een mooi verhaal creëren, wat zou ik anders kunnen? Vertellen dat ik niet overtuigd ben dat de mens meer is dan een lichaam? Dat datgene wat we ziel of geest noemen, waarschijnlijk slechts een functie van onze hersenen is en dat als het lichaam stopt met leven ook onze voorstellingen van ziel en geest verdwijnen als sneeuw voor de zon? Dat kunnen we toch niet werkelijk denken? Laat staan dat het geruststellend is? Of toch wel?

Ik weet het niet.

11 september 2009

978

de eeuwige terugkeer (13)

Een aantal jaren geleden begon ik aan een reeks, de eeuwige terugkeer genaamd, waarbij ik in de voetsporen van Nietzsche wilde treden. Vanaf zijn ontslag van de universiteit van Basel in mei 1879 (zie 580) zou ik hem volgen tot aan zijn ineenstorting in januari 1889. Tien jaren, waarin hij bijna al zijn hoofdwerken schreef, tien jaren waarin hij voortdurend heen en weer reisde op zoek naar een plek waar hij zich thuis zou voelen en waar de beste omstandigheden waren voor zijn gezondheid. Ik wilde met Nietzsche oplopen in de bergen, ik wilde met hem reizen in de trein, over zijn schouder kijken bij het schrijven. Het moest een persoonlijk verhaal worden. Ik zou beginnen en wel zien waar het naartoe leidde. Natuurlijk zou het in het begin wat onwennig zijn, maar ik zou mijn stijl onderweg wel vinden. Ik ben geen Nietzsche-specialist, laat staan een academisch geschoold filosoof, de kans op het schrijven van onzin is altijd aanwezig. Daarom: het is geen studie van Nietzsche, maar een wandeling waarbij ik Nietzsche vragen stel, wat mijmer en zo nu en dan pogingen tot begrip doe.

Het was een prachtig plan, maar in de praktijk was het moeilijk uitvoerbaar. Werk en gezin liepen een geconcentreerd werken aan dit project in de weg. Tijd om op zolder achter de pc plaats te nemen was er niet. Bovendien stonden mijn Nietzsche-boeken weer elders, want op zolder was daar geen ruimte voor. Ondertussen is dat niet veel beter, maar nu beschik ik over een laptop en kan ik op een zeldzame lege avond wellicht de draad weer oppakken.

Waar had ik Nietzsche achtergelaten? Na het nemen van ontslag had ik hem gevolgd tot 8 juni 1879 (zie 780). Hij verbleef toen in Wiesen (Zwitserland) en voelde zich beroerd. De zin die hij aan zijn zus Elisabeth schreef is bijna programmatisch voor de rest van de jaren die komen: Schmerz, Einsamkeit, Spaziergehen, schlechtes Wetter - das ist mein Kreislauf.

In Basel was ondertussen zijn ontslag geaccepteerd en werd hem een uitkering in het vooruitzicht gesteld. Nietzsche beschikte sinds zijn ontslag niet meer over inkomsten. In Naumburg werd bij een bankier nog een erfenis beheerd waar hij uit kon putten, maar dat zou niet genoeg zijn geweest. De beslissingen in Basel maakten dat Nietzsche kon beschikken over voldoende inkomsten, niet veel voor die tijd, maar genoeg voor Nietzsche die er een bescheiden levensstijl op nahield.

R. Falkner an Nietzsche, 14. Juni 1879: "Der Regierungsrath des Kantons Baselstadt ertheilt nach Antrag des Erziehungsdepartements dem seit Ostern 1869 an der Universität und am Pädagogium als Professor der griechischen Sprache und Litteratur angestellten Herrn Dr. ph. Fr. Nietzsche die von demselben aus Gesundheitsrücksichten nachgesuchte Entlassung auf Ende des laufenden Monats, bezeugt demselben für die ausgezeichnete Art, womit er seines Amtes gewaltet, den aufrichtigen Dank der Behörde, und bewilligt ihm für die nächsten sechs Jahren einen Ruhegehalt von eintausend Franken im Jahr. Der Präsident des Regierungsrath R. Falkner" [KGB, II, 6, 2, Nr. 1198, S. 1118]

Chronik, 454

Naast deze uitkering kon Nietzsche rekenen op nog eens duizend Franken uit het Heusler-fonds. Een maand later kan zijn vriend Overbeck melden, dat ook het Academisch Genootschap hem zes jaar lang 1000 Franken zal uitkeren. We mogen deze instanties wel dankbaar zijn, want zij maakten het mogelijk dat Nietzsche de komende jaren zonder noemenswaardige geldzorgen kon schrijven en reizen. Overigens hebben ze zich nooit aan die zes jaren gehouden: in 1889 ontving Nietzsche deze uitkeringen nog steeds.

Op 18 juni 1879 schrijft Elisabeth en haar broer uit uit de burgerlijke stand van Basel. Vanaf dat moment zal Nietzsche in zijn bewuste leven geen vast woonplaats meer hebben. Maar ook in zijn denken zijn de vertrouwde woonplaatsen ondertussen verlaten.

9 september 2009

977

Afgelopen zaterdag zag ik in het NRC met voldoening dat Bas Heijne weer terug was. Zijn tweewekelijkse column lees ik altijd met veel plezier en interesse. Altijd prikkelend, altijd in staat om tot een samenhangende visie te komen en voldoende eigenzinnig, zodat hij met zijn beschouwingen mij weer aan het denken zet. Mocht dat al niet genoeg zijn, hij weet het ook nog eens scherp en treffend te verwoorden.

Zijn eerste column na de verkantie ademt een sfeer van iemand die terugkomt uit een ander land en zich verbaasd over zijn vaderland. Dat er weer niets veranderd is, dat het maar voortmoddert hier. Maar zijn ingehouden boosheid maakt mij aan het lachen en zijn passage over Geert Wilders is mij uit het hart gegrepen.

Dat Geert Wilders een paar zetels zakte in de peilingen werd geweten aan de mediastilte tijdens het politieke reces, dat Geert Wilders er weer zetels bij kreeg dankte Geert Wilders juist aan zijn voorstel om uit te rekenen wat allochtonen kosten en aan zijn besluit om maar in twee gemeenten mee te doen met de verkiezingen van volgend jaar – wat in de media aanvankelijk briljant gevonden werd en toen juist weer heel dom. Het resultaat is niet dat je een beter begrip krijgt van het fenomeen Geert Wilders, het resultaat is dat je meer dan genoeg krijgt van het fenomeen Geert Wilders.

Welkom terug Bas, en niet alleen om dit fragment. Je oneliner Het gaat allang niet meer om de stem van het volk, maar om de stemmingen van het volk zal ik zeker nog vaak citeren. En bij de volgende passages heb ik instemmend zitten knikken. Gelukkig hoef ik niet beroepsmatig televisie te kijken in dit kneuterige landje waar alleen stompzinnigheid de mensen in beweging lijkt te krijgen.

Misschien dat twee weken Griekenland een gevaarlijk soort relativisme in mij hebben losgemaakt. Maar neem de opiniepagina's van de kranten van de afgelopen maanden door of kijk een uurtje televisie, en je weet het zeker: alle energie gaat in Nederland in het debat zitten. Iedere nieuwe kwestie wordt als een vette kluif in de arena van de publieke arena gegooid en er wordt gevochten – niet totdat iemand er met het bot vandoor gaat, maar tot het volkomen kaal gevreten is. Dan is het tijd voor een nieuw bot.
(...)
Ik ken geen ander land waarin het maatschappelijke – en het politieke – zo sterk tot een vorm van impressionisme is geworden. In andere landen wordt over sport gepraat in sportprogramma's, over mode in modeprogramma's, over Paris Hilton in Paris Hilton-programma's – en over politiek in politieke programma's. Iedereen staat het vrij in die onderwerpen geïnteresseerd te zijn, of niet. Maar er is onderscheid, of, zoals je wilt, hiërarchie. In Nederlandse praatprogramma's lult iedereen over alles. De voetbalcommentator roert zich over Ramadan, de politicus oordeelt over de moeder van Jan Smit, de grenzen vervagen, alles heeft evenveel waarde. Tekenend is dat de voormalige zanger van BZN, Jan Keizer, het presentatieduo Knevel en Van den Brink aan hun verstand moest brengen dat de Nationale Kwestie van Jan en Yolanthe een doodgewone verkering was.

8 september 2009

976

Kijk, zo kom ik aan de titels van boeken die ik wil lezen. Ik lees een bespreking door Guus Middag van een nieuw boek met de correspondentie van Van Oorschot en Vasalis in Boeken van het NRC. Al vanaf het begin heb ik het idee dat die correspondentie me zou kunnen boeien en langzaam maar zeker komt de overtuiging dat ik het boek niet moet vergeten. Dan lees ik het volgende ...

'Schrijf mij zo af en toe, al zijn het maar een paar regels. Ze helpen mij de baas te blijven over de telkens weer opstekende moedeloosheid', schrijft hij [Van Oorschot] in 1985. En zij weet hem steeds te troosten en te kalmeren. Dit is zo'n antwoord: 'Wat je zorgen & verdriet betreft – ik denk altijd dat niemand daarvoor gevrijwaard blijft zolang hij nog van iets of iemand houdt.'

... en dan weet ik: dit boek moet ik hebben en lezen.

7 september 2009

975

Ik was net op tijd bij de koffieautomaat, hij wilde hem net openen om hem schoon te maken. Terwijl de espresso mijn mok vulde, bukte hij voorover om de foto op de mok te bekijken. Is dat je vrouw? vroeg hij met een typisch Caraïbisch coloriet in zijn stem. Ik knikte. Zooo, dat is een mooie vrouw! Ik glimlachte en legde uit dat ik geen foto op mijn bureau wilde en dat ze me toen deze mok met een foto van onze trouwdag cadeau had gedaan. De foto is al bijna dertien jaar oud. Zo heb je haar altijd bij je. Nou, zei ik, dat is waar, maar daar heb ik echt geen foto voor nodig hoor! Ik nam een flinke slok hete koffie. Hij lachte. Gelukkig maar!

28 augustus 2009

974

Brieven naar Brugge (5)

wat voorafging

Bunnik, 20 augustus 2009

Waarde Pascal,

Onlangs wandelde ik weer door het bos Amelisweerd. Het is onderdeel van een oud landgoed dat tussen Utrecht en Bunnik ligt. Samen met het landgoed Rhijnauwen en de loop van de Kromme Rijn vormt het een prachtig natuurgebied. Ik prijs me gelukkig dat dit voor mij om de hoek ligt, het is mooi uitstapje met de kinderen, ik kan er zo naartoe lopen. In het weekend is het er vaak druk als het mooi weer is. Velen komen van ver om er te wandelen of te fietsen.

Het landgoed Amelisweerd kent een historie die terug gaat tot in de Middeleeuwen. Toen lag het nog ver buiten de muren van Utrecht, tegenwoordig heeft de stad het voor een deel geannexeerd. Wanneer ik door het bos loop kan ik de ruis van de snelwegen horen. Toen de A27 begin jaren tachtig door het westelijk deel van Amelisweerd werd aangelegd was er zeer heftig verzet van veel mensen. Ik was toen vijftien jaar, maar ik herinner me nog hoe het leefde in Nederland. Ik kan het gemopper van mijn vader op die natuurfanaten nog horen. Milieuactivisten waren voor hem links, werkschuw en ondankbaar tuig die teerden op zijn zuurverdiende belastingcentjes en die op deze wijze de vooruitgang tegenhielden, onze welvaart kapot maakten, iets waar sinds de oorlog zo hard voor gewerkt was. Mijn vader hoefde zich geen zorgen te maken. Met door de overheid gecontroleerd geweld werden de actievoerders weggehaald, de bomen gekapt en de A27 aangelegd. Nu zeventwintig jaar later maak ik geregeld gebruik van die snelweg om – als er geen file staat – met de auto snel van A naar B te komen. Maar wanneer ik door het bos wandel betreur ik het dat mensen zoiets moois offeren voor wat zij welvaart noemen. Dan vraag ik me af of ik bereid zou zijn om welvaart in de leveren om de wereld weer schoner en leefbaarder te maken. En (ad absurdum) zou er ooit een tijd komen dat mensen besluiten dat het genoeg geweest is, dat ze snelwegen zouden afbreken om de natuur weer ruimte te geven? Zou er ooit een generatie komen die welzijn en leefbaarheid belangrijker vinden dan welvaart en een groeiende economie?

IJdele hoop, vrees ik. Vorig jaar werden er plannen gepresenteerd om een nieuwe snelweg aan te leggen. De A27 die de A28 met de A12 verbindt is niet genoeg gebleken, nog steeds staan er dagelijks files op deze wegen, wordt de doorstroming gehinderd, slibt alles dicht. Eén van de plannen is om een snelweg aan te leggen langs Bunnik en het landgoed Rhijnauwen, dwars door de Kromme Rijnstreek. Dat het een uniek natuurgebied is doet niet ter zake. Dat er vele mensen recreëren in dit gebied is van onderschikt belang. Dat er belangrijke culturele plekken zijn, zoals het negentiende eeuwse fort Rhijnauwen, daar ligt de minister van verkeer niet wakker van. Men pakt een landkaart en een lineaal en men trekt een streep. Het is goed voor de economie en wat goed is voor de economie, dat is goed voor ons. Het is niet zeker dat deze plannen doorgaan en natuurlijk wordt er geprotesteerd. Er zijn alternatieven en het gerucht gaat dat deze plannen een politieke afleidingsmanoeuvre zijn om de plannen elders doorgang te laten vinden. Schaamteloos zou men dan dit plan gemaakt hebben, omdat men weet dat dit plan op veel verzet zal stuiten, zodat men uiteindelijk kan zeggen: ok, dan niet daar, maar dan doen we het op een andere plek (en dat is natuurlijk de plek die men wilde). Het publiek zal dan tevreden zijn en zich niet meer afvragen of een nieuwe snelweg überhaupt wenselijk is, waar dan ook. De economie kan voortdenderen en wij kunnen gelaten genieten van de welvaart die het ons brengt en ook nog wandelen in het bos Amelisweerd waar niet alleen de bomen ruisen.

Economische vooruitgaan (of: economische voortgang) speelt in onze tijd net zo'n rol als godsdienst in de Middeleeuwen. Was de blik van de middeleeuwer gericht op god en het hiernamaals (memento mori), tegenwoordig staat het leven in dienst van economische voorspoed. We moeten werken, produceren en consumeren, voorwaar een heilige drieeenheid. En de genade van het consumeren geeft ons een prettig gevoel, lang leve de dopamine. Maar we verwachten de beloning niet meer in een hiernamaals, nee de beloning moet ons nog tijdens het leven toevallen. Nog meer vliegvakanties, nog meer auto's, nog meer gadgets.

Met de secularisatie, met de dood van God, is veel verdwenen wat van waarde was. Het is alsof we God de kostbaarheden hebben meegegeven in Zijn graf. Nietzsche vroeg zich het al af in zijn beroemde aforisme van de dwaas: wat hebben we gedaan toen we de zon van deze aarde loskoppelden? Er is geen boven of onder meer, we zweven maar wat rond in de oneindige ruimte. De vraag is of mensen zoveel ruimte aankunnen. Ik denk het niet gezien de hang naar verdovingsmiddelen, antidepressiva, zenmeditatie, porno en de virtuele wereld. Moeten we niet zelf goden worden als we de ware wereld afschaffen, vroeg Nietzsche zich af. Een terugweg is niet mogelijk, we zullen over onze eigen schaduw moeten springen willen we deze aarde niet langzaam maar zeker verwoesten.

Soms schrik ik van de woorden die op het beeldscherm verschijnen. Ben ik werkelijk zo somber? Wordt de kijk op de wereld niet ook ernstig beïnvloed door het eigen leven? Projecteren we onze eigen ellende niet te gemakkelijk op de wereld? Maakt het feit dat ik in de Randstad leef, dat ik dagelijks het beton en asfalt zie, dat ik dagelijks de afwezigheid van wezenlijke omgangsvormen mis in het openbaar vervoer, dat ik dagelijks de herrie, de stank, de lelijkheid ervaar – maakt dat verschil? Zou iemand in een dorpje op het platteland niet veel gemakkelijker gemoedsrust vinden, omdat zijn omgeving vriendelijker is? Ik denk van wel.

De biotoop van de mens in de eenentwingste eeuw is de stad. De chaos en zelfdestructie van het leven in de steeds groter groeiende steden leidt weliswaar bij sensitieve mensen tot creativiteit en nieuwe ideeën, tot kunst, literatuur en filosofie, maar je bent als intellectueel in deze tijd als der tolle Mensch van Nietzsche: iemand die am hellen Vormittage eine Laterne anzündete, auf den Markt lief und unaufhörlich schrie: 'Ich suche Gott! Ich suche Gott!' De dwaas oogstte bij Nietzsche op de markt nog smalend gelach. De markt is internet geworden en de mensen lachen je niet eens meer uit, nee veel erger: men haalt zijn schouders op, negeert en surft verder.

je compaan in de dwaasheid,
jwl

26 augustus 2009

973

Ik zit in een verhaal... Of: het verhaal zit in mij. Het is een moeras dat me naar beneden zuigt. Ik mag niet spartelen, want hoe meer ik beweeg hoe sterker ik naar beneden gezogen word. Ik moet rustig blijven. En kalm. Begripvol en liefdevol. Geduld. Hier gelden geen wetten van Newton of de regels van de logica. In dit verhaal tellen de witregels.

24 augustus 2009

972

Jaagpad

voor B.C.


Aan de water-
kant

voorover

toegespitst
op het gedobber van
de tijd, zijn eenzaamheid
stond op oneindig

het opgeschrikte
hield hij roerloos in het riet
voor zich

een veeg gevoel
van opwinding dat even
in het water hem
bewoog: hij slikte het
onzegbaar in

Roland Jooris De contouren van het verstrijken, 29

7 augustus 2009

971

Toen ik vanochtend mijn ogen opende, was zij er niet. Beneden zag ik dat zij de nacht had doorgebracht in de tuin. Dat was altijd al een wens van haar, een nacht slapend doorbrengen in de open lucht. Het was er warm en droog genoeg voor geweest. Terwijl ik de boterhammen voor de dag smeerde en koffie zette, werd ze wakker. Ze kwam met een grote glimlach binnen.

In de carport zag ik een grote rode kater zitten. Ze keek gebiologeert naar een dode rat, wellicht hoopte ze nog dat deze in beweging zou komen. Nu begreep ik waarom er zoveel poezen door onze tuin waren gegaan terwijl ik mijn ontbijt had gegeten. De plaatselijke club had waarschijnlijk een feestelijke nacht gehad.

7 augustus 2009

970

Pierre-Auguste Cot (1837-1883)
Ophelia (1870)

Ik keek naar de film Hamlet van Franco Zeffirelli en was opnieuw onder de indruk van de waanzin van Ophelia zoals gespeeld door Helena Bonham Carter. Ik zocht op internet naar schilderijen met Ophelia als onderwerp en kwam een mij onbekende schilder tegen, Pierre-Auguste Cot. Wie naar het schilderij van Cot kijkt, kan zich afvragen waar het licht vandaan komt. Aan de kleding is te zien dat het van links komt, maar bijna lijkt het boek Ophelia te belichten. Lezen verlicht de mens, nietwaar? En wat zou ze lezen? Hamlet?

To be or not to be, that is the question;
Whether 'tis nobler in the mind to suffer
The slings and arrows of outrageous fortune,
Or to take arms against a sea of troubles,
And by opposing, end them. To die, to sleep;
No more; and by a sleep to say we end
The heart-ache and the thousand natural shocks
That flesh is heir to – 'tis a consummation
Devoutly to be wish'd. To die, to sleep;
To sleep, perchance to dream. Ay, there's the rub,
For in that sleep of death what dreams may come,
When we have shuffled off this mortal coil,
Must give us pause. There's the respect
That makes calamity of so long life,
For who would bear the whips and scorns of time,
Th'oppressor's wrong, the proud man's contumely,
The pangs of despised love, the law's delay,
The insolence of office, and the spurns
That patient merit of th'unworthy takes,
When he himself might his quietus make
With a bare bodkin? who would fardels bear,
To grunt and sweat under a weary life,
But that the dread of something after death,
The undiscovered country from whose bourn
No traveller returns, puzzles the will,
And makes us rather bear those ills we have
Than fly to others that we know not of?
Thus conscience does make cowards of us all,
And thus the native hue of resolution
Is sicklied o'er with the pale cast of thought,
And enterprises of great pitch and moment
With this regard their currents turn awry,
And lose the name of action.
Soft you now! The fair Ophelia! Nymph,
in thy orisons be all my sins remember'd.

5 augustus 2009

969

Een buitengewoon intense ervaring. Ik had mijn favoriete fragmenten uit de film Mauvais Sang bekeken, fragmenten uit het hart van de film, de samenspraak tussen Anna (Juliette Binoche) en Alex (Denis Lavant) (Ergens liggen nog aantekeningen voor een compositie Anna & Alex). Het is een gesprek aan het einde van een snikhete zomeravond in Parijs, de nacht is al gevallen. Het was lang geleden dat ik deze prachtige beelden zag (nog steeds word ik verliefd op Anna/Juliette Binoche) en ik werd er melancholisch van.

Toen ik later in mijn bed lag, gebeurde er iets vreemds. Ik ging terug in de tijd, naar de tijd dat ik deze film voor de eerste keer gezien moet hebben. Het was alsof de tijd in mijn geheugen een wormgat vormde, zo dichtbij voelden de herinneringen die ik ineens had, alsof de twintig jaren werden versmald tot eergisteren. Het verlangen terug te gaan naar die tijd werd zo intens dat ik er bijna bang van werd. Mijn studentenkamer verscheen zo helder voor mijn geestesoog, dat ik niet verbaasd zou zijn geweest, wanneer ik bij het openen van mijn ogen daadwerkelijk daar zou zijn. Tegeliljkertijd begreep ik wat er gebeurde. De emoties die ik de laatste tijd ervaar heb ik ooit eerder ervaren en maakten deze reis in de tijd en ruimte mogelijk.

De afgelopen dagen heb ik verwoed gebladerd in de dagboeken uit die tijd. Wanneer zag ik deze film voor de eeste maal en wat heb ik erover geschreven? Ik kan niets vinden tussen mijn adolescente geneuzel. Wel over films die ik allang vergeten ben, maar niet deze film, een film die ik toen in korte tijd vier- of vijfmaal ben gaan kijken met steeds een andere metgezel. Ik kan het niet geloven, nog steeds wil ik zoeken, ik moet toch ergens ... Niets.

De laatste bladzijde van de lucide droomwereld van het Boek der rusteloosheid is omgeslagen. Gisteravond verscheen er een regenboog voor onze huiskamer met kleuren die ik nog nooit zo helder had gezien.

31 juli 2009

968

De wind was koud. Misschien had ik een jas aan moeten trekken, maar ik had geen zin om weer terug te gaan. Misschien wilde ik juist de kou voelen, zodat ik mijn eigen wanhoop minder zou voelen. Sommige mensen gaan wandelen in de natuur om een en ander op een rijtje te krijgen, zoals ze dat zeggen. Ik vluchtte.

De zon verdween in het westen en de wolkenmassa's kwamen op de wind uit het zuidwesten aanzeilen, een prachtig gezicht! In de bocht lagen een aantal schepen voor anker, zo nu en dan zag ik iemand op een dek wat rommelen.

Het geklots van de golven tegen de voet van de dijk. Het spel van licht en donker op de golvende oppervlakte van de Waddenzee. Hier en daar een eenzame vogel op zoek naar voedsel. Ik moest denken aan een fragment van Nietzsche: mensen zijn zo graag in de natuur omdat deze geen mening over ons heeft.

De wolken, de zee, de vogels, ze spreken geen oordeel uit, ze willen niets van mij, ze hebben geen verwachtingen. Ze komen slechts voorbij, ze gaan hun weg in tijd en ruimte. Ze gaan hun vanzelfsprekende weg, er wordt niets geforceerd. Zo is het altijd gegaan, zo zal het altijd gaan, ook als ik daar niet meer zit op dat bankje.

Bijna wilde ik niet meer opstaan, ik stelde het moment steeds uit, om langzaam maar zeker een onderdeel te worden van dat eeuwige voortgaan. Maar ik voelde de kou en ik wist dat ik nog een rol te spelen had. Na de vlucht komt de terugkeer naar daar waar ik hoor, naar daar waar ik thuis wil zijn. Ik nam de wolken, het water en de vogels mee. Niet oordelen, niet forceren, het zal allemaal goed komen.

28 juli 2009

967

Brieven naar Brugge (4)

wat voorafging

Bunnik, 29 juni 2009

Waarde Pascal,

Er is nog een leven buiten het webloggen en dat leven overspoelt mij de laatste tijd zodanig, dat het me moeite kost om me bezig te houden met de problematiek van intellectuelen en de discussie over vorm en inhoud. Toch wil ik je schrijven, mijn gedachten ordenen. Je moet me maar vergeven dat ik daarbij gebruik maak van verhalen die zolangzamerhand tot mijn persoonlijke canon beginnen te horen. Ik heb ze al zo vaak verteld, ook op deze weblog en wellicht ook bij mijn bezoek aan Brugge. Ik vlieg dus op de automatische piloot ditmaal, gebruik makend van oude stokpaardjes. Want dat is wat ik graag doe: ideeën, gevoelens, gedachten benaderen met verhalen. Abstracte, filosofische gedachtengangen gaan mij niet goed af, ik ben niet in staat een sluitend betoog te houden en als ik heel eerlijk mag zijn: ik doe ook maar wat, ik heb geen strategie, ik heb geen duidelijk vooropgesteld doel voor ogen. Het is als met improviseren aan de piano. Ik ga zitten, plaats mijn handen op de toetsen en daar gaan ze, alsof ze een eigen leven leiden. Natuurlijk maken ze gebruik van ervaring, van de muziek die ik ooit eerder gespeeld of geïmproviseerd heb. Zolangzamerhand beginnen al mijn muzikale spinsels op elkaar te lijken, maar soms dient er zich iets nieuws aan.

Het eerste stokpaardje dat ik vaak berijd is een verhaal afkomstig uit de traditie van het zen-boeddhisme. Een professor bezoekt een zen-leraar, hij wil meer te weten komen over zen. De zen-leraar biedt hem een kop thee aan, maar terwijl hij de thee inschenkt, blijft hij maar schenken. De professor keek toe hoe het kopje overliep tot hij zich niet langer kon inhouden. 'Het is allang vol. Er kan niets meer bij!' 'Net als deze kop,' zei Nan-in, 'bent u vol van uw eigen opvattingen en bespiegelingen. Hoe kan ik u bijbrengen wat zen is als u niet eerst uw kop leegmaakt?'

Het is een prachtige anecdote, omdat het in een paar zinnen zoveel zegt over een westerse wetenschappelijke en een oosterse religieuze houding. De eerste keer dat ik het verhaal las, was in de tijd dat ik me losmaakte van mijn christelijke achtergrond, de tijd van mijn studie. Het was de tijd dat ik wilde zijn als die zen-leraar, maar tegelijkertijd was ik een spons die alles in zich op wilde nemen: literatuur, muziek, film, filosofie enz. enz.

Ondertussen lees ik het verhaal geheel anders. Nu stoort me de anti-intellectualistische houding van de zen-leraar. Met het verzamelen van kennis zul je nooit het leven doorgronden, pas als je zen beoefent en verlichting realiseert zul je het begrijpen. De zen-leraar lijkt te suggereren dat de professor dezelfde wens heeft als hij, maar de professor wil alleen een levenshouding doorgronden en niet noodzakerlijkerwijs het leven zelf. De handeling van het doorschenken en de uitleg ervan symboliseert niet de vermeende wijsheid van de zen-leraar, maar de kloof tussen twee verschillende manieren van kijken naar het leven.

De zen-leraar lijdt aan het leven en zoekt verlichting in onthechting en non-dualiteit, in het vertrouwen dat er eenheid schuilt achter de tastbare werkelijkheid. Niet gehinderd door de sluipwegen van zijn ego meent hij de ware wereld te ervaren. Nu kan hij pas echt proeven, ruiken, luisteren, zien en smaken. Wat een zen-boeddhistische gelukzaligheid!

De professor is geïntrigeerd door het leven zoals het in al zijn ellende en schoonheid aandient. Hij wil juist door zijn persoonlijkheid heen ruiken, proeven, zien, luisteren en voelen, niet omdat dat 'het leven' zou zijn, maar 'zijn leven'! Hij lijdt alleen niet onder het leven, hij glimlacht erom omdat er zoveel te ontdekken valt, en daar is het lijden slechts één onderdeel van, een onderdeel van het mysterie dat het leven ook is. Geen gelukzaligheid, maar leven met de imperfecties, want dat hoort bij het leven. Zijn persoonlijkheid geeft kleur, smaak enz. aan dit voortmodderen. Het is een intellectualistische houding.

Er zit nog iets in dit verhaal, namelijk de flauwiteit van het doorschenken van de thee. Iedereen weet dat er maar een bepaalde hoeveelheid thee in het kopje kan en iedereen weet dat je altijd wat ruimte moet overlaten aan de bovenkant om het kopje zonder knoeien te kunnen oppakken, naar de mond brengen en te genieten. Als het kopje het leven is, de thee de kennis die je denkt te vergaren, dan moet er altijd nog ruimte overblijven voor het mysterie. Maar je zou ook kunnen zeggen, dat het kopje de vorm is, de thee de inhoud en die ruimte het mysterie dat kunst tot kunst maakt. Zo heb ik dan tijdens mijn improvisatie de modulatie gevonden om naar het volgende verhaal te gaan.

Tijdens mijn studie muziekwetenschappen heb ik een reeks lezingen gevolgd die werden gegeven door Louis Andriessen. Andriessen vertelde over de totstandkoming van zijn eigen werk, maar voordat hij daarover van wal stak, kaartte hij eerst de kwestie van vorm en inhoud aan. Ik zal nooit vergeten hoe hij al ijsberend zijn buideltje shag te voorschijn haalde en tijdens het draaien uitlegde hoe hij over de relatie vorm en inhoud dacht. Dit is de vorm en hij toonde ons een vloeitje. Dit is de inhoud en hij legde shag op het vloeitje. Daarmee ga je aan de slag, je draait en draait totdat het een shaggie is geworden. Vervolgens deed hij iets wat heden ten dage voor de antirookgestapo ondenkbaar zou zijn: hij rookte daadwerkelijk zijn shaggie terwijl hij zijn verhaal vervolgde.

Voor mij was dit een bevestiging van een eigen gedachte die ik sindsdien met zelfvertrouwen koester. Het is niet zo dat de vorm of de inhoud primeert, het gaat om de combinatie van die twee. Sommige kunstenaars gaan uit van de vorm, anderen vinden eerst de inhoud, maar uiteindelijk komt er een proces waarbij vorm en inhoud tot een eenheid gebracht moeten worden. De vorm buigt zich naar de inhoud, de inhoud buigt zich naar de vorm en samen vormen ze een spanningsveld die nodig is om boven het eindresultaat uit te springen. Ik wil daarmee niet zeggen dat ze een perfect evenwicht moeten vormen, zoals het evenwicht in het taoïstisch symbool voor yin en yang, maar wel, dat het ene niet los gezien kan worden van het andere. Het zal nooit perfect zijn, het moet ook niet perfect willen zijn, want wanneer vorm inhoud wordt en inhoud vorm (mocht dat mogelijk zijn!), dan is er geen spanning meer, dan is de kunst opgelost in zichzelf en buiten bereik.

Fernando Pessoa schrijft ergens: Een gedicht dat ik mijn dromen bedenk, vertoont pas gebreken als ik het op papier zet. En verderop: (...) de grootste dichters van de stilte die, wetend dat ze een perfect gedicht konden schrijven, voltooiden [dat liever] door het niet te schrijven. Ik heb daarbij de kanttekening geplaatst: het gedicht wordt pas een gedicht als het op papier gezet wordt en wanneer iemand het leest! Pas dan gaat het leven (leven). Een weg is pas een weg als iemand hem bewandelt. Muziek is pas muziek als iemand de noten tot leven wekt en als ze gehoord worden. Een verhaal is pas een verhaal als het verteld wordt of als iemand al lezend woorden tot gedachten en associaties vormt. En als iemand interpreteert en beschouwt met zijn persoonlijkheid, dan is dat zeer waarschijnlijk een intellectueel.

Ik heb deze brief getikt alsof ik improviseerde op de piano. Natuurlijk hield ik enigszins de vorm in de gaten terwijl ik schreef en kan ik de ongepolijste versie nog wat knippen, plakken en scheren à la meneer Ockham, iets wat met de vluchtigheid van pianoklanken niet kan. Wanneer ik dat gedaan heb zal ik me excuseren voor het teveel aan woorden en een teveel aan onuitgewerkte gedachten en eindigen met een welgemeende groet.

groet!
jwl

7 juli 2009

966

Een tijd geleden had ik het boek weer in de kast gezet, eerst wat anders lezen. Vanochtend nam ik het er aarzelend weer uit. Zou ik het nu wel verder lezen? Zou het mijn herfstige humeur niet te zeer versterken, kon ik niet beter wat opwekkends lezen?

Na één alinea wist ik dat ik een goede keuze gemaakt had. Jawel, de teksten zijn deprimerend, de gedachten herken ik, al voel ik ze niet met dezelfde intensiteit. Het is troostrijk om die woorden van Pessoa te lezen, woorden die nauwelijks gerelativeerd worden, woorden die ik mezelf toesta, maar niet zonder ze ogenblikkelijk ter discussie te stellen. Zo'n zin als En op zulke momenten van in mijn maag gevoelde wanhoop duikt er bijna altijd ineens iemand op, een man of een vrouw of zelfs een kind, die representatief is voor de banaliteit waar ik misselijk van word (336). Zo sterk zou ik het zelf niet formuleren, maar als ik niet lekker in mijn vel zit en ik loop door een drukke stad, dan kan ik me ook zo storen aan dat onesthetische alledaagse, dan wil ik het niet zien, dan wil ik het niet horen, dan wend ik me af, het is teveel. De mensen worden dan als schimmen die in mijn ooghoeken voorbij gaan. Alleen al het horen van die schimmen van menselijk spreken, wat uiteindelijk alles is waarmee de meerderheid van de bewuste levens zich bezighoudt, wekt een walgelijke weerzin in mij, een gevoel van angst dat ik verbannen ben tussen spinnen, en het besef dat ik word platgedrukt tussen werkelijke mensen; dan voel ik mij er tegenover de huiseigenaar en het huis toe veroordeeld eenzelfde huurder te zijn als alle andere bewoners van het blok, en loer ik tussen de tralies aan de achterkant van het magazijn met afschuw naar het vuilnis van anderen dat zich als het regent ophoopt op de binnenplaats die mijn leven is (337).

Als adolescent zou ik meegegaan zijn in die misantropische melancholie van Pessoa, ook nadat ik het boek heb dichtgeslagen. Nu blijf ik in gesprek met zijn teksten, glimlach om de herkenning en voel me door de herkenning getroost. Pessoa heeft het begrepen, ik voel me begrepen, ik kan er weer een tijdje tegen en verlang alweer naar een volgend moment om te kunnen lezen. Dit boek zal mij altijd dierbaar blijven, dat weet ik nu al, nog voordat ik het uitgelezen heb. Het boek zal me dierbaar zijn, niet alleen omdat het zo verschrikkelijk mooi is, maar ook omdat ik me tegen die schoonheid zal moeten verzetten. Met Pessoa raak je nooit uitgesproken.

Thans zie ik in dat ik heb gefaald, alleen verbaas ik me er soms over dat ik niet heb voorzien dat ik zou falen. Wat wees er nou op een zege in mij? Ik had noch de blinde kracht van de winnaars, noch de zekere blik van de dwazen... Ik was helder en triest als een koude dag.
(...)
Ik heb geestelijke trekken van een bohémien, van mensen die het leven laten glippen als iets wat door de vingers glijdt op het moment dat het gebaar om het te grijpen verdwijnt bij de gedachte het te doen.
(...)
De rivier van mijn leven is uitgemond in een innerlijke zee. Rond om mijn gedroomde landhuis waren alle bomen in de herfst. Dat cirkelvormige landschap is de doornenkroon van mijn ziel. De gelukkigste momenten van mijn leven waren dromen, treurige dromen, en ik zag me in hun meren als een blinde Narcissus (...)
(...)
Ik weet dat ik heb gefaald.

Fernando Pessoa Boek der rusteloosheid, 343-345

3 juli 2009

965

Franz Liszt (1811-1886)
La lugubre gondola I (1882)
La lugubre gondola II (1885)
Leslie Howard - piano

Het leven van Richard Wagner (1813-1883) is onmiskenbaar één van de meest spannende levensverhalen uit de muziekgeschiedenis. Tegelijkertijd staat hij bekend als de minst sympathieke persoon. Wat voor hem gepleit heeft is de trouwe vriendschap die Franz Liszt altijd voor hem gevoeld heeft. Hoe onaardig Wagner ook kon zijn voor zijn grote vriend en beschermer, Liszt bleef geduldig en goedhartig, zelfs als schoonvader van Wagner.

Eind 1882 bezocht Liszt Wagner in Venetië, Wagner verbleef daar in het Palazzo Vendramin aan het Canal Grande. Het ging schijnbaar niet goed met Wagner en het verhaal gaat dat Liszt aanvoelde dat Wagner wel eens in Venetië zijn einde kon vinden. In een droom zag Liszt de dode Wagner liggen in een zwarte gondola, een type gondola dat gebruikt werd voor begravenissen. Liszt verwerkte dit beeld tot de compositie La lugubre gondola, waar hij een aantal jaren een uitgebreidere versie van schreef. Wagner overleed een aantal maanden later, in februari 1883.

Ik ben nooit in Venetië geweest, maar ik verbeeld me in deze muziek het roeien van de gondolieri, het wiegen van de boten en het klotsen van het water te horen. Daarbij de donkere tonen van de piano, een chromatische en klagende melodie. Het is een bewerking van een barcarolle, een gondellied. In de harmonie is elke vaste bodem verdwenen, als luisteraar blijf je in de lucht zweven, of: op het golvende water drijven. Deze muziek is duister en desolaat, een nachtmerrie zonder theatrale ophef. Liszt moet erg van Wagner gehouden hebben.

30 juni 2009

964

Het was niet een nadrukkelijk gevoel van geluk dat me overviel, maar ik kon er niet omheen, er kwam een gevoel van welbehagen over me, van thuiskomen wellicht. Dit is toch wel de mooiste filmzaal die ik ken, zei ik tegen de vriend met wie ik naar de bioscoop was gegaan. Ik keek rond en zag de sporen van de vroegere toneelzaal, het doek hangt boven het podium. De donkere, zwarte muren hebben in het licht iets mysterieus. Maar bovenal de eenvoudige en comfortabele stoelen en de zeer aangename verhouding tussen de grootte van de zaal en de grootte van het doek. Met honderzesentwintig stoelen is het geen kleine zaal, maar ook niet massaal. En hoeveel prachtige films heb ik daar al niet gezien? Misschien is het een onbewuste associatie met die schoonheid die ik daar zo vaak heb mogen beleven.

De film die we gingen kijken, L'avventura van Michelangelo Antonioni, had ik daar ooit al eens eerder gezien, met een andere vriend, in een kleinere zaal. Ik herinnerde me vooral de scènes op het eiland in het begin. Een oude vulkaan, niet meer dan een enorme rots in de zee. Een stel rijke lui probeert er de verveling te verdrijven, totdat één van de jonge vrouwen, Anna, spoorloos verdwijnt. Tijdens de zoektocht horen we het ruisen en bulderen van de zee en ik moest aan recente teksten van mezelf denken. Het lijkt wel alsof het eiland en de zee zelf personages zijn geworden in de film. Alhoewel er veel schitterende momenten in de film zijn, maakten opnieuw deze beelden op het eiland de meeste indruk op mij.

26 juni 2009

963

Het rolt tussen de toppen van mijn duim en wijsvinger. Ik knijp een oog toe om met het andere beter te kunnen zien. Alsof het een extreem verkleind filmblik is. De film van mijn leven die ik vlak voor mijn laatste ademstoot zal zien; een kleine film van een slechte regisseur, schiet het sarcastisch door mij heen. Zelfcensuur: dat mag ik niet denken, laat staan: schrijven. Ik kijk weer, ik grijns en stop de bittere pil in mijn mond. Goed doorslikken, flink zijn, anders stik ik nog.

24 juni 2009

962

Gregorio Allegri (1582-1652)
Miserere (fragment)
The Tallis Scholars

De schoonheid van deze muziek zit in de eenvoud (waarmee niet gezegd wil zijn dat de muziek eenvoudig is). Het is geschreven in de jaren dertig van de zeventiende eeuw, maar heeft de uitstraling van de polyfone stijl uit de Renaissance (Palestrina). Toch is de nieuwe stijl van de Barok niet aan het werk voorbij gegaan door de subtiele dissonanten op sterke maatdelen. Het is uitgebalanceerd, doorzichtig. Het heeft de eenvoud van een introvert gebed – Heer, heb erbarmen – zonder het theatrale smeken om erbarmen. Het enige ornament in de muziek is die sopraan die zo nu en dan een ongewisse sprong in de hoogte mag maken, een prachtig effect, alsof de gelovige de ogen nederig en verlangend opslaat naar de hemel.

De geschiedenis van deze Miserere is bijzonder. Het werd geschreven voor de liturgie van de Heilige Week (op woensdag en vrijdag) in de Sixtijnse Kapel. Het was omgeven met geheimzinnigheid, want de Misereres die hier werden uitgevoerd in deze bijzondere tijd mochten alleen daar en op die dagen uitgevoerd worden. Opschrijven of overschrijven van de noten was streng verboden, men riskeerde excommunicatie.

Of de veertienjarige Mozart op de hoogte was van dit verbod weet ik niet, maar het verhaal gaat dat hij in de Heilige Week de muziek op woensdag hoorde en het thuis meteen vanuit zijn muzikale geheugen noteerde. Vrijdag ging hij nogmaals terug om de puntjes op de i te zetten. Ook al zit er veel herhaling in de muziek, het blijft een prestatie van formaat. Het is een mooi vroeg voorbeeld van Mozarts verzet (al of niet bewust) tegen de kerkelijke autoriteiten. Op één van zijn reizen liet Mozart het manuscript achter bij Dr. Charles Burney. Deze publiceerde het in London in 1771 en daarmee was de ban verbroken. Mozart werd door de Paus gesommeerd naar Rome te komen, maar in plaats van excommunicatie kreeg hij een hoge onderscheiding.

Er zijn twijfels over de volledigheid van Mozarts versie. Wellicht ontbraken er allerlei versieringen die de versie van de Sixtijnse Kapel zo bijzonder maakte. Veronderstelde Mozart deze Renassaince versieringen als bekend? Of was zijn manuscript alleen een geheugensteuntje en vulde hij zelf de versieringen aan?

23 juni 2009

961

Dan haal ik diep adem en laat het in gedachten verzinken. Snel een paar keer op en neer en dan haal ik het ringetje te voorschijn. Het vormt een mooi vlies en de kinderen kijken me verwachtingsvol aan. Als ik hard blaas vormen er zich vele kleine, als ik zacht blaas wil er zich nog wel een grote vormen, maar meestal knapt deze al voordat het losgekomen is. MM en ML vinden die kleine en grote bellen in ieder geval prachtig. Ze waaien weg in de wind en in de zon laten ze de kleuren van de regenboog zien. MM springt er als een jonge Oedipus achteraan, ML wacht met een glimlach op de volgende en wil zelf blazen. Ik ontspan van de vrolijkheid van de kinderen, het leegt en geeft ruimte.

22 juni 2009

960

Het ligt niet prettig, zo op mijn buik. Ik tuur in het duister, ik weet niet wat ik moet verwachten. Ik herinner me nog dat er ooit bij mijn ouders een halve meter water had gestaan en dat er mannen gekomen waren om het weg te pompen. Maar hier niet, alleen uitgedroogde modder. Geen geluid, geen beweging, zelfs geen ongedierte of een verborgen lijk. Ik knip de zaklantaarn aan en breng licht in deze onderwereld, maar het laat meer van hetzelfde zien. Verlatenheid. Geruststellend, maar ook teleurstellend. Ik kruip nog iets verder voorover om bij het klepje te kunnen komen. Met mijn linkerhand kan ik het net openklappen en met mijn rechterhand laat ik de lantaarn erop schijnen. Dan noem ik de cijfers op en achter mij herhaalt S. de nummers en noteert ze.

18 juni 2009

959

Ook zoiets. Ik ben ermee gestopt om bij de voordeur te gaan staan en te noteren waar iedereen toch vandaan komt, met wat voor vervoermiddel ze zijn gekomen en met welke prangende vraag. Waarom zou deze wetenschap de passanten interessanter maken? En als ze het pand verlaten vraag ik ze ook niet meer waar ze allemaal geweest zijn, of ze louter in de woonkamer hebben gezeten of in mijn boekenkast hebben rondgeneusd. De keuken is verboden terrein, maar het zou kunnen zijn dat ze in de kelder hebben gespeurd. Sommigen proberen geheime deuren te openen, anderen willen alleen van het toilet gebruik maken en weer anderen luisteren slechts of de piano wel gestemd is. Ik vraag ook niet meer of het ze wel bevalt, nee, ik hoef dat allemaal niet meer te weten. Een ieder is welkom en ik zorg voor eten en drinken. Zonder zeuren doe ik de vaat.

17 juni 2009

958

Wanneer er teveel overdrijvende wolken in mijn hoofd zitten, moet er eerst gelucht worden. Een probaat middel is schrijven, maar tegelijkertijd stuit ik daarbij op een lastig probleem. Om te schrijven heb ik een minder bewolkte lucht nodig en om die heldere lucht te creëeren moet ik schrijven. Dat is de stilte voor de storm, er dient zich niets meer aan en ik houd me slechts bezig met uiterlijkheden. Na deze stilte komt het onweer, doorgaans onbruikbaar door een teveel aan emoties. Pas daarna kunnen de ramen open om de verfrissende lucht binnen te laten stromen. Dat is het moment om diep adem te halen.

15 juni 2009

957

Es ist durchaus nicht nöthig, nicht einmal erwünscht, Partei dabei für mich zu nehmen: im Gegentheil, eine Dosis Neugierde, wie von einem fremden Gewächs, mit einem ironischen Widerstande, schiene mir eine unvergleichlich intelligentere Stellung zu mir.

Friedrich Nietzsche an Carl Fuchs, 29. Juli 1888
KSB 8, 375-376

5 juni 2009

956

Brieven naar Brugge (3)

wat voorafging

Bunnik, 25 mei 2009

Waarde Pascal,

Onlangs trok er 's nachts een gigantisch noodweer over de Nederlanden. Het was alsof mijn huis een eiland was geworden waar omheen het natuurgeweld tekeer ging. Ik inspecteerde het huis. Waren de ramen op de kinderkamers goed gesloten, was er ergens lekkage? Vanuit de huiskamer zag ik de bomen in de wijk, ze stonden er gelukkig stabiel bij, ze gaven slechts mee met de harde wind. Wel hoorde ik de takken van de boom naast het huis tegen de muur schrapen en het toilet borrelde alsof dionysos zelf een poging deed mijn schijnwereld van veiligheid te binnen te vallen.

Ik ontving een mooie brief van jou. Je omschrijving van het gat in de wereld aan de hand van Hermann Hesse lijkt me adequaat. Het beeld van een samenleving die gaten probeert te vullen met sport, amusement, porno, populaire cultuur is eveneens heel herkenbaar. Toch wringt de schoen ergens en ik heb me de afgelopen tijd – tussen alle perikelen in de persoonlijke levensfeer door – afgevraagd waardoor. Want hebben al die gatenvullers niet gelijk? Als je je illusies niet meer kan koesteren, waarom dan niet het leven omarmen zoals het zich aandient? Als er geen algemene richtsnoer meer is, geen absoluut gegeven wet of moraal, waarom dan niet plezier maken, leuke dingen doen? Waarom mogen die mensen niet lekker lachen om Paul de Leeuw? Ik ken ze hoor, die mensen, het zijn aardige mensen. Ze werken en vermaken zich en soms ben ik jaloers op het gemak waarmee zij ogenschijnlijk door het leven gaan.

Nee, dat intellectuele, ik ben er niet altijd gelukkig mee. Natuurlijk, in mijn eigen veilige omgeving kan ik genieten van de schoonheid die me toevalt. Maar het maatschappelijke onbehagen met elitarisme en intellectualisme raakt mij zeer. Ik moet dan altijd aan de woorden van Menno ter Braak denken: De menschen zullen niets meer aan mij merken, zoo gewoon zal mijn ongewoonheid zijn. Het is helaas slecht met Ter Braak afgelopen, omdat hij waarschuwde voor het bruine gevaar en hij zijn consequenties trok uit het naderende onheil. Menno ter Braak sloeg de hand aan zichzelf. Ik vrees de uitsluiting. Het is mede deze intellectuele alleenzaamheid die mij tot het webloggen heeft gebracht.

Zijn intellectuelen eigenlijk niet (ook) mensen met een hoge sensitiviteit die voortdurend waarschuwen voor een teveel aan waarheid? Zoals dieren slecht weer voelen aankomen en vast dekking zoeken, zo willen intellectuelen voortdurend waarschuwen voor het illusieloze leven dat velen leiden. Prima dat jullie zo vermaken, maar pas op, het leven is niet alleen maar een mooie buitenkant, er is een onderstroom die voortdurend de idylle zal verstoren. De intellectueel als dominee, maar dan zonder god en bijbel en vertrouwend op zijn eigen oordeel, zijn zelfreflectie, zijn zelfspot.

Kant heeft het eiland van de zuivere rede opgemeten en aan alles een plek gegeven. Deze geordende samenleving is echter saai en leeg zonder grote verhalen. Het eiland wordt omgeven door een gigantische, bruisende oceaan, de oceaan van de verbeelding, een zee van illusies, waar in de mist zo nu en dan andere eilanden lijken op te doemen. Ik begrijp heel goed dat mensen in die zee willen zwemmen, want die zee blijkt ook de zee van het amusement, de sport, de porno en Paul de Leeuw heeft daar ook zijn eilandje. Het wordt pas problematisch als mensen een dergelijk leven tot norm verheffen. De zee wordt een vlucht in louter amusement aangevuld met roesmiddelen, soft-drugs, drank. Het is slechts de oppervlakte van de oceaan, de intellectueel en de kunstenaar duiken in de diepte om de ongekende rijkdom onder de oppervlakte zichtbaar te maken.

Ik ben slechts in staat om op het strand mensen mooie vergezichten aan te wijzen of een schelp op te pakken en het ruisen van de zee te laten horen of om te vertellen over de grote diepzeeduikers die prachtige ontdekkingen deden. Zo zie ik mijn weblog ook. Maar hier komen mensen lezen die toch al wisten te genieten van het uitzicht. Ik bereik de mensen niet die alleen maar in de zon willen bakken of aan de oppervlakte wat verkoeling zoeken. Het is preken voor eigen parochie. Ik zal in mijn dagelijks leven moeten proberen mensen te verleiden verder te reiken.

Het is me weer niet gelukt, Pascal, om een minder omvattend thema aan te snijden. Het spijt me. Misschien zit het eenvoudigweg niet in me, misschien denk ik wel teveel in grote gebaren. Laat ik besluiten met je een vraag te stellen naar aanleiding van een recensie die Ilja Leonard Pfeijffer onlangs schreef in het NRC over de verzamelde gedichten van Hans Verhagen. Waar moet poëzie over gaan? Is het een cultureel verantwoorde decoratie van ons geletterd bestaan of moet het de stem van onze onderbuik laten horen? Hoe zie jij de poëzie in onze samenleving? Kan de poëzie een platte wereld weer reliëf geven?

stormachtige groeten,
jwl

29 mei 2009

955

Tegen middernacht fiets ik over een prachtige laan van Zeist naar Bunnik. Ik heb een avond schaken achter de rug, ingevallen in een hoger team van mijn schaakclub in een wedstrijd tegen Zeist. Gelukkig zat ik aan het laagste bord, want ik speelde weer beroerd, de concentratie wilde niet komen. Dat ik niet verloor, kwam door een moment van helderheid. Ik had op slinkse wijze op eeuwig schaak geanticipeerd en toen mijn tegenstander zijn toren van de cruciale lijn haalde om de genadeslag voor te bereiden, kon ik 'toeslaan'. Eeuwig schaak betekent remise, maar mijn tegenstander keek minutenlang alsof hij verslagen was.

Fietsend geniet ik van de pracht van de bomen langs de laan, ik hoor de kikkers kwaken in de stilte. Achter mij de lichten van Zeist, voor mij, vaag, de lichten van Bunnik en rechts in de verte de hoogbouw van De Uithof, het universiteitscentrum van Utrecht. Ik houd mijn tempo expres laag om er extra lang over te doen, alsof ik nog niet thuis wil komen. Ik geniet van het alleenzijn, van de afwezigheid van de wereld, even kan ik afstand nemen van mijn zorgen. De duisternis voorbij de straatverlichting komt weldadig op me over, ik zou er in willen duiken. Alsof de ruimte de suggestie creëert dat je groter bent dan je lichaam, dat je ervan loskomt. Zo zou ik bijna eeuwig willen voortgaan.

Maar onvermijdelijk komt de afslag naar rechts, langs de sportvelden waar eerder op de avond nog de geluiden van tennisballen te horen waren. Ik draai links de brug op over de Kromme Rijn, passeer de oude dorpskerk. Bunnik, slaapdorp. Ik zing in gedachten de basaria Gute Nacht, du Weltgetümmel uit Cantate 27.

20 mei 2009

954

Dat was een moment van troost! Mijn dochtertje is dol op boeken en kruipt steeds op mijn schoot om samen te kijken en plaatjes te benoemen. 'Aap!?' 'Schaap, ja, goed zo!' Ondertussen zat ik met een half oog en oor naar Vrije geluiden en daarna naar Boeken te kijken en te luisteren. Uiteindelijk kroop Mariek op schoot om samen naar de televisie te kijken. Toen het programma afgelopen was en ik het tijd vond om dat dominante kijkkastje uit te doen, merkte ik dat ze in slaap gevallen was. Daar lag ze, helemaal tegen me aangevleid, een rustige ademhaling, oogjes dicht en het lichaampje helemaal ontspannen. Nu opstaan om de afstandsbediening te pakken zou niet gaan zonder haar wakker te maken. Dus was ik veroordeeld tot het kijken naar Buitenhof, dat programma dat altijd bevolkt wordt door stropdassen en mantelpakjes. Je moet wat over hebben voor je slapende dochter. Maar ze leunde erg op mijn linkerarm en deze arm had geen steun en ik kon niet bij een kussen om eronder te leggen. Met mijn rechterhand wurmde ik mijn mobiele telefoon uit mijn broekzak. Ik belde mijn vaste telefoonnummer en gelukkig nam mijn oudste zoon op die boven op zijn kamer was. Ik fluisterde of hij even beneden wilde komen, hij zou daar wel snappen wat ik wilde. Even later was mijn arm ondersteund en kon ik ontspannen genieten van deze onverwachte troost in donkere tijden. Want hoe kan ik aan iemand uitleggen die het zelf niet ervaren heeft, hoe bijzonder het voelt dat je kind zo vol vertrouwen en met zoveel onvoorwaardelijke liefde bij je in slaap valt?

19 mei 2009

953

Joseph Haydn Missa Sanctae Caecilia
Et incarnatus est & Crucifixus
Martyn Hill - tenor; Margaret Cable - alt; David Thomas - bas; The Academy of Ancient Music olv Simon Preston

Van de componisten van de Eerste Weense School ging mijn voorkeur altijd uit naar Beethoven (symfonieën, pianosonates) en Mozart (opera, symofonieën, pianokoncerten). Voor de componist Haydn had ik nauwelijks belangstelling. Maar dat is veranderd, ik heb geleerd naar de muziek van Haydn te luisteren. Het is niet alleen de eenvoud, de helderheid van structuur en de elegantie van het classicisme, maar vooral het speelse karakter van zijn muziek. Haydn speelt op een ingenieuze wijze met de luisteraar door deze voortdurend op het verkeerde been te zetten. Hij creëert verwachtingen in de muziek en net als je denkt te weten welke kant het opgaat, verrast Haydn door een totaal andere weg in te slaan. Het probleem daarbij is dat de hedendaagse luisteraar zo overspoeld wordt door allerlei muziekervaringen, dat dit soort subtiele muzikale spelletjes hem ontgaan. Een ander aspect aan Haydns muziek die ik heb leren waarderen is die enorme energie die zijn muziek kan uitstralen. Het bruist en het leeft, het nodigt uit tot bewegen, meezingen. Daarover heb ik al eerder geschreven.

Deze uitvoering van de Missa Sanctae Caecilia ken ik al heel lang en is me zeer dierbaar. Waarschijnlijk heb ik het ooit voor het eerst bij een goede vriend beluistert. Toen leende ik het van de bibliotheek, maar die cd was beschadigd. Later gaf ik het mijn schoonmoeder cadeau, om vervolgens heel doortrapt een copie te maken voor mezelf. Na haar dood is die cd verdwenen en de copie op cassettebandje kan ik niet meer draaien omdat we er geen werkend apparaat meer voor hebben. Onlangs kocht ik de cd en besefte dat ik zolangzamerhand werkelijk een geschiedenis met dat stuk begin te krijgen.

Wat vind ik er zo bijzonder aan? Ten eerste de klank van het koor (Oxford Christ Church Cathedral Choir). Er zitten geen vrouwen in het koor, maar de sopranen en alten worden bezet door jongetjes. In dit geval, bij deze muziek, vind ik dat prachtig en het zou me niet verbazen wanneer Haydn ook bewust voor jongetjessopranen heeft geschreven. De bas van David Thomas is schitterend en ook de andere solisten zijn prima en bovenal muzikaal. Maar het is vooral de directie van Simon Preston die deze muziek bijna laat swingen, alle energie die de muziek van Haydn komt tot zijn recht, ik krijg er zelf weer energie van. Maar zelfs als Haydn al die muzikale beweging stop zet, zoals voor Et incarnatus est & Crucifixus, doet hij dat met veel gevoel.

Het 'drieluik' Et incarnatus est, Crucifixus en Et resurrexit tertia die uit het Credo heeft altijd mijn muzikale belangstelling gehad. Hoe probeert de componist deze drie teksten muzikaal vorm te geven. Daar is de menswording van Christus (Et incarnatus est), de beweging van boven naar beneden, het lijden en sterven van de Christus (Crucifixus) en de opstanding en hemelvaart (et resurrexit), een beweging van beneden naar boven. Haydn kiest voor het Incarnatus een stemmig, gevoelig en melodieuze arioso, hier uitstekend gezongen door een hoge mannenstem, de tenor Martyn Hill. Voor het Crucifixus worden de lage stemmen gekozen, bas en alt (alhoewel, vanuit de vrouw gedacht een lage stem, vanuit de man gedacht een hoge stem en het is best mogelijk dat Haydn een mannelijke alt voor ogen had). Mooi is hoe Haydn muzikaal speelt met het woord passus, heel eenvoudig, heel subtiel, wisselen van toonsoort (moduleren) om de overgang van leven naar dood, om het lijden en sterven muzikaal vorm te geven. Na het Crucifixus herleeft de energie weer in deze mis, om feestelijk te herdenken dat de Christus is opgestaan op de derde dag.

15 mei 2009

952

Kant verklaart de zedelijkheid tot het enig overgebleven religieuze orgaan. Daarbij vormt de religie strikt genomen niet het fundament van de moraal, maar de religie wordt omgekeerd op de moraal gegrondvest. Dat is van het grootste belang. Als de moraal op de religie was gebaseerd, zou ze van God gegeven, met andere woorden heteronoom zijn. Maar ze moet autonoom zijn. Dat ligt in de lijn van het vrijheidsbegrip van Kant. De mens – de categorische imperatief van de praktische rede – geeft zichzelf zijn moraal. God werkt niet als een dwang van buitenaf op de mens, maar hij heeft hem zo geschapen, dat hij zichzelf kan dwingen. Een autonome dwang, die de mens zichzelf oplegt, in plaats van een heteronome dwang, die een ander hem oplegt. God is werkzaam in de morele zelfbeschikking van de mens. Die zelfbeschikking is verheven, omdat ze zich boven de puur natuurlijke behoeftes en driften kan verheffen. De morele geboden navolgen betekent vrij zijn tegenover de natuurlijke dwang, tegenover de begeerte en het verlangen naar lust die je aan je eigen lichaam ervaart. De goede handeling, die deze naam verdient, geschiedt volgens Kant omwille van haarzelf, niet voor een beloning op aarde of in het hiernamaals.

Rüdiger Safranski Romantiek. Een Duitse affaire, 135

13 mei 2009

951

Ik herinner me nog de televisiereeks van Wim Kaizer: Van de schoonheid en de troost. Gesprekken over de troostende werking van schoonheid in een muziekstuk of de schoonheid van een wiskundige formule. Wat maakt het leven nog de moeite waard als alle zingeving opgelost lijkt in het niets? Soms begreep ik de geïnterviewden niet (Martha Nussbaum), soms kon ik ademloos kijken (Coetzee), maar doorgaans vond ik het eenvoudigweg mooi. Sommige gasten van Wim Kaizer konden ook aangeven in welke perioden van hun leven niets meer troostend was, vooral als ze één van hun geliefden verloren, een ouder, een kind, een echtgenote, een dierbare vriend.

Ik herken dat, er zijn momenten dat er niets meer helpt, niets wil meer troosten, alles herinnert nog eens extra aan wat, onherroepelijk, verloren is gegaan. Het raakt aan het wezen van het leven, dieper kan een mens bijna niet gaan. Voor mij geldt, dat als alle muziek heeft afgedaan, de Cantates van Bach mij nog tot steun kunnen zijn. Maar ik weet, dat als ook de Cantates niet meer helpen en als ik niet meer kan lezen en het schrijven stokt, dat ik dan in diepe geestelijke nood moet zijn. Ik hoop dat nooit mee te maken.

12 mei 2009

950

Er was een tijd, lang geleden, dat ik vaak tot diep in de nacht las. Dat kan niet meer nu ik vroeg op moet voor mijn werk. Maar afgelopen nacht zat ik dan weer aan de eettafel, ik kon niet slapen. Als er iemand is die altijd goed inslaapt, dan ben ik het wel. De laatste dagen lijkt het eerder het tegenovergestelde, ik lig in bed en ik heb gevoel dat ik nooit meer zal kunnen slapen.

Ik pak mijn dagboek weer te voorschijn, ik heb het de afgelopen jaren schaamteloos verwaarloosd. Er is weer alle reden om te schrijven. Daarna probeer ik wat te lezen in Safranski's Romantiek. Een Duitse affaire en ik grimlach om de titel. Lezen, mijn favoriete werkwoord naast leven. Het boek is prachtig, maar ik moet moeite doen om me te concentreren. Jarenlang heb ik geoefend in het openbaar vervoer om me af te sluiten voor storend gedrag van anderen, maar nu ik in een doodstille kamer zit, wil de concentratie niet ontstaan. Telkens moet ik terugbladeren om de draad weer op te pakken. Het lukt me om het hoofdstuk over Fichte uit te krijgen. Mijn ogen zijn ondertussen zwaar geworden, tijd voor een nieuwe poging om te gaan slapen.

Voordat ik het licht uitschakel, kijk ik nog even naar mezelf in het duister achter het raam. Je bent oud geworden, jwl. Het leven is, om in schaaktermen te spreken, een verliespartij geworden. De klok tikt door, het spel is een strijd geworden. Het is niet meer te winnen, er rest me niets anders meer dan het gelaten uit te spelen. Gelatenheid! Wat een mooi woord: gelatenheid. Zou ik er talent voor hebben? Dan doe ik het licht uit.

Gelukkig slaap ik dan tenminste nog een paar uurtjes voordat de wekker me herinnert aan mijn plichten. Ik sta, zoals altijd, alleen op, smeer mijn boterhammetjes en verlaat het huis. De wereld is niet veranderd en zal tegelijkertijd nooit meer hetzelfde zijn.

7 mei 2009

949

Hoe hoog moeten de emoties en frustraties oplopen om op een dag te besluiten plaats te nemen in je auto om uit te razen. Maar wie kent dat gevoel niet, in gedachten op z'n minst, dat gevoel iets kapot te willen maken, het servies, andermans leven, je eigen leven wellicht? Wat gebeurt er toch in je hoofd, wanneer je overmand wordt door ellende, uitzichtloosheid, eenzaamheid, het gevoel alles te verliezen? Hoe smal is dan de grens tussen de keus gewoon doorrijden of de auto in volle vaart tegen een boom parkeren? Wie fantaseert er op een perron dan niet over hoe het zou zijn om ... kort en snel ... En als de persoonlijke frustratie een persoon betreft, wie heeft er niet stiekem wel eens gefantaseerd over het uitwissen van iemands aanwezigheid in je leven? En als het niet een persoon betreft, maar iets abstracts gemeenschappelijks ('de maatschappij', 'de politiek'), wat moet er dan allemaal in je hoofd gebeuren om op een dag in je auto te stappen en met grote snelheid onder het toeziend oog van camera's (ik zal die godvergeten kutwereld wel eens wat laten zien!!!) dwars door een mensenmassa te scheuren om, hoe ironisch, tegen een opgestoken middelvinger je leven tot stilstand te laten komen? Wie herkent dat niet? En waarom gebeurt het niet vaker?

Of gebeurt het vaker? De kleine berichten in de krant, getuigenissen van kleinschalige drama's: man schiet vrouw en kinderen dood en daarna zichzelf; man springt met kinderen voor de trein; man steekt huis in brand; man gijzelt ambtenaren op het stadhuis; man steekt personeel van sociale dienst neer enz. enz.? Is het een typsich masculien probleem? Zou het hormoon testosteron een elementaire rol spelen? Vind ik daarom het tot stilstand komen van die zwarte auto tegen die monumentale naald zo misplaatst symbolisch?

Als u op al deze vragen een antwoord weet, dan weet u ook wat de kern van onze beschaving is: zelfbeheersing, individueel en gemeenschappelijk. Onze maatschappij is echter doortrokken van mechanismen om juist die zelfbeheersing te verliezen: door drank, door drugs, door het consumentisme, het opwekken van hebzucht (geld, baan, carrière, sociale status), door het 'willen hebben want anders niet gelukkig' ook al moet je daarvoor het geluk van een ander kapot maken. Waarom kunnen wij zo slecht omgaan met emoties en gedragingen ten gevolge van verleidingen die onze zelfbeheersing op de proef stellen en ondermijnen? Hebben we dan geen zelfspot meer? Kunnen we dan niet meer naar onszelf kijken en om onszelf lachen!?

Wat die man afgelopen donderdag op koninginnedag met zijn hellevaart ons zo dramatisch toonde, is een fundamenteel probleem in onze samenleving en dat gaat ons allen aan. Met z'n allen creëeren wij dit soort gekken en als wij ons er keer op keer over verbazen dat ze bestaan en zo alledaags zijn, geven wij blijk van collectieve blindheid en ontkenning.

4 mei 2009

948

Het werd geboren uit de stilte, taal
Van stilte zelf, alsof het zwijgen sprak,
Onmerkbaar overgaand in spraak die brak.

Herman Gorter Mei, 143

1 mei 2009

947

De Duitse taal kent vele prachtige samenvoegingen van woorden. Een uitwas hiervan is Eisenbahnknotenpunkthinundherschieber als aanduiding voor een wisselwachter. Dat lijkt me een ludiek verzinsel, menig Duitser zal ongetwijfeld gewoon Weichensteller gebruiken.

Jan de Meyer schrijft in zijn nieuwe boek Leyuan de tuin van geluk. Chinese filosofische teksten over paradijzen en het geluk over de Duitse filosoof Odo Marquard, een filosoof waar ik nog nooit van gehoord had. Deze filosoof – niet gespeend van ironie overigens – muntte het woord Inkompetenzkompensationskompetenz. Probeer dat maar eens een aantal keren vlot achterelkaar uit te spreken.

29 april 2009

946

Ja, nee, sorry hoor, ik ben nu eenmaal een pessimist, lachte een collega. Ik vroeg me af waarom hij daarbij zo lachte. Wilde hij zich daarmee verontschuldigen? Ik ben pessimist, daar kan ik niets aan doen, zo is mijn karakter nu eenmaal? Of was het de lach van iemand die alles al had gezien en meegemaakt in het leven (en dat alles viel natuurlijk altijd tegen)? Dus kun je maar beter het slechtste verwachten, dan kan het alleen maar meevallen. Voor de pessimist kan de toekomst alleen maar gunstiger uitvallen dan gedacht, alle reden dus voor een ironische lach: het leven is hard en vol tegenslagen, soms valt het mee, soms valt het tegen! Of wil de lach angst en onzekerheid compenseren? Een lach die wil zeggen, ik weet het niet maar dat wil ik niet laten blijken, dus kies ik maar de minst gunstige kant, dan kan het, opnieuw, alleen maar meevallen. De superieure houding die verbloemt.

Het nadeel van een pessimistische houding is dat de verwachtingen laaggespannen zijn en daarmee, vooral wanneer men betrokken is bij de zaak, in hoge mate een self-fulfilling prophecy in zich draagt. De leerkracht die weinig van zijn leerlingen verwacht – het wordt nooit wat met die kinderen van tegenwoordig – zal zijn leerlingen ook niet uitdagen en prikkelen om verder te komen. De resultaten zullen daardoor lager uitvallen.

Een pessimist is echter te verkiezen boven een die hard optimist, want met een pessimist valt tenminste nog plezier te beleven. De opdringerigheid van een normatieve positieve levenshouding is ronduit ergerlijk. Optimisten denken met hun kunstmatig glimlachende superioriteit de toekomst een handje te kunnen helpen, want als hun houding correct is, dan past de werkelijkheid zich daar immers aan aan. Mocht het toch tegenvallen, dan lag het tenminste niet aan hen, maar altijd aan de ander met zijn negatieve invloed. De superieure houding die oordeelt. Zo krijgt de lach van de pessimist wellicht nog een andere betekenis: het op voorhand incasseren van de hoon van de optimist.

28 april 2009

945

Zes jaar! In een kinderleven de tijd dat het leren lezen en schrijven gaat beginnen en eerlijk gezegd heb ik nog steeds het gevoel dat ik pas begin. Wanneer ik terugblader in deze virtuele bladzijden dan kom ik teksten tegen die ik nu niet meer zou schrijven. Niet erg, dat hoort bij het verder gaan op een weg. Een weg overigens die eerder het karakter heeft van een landweggetje langs een enorme snelweg. Er zijn niet veel passanten die gebruik maken van deze weg. Begrijpelijk, want wie snel ergens wil komen, moet niet hier zijn. Toch ben ik erg blij met een handvol trouwe bezoekers, zij maken dat deze weg zichtbaar blijft en niet overwoekerd raakt. Dank!

Ik ga voort zolang er zich wat aandient. Er zijn tijden dat de bron lijkt uitgedroogd, er zijn tijden dat de bron rijkelijk gevuld is. Een website lijkt ook last te hebben van seizoenen. Ik weet niet wat er nog komen gaat na de volgende bocht, want zoals ik al eens eerder geschreven heb, deze website schrijft mij en niet omgekeerd.

Ik vertoef hier zelf ook graag. Ook al weet ik wat hier te vinden is, ik zoek het plekje soms op om even tot rust te komen. Er is een deel dat hier zichzelf mag zijn, iets dat uit zichzelf zo mag zijn. Helemaal begrijpen doe ik dat ook niet en zo moet het vooral blijven, want anders werkt het niet meer. Op naar zeven jaar!

24 april 2009

944

Bermtoeriste

Men houdt het oog steeds op de weg gericht
niet op de berm waarin ik ooit bij toeval werd
gedropt en nu verwijl als vreemde

deftigheid. Ik sta hier in een soort
verlatenheid en niemand in de weg, men
sjeest langs mij, ik word niet opgemerkt. Behalve

soms door iemand die zich niet fixeert op eigen
pad, mij plots gewaarwordt, afstapt, zich aandachtig
naar mij overbuigt, verrast betast en

concludeert: ach wat een zeldzaamheid, o
delicate kelk, dat je hier

zoiets ziet! Kijk, dan
verheug ik mij, verwelk ik niet voor niets

Hester Knibbe Bermtoeriste
in: Het liegend konijn 2009/1, 100

23 april 2009

943

Heerlijk die humor in de klas van S. Gymnasiastenhumor. Vooral van die twee klasgenoten die samen een eigen godsdienst aan het ontwikkelen zijn: het Pinguïsme, naar Pingu uit de klei-animatieserie. Vrijwel dagelijks hoor ik de ontwikkelingen, zoals het herschrijven van de Bijbel. Zo ontstonden – als ik het allemaal goed begrepen heb – de pinguïs door het eten van De Boom van Zwart en Wit, waarbij ze verleid werden door een voorloper van de ijsbeer. In plaats van de Tien Geboden beschikt het Pinguïsme over De Twintig Sneeuwballen. De Eerste Sneeuwbal luidt zo ongeveer als: werken is gezond, geef het aan de zieken, waarmee meteen de aantrekkelijkheid van deze godsdienst is aangetoond. Een andere Sneeuwbal luidt ongeveer als huiswerk is heilig, blijf er dus af. De jongens hebben geprobeerd een pagina bij Wikipedia te maken over het Pinguïsme, maar een humorloze redactie heeft het verwijderd als onzinpagina. De beweging zal dus eerst moeten groeien en ik heb begrepen dat menig docent al helemaal gestoord wordt van de pleidooien om toch vooral toe te treden. Wel, ik houd u op de hoogte!

22 april 2009

942

Terwijl ik de drankjes haalde aan de bar, zocht hij een vrije tafel. De schaakstukken stonden alweer netjes in de beginstelling toen ik kwam aanlopen. Alhoewel de strijd zichtbaar is op het bord, vindt een groot deel van het spel in de hoofden van de deelnemers plaats. Dat is niet uniek voor schaken, ook bij bijvoorbeeld tennisspelers is de mentale gesteldheid belangrijk. Alleen bij teamsporten kan de mentale onzekerheid van de enkeling gecompenseerd worden door de medespelers, bij schaken gaat dat absoluut niet op. Meestal heb ik geen zin om na afloop van de partij nog met de tegenstander te analyseren, maar ditmaal stond ik voor een raadsel. Immers, ik had de openingsfase met de witte stukken onzeker en rommelig gespeeld, mijn tegenstander had rustig zijn plan kunnen uitvoeren. Maar net op het moment dat hij kon gaan toeslaan, dat hij de stelling kon openbreken, trok hij zijn troepen terug. Zo kon ik het initiatief overnemen en brak meteen door aan de andere kant van het bord. Zijn koning stond nog onveilig in het centrum en daar maakte ik handig gebruik van. Na een paar eenvoudige zetten stond ik materiaal voor en gaf mijn tegenstander de strijd op. Welke spoken had hij gezien? Waarom trok hij de stekker uit zijn opzet? Onzekerheid, angst, teveel respect voor een tegenstander met een hogere rating (hij 1435, ik 1696). Ik had uitgestraald dat ik alles onder controle had, maar niets was minder waar geweest. Niet dat er een directe winstweg was voor zwart, maar de zwarte stukken stonden klaar om hun potentiële energie los te laten op de witte stukken en waren ineens gaan thee drinken. Onbegrijpelijk. Mijn lichaamstaal en een paar agressieve zetten hadden de partij gewonnen.

Degene met wie ik het minst graag schaak speel, zijn mensen die zichzelf te goed in de hand hebben. Iemand die je een zware klap kunt toebrengen, bijvoorbeeld door een toren te slaan, maar die dan toch volkomen kalm blijft. Geen spoor van opwinding of woede, alsof het hem volkomen koud laat. Op die manier beleef je er geen enkele lol aan. 'Een beschaafd man trekt niet ten strijde', luidt het gezegde, maar bij schaken draait het juist om de strijd. Je wilt je tegenstander in het nauw drijven tot je de aders in zijn slapen ziet kloppen en er zweetdruppels zo groot als bonen over zijn voorhoofd biggelen. Tot hij met zichtbare moeite een glimlach forceert, of juist zijn lippen samenknijpt alsof hij iets vies heeft geproefd. Tot hij zenuwachtig aan zijn gezicht zit te frunniken, een gesmoorde kreet slaakt, onophoudelijk zucht of zichzelf mompelend verwijten maakt. Tot hij de hik krijgt, of een roodgezwollen kop... En dan het liefst meerdere van deze symptomen tegelijk. Op zo'n moment steek je een sigaret op, of sla je een kom thee achterover en geniet je stilletjes van de radeloosheid die zich van je tegenstander meester maakt, met een zelfde soort voldoening als die een jager moet voelen wanneer hij zijn prooi heeft waar hij hem hebben wil. Mijn strategie bij het schaken is dat je het je tegenstander zo onaangenaam mogelijk moet maken, en als het tegenzit net moet doen alsof het je niets kan schelen. Als je zelf niet kunt winnen, kun je op die manier tenminste voorkomen dat de ander daar al te veel genoegen aan beleeft.

Liang Shiqiu Schaken
in: Het trage vuur 43, 61

21 april 2009

941

Joseph Haydn Symfonie nr. 76 in Es
Allegro
The Hannover Band olv Roy Goodman

Alweer Haydn? Ja, want er is geen muziek dat zo goed past bij dit mooie voorjaarsweer. En dan vooral in de auto (de eerste maat klinkt bijna als het starten van een auto, zo verbeeld ik mij). Zo duurde afgelopen vrijdagavond het thuisbrengen van een schaakclubgenoot van Amersfoort naar Utrecht exact één symfonie! Dezelfde muziek schalde gisteren door de auto toen ik mijn ouders van het station in Utrecht haalde en 's avonds toen ik hen afzette bij vrienden in Maarn. Mijn jongste zoontje was bij de laatste rit mee en het was aandoenlijk om te horen hoe hij achter in de auto de muziek van Haydn mee zat te hummen.

20 april 2009

940

Brieven naar Brugge (2)

wat voorafging

Bunnik, 14 april 2009

Waarde Pascal,

Schrijvers kunnen heel verbaasd zijn als lezers iets uit hun tekst halen waarvan ze menen dat ze het er niet in gestopt hebben. Die verbazing ervaarde ik enigszins toen ik jouw tweede brief las. Hoezo snij ik 'het bestaan van God' als onderwerp aan? Nergens toch? Integendeel, zou ik willen beweren. Constateerde ik niet dat God dood is? Constateerde ik niet het failliet van de Grote Verhalen en liet ik niet het humanisme door Sloterdijk ten grave dragen? Nee, mijn onderwerp was eerder welke rol intellectuelen, hoeders van de humaniora, nog hebben in een wereld die totaal geen boodschap lijkt te hebben aan een culturele traditie. Zijn wij niet slechts archivarissen die op onze websites preken voor eigen parochie? Maar wellicht was dit de draai waar ik je toe uitnodigde en had je die nodig op uit te komen op esthetiek en religie.

Ik ben veel te pessimistisch. God is helemaal niet dood, zelfs jij, Pascal, houdt er nog een godsbeeld op na, hoe verlicht ook. Al mag in West-Europa het instituut kerk niet meer de betekenis hebben die het ooit had, in grote delen van de wereld is diezelfde kerk springlevend. En ik moet ook niet zeuren over de stand van zaken als het om kunst en cultuur gaat. Zelden is de toegang tot cultuur zo gedemocratiseerd geweest. Boekhandels hebben stapels in hun schappen, schijnbaar verkoopt het. Musea en koncerten worden bezocht. Wie de culturele overzichten in kranten en tijdschriften bekijkt, moet wel tot de conclusie komen dat er schijnbaar vraag is, anders zou er niet zoveel aanbod zijn. Kunst en cultuur zijn goederen geworden die toch verkopen en het leunt werkelijk niet alleen op subsidie. Het Concertgebouworkest zal heus niet spelen zonder publiek. Het Van Goghmuseum doet goede zaken, zie ik aan rondlopende toeristen in Amsterdam. Dus waar maak ik me druk over.

Nee, ik houd me evenmin bezig met de vraag naar het bestaan van God. Ik verbaas me er echter niet over dat mensen zich er wel mee bezighouden. Juist omdat ik me kan voorstellen dat velen in hun fundamentele eenzaamheid aanhaken bij een traditie en wellicht wat warmte vinden in een kerkelijke gemeenschap. De behoefte aan zingeving zou wel net zo fundamenteel kunnen zijn als de constatering dat de mens eenzaam is. De ontmaskering van God en Grote Verhalen heeft een diepe leegte achtergelaten, wie daarin zijn vragen roept, hoort slechts echo's. We kunnen het eeuwenlange zoeken naar antwoorden door de rede, door het geloof, door het maken van kunst zien als taalspelen. We zouden inderdaad kunnen zeggen dat er niets anders meer rest dan taalspelen (met dank aan Wittgenstein), maar is de reden om voort te gaan met deze taalspelen uit esthetisch genoegen niet dezelfde reden waarom men in vroeger tijden de Grote Verhalen vertelde: het geeft ons meer macht en het gevoel te controleren en te beheersen (met dank aan Nietzsche). En leiden estheticisme en ijdelheid, consequent volgehouden, niet tot een ergerlijke vorm van pedanterie (met dank aan Reve en zijn versie van het katholicisme).

Leven we niet in een wereld waarin een ieder zijn eigen kleine verhaal aan het vertellen is? Hoe boeiend dat ook kan zijn, het levert een wereld op waarin iedereen zijn leventje zin probeert te geven op een nadrukkelijk particuliere wijze. Het levert een wereld op die Peter Sloterdijk zo treffend vergelijkt met schuim: elke bel een eigen wereldje, met een uiterst kwetsbaar beschermlaagje (het eigen kleine verhaal), waarin men probeert mentaal te overleven. Natuurlijk wel een internet verbinding tussen elk belletje. (Is het dan niet verwonderlijk dat er in de literatuur zoveel kleine verhalen geschreven worden, niet klein in de zin van omvang, maar klein van betekenis?)

Hoe kunnen we vaste grond onder onze voeten krijgen als onze wereld in essentie niet meer beschikt over absolute grootheden als God en Waarheid, en ook niet over Schoonheid? Wat is dan nog de bron en waar komt ons verlangen vandaag om onze overtuigingen uit te dragen via, bijvoorbeeld, een website? Een verlangen naar het onmogelijke? Is ijdelheid als antwoord niet slechts een pose? Of is het het verzamelen van cultureel kapitaal à la Pierre Bourdieu?

Even een witregel, even een stap terug. Leegte, rust, op adem komen. Na het tikken van deze brief maakte ik een wandeling en ik vroeg me af in hoeverre mijn vragen en gedachten overeenkomen met de werkelijkheid. Staat juist niet dat intellectuele gedoe een goede blik op de werkelijkheid in de weg? Zou ik me niet veel prettiger voelen wanneer ik die malende en zoekende stem in mijn bewustzijn eens wat minder gewicht zou geven?

Dan denk ik aan mijn zoontje die vanaf de witte brug over de Kromme Rijn een tak in het water gooit en met een grote glimlach de tak volgt in de stroming. Bestaat de afgrond van de eenzaamheid niet juist alleen in het intellectuele spel? Wat nu als die afgrond niets anders blijkt te zijn dan een eenvoudige rivier die maar voortgaat en voortgaat en waarop je je zou kunnen laten drijven, de ogen gesloten, genietend van de zon. De rivier die je als vanzelf langs de obstakels laat gaan, zonder problemen, als je je maar overgeeft. Pas als je gaat nadenken, besef je dat je zou kunnen verdrinken, je zou in paniek kunnen raken en pas dan komt het gevaar om de hoek kijken. Waarom heb ik die kinderlijke zorgeloosheid niet meer en lijken zoveel andere mensen die nog wel te hebben? Is het gebrek aan vertrouwen? Gebrek aan geloof?

Wel, ik hoop dat het mooi weer is daar in Brugge, mooi weer om te gaan fietsen of om foto's te maken! Geniet van de lente! Ik zal vanaf de brug uitkijken naar je volgende brief!

veel groeten,
jwl

16 april 2009

939

Totaal aantal te declareren kilometers: 880,0, heeft Excel voor mij uitgerekend. Ik maak mijn Declaratie reiskosten woon-werkverkeer in orde. Achthonderdtachtig kilometer, in de maand maart, per trein. Alsof ik wil weten hoeveel kilometers de tweedehands auto op zijn teller heeft staan. Hoeveel kilometer doe ik over één bladzijde? Hoeveel boeken heb ik ondertussen in al die jaren dat ik op en neer reis al gelezen? Ongeveer een half uur heen en een half uur terug: ik lees minimaal een uur per dag. Dan mag ik mezelf toch wel een lezer noemen? Een uur is toch wel het minimum voor een lezer? Wat zou het landelijke gemiddelde zijn? Hoeveel lezers zou Nederland tellen? Doet het Centraal Bureau voor de Statistiek daar onderzoek naar? Wil ik het eigenlijk wel weten?

9 april 2009

938

We lopen over het jaagpad terug, langs de altijd voortstromende Kromme Rijn. In de verte zie ik de witte brug al. De zon schijnt nog volop in het westen. Ik duw de wandelwagen met mijn dochtertje. M. fietst enthousiast bij zijn ouders vandaan, achterna gezeten door S.; mijn vrouw houdt ze al roepende in de gaten. Een mooi beeld om vast te leggen in mijn geheugen: wij, zo bijelkaar, met z'n allen. Voor het oog van de wereld een eenvoudig burgerlijk gezinnetje, voor mij een moment van groot geluk.

2 april 2009

937

Brieven naar Brugge (1)

wat voorafging

Bunnik, 20 maart 2009

Waarde Pascal,

Er is een tijd geweest dat ik vanachter mijn bureau uitkeek naar de postbode. Dat was in mijn studententijd, toen ik nog op kamers woonde in een villa in Bosch en Duin. Ik kon de brievenbus net zien, daar aan het begin van de oprijlaan. Natuurlijk wist ik hoe laat de postbode ongeveer kwam en als ik hem voorbij zag gaan, wist ik niet hoe snel ik bij de brievenbus moest komen. De sensatie van het aantreffen van een brief. Het meedragen naar mijn kamer, het openen met de briefopener, het uitnemen en het openvouwen van het papier, het omdraaien om de aanhef te vinden, de herkenning van het handschrift van een dierbare vriendin ... Is dit romantiek achteraf? De brief oneindig vaak herlezen en in gedachten al een brief terugschrijven, waarvan velen slechts in gedachten worden geschreven en slechts fragmenten in de uiteindelijke brief terechtkomen. Ken jij dat? Is het melancholie? Of nostalgie?

Nee, je hebt gelijk, onze correspondentie is geen papieren correspondentie. Er is geen sprake van een briefgeheim, onze brieven zullen open brieven zijn, leesbaar voor wie langskomt in onze gedeelde virtuele wereld. Het beeld van de over onze schouder meelezende bezoeker bevalt me zeer, want het betekent dat ik met mijn rug naar de lezer sta. Deze houding is niet onvriendelijk bedoeld (ja, ik draai me nu even om), maar voor mij domweg noodzakelijk. Wanneer ik rekening zou houden met 'de lezer', dan zou ik minder oprecht en gekunsteld schrijven en daar heeft niemand wat aan. Het is dan ook met enige schroom dat ik mijn teksten hier plaats. Literatuur is niet mijn oogmerk, wel precisie om zo goed mogelijk over te brengen wat ik wil overbrengen. Dat betekent: niet zomaar wat schrijven, maar nadenken over de formulering, de woordkeuze enz.

In de jaren dat ik veel papieren brieven schreef, las ik Kroniek van een karakter van Jeroen Brouwers. Hij schrijft in de inleiding dat het schrijven van brieven voor hem geen kunst is: Integendeel: ik schrijf brieven om mij te ontspannen van mijn serieuze schrijverij (...). En verderop: de vorm van de brief is die van spontaneïteit (...). Brieven schrijven is literaire anarchie.

Ik ben geen Jeroen Brouwers, ik ben geen schrijver die Literatuur probeert te fabriceren, ik kan niet eens beoordelen of mijn schrijven wel of niet literair is. De wijze waarop Brouwers naar het schrijven van zijn brieven kijkt, ben ik echter nooit vergeten en is bij mij op de achtergrond aanwezig gebleven. Zo is elke bijdrage op mijn website in zekere zin een brief. Natuurlijk, het voordeel van schrijven met toetsenbord en scherm is, dat je eenvoudiger kunt schrappen, verbeteren, aanvullen en in die zin zal ik de anarchie van Brouwers niet volgen. Maar in de geest zal ik de vrijbuiterij niet kunnen loslaten, omdat een hoge mate van spontaneïteit voor mij onderdeel is van de briefvorm. Ik streef dus geen perfectie na en ik hoop glimlachend dat je daarmee kunt leven.

Voordat we deze correspondentie begonnen, lazen we elkaars teksten al een aantal jaren. We hebben gemeenschappelijke interesses, maar verschillen in temperament. Ik hoop dat dit spanningsveld een vruchtbare correspondentie oplevert. Er zijn veel vragen die ik je zou willen stellen, maar ik begin met een onderwerp dat mezelf momenteel bezig houdt. Het staat je vanzelfsprekend vrij om er jouw draai aan te geven, waarmee we dan weer dichter bij jouw interesses uitkomen.

God is dood. De Grote Verhalen worden nog wel verteld, maar weinigen vertrouwen op een happy end. In Regels voor het mensenpark van Sloterdijk, een boek dat ik onlangs las, wordt het humanisme ten grave gedragen. Tegelijkertijd las ik in het tijdschrift Nexus, een tijdschrift dat tegen de stroom in het humanistische ideaal juist wil vasthouden. Doorgaans publiceren daar heren op leeftijd, heren die hun sporen hebben verdiend op universiteiten, in het wetenschappelijke discours. Zij betreuren het verdwijnen van de lezende mens en verlangen terug naar het oude Bildungs-ideaal, al of niet in een nieuw jasje. Intellectuelen die lezen en schrijven, die de wereld achteruit zien gaan en als het ware verzuchten: waren er maar meer mensen zoals wij, dan zou het wel goed komen. Kinderen moeten weer gevormd worden. Kinderen moeten weer normen en waarden bijgebracht worden. Laten we daarom het licht van de Verlichting weer ontsteken en de Bildung in ere herstellen.

Soms lijk ook jij hierop te zinspelen op je website, al doe jij dat minder uitgesproken. In hoeverre hoop jij met je website de lezer enthousiast te maken voor de Kunsten met het idee dat het verschil zal maken in deze wereld? Zijn er nog Grote Verhalen waar jij je hoop op gevestigd hebt? Of rest slechts het intellectuele spel? Is jouw schrijven over het plezier en de bevrediging dat een boek jou kan schenken louter nutteloos of hoop je toch dat je met je website een bijdrage levert aan een betere, mooiere wereld? Welke rol kunnen wij als bevlogen lezers (luisteraars, kijkers) nog spelen in een wereld die daar totaal geen boodschap aan lijkt te hebben? Zijn wij nog slechts archivarissen, zoals Sloterdijk het in zijn boek afvraagt? (zie #928)

Zo, daar is het dan, mijn eerste virtuele brief die ik je toewerp. Op het moment dat ik de tekst online plaats is het 'verstuurd'. Je hoeft niet uit te kijken naar een postbode, het enige wat je hoeft te doen is je computer inschakelen en naar het juiste adres surfen. De brief vindt niet jou, jij vindt de brief. Geen envelop, je hoeft geen papier open te vouwen, je zult hooguit wat moeten scrollen. Mijn handschrift zul je hier niet herkennen, maar ik hoop dat je desalniettemin iets van mijn stem zult horen.

wuif en zwaai,
jwl

26 maart 2009

936

En als je dan even over mijn schouder kijkt, zal je een dun glanzend vlies zien. En het zal overal om ons heen zijn, om ons twee heen. Zolang we samen zijn, zolang we samen praten, zullen we samen in een hele grote zeepbel zitten. Zie je dat het licht op de bel meedeint in de muziek?

Jeroen van Rooij Het verhaal van een dag in de stad
in: DW B, 2008/5-6, 829

Een fragment uit de Tuin der lusten van Jeroen Bosch wordt gebruikt op de voorzijde van de Nederlandse vertaling van Sphären van Peter Sloterdijk.

Hij [Sloterdijk - jwl] wil een cultuurgeschiedenis schrijven, uitgaande van de ruimte waarin de mens zich bevindt. Daarmee treedt hij in het voetspoor van de fenomenologische traditie en vooral van Heideggers begrip 'In-der-Welt-Sein.' Sloterdijk spant die boog tot het uiterste: beginnend bij de 'microsfeer' van de baarmoeder waarin een foetus de eerste indrukken opdoet, tot aan de 'macrosfeer' van wereldomspannende ruimten waarin de mens zijn plaats moet vinden.
(...)
De poging in het eerste deel, Blasen, om de prenatale 'ervaring' op het spoor te komen, is zacht gezegd nogal speculatief. Die lange aanloop heeft Sloterdijk vooral nodig om zichtbaar te maken dat de geboorte, opgavat als verdrijving van de eerste 'holbewoner', een wezenlijke metafoor is die alle cultuur tot ruimtelijke ervaring stempelt. Dit verlatingstrauma heeft een lange echo in het leven: de mens komt uit een binnenruimte en zal voortdurend op zoek zijn naar nieuwe binnenruimten. Elke gemeenschap bestaat in het trekken van een grens tussen binnen en buiten, in het scheppen van een 'immuniteitssyteem' tegen de barbaren die van elders komen of in eigen kring opduiken. [137]
(...)
De wanden die ons beschutten worden steeds dunner. De voorstelling van een integrerende bol of kring is verloren gegaan en vervangen door een opeenhoping van breekbare en vlottende verbanden. Vandaar dat het derde deel als ondertitel Schaum krijgt. Hoe immuniteit dan nog kan worden verkregen, is op zijn minst onduidelijk. [140]

Paul Scheffer Scheuren in het bolwerk van de beschaving
in: Peter Sloterdijk Regels voor het mensenpark
Amsterdam 2007

24 maart 2009

935

97. De aanname is dat taal gelijkstaat aan zoniet de menselijke waarneming op zich, dan toch aan wat er menselijk is aan die waarneming.

Ron Silliman Het Chinese notitieboek
in: DW B, 2008/5-6, 799

18 maart 2009

934

We zagen de Titanic langzaam maar zeker in de golven verdwijnen. Mensen klampten zich wanhopig vast totdat ook hun deel in de golven werd opgenomen. We zwegen en de stilte werd ondraaglijk toen de zee weer tot rust kwam en niets leek te herinneren aan wat er zojuist gebeurd was. De ware wereld is ten onder gegaan, zei een man met een walrussnor naast mij. Ik keek hem aan en klopte op de rand van onze reddingsboot. Hoe klein ook, zei ik, maar ook deze boot heet nog steeds de Titanic.

17 maart 2009

933

Jazeker, ik zag hem staan, daar, in de snikhete zon. Ik hoorde hem roepen, hij schreeuwde zijn longen uit het lijf. Roependen in de woestijn, verenigt u! Zijn verhemelte bloedde, zijn lippen barstten open, leeg en uitgeput viel hij neer in het zand. Ik zag hem sterven in de vrieskou van de nacht. Daar waar zijn lichaam verging, werd de grond vruchtbaar en groeide een oase. Soms, in mijn dromen, vind ik daar beschutting.

13 maart 2009

932

Maar ben je dan humanist? Je moet toch ergens in geloven? Het is mijn eigen schuld dat ik deze vragen op mijn bordje krijg. Moet ik maar niet zo verzot zijn op gesprekken over wereldbeschouwingen. Toch begin ik altijd te schutteren als we op dit punt aanbeland zijn. Het is makkelijker om erover te praten als het niet jezelf betreft. Nee, ik ben geen groot spreker, zeker niet in gezelschappen van meer dan twee personen. Dan houd ik liever mijn mond en luister. Dan verdwijn ik liever als een kameleon op de achtergrond van het behang. Nee, ik ben ook geen humanist, ik heb geen vertrouwen in de mens. Natuurlijk geloof ik wel, in de zin dat je op voorspelbaarheid vertrouwt. Wanneer ik 's avond naar bed ga, mag ik toch in alle redelijkheid verwachten dat ik zon de volgende ochtend weer zal zien. Het blijft echter mogelijk dat in de nacht een komeet een einde maakt aan het leven op aarde, het blijft dus altijd een voorlopig vertrouwen, een voorlopig geloof. En waarom zou je ergens in moeten geloven? Bestaat ons dagelijks leven niet uit voldoende terloops geloof? Ik kan best leven zonder metafysische zekerheid, zonder een doel dat alles met terugwerkende kracht een zin zou moeten geven. Dat de mens het doel van de evolutie zou zijn, nee, dat geloof ik niet. Dat de mens een bijzondere plek in het dierenrijk zou innemen, omdat de mens begiftigd is met bewustzijn en rede, dat is zo, maar ik beschouw dat niet als vanzelfsprekend positief. Integendeel mevrouw, het ware misschien beter geweest dat dit ongelukje nooit had plaatsgevonden, dan hadden we nu geen Darwin en evolutie gehad. Stuk rustiger. Waarom zou ik ook een motivatie van buitenaf nodig hebben, een god bijvoorbeeld, om een goed leven te willen leiden? Waarom niet een goed leven willen leiden, omdat ik daar zelf de waarde van zie? U denkt een beter mens te worden door wereldliteratuur te lezen? Door het bestuderen van schilderijen van de grote schilders? Meent u nu werkelijk dat het beluisteren van Mozart of Beethoven, u verheft tot een hoger niveau? Laat me niet lachen! Ik zou zelf goddelijk moeten zijn ondertussen! Spreekt u liever van verrijking, maar verheffing? Driewerf nee! Misschien dat het de wolf in de mens ietwat ketent, maar er is weinig voor nodig om die ketenen weer los te rukken. We leven in een tijd dat god en alle andere illusies van de mens opgebaard liggen in een mortuarium. Trek een la open en u ziet het communisme, daarnaast het socialisme en jawel, het liberalisme ligt ook ergens. En zie, zo zijn er nog honderden. Stoort u zich toch niet aan al die mensen die het zo koud hebben en zich proberen op te warmen aan democratie! en vrijheid van meningsuiting! Die mensen begrijpen niet dat ze eenvoudigweg naar buiten kunnen lopen en zich kunnen warmen aan die zon die toch maar weer boven die horizon tevoorschijn is gekomen. Nog steeds denken mensen dat de zon opkomt, maar zo is het niet. We draaien zelf naar de zon toe. Vraag me niet naar het doel of de zin van het leven. Bedenk het zelf! Maak er iets moois van! Toon het! En vergeet niet op tijd wat te drinken en een boterhammetje te eten. Het humanisme is dood en al begraven. We zouden er een standbeeld voor kunnen maken waar vreemde vogels op kunnen schijten. Laten we onze gespletenheid accepteren, we hebben een kant die we als wenselijk ervaren en we hebben een kant die we onwenselijk vinden. Zie die laatste kant als een ongenode gast op een feestje: geef hem een drankje, maak een praatje en zorg dat hij weer vroeg vertrekt, liefst voor middernacht. Het kwaad komt in de wereld door een te enthousiast verlangen naar zuiverheid. Zoek naar een open plek in het bos. Huil als een wolf, lach als een mens en vraag me niet waar ik in geloof.

13 maart 2009

931

Ik keek alleen maar even snel op teletekst voor de weersverwachtingen toen ik het zag staan: Patricia de Martelaere dood. Het raakte me ogenblikkelijk, al kende ik haar niet persoonlijk. Ze gaf geen interviews en profileerde zich niet op internet. Alleen de foto's op haar boeken, maar die vond ik vaak moeilijk te peilen: keek ze nu afstandelijk, schichtig wellicht, of als een stoere vrouw? Of was het poseren ongemakkelijk voor haar? Hoe echt is die glimlach? Uit de persberichten kan ik nauwelijks een beeld vormen van haar persoonlijkheid. Daarom ben ik blij met de tip van de sluier die Remco Ekkers oplicht op de weblog van Pascal Digital. Ach, wat had ik graag eens haar hand geschud om haar te bedanken!

Nee, haar boeken liggen niet ineens torenhoog in de winkels, ze was niet bekend. Bovendien hebben de boekhandels het druk met die jaarlijkse boekenweekellende. Een rondje langs enkele lezende collega's was ook teleurstellend: De Martelaere? Nooit van gehoord. Ik verwijs ze naar één van haar boeken die te lezen is in de Digitale Bibliotheek.

Toch was ik niet altijd een fan. Er was een tijd dat zij ineens belangstelling begon te krijgen voor religies uit Azië. Ik was bang dat zij gevoelig was geworden voor de esoterische kitsch die onze boekhandels overspoeld, maar niets was minder waar. Haar boek over het Taoïsme stelde me gerust en is één van mijn favorieten geworden. De Martelaere verloochent haar filosofische achtergrond niet, ze behoudt voldoende wetenschappelijke distantie, maar weet tegelijkertijd haar analyse persoonlijk te maken. Het is een stijl van filosoferen waar ik erg van houd. Net als bijvoorbeeld Nietzsche en Sloterdijk kun je je afvragen, is zij nu een filosoof die schrijft of een schrijver die filosofeert?

Ik zocht haar boeken op in mijn boekenkast. Ze staan niet bij elkaar. De essaybundels staan bij de filosofische boeken, haar romans bij de Nederlandse literatuur. Dan zijn er nog de boeken waar ze aan meegewerkt heeft, het voorwoord bij Schopenhauers Wereld als wil en voorstelling en Het dubieuze denken, over de geschiedenis van het scepticisme. Dan bedenk ik me dat ik haar roman De staart na enkele pogingen nooit heb uitgelezen. Ik neem mij voor het nogmaals te proberen, als eerbetoon. Of het nu komt door de emotie rond haar plotselinge vertrek of niet, ineens pakt het boek mij en ik lees het in hoog tempo uit. Weerbarstig en prachtig! (Het past overigens uitstekend bij het thema van de boekenweek, maar welke boekenkruidenier weet nog wat hij in zijn kast heeft staan?)

Nee, ik kende haar niet, of slechts via haar boeken. Op de achtergrond was er altijd het verlangen naar haar volgende boek. Helaas, die hoop moet ik laten varen.

12 maart 2009

930

Een aantal weken geleden las ik haar Nachtboek van een slapeloze. Nu is ze er niet meer. Ik zal haar schrijvershand missen!

Patricia, bedankt!

7 maart 2009

929

Mijn ogen willen niet meer, ik ben moe. Ik stop Regels voor het mensenpark terug in mijn werktas en besluit om de dvd van Into great silence op te zetten. Dat doe ik vaker als ik 's avonds alleen ben, even een stukje van die documentaire kijken en misschien juist wel deze dvd, omdat ik nog steeds niet echt begrijp wat mij nu zo mateloos intrigeert aan die beelden – ondanks alle bezwaren die ik ook heb. Is het mijn verlangen naar stilte en eenvoud in deze dolgedraaide open inrichting wat we de Nederlandse samenleving noemen (de PVV van Wilders de grootste partij?!)? Het contrast met de kluizenaars in Grenoble kan niet groter zijn. Het is zeker niet hun devotie dat me aantrekt, ik ben niet godsdienstig en ik weiger me druk te maken over de vraag of er nu wel of niet een god bestaat. Nee, het is hun wereld zonder stress, zonder lawaai, zonder consumentisme, dat me inspireert.

Het is ook de herinnering aan de tijd dat MM en ML nog baby waren, de tijd van de gebroken nachten. W. ging dan altijd vroeg naar bed en ik bleef dan beneden met ML (of, langer geleden, met MM). Dan lag ik op de bank met een slapende baby op mijn borst te kijken naar de great silence. Dat waren mooie momenten en het zijn dierbare herinneringen.

Zoals men na een goede horror-film de adrenaline nog voelt stromen en de trap naar de slaapkamer met argwaan opgaat, zo weet Into great silence het kader van de televisie te vergroten tot mijn huiskamer. De stilte maakt de ruimte groter en doet de tijd langzamer gaan. Er is een scene waar in een hal van het klooster rechts zonlicht schuin door een raam valt, terwijl links een monnik de trap op gaat naar een lichtere ruimte, daartussen aan een muur, centraal, een klok. Een andere monnik windt de klok op. Zo zien we de tijd verbonden worden met het tijdloze. Zo verbindt ook de stilte zich met het geluid in de ruimte. Alleen al het ruisen van de wind in de bomen, het zingen van een vogel in de verte, maakt de ruimte immens groot, omdat het geluid is in de grote stilte. Het geluid accentueert de stilte.

Het maakt me melancholiek, want ik weet, dat – hoezeer ik ook zal proberen om deze stilte mee te nemen in het dagelijkse leven – de volgende ochtend de bestiale herrie van onze welvaart mij weer zal overspoelen. Het lawaai van de moderniteit maakt de ruimte om te leven klein, de oppervlakte van een kooi. Leven in een mensenpark.

5 maart 2009

928

Flessenpost in de virtuele zee, zo noem ik mijn geschreven teksten hier wel eens. Ik hoop dat mijn brieven worden gelezen door langssurfende internetters. Afgezien van een enkel contact, heb ik geen idee wie hier leest en waarom. Dat is niet erg, ik heb niet voor niets de drempel voor reacties verhoogd tot het schrijven van elektronische post. Dat is de enige manier om mij te vinden, het enige spoor naar mijn eiland. Wie de moeite neemt een (elektronische) brief te schrijven, voelt wellicht meer de noodzaak om iets te zeggen dan het gemak van een reactievenstertje.

Het is een mooi beeld dat Peter Sloterdijk van Jean Paul geleend heeft in zijn tekst Regels voor het mensenpark:

Boeken, zo heeft de schrijver Jean Paul eens opgemerkt, zijn een dikke soort brieven aan vrienden. Met deze zin heeft hij wezen en functie van het humanisme kernachtig en sympathiek omschreven: het is vriendschap-stichtende telecommunicatie via het medium van het schrift. [18]
(...)
Het is hun lot op stille planken te staan, als 'poste restante' die niet meer wordt afgehaald – spiegelbeelden of drogbeelden van een wijsheid waarin de tijdgenoten niet meer kunnen geloven – verstuurd door auteurs van wie we niet meer weten of ze nog onze vrienden kunnen zijn.

Brieven die niet meer besteld worden, houden op zendingen aan mogelijke vrienden te zijn – ze veranderen in gearchiveerde objecten. Ook dit feit, dat de toonaangevende boeken van vroeger minder en minder brieven aan vrienden zijn, en dat ze niet meer op de tafels en nachtkastjes van hun lezers liggen maar in de tijdloosheid van de archieven zijn weggezonken – ook dit heeft de humanistische beweging het meeste van haar vroegere elan ontnomen. Steeds minder vaak dalen de archivarissen af naar teksten uit de Oudheid om vroegere uitweidingen over moderne lemma's te raadplegen. Misschien gebeurt het af en toe dat bij zulke naspeuringen in de dode kelders van de cultuur de lang niet meer gelezen papieren beginnen op te lichten alsof er verre bliksems overheen schieten. Kan ook de archiefkelder tot een open plek, een 'Lichtung' worden? Alles wijst erop dat archivarissen en archivisten de opvolgers van de humanisten zijn geworden. Voor de weinigen die nog in de archieven rondkijken, dringt zich het idee op dat ons leven het warrige antwoord is op vragen waarvan we vergeten zijn waar ze gesteld werden. [45-46]

Peter Sloterdijk Regels voor het mensenpark
Amsterdam 2007

Peter Sloterdijk zelf schrijft lijvige brieven. Ooit leende ik Kritiek van de cynische rede en zonder er veel van te begrijpen, las ik het in een roes uit. Het is één van de boeken waarvan ik het betreur dat het niet in mijn boekenkast staat. Van zijn andere grote werk, het driedelige Sferen, heb ik het eerste deel gelezen. Onlangs zag ik dat de de vertaling van deel drie binnenkort uitkomt, dus ben ik begonnen aan deel twee.

Weer ben ik gefascineerd, maar waardoor precies? Een boek van Sloterdijk lezen kost de nodige inspanning. Zijn stijl is barok, zijn zinnen lopen over van betekenis. Hyperbolisch wordt zijn schrijfstijl geytpeerd, het komt inderdaad overdreven over. Ik zoek er eerder een hang naar een overdreven precies formuleren in. Het is alsof de lezer elke zin eerst moet ontwarren, voordat hij aan de volgende zin kan beginnen. Zoals ik tegen iemand zei: na elke zin heb je het gevoel al een alinea gelezen te hebben, na elke alinea een bladzijde, na elke bladzijde een hoofdstuk. Het vereist geduld, contemplatie, zoals bij het schaakspel: soms moet men de tijd nemen om een stelling in al zijn facetten te doorgronden. Dat ik dat bij Sloterdijk weet vol te houden, keer op keer, komt, omdat zijn hyperbolische stijl tegelijkertijd een enthousiaste stijl is. Hij is ondergedompeld, verliefd op zijn onderwerpen. Alsof hij een brief aan een vriend schrijft over wat hij nu weer ontdekt heeft, met veel bravour en, voor wie er oog voor heeft, humor.

4 maart 2009

927

Claudio Monteverdi (1567-1643) Vespro della Beata Vergine (1610)
Gloria patri et filio ...
Mark Tucker (tenor), Nigel Robson (tenor), London Oratory Junior Choir, His Majesties Sagbutts & Cornetts, Monteverdi Choir, English Baroque Soloists olv John Eliot Gardiner
Deutsche Grammophon Archiv 429 565

Muziek klinkt het mooiste in de stilte van de avond. Wanneer de kinderen naar bed zijn en mijn vrouw een activiteit elders heeft, die momenten zijn er om te genieten van de zwijgzaamheid van de boekenkast en de klanken van bijvoorbeeld de Mariaverspers, één van mijn favoriete muzieken.

Hoe zat het ook al weer? Heb ik het ergens gelezen, heeft iemand het mij zo vertelt? Ik probeer het verhaal uit mijn slecht werkende geheugen op te diepen. De post van maestro di cappella aan de San Marco in Venetië was vacant. Monteverdi leefde met zijn twee zoontjes (zijn vrouw was enkele jaren eerder overleden) berooid bij zijn ouders thuis. Wellicht was het het opportunisme van Monteverdi geweest die de hertog van Gonzaga ertoe gebracht had hem te ontslaan. Het kwam de hertog ook niet slecht uit, hij kampte met geldgebrek. De roem van Monteverdi was bekend in Venetië, maar men twijfelde aan zijn kunde om grote religieuze werken te componeren. Hij kreeg de kans om de Mariaverspers te laten horen in de San Marco en het stuk moet daar ingeslagen zijn als een bom. Het enorme werk was dan ook niet gespeend van het nodige theater, Monteverdi wist zijn vaardigheden als operacomponist goed toe te passen. Daarnaast wist hij gebruik te maken van de akoestische ruimte in de San Marco. Het is niet ondenkbaar dat solisten en koren op verschillende plekken waren opgesteld om het theatrale effect nog groter te laten zijn. Een uitvoering als sollicitatie? Waren het de complete verspers zoals we nu kennen? Het is niet ondenkbaar. In ieder geval werd Monteverdi unaniem aangenomen. Monteverdi was met zijn nieuwe baan als het ware de muzikale leider van Venetië en had bepaald geen geldzorgen meer. In ieder geval moest hij de geestelijke muziek bij het kerkelijk jaar verzorgen, de wereldlijke muziek was een ander geval. Geld voor opera was er voorlopig niet.

Het is altijd weer zo'n kippenvelmoment. Als het Magnificat is ingezet, weet ik dat het eraan komt. Het orgel zet een akkoord neer en de klank van de tenor daalt vanuit de gewelven op mij neer: Gloria Patri, et Filio, et Spiritui Sancto (Eer zij aan de Vader en de Zoon en de Heilige Geest), een andere tenor echoot het na om extra muzikale diepte te geven. Typisch barok, die illusie van diepte. Maar dan, het jongetjeskoor (gevleugelde engeltjes) dat in een tergend traag tempo op de achtergrond een contrast neerzet. Het hemelse eeuwige onschuldige tegenover het wereldse, aadse geluid van de (opera)tenoren. Wie kan daar ongevoelig voor zijn? Het lijkt wel alsof Monteverdi eveneens de renaissance stijl naast een barokke stijl heeft willen zetten, alsof hij heeft willen laten horen dat hij beide stijlen beheerst, ze kan vermengen. Daar gaan de Mariavespers compositie-technisch over.

Dan wordt de doxologie afgesloten met het Sicut erat in principio, et nunc, et semper, et in saecula saeculorum. Amen (zoals het was in het begin en nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.). Ik doe mijn ogen weer open. Inderdaad, deze muziek mag eeuwig duren.

23 februari 2009

926

Die kern is strikt genomen geen gemeenschappelijke doctrine; het is eerder een spirituele grondhouding die een wereldbeeld met zich mee kan brengen, een grondhouding die zelf niet te verwoorden valt – elke poging om haar te verwoorden, zou onvermijdelijk twijfelachtig en onbeholpen zijn. Toch moeten we proberen die grondhouding uit te drukken, want een gevoel dat niet is verwoord, kan geen gemeenschappelijk geloof vormen. Die kern, kortom, is een welbepaalde kijk op de wereld, niet als een blinde machine (...) maar als een levend lichaam, voortgestuwd door een soort van spirituele energie. Die energie heeft een richting, een doel, en neigt bovendien naar het Goede, waarin we moeten geloven ondanks alle verschrikkingen en ellende, ondanks alle kwalen van deze wereld.

Leszek Kolakowski De eeuwige stilte van de geloofstaal
in: Nexus 50 2008, 297

Een kern? Waarom zou er een kern moeten zijn? Ik geef toe dat ik er eveneens lange tijd op vertrouwd heb, dat er een kern moest zijn. Zoals er wellicht voor de babylonische spraakverwarring een oer-taal geweest moest zijn, zo was er voor de godsdienstige verwarring ooit een oer-godsdienst. Dacht ik. Ik las mevrouw Blavatsky (madame Blabla) en haar geheime leer.

En waarom zou een eventuele kern positief moeten zijn, het Goede, zo u wilt? God? Waarom niet het Kwade, dat lijkt toch veel meer voor de hand te liggen? Als er dan toch een kern zou moeten zijn, waarom dan niet denken dat die kern soms goed, soms slecht uitpakt? Het leven heeft zijn aangename kanten, maar is toch ook hard en vol tegenslagen, nietwaar?

Of zou met de komst van het menselijke bewustzijn meteen ook de noodzaak van een kern, een principe, ingepakt zijn? Maakt het wellicht onderdeel uit van ons biologisch overlevingspakket? Zouden we de last van een geschiedenis en een toekomst op het scharnierpunt nu (de poortloze poort) anders niet kunnen dragen? Maar waarom er dan een godsdienst van maken? Waarom kan een vraag niet een vraag blijven, zolang er geen bevredigend antwoord op is?

Dan is er altijd weer die wijsneus die roept: de kern is, dat er geen kern is. O ja, de heilige paradox, onderdeel geworden van het westeuropese zenboeddhisme. (Zenboeddhisten! U kent ze vast wel, die gekrenkte hoogbegaafde intellectuelen en talentloze kunstenaars op verjaardagspartijtjes die een hobby hebben gemaakt van boeddhistische taalspelletjes om met een aura van wijsheid in gesprekken altijd het laatste woord te hebben.)

Toch, er zijn momenten, noem het magische momenten, in de nabijheid van geliefden, bij het beluisteren van muziek, het lezen van een zin in een boek, dat mij een gevoel overvalt waarvan menigeen zegt dat het niet in woorden te vatten is. Dit zijn vaak zeer persoonlijke momenten, want bij hetzelfde muziekfragment voelt een ander wellicht helemaal niets. Voor mij zijn dat religieuze momenten. Het verwijst naar, het toont, het roept op ... ja, wat? Een kern? Een scheppend principe? Sommigen noemen het een moment van transcedentie, een moment van verheffing, maar waarnaar toe dan? Anderen ervaren het gevoel als een moment dat alles één was, een tijdloos moment dat alles lijkt te kloppen en op zijn plek valt. Verlichting?

Welk romantisch verlangen naar een verloren wereld, een fabelwereld, speelt mij hier parten? Is het een neurologische truc, een chemische reactie in mijn hersenen? Zal de wetenschap ooit deze magie kunnen onttoveren, zoals de wetenschap de bliksem heeft onttovert tot een elektrische ontlading?

Met het overboord gooien van godsdienst heb ik niet het religieuze gevoel overboord willen gooien. Muziek, literatuur, beeldende kunsten of eenvoudigweg een ontmoeting in het dagelijkse leven, ik heb ze nodig om de magie in het leven niet kwijt te raken. Ik zou het een spirituele energie kunnen noemen, ware het niet dat deze omschrijving verkeerde associaties oproept. Hoe dan ook, ik geloof níet dat het ons louter naar het Goede leidt. Nee, mijn religie, mijn magische momenten gaan over liefde én wanhoop. Het is de blik omhoog, de blik in de verte én de blik in de afgrond. Daar gaat kunst over, daar gaat het leven over. Dat is misschien, heel misschien – en ik durf het slechts te fluisteren – de kern.

Het spreekt vanzelf dat die kern wordt omgeven door miljoenen particuliere geloofsovertuigingen, gevormd door de werking van talloze uiteenlopende maatschappelijke, psychologische en taalkundige condities. Wat niet wegneemt dat die kern in het religieuze leven bestaat, dat het niet een uit al die afzonderlijke bronnen gedistilleerde filosofie of theologie is, maar eerder het geloof in de traditionele zin des woords, in de zin van Sint Paulus – het vertrouwen, vertrouwen in het leven en in een betekenis die verborgen is onder de chaotische, onbegrijpelijke loop der dingen. Die betekenis laat zich niet ontdekken door de gewone waarneming of door wetenschappelijke analyses, en het feit dat ze verborgen is, behoort tot haar aard; anders zou geloven onnodig zijn. Geloven is niet te scheiden van de betekenis van de wereld. Dat wil zeggen dat die betekenis niet een soort kant-en-klare schat is die wacht op de nobele ontdekkingsreiziger; het is een schat die ontstaat en zich ontwikkelt in het eigenlijke proces van zijn ontdekking: pas in Gods geboorte is de mens in staat die schat te zien.

idem, 297

18 februari 2009

925

Meneer Casparis was al jaren een enthousiast Nietzsche-lezer. Hij kon maar moeilijk begrijpen hoe men de inzichten en het lef van deze man uit de weg kon gaan. Toch beschouwde hij zichzelf niet als een Nietzsche-discipel. Veel aan deze man vond hij op een onsympathieke manier hoogdravend en zwaarwichtig. Niettemin had hij er plezier in zich als het ware op de golf van een Nietzsche-gedachte te laten meevoeren. Het eerste boek van Nietzsche dat hij als student in handen kreeg en las, was Morgenrood. Het veranderde iets in zijn overtuigingen. Sindsdien wilde ook hij een 'luchtreiziger van de geest' worden en zich bevrijden van zware aardse gedachten, die hem volgzaam en vleugellam maakten. In de loop der jaren, na het lezen van de andere grote boeken van Nietzsche, leek het hem alsof deze man bijna overdreven trouw aan zijn eigen overtuigingen was geweest, ja dat het eenvoudig was in de jonge Nietzsche al de oude en in de oude nog altijd de jonge te horen. Ondanks alle rijkdom en het hele scala aan enorme gedachteconstructies van deze denker leken de basisovertuigingen eigenlijk in elk van zijn hoofdwerken terug te keren, zij het met verschillende nadruk. Meneer Casparis stuitte op verwante motieven en denkpatronen, op vergelijkbare provocaties en verleidingen, op brutale aanvallen en onweerstaanbare influisteringen, waar hij een boek van Nietzsche ook maar opensloeg. Maar wilde men van hem weten welk boek van de filosoof hij het meest waardeerde, dan zei hij zonder aarzelen: De vrolijke wetenschap. Dit was dan misschien niet het meest radicale en het meest choquerende boek van deze denker, maar wel zijn eleganste en vrolijkste werk. Hier greep Nietzsche niet naar de hamer om te filosoferen, maar slechts naar de floret, hij droeg zijn gedachten voor als een danser en musicus. Nergens anders leek hem de ernst en grimmigheid van deze man zo doordrenkt van een zeer effectief tegengif tegen alle verbetenheid en levenswoede. Dit tegengif heette vrolijkheid, humor en ironie.

Iso Camartin Meneer Casparis ontdekt Nietzsches humanisme
in: Nexus 50 2008, 299

18 februari 2009

924

La Pellegrina. Music for the wedding of Ferdinando de' Medici and Christine de Lorraine, Princess of France, Florence 1589
Jacopo Peri (1561-1633) Dunque Fra Torbide Onder
Harry Van Berne - tenor, Eitan Sorek - tenor, Stephan Macleod - bas, Huelgas Ensemble olv Paul van Nevel
Sony Vivarte 63362

Tegen het einde van de zestiende eeuw kwam er in Italië langzaam maar zeker een nieuwe muziekstijl in de mode. Deze muziekstijl is wellicht door een vergissing ontstaan (en met een rijke fantasie zou men een lijn kunnen trekken naar de hedendaagse popmuziek).

Nieuw in deze tijd waren de Camerata. Schrijvers, musici, adel kwamen bij elkaar om over wetenschap en kunst te spreken. De Florentijnse Camerata is beroemd geworden, ten huize van graaf Giovanni de' Bardi. Eén van de onderwerpen die er besproken werd was hoe ze de klassieke Griekse stijl nieuw leven konden inblazen. Naast de vader van Galileo, Vincenze Galileo, kwamen daar in de jaren 1570-1590 ook twee componisten die in de muziekgeschiedenis verbonden zijn met een nieuwe, barokke, muziekstijl: Giulio Caccini en Jacopo Peri.

Men dacht dat één zangstem met begeleiding het dichtste bij de klassieke Griekse muziek zou komen. De tekst kwam op de eerste plaats en de zanger moest van de begeleiding alle ruimte krijgen om uitdrukking aan deze tekst te geven. De begeleiding, basso continuo, zorgde als het ware voor de harmonische basis waarbinnen de zanger zijn interpretatie van de gezongen tekst kon geven. De zanger kreeg hierbij zeer veel ritmische vrijheid om zijn virtuositeit (met barokke ornamenten) te tonen, de begeleiding volgde. De uitdrukking van de emotionele lading in de tekst werd belangrijk, dissonanten mochten hierbij nadrukkelijk gebruikt worden.

Een groter contrast met de religieuze polyfone koorstijl uit de Renaissance is bijna niet denkbaar. Lange tijd zou deze polyfone stijl het nog volhouden naast de nieuwe, monodische stijl. Men sprak van de Primo Prattica naast de Seconda Prattica. Claudio Monteverdi zou deze Seconda Prattica tot grote hoogte brengen. Jacopo Peri verdween achter de schaduw van Monteverdi, maar staat nog wel in de geschiedenisboeken als componist van de eerste opera. Opera als wederbegoorte van het klassieke Griekse toneel, het verhaal van Orfeo was daarbij favoriet. De opera's van Peri waren sfeervolle herderspelen, Monteverdi was de eerste die het arcadische doorbrak en het drama introduceerde in de opera.

In 1589 trouwde in Florence Ferdinando de' Medici met Christine de Lorraine. Kosten nog moeite werden gespaard en ook de muzikale 'avant-garde' werd uitgenodigd nieuwe composities te maken. Een collectief van tekstschrijvers en componisten maakten La Pellegrina, een toneelstuk met zes mythologische intermedia tussen de bedrijven. Het moet voor die tijd spectaculair geweest zijn, al leek het nog niet op wat later opera zou worden: nog geen grote decors of machinerieën om van alles door de lucht te laten vliegen of decorwisselingen te laten plaatsvinden.

Jacopo Peri tekende voor het vijfde intermedia met een klaagzang Dunque fra torbide onder, een schitterend vroeg voorbeeld van de nieuwe monodische stijl, waarbij ook nog eens de mode van de echo gebruikt werd. Monteverdi zou later in zijn opera Orfeo een vergelijkbare echo in de onderwereld gebruiken en in zijn Mariavespers.

16 februari 2009

923

Iemand adviseerde mij ooit: neem ongeveer vijftien auteurs, lees alles van hen en over hen, en laat het daarbij. Een mooi advies aan iemand die juist zijn wanhoop had geuit over zijn onmacht enig structuur in zijn lezen te brengen. Ik heb het advies nooit erg serieus genomen, maar ik heb me wel afgevraagd voor welke auteurs ik dan eventueel zou kiezen en of ik ooit vijftien auteurs zou halen.

In mijn vroege tienertijd wilde ik alles van Jules Verne lezen. Ik spaarde mijn zakgeld om zo nu en dan zo'n blauw bandje aan te kunnen schaffen. Ze staan nog steeds in mijn boekenkast en ik heb Reis om de wereld in tachtig dagen voorgelezen aan mijn oudste zoon. Maar het eerste dure boek dat ik van mijn gespaarde centjes kocht, was De laatste deur van Jeroen Brouwers. Waarschijnlijk had ik een documentaire op tv gezien, ik weet niet meer goed waarom ik dat boek kocht, een boek over zelfmoord in de Nederlandse letteren. Ik was onder de indruk van de stijl van Brouwers, misschien de eerste keer dat ik onder de indruk was van een wijze van schrijven. En zoals dat hoort in de pubertijd, Brouwers werd een held, ik wilde alles van hem lezen. Dat heb ik heel lang volgehouden. De zondvloed beschouwde ik als zijn ultieme meesterwerk, Zomervlucht viel daarna erg tegen. Jaren later heb ik nog erg genoten van Geheime kamers, maar de magie tussen mij en de boeken van Brouwers was over. Maar ze staan er nog steeds en soms pak ik de band met Zonder trommels en trompetten en het prachtige Overal stilte uit de kast om erin te bladeren en te lezen.

Naast Brouwers was ik in de ban van Thomas Mann en ja, ik heb mijn tijd gehad met Hermans en Mulisch, maar de liefde verzadigde keer op keer. De enige held die is gebleven, is de filosoof Friedrich Nietzsche. Er zijn tijden dat ik hem niet lees, maar het komt altijd weer terug.

Misschien heb ik aan één held genoeg, misschien heb ik de behoefte om van auteurs idolen te maken achter me gelaten. Dat hoort bij een periode in je leven, een periode waarin je je graag spiegelt aan voorbeelden, liefst met een foto aan de muur. En misschien verwar ik de keuze van vijftien auteurs wel met de keuze voor vijftien idolen.

Desalniettemin zijn er auteurs die blijvend mijn belangstelling lijken te hebben. Patricia de Martelaere heeft mij ooit ingepakt met haar essays. Miriam Van hee deed dat met haar poëzie en ondertussen zijn daar Esther Jansma, Hester Knibbe, Maria Barnas en K. Michel bijgekomen. De beminnelijke Alberto Manguel is mij dierbaar met zijn liefde voor boeken en lezen, al laat ik de laatste tijd nieuwe vertalingen van zijn werk staan in de winkel. Ton Lemaire verrastte mij met Open zinnen en sindsdien veer ik op als er een artikel van hem in een tijdschrift staat of als er een nieuwe titel van hem besproken wordt. Hetzelfde geldt voor Rüdiger Safranski die in staat is mij op z'n minst de illusie te geven moeilijke filosofen als Heidegger te begrijpen. Van Peter Sloterdijk begrijp ik niets, maar ik val als een blok voor zijn waanzinnige boeken.

Zo kan ik nog wel even doorgaan, ik zal vast nog wel een belangrijke naam vergeten (Simon Schama? Jonathan I. Israel? Torgny Lindgren? Michel de Montaigne? Menno ter Braak? Carry van Bruggen? ... ach, laat ik maar stoppen, dit leidt nergens toe). De afgelopen jaren heb ik, mede door andere webloggers, liefde opgevat voor de boeken van Fernando Pessoa en W.G. Sebald. Alleen daarom al was het lezen van blogs de moeite waard.

Wel, zit ik al op vijftien? Geen idee, het doet er ook niet toe. Doorgaans leest men het boek, waar men aan toe is. Althans als men zich niet laat sturen door de hype van de dag en het glimmen van glossy boekenmagazines. Boeken hebben de eigenaardige eigenschap om op het juiste moment in iemands leven te komen.

Het is zeker zo, dat de keuze van mijn lectuur geleid wordt door een aantal interessegebieden: (de geschiedenis van de) Nederlandse literatuur, (de geschiedenis van de) filosofie, religie (niet godsdienst), cultuurkritiek (anarchisme), maar zeker niet alles is hiertoe te herleiden. Bovendien zijn deze onderwerpen zo breed, dat er nauwelijks sprake is van een beperkende keuze. En ach, boeken verwijzen naar elkaar zoals websites naar elkaar verwijzen, men kan eeuwig doorgaan met dwalen. (Zo verwijst de naam Ton Lemaire een paar alinea's verder alweer naar de naam Paul de Wispelaere en bedenk ik me ondertussen al hink-stap-springend dat ik ook jarenlang fan ben geweest van Eriek Verpale.)

Of er toch een structuur in mijn lezen zit, dat wil ik niet uitsluiten, maar het is van geen belang meer voor mij. Het gaat uiteindelijk ook niet om de auteur en zijn boek, maar om het lezen zelf. De concentratie van het lezen, het aangaan van een gesprek met een tekst. De verrijking van de leeservaring, het verdiepen van je inlevingsvermogen, het reizen door de tijd, door mogelijke werelden, het ontstaan van nieuwe gedachten, het kantelen van een wereldbeeld. Ik ben eraan verslaafd, het is een primaire levensbehoefte geworden.

6 februari 2009

922

Ik wilde niet naar de film Gomorra, ik vreesde het geweld in de film, ik doe mezelf daar geen plezier mee. Het werd de Afghaanse film Buddha collapsed out of shame. Een verhaal dat zich afspeelt in de vallei waar een aantal jaren geleden de Taliban de immens hoge boeddhabeelden opblies. Het zesjarige meisje Bakhtay wil net als haar buurjongetje naar school. We zien hoe zij aan geld probeert te komen, een schriftje koopt en de school probeert te vinden. Onderweg wordt ze getreiterd door jongens die oorlogje spelen bij de brokstukken van een opgeblazen boeddha. Op indringende wijze wordt de problematiek van oorlog en godsdienstfanatici voelbaar gemaakt vanuit het perspectief van spelende kinderen. De psychologische agressie die hier verbeeld wordt, is minstens zo aangrijpend (zo niet aangrijpender) als in een film als Gomorra. De samenvattende slotzin van de film zal ik niet licht vergeten, maar zal ik hier niet weggeven. Het komt erop neer, dat – wil men leven in een land als Afghanistan – men eerst een innerlijke dood zal moeten sterven om te kunnen (over)leven. Een bijzondere film.

5 februari 2009

921

Deze ochtend zei ik hem geen goedemorgen, nee, deze ochtend niet. Ik had hem al zien aankomen op zijn brommertje over de stoep. Elke keer een stukje verder, afstappen, krant door de bus. Wij passeerden elkaar: goedemorgen! klonk het wellevend naast mij. Hij herhaalde het nog eens, luider, al bijna als een verwensing. Maar ik wilde niet, de wolven gromden en huilden in mijn hoofd, ik wilde hem bijten met mijn stilzwijgen. De enige manier om de roofdieren enigszins in toom te houden. Eigenlijk wilden ze dat ik kapot zou maken, iemand op zijn muil zou slaan, het leven verscheuren. Ze moesten getemd met mijn zelfbeheersing als zweep. Ik zag demonen boven het zwarte water van de gracht en in de verte zag ik de toren van de Westerkerk in het licht van de spot. De kou traande uit mijn ogen. Ik sloeg een hoek om en zuchtte eens diep. Aan het werk dan maar.

30 januari 2009

920

Ieder menselijk wezen heeft een verzameling normen en regels, tradities en gewoonten nodig die door de ouderen op de jongeren overgedragen worden; als hij die miste, zou de eenling nooit volledig mens worden, hij zou niet uitstijgen boven de status van 'in het wild opgegroeid kind' dat tot anomie gedoemd is, dat wil zeggen tot het missen van elke wet en elke orde, wat ernstige stoornissen veroorzaakt. Zo leven tegenwoordig bepaalde kinderen die aan hun lot zijn overgelaten, niet meer in een woud maar in de straten van de grote steden: ze praten nauwelijks, vechten onderling, verkopen zich aan de meest biedende en zoeken in drugs vergetelheid. De vernietiging van cultuur wordt 'deculturatie' genoemd: de positie van een mens die zijn oorspronkelijke cultuur is kwijtgeraakt zonder dat hij een andere heeft verworven en die het gevaar loopt dat hij zijns ondanks in de onmogelijkheid om te communiceren komt te verkeren en bijgevolg tot barbarij vervalt. Zo kunnen we begrijpen (zonder het daarom goed te keuren) dat talrijke bevolkingsgroepen zich beschouwen als de enige die volledig menselijk zijn, terwijl ze vreemdelingen buiten de menselijke gemeenschap stoten: doordat de autochtonen de cultuur van de vreemdelingen niet begrijpen, bestaat die naar hun mening niet, en zonder cultuur is de mens niet menselijk – maar, eventueel, barbaars...

Tzvetan Todorov Barbarij en beschaving
in: Nexus 50 2008, 124

29 januari 2009

919

Het waait er altijd en de wind die er waait is altijd koud. De touwen klapperen tegen de palen en de vlaggen staan strak. De tent voor de ingang van sporthal De Moriaan probeert zich manmoedig staande te houden. Het is de wind die bij het Corus-Schaaktoernooi in Wijk aan Zee hoort. Dit jaar is de tweede maal op rij dat ik niet meedoe aan één van de amateurtoernooien, maar ik kan het niet laten een middag te gaan kijken. Ik ken er de weg zolangzamerhand en daar in Wijk aan Zee verandert weinig. Alsof de schaakklokken daar eeuwig tikken en de spelers er eeuwig de hoogmis van het schaak komen opvoeren. Het is geruststellend om te merken dat er niets veranderd is, ik herken de gezichten.

Dit seizoen ben ik weer competitie gaan schaken en uit praktische overwegingen bij een andere schaakclub. Een jaar lang had ik hooguit wat vluggertjes gespeeld op internet en de partijen van mijn oudste zoon gevolgd. Ik las geen boeken of tijdschriften meer over schaken, het internationale schaaknieuws volgde ik wel, maar kon me nauwelijks boeien. Soms vreesde ik dat de liefde definitief over was. Ik wilde zien of het terug kon komen, het kon toch niet zomaar verdwenen zijn?

Dat ik de afgelopen maanden van de negen partijen er slechts één verloor en er één remiseerde, heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat ik langzaam maar zeker weer plezier in het spel begin te krijgen. Ik speel anders: rustiger, beheerster. De concentratie is terug, en een frisse blik op het spel. Schaakstellingen die ik vroeger zou verprutsen, weet ik ineens tot een goed einde te leiden, daarover verbaas ik mezelf keer op keer. Dit succes zal niet eindeloos zijn, dat weet ik, maar toch geeft het een nieuwe impuls aan een oude liefde.

Volgend jaar weer meedoen in Wijk aan Zee. Vraag me niet wat het precies is, daar in Wijk aan Zee, maar het doet mij weer verlangen. Het schaakbordje is terug in mijn tas, evenals de boeken.

26 januari 2009

918

op schootsafstand
afgevuurde stilte

vertwijfeld
steek ik voelhoorns uit

houd de adem in
zit de tijd uit

dicht bij je schade

Hanna Kirsten Korst en Kruim, 10

14 januari 2009

917

Wie was nou toch die Montaigne? Een nieuwe vriend uit de buurt staat voor mijn boekenkast. Terwijl ik oplepel wat me zo snel te binnenschiet over Montaigne, pak ik het lijvige boekwerk uit de kast en geef het aan hem. Hij begint ergens willekeurig te lezen en grinnikt. Op mijn vraag wat er zo grappig is, leest hij voor:

Evenals we braakliggende akkers, die vet en vruchtbaar zijn, zien wemelen van honderdduizend soorten nutteloos onkruid en we, om ze vruchtdragend te laten blijven, ze aan bepaalde, voor ons nuttige zaaigewassen moeten onderwerpen en ze daarmee bezig moeten houden, en zoals we wel zien dat vrouwen, aan zichzelf overgelaten, alleen brokken en hompen ongevormd vlees voortbrengen en dat ze, om een goed en natuurlijk nakomelingenschap tot stand te brengen, met ander zaad beziggehouden moeten worden, zo is het ook met de geest.

Michel de Montaigne Essays, 48

Die Montaigne toch! Over ledigheid heet het essay, waaruit mijn vriend voorlas. Ik zette het boek weer op z'n plek in de kast en was het voorval waarschijnlijk vergeten als ik niet 's middags een mailtje van Maartje Duin vond. Ik werd uitgenodigd om naar haar programma op de radio 1 te luisteren, over mensen die de ledigheid in hun leven hebben omarmd.

Weer dat woord, ledigheid... Ik herinnerde me dat ik dat woord zelf ook eens gebruikt had in een stukje: Waar is de tijd voor ontstaan, voor rijping, voor reflectie over en het verlangen naar dat ene achter de horizon? Leef ik in een randwereld waar stilstand en denken al als een vorm van burgerlijke ongehoorzaamheid kan gelden? In een wereld die zichzelf te pletter consumeert? Verkwist uw tijd, laaf u aan ledigheid! Gebruik uw tijd eens niet optimaal, verveelt u! Zorg dat u zich niet (oppervlakkig) vermaakt, consumeer nu eens niet, ga gewoon zitten en wees alleen met uzelf, alleen uzelf, en zet uw zintuigen open! Daarmee zou u de wereld wel eens kunnen redden. jwl is uw cursusleider en profeet, wat ik u brom! (zie #891) Een collega plaagde me er wel eens mee als hij met middagpauze ging: zo, ik ga weer even niets doen, dat moet van jwl.

Maar wanneer doe je niets, wanneer geef je je over aan ledigheid? Het is ongetwijfeld een schuilplaats voor een dijk van een paradox, want wie besluit om niets te doen, doet toch iets, namelijk niets. Ledigheid is wellicht toch meer. Dat begrip is verbonden met een maatschappelijke norm, een calvinistische norm, namelijk dat we de tijd die ons gegevens is zinvol moeten gebruiken met de talenten die we bij onze geboorte gekregen hebben. Modern is om dat zinvol bezig zijn te verbinden met economisch nut. Wie antwoordt op de vraag wat doe jij voor de kost antwoordt nou, niets, wordt toch met verbazing aangekeken (en ik kan het weten, ik heb ooit mijn toekomstige schoonouders ermee op de kast gejaagd). Wie dat zinvol bezig zijn bewust nalaat, wie leeft zonder zich maatschappelijk nuttig te maken, die wordt toch al gauw gezien als een parasiet, iemand die profiteert van de inzet en resultaten van anderen.

Toch kunnen ook mensen met maatschappelijke verdienste zich overgeven aan ledigheid. Want al heb je je taak volbracht, je vrije tijd in ledigheid doorbrengen wordt in onze dynamische samenleving evenmin hoog gewaardeerd, al is het minder problematisch dan werkeloos zijn. Ook je vrije tijd dien je immers nuttig te besteden met vrienden of familie bezoeken, of winkelen (geld uitgeven), cultuur doen, sporten of bijvoorbeeld (actueel!) schaatsen. Op maandagochtend op je werk vertellen dat je het hele weekend niets gedaan hebt, maakt je niet direct tot de meest populaire collega. Tenzij je imago er al één is van een dynamische persoonlijkheid, dan wordt het nog wel geaccepteerd met de opmerking dat het ook wel eens lekker kan zijn, zo'n weekend niets doen, zonder verplichtingen, niets moeten, dan kun je je het een keer veroorloven. Iemand die consequent zijn vrije tijd met overtuiging zinloos gebruikt, zich overgeeft aan ledigheid, die kan doorgaans op weinig sympathie rekenen. Zijn sociale status nadert het nulpunt.

De reden waarom ik een pleidooi wil houden voor meer ledigheid in het leven – naast het stille verzet tegen haast en het doorgedraaide economische nuttigheidsdenken – is vooral, omdat het ruimte creëert. Ruimte waarin iets tevoorschijn kan komen wat anders onzichtbaar blijft. Meestal realiseerbaar ik me dat pas achteraf. Mijn beste invallen voor het schrijven ontstaan vaak in onbewaakte ogenblikken, ogenblikken die ik in ledigheid doorbreng. Het is niet af te dwingen, ik kan niet zeggen: nu ga ik even wat tijd in ledigheid doorbrengen en dat komt er wel vanzelf een stukje voor mijn website. Nee, het komt pas wanneer ik het niet zoek, tijdens een moment van dagdromen. En eigenlijk vind ik dat soort momenten veel waardevoller dan het zinvolle werk dat ik ook doe. Het zijn juist die momenten die al mijn activiteiten zinvol maken, want de momenten in ledigheid haalt verbanden naar boven, opent mijn zintuigen voor geluiden die ik anders niet hoor, of beelden die ik anders niet zou zien, en het levert gedachten op die ik anders niet zou hebben.

Het zou me niet verbazen dat het voor Montaigne op een vergelijkbare wijze heeft gewerkt. Zonder de ledigheid in zijn leven, zouden we nu waarschijnlijk niet zo'n lijvig boek met essays uit de kast kunnen pakken.

Toen ik mij niet lang geleden op mijn landgoed terugtrok, vastbesloten om mij, in zoverre dat mij mogelijk was, om niets anders te bekommeren dan hoe ik het weinige dat me nog van het leven restte, in rust en afzondering door zou brengen, leek het me dat ik mijn geest geen grotere dienst kon bewijzen dan hem in staat te stellen zich in totale ledigheid met zichzelf bezig te houden, tot zichzelf te bepalen en in zichzelf rust te vinden, wat hem, naar ik hoopte, dan gemakkelijker zou afgaan, omdat hij met de tijd zwaarder en rijper geworden was. Maar ik merk – variam semper dant otia mentem [noot: Ledigheid versnippert de geest (Lucanus, Pharsalia, IV, 704)] – dat de geest in tegendeel, als een op hol geslagen paard, zichzelf honderdmaal meer problemen geeft dan hij ooit voor een ander op zich nam; en hij baart me zoveel hersenschimmen en bizarre monsters, de een na de ander, zonder orde en zin, dat ik begonnen ben ze op papier te zetten om ze in al hun vreemdheid en onzinnigheid op mijn gemak te overdenken, in de hoop daar op den duur mee te bereiken dat hij zich voor zichzelf schaamt.

idem, blz. 49

Zo luisterde ik dan naar het portret van Lotte Klaver (www.lotteklaver.nl), gemaakt door Maartje Duin, afgelopen zondagavond. Het was mooi, het was te kort, maar ik genoot van het luisteren naar radio. En terwijl ik na afloop in een moment van ledigheid de vaatwasser aan het uitruimen was, verbonden langzaam maar zeker een nieuwe vriend, Montaigne, een oud stukje tekst, Maartje en Lotte zich met elkaar en kwam ik tot een nieuw inzicht.

12 januari 2009

916

Het was op 3 januari 1889 dat ik samen met Fritz door de straten van Turijn liep. We hadden elkaar een gelukkig nieuwjaar gewenst en een rustig gesprek gevoerd. Er leek niets aan de hand. Toen we bij de smidse naar binnen keken en zagen hoe onder het neerkomen van de hamer de vonken opspatten, had Fritz nog lachend uitgeroepen dat de Nibelungen weer een ring aan het smeden waren. Ook vertelde hij enthousiast over de geometrie van het stadsplan, de rechtlijnigheid van de straten beviel hem zeer. Pas toen hij mij de Mole Antonelliana toonde – met zijn 167 meter een blikvanger van de stad – veranderde er iets in zijn houding. Het gebouw was ooit bedoeld als synagoge en dat herinnerde hem aan zijn zus. Die vervloekte antisemieten waar ze nu mee omging, die hadden hem zijn lieve zus afgenomen. Vooral de antisemieten rond zijn vroegere vriend Wagner hadden zijn zus tot een verbitterde vrouw gemaakt die overal joodse complotten zag. Fritz klonk niet zozeer boos, maar bedroefd. Het is een ramp, zei hij, ik raak mijn zus kwijt en niemand leest mijn boeken.

Op dat moment pakte ik hem met beide handen bij de schouders vast en keek hem recht in de ogen. Fritz, zei ik, Fritz, wanhoop niet. Over honderd jaar lezen onvoorstelbaar veel mensen jouw werk. Er zullen lezers zijn die je werk verzamelen, die er een studie van maken. Je boeken zullen in vele talen vertaald worden, ook je aantekeningen en de brieven die je geschreven hebt. Geleerden zullen colleges aan je wijden, biografen zullen zich op je leven storten. Jouw tijd komt, geloof me, ik kan het weten!

Fritz bleef lange tijd als in trance over mijn schouder in de verte turen, alsof hij daar de toekomst in een droombeeld kon zien. Hij ademde diep, richtte zich op alsof hij een last van zijn schouders wierp, stak zijn borst fier vooruit en wende zijn blik naar de hemel. Zijn houding werd heldhaftig, zijn mond opende zich achter zijn enorme snor en er kwam een lach, een lach die – ik kan het niet anders omschrijven – duivels was. Van schrik liet ik hem los en deed een paar stappen achteruit. Zijn donkere ogen werden rood van vuur, zijn hoofd schudde alsof een enorme migraine hem pijnigde.

Plotseling werd zijn lach overstemt door het hinniken, nee, het krijsen van een paard. Aan de overzijde van het Piazza Carlo Alberto steigerde panisch van angst een zwart paard. Een koetsier beulde het beest af met een zweep. Fritz stopte met lachen, begon als een waanzinnige dwaas te rennen en vloog het paard om de hals. Ik stond aan de grond genageld.

Wat er verder gebeurde onttrok zich aan mijn blikveld. Vele mensen stroomden toe naar het surrealistische tafereel. Op een gegeven moment maakten twee agenten zich los uit de massa, een schijnbaar levenloos lichaam hing als een gekruisigde tussen de dienders in. Dat lichaam moet mijn goede vriend Fritz zijn geweest. Dat was de laatste keer dat ik hem zag.

Dagenlang heb ik hem gezocht. Thuis was hij niet, de politie had hem laten gaan en wist verder van niets. Ook het ziekenhuis had mijn vriend niet gezien. Na enkele dagen wist de kamerverhuurder van Fritz me te vertellen dat er vrienden uit Basel voor Signor Nietzsche waren gekomen om hem mee te nemen.

Fritz was totaal ingestort, er kwam geen zinnig woord meer uit zijn mond, zo heb ik later vernomen. Ik had ondertussen geen redenen meer om nog langer in Turijn te blijven en ging terug naar mijn eigen tijd. Later ontving ik een nagezonden brief. Het was onmiskenbaar zijn handschrift, maar ondertekend door Prometheus.

8 januari 2009

915

Mijn waarde H.,

Mijn brieven zijn als doodssteken en deze brief is de laatste en definitieve doodssteek die ik je zal toebrengen. Er rest niets anders meer dan een personage, je komt niet meer overeen met de werkelijkheid en je bent nu nog slechts een schepping in mijn hoofd. De nog levende H. leeft op een plaats en in een tijd die de mijne niet is. Ik weet niet meer wie je bent, ik kan je eenvoudigweg geen brieven meer schrijven over het graf van de herinnering heen. Zoals een losgelaten ballon wordt meegevoerd op de wind, zo zal ik deze brief laten gaan in het wit van de virtuele ruimte.

Waarom kon ik je zo slecht loslaten? Misschien wel omdat met jou mijn schrijven begon en ik bang ben dat met jouw verdwijnen ook mijn schrijven zal stoppen. Maar het omgekeerde zou ook kunnen: de angst, dat als ik zou stoppen met schrijven, jij zou verdwijnen. Je verdween door het schrijven. Niet langer word ik geplaagd door een welkome demon, je bent als het ware mijn muze niet meer. Ik ben een illusie armer.

Lang heb ik nagedacht over mijn laatste woorden aan jou. Ik herinner me dat ik in de tijd van de papieren brieven vaak afsloot met een gedicht. Daar moet ik je dankbaar voor zijn, dat ik door jou poëzie ben blijven lezen, altijd op zoek naar een geschikt gedicht; dat zoeken zal voortgaan. Voor dit moment en deze plek kon ik het ultieme gedicht niet vinden en dat bestaat waarschijnlijk ook niet. Dus sluit ik af met een gedicht dat me toevalligerwijs de laatste tijd bezig houdt. Ik heb hier al eens eerder een gedicht van Jan Geerts overgeschreven. Dit gedicht doet me denken aan een beeld uit de film Nostalghia van Tarkovsky, een beeld dat lange tijd onderdeel was van de opmaak van mijn weblog en dat op een of andere wijze verwijst naar de tijd dat jij werkelijk, van vlees en bloed, in mijn leven was. Het was een mooie tijd, H., een dierbare tijd, ik zal het niet vergeten, maar ik weet dat het nooit terug komt en dat hoeft ook niet meer.

Wie was jij? Wie was ik? Kijk nog eenmaal om en ga dan! Ga!

Soms is een vermoeden genoeg
om zeker te zijn van niets, zo iets

als een lege kamer – geen mens,
zelfs geen gedachte erin, hooguit

de herinnerde geur van koffie
in de ochtend, of het verwelken

nog, maar al lang geen bloemen
meer – werkelijk niets, behalve

vier muren, de tijd en een venster
op zoek naar aanwezigheid,

een plek, een weerloze dag waarop
woorden vallen en blijven liggen

zodat men er naar kan terugkeren
als naar een lege kamer, of enkel

de gedachte daaraan,
of zelfs dat niet

Jan Geerts De n van iemand
Leuven 2008, 51

Dag lieve H., wees gelukkig, verdwijn nu achter de horizon. Dag ...

jwl

7 januari 2009