jwl

1089

Felicie Schneider (1831-1888)
The Reader

2 december 2011

1088

Hier vocht men dagen met zijn stilte.
Als een woord lag men te wachten
op zin, het zwenken van taal.

Zo kon men botsen met zijn ogen,
als gaten diep verankerd.

Ook wilde men spreken over letters
als wankele staketsels.

Over lang vervlogen nachten
met een ingemaakte man,
het kermen van de katten.

Niets was onbelangrijk.
Waren het niet de woorden,
het was de volgorde waarin hij ze zweeg.

Lies van Gasse Brak de waterdrager
Amsterdam 2011, 17

26 november 2011

1087

Even Ulving (1863-1952)
Lesende Kvinne (1886)

24 november 2011

1086

Er staat een huis in een landschap dat woest en leeg is. Ik hoor dat het stormt, ik zie stof en bladeren voortwaaien, maar de bomen lijken nauwelijks te bewegen. Het is een andere storm. Een jonge vrouw verlaat het huis en worstelt door de wind naar de waterput. Wat nu als de bron geen water meer geeft? Er staat een paard in de stallen. Hij wil de kar niet meer trekken, behalve als de reis een vlucht is. Een vader staat op uit zijn bed. Hij laat zich kleden door zijn dochter. Zijn rechteroog wil niet meer open, zijn rechterarm laat zich niet meer bewegen. De vader begint de dag met een glas palinka, levenswater. Wat nu als ook dit water op is?

Tarr kan in interviews wel beweren dat zijn films niet metafysisch, symbolisch of allegorisch geïnterpreteerd mogen worden, ondertussen nodigen de beelden in zijn films juist uit tot allerlei duidingen. Tarr wil de mens tonen die in de marge van de samenleving zijn strijd voert om het naakte bestaan. Maar Wittgenstein indachtig (Er bestaan stellig onuitsprekelijke zaken. Dit toont zich, het is het mystieke. Tractatus 6.522), in het tonen van zijn sociale bewogenheid voor de armlastige mens klinkt een hele reeks boventonen mee en ik denk dat Tarr dat wel degelijk weet.

We krijgen zes dagen uit het leven van drie personages te zien – een vader, een dochter en een paard –, zes dagen die als het ware een omgekeerd scheppingsverhaal vertellen. En wij moeten zien dat het níet goed was. Halverwege de film komt er iemand langs. Hij steekt een tirade af, het gaat slecht met de wereld, het is de schuld van zowel God als de mens. Zij vernietigen de wereld, als een destructieve storm. Schaduwen van Nietzsche. Er komen zigeuners langs, ze willen water drinken uit de waterput, maar ze zijn niet welkom. Wanneer ze vertrekken geeft een oude man een boek aan de dochter. Later opent zij het boek en stamelend leest ze er uit voor. Volgens Tarr is het een anti-Bijbel, een werk van de schrijver van deze film, Lásló Krasznahorkai. Het bevat referenties aan Nietzsche.

Vader en dochter zwijgen, vloeken, doen korte mededelingen of geven opdrachten. Er is geen affectie tussen beiden, het zijn gevangenen in hun dagelijkse rituelen. Ze lijken ergens op te wachten (Beckett), ze eten slechts gekookte aardappelen (Van Gogh). The Turin Horse is een duistere, sombere film die alleen vol te houden is voor wie gevoelig is voor de beeldtaal van Béla Tarr. Tweeëneenhalf uur, dertig takes. Dan gaat, onherstelbaar, het licht uit.

The Turin Horse - Official Trailer

21 november 2011

1085

Niemand kwam de hoek om, niemand volgde haar, niets meer verstoorde de doodse rust van de uitgestorven stad, alleen het steeds luider hoorbare puffende geluid van daarnet, en in die angstaanjagende compleetheid van de stilte – geen jammerkreet, geen stompgeluid: op de bijna gave stilte bij de artesische put vormde ook het misdrijf, want wat kon het anders zijn, een antwoord met zijn geluidloze geschiedenis – leek het al niet meer zo uitzonderlijk dat er helemaal geen mensen op straat waren, want onder normale omstandigheden had ze – ondanks de bijna epidemische vormen aannemende neiging tot afzondering – toch ten minste een enkele voorbijganger tegen moeten komen, tenminste hier, bij het gedeelte van de Avenue Béla Wenckheim dat dicht bij de binnenstad lag. Voortgedreven door bange voorgevoelens liep ze haastig verder en allengs kreeg ze steeds meer het gevoel alsof ze in een nachtmerrie was terechtgekomen, en toen ze de bron van het puffende geluid, dat inmiddels duidelijk te horen was, dicht genoeg was genaderd en achter de stammen van de kastanjebomen opeens het lompe geval in het oog kreeg, was ze ervan overtuigd dat ze door de uitputting en de angst gewoon hallucineerde, want datgene wat ze zag leek in de eerste instantie niet alleen verbijsterend, maar volkomen ongeloofwaardig. Niet ver voor haar bewoog zich midden op de brede weg een spookachtige constructie eenzaam voort in de winterse nacht – als het lamlendige gesukkel waarmee dit duivelse voertuig met de onthutsende traagheid van een wegwals, strijdend om elke centimeter, moeizaam op weg was naar de binnenstad, nog wel de naam beweging verdiende: alsof het niet op de oppervlakte rolde, tegen de kracht van de stormachtige tegenwind in, maar zich door een dikke, taaie, stroperige substantie heen moest boren. De dichte, met blauwe golfplaat bedekte wagen, die aan een reusachtig treinstel deed denken en volgeklad was met schreeuwerige gele opschriften (en een onbegrijpelijke donkerbruine figuur in het midden) was veel langer en veel groter – zo stelde ze met ontzetting vast – dan de enorme Turkse vrachtwagens die een tijd geleden nog door de stad reden, en dit ongelofelijk wanstaltige gevaarte, dat een zoetige vislucht verspreidde, werd hortend voortgetrokken door een walmend en van olie glimmend trekkerachtig wrak uit de prehistorie. Toen ze hem had ingehaald, vertraagde ze haar pas terwijl ze erlangs liep met een nieuwsgierigheid die zelfs haar angst overstemde, maar hoe ze de door een ongeoefende hand geschreven klungelige, vreemde letters ook bestudeerde, hun betekenis bleef voor haar verborgen ('... misschien iets Slavisch ... of Turks? ...'): ze kon er dus met geen mogelijkheid achterkomen welk doel hij diende en wat hij in hun uitgestorven, verwaaide, door de vrieskou gekwelde stad te zoeken had, en evenmin kon ze bedenken hoe hij er was terechtgekomen, want met die slakkengang zou de reis zelfs uit het dichtstbijzijnde dorp jaren duren, terwijl het ook moeilijk was voor te stellen (hoewel het toch niet anders kon zijn gegaan) dat hij per trein was vervoerd. Ze versnelde weer haar pas, en net toen ze het beangstigende transport was gepasseerd, zag ze, terugkijkend, in de glazen cabine van de trekker een grote, behaarde, flegmatisch uitziende man met alleen een wit onderhemd aan, met een sigaret hangend in zijn mondhoek, die – toen hij haar opmerkte op de stoep – een spottend gezicht trok en zijn rechterhand langzaam van het stuur omhoog haalde, als om de hem aanstarende voorbijganger te groeten.

Lásló Krasznahorkai De melancholie van het verzet
in: Deus ex machina 137, 2011, 130

1 november 2011

1084

Henri Fantin-Latour (1836-1904)
La liseuse (1861)

25 oktober 2011

1083

In de trein pakte ik mijn nieuwe aanwinst uit om, zoals ik altijd doe met een nieuw boek of tijdschrift, even een paar bladzijden te proeven. Nadat ik het prijsje van de omslag gepeuterd had, bladerde ik naar de eerste bladzijden en begon te lezen. Algauw was ik de wereld van De ringen van Saturnus van Sebald binnengetrokken. Verbijsterend hoe Sebald dat toch elke keer weer voorelkaar krijgt. Toen ik het me plotseling realiseerde hoe ik weer gepakt was, begon ik te mijmeren over de stijl van Sebald. Ik dacht aan mijn eigen boek, hoe ik het helemaal verkeerd aanpakte en ik herschreef in gedachten de eerste alinea. Zinnen die ondertussen alweer vervluchtigd zijn.

's Avonds keek ik naar één van mijn favoriete films, Nostalghia van Andrej Tarkovski. Ineens leken Sebald en Tarkovski bijelkaar te horen op een eigenaardige wijze. Ik ervoer dezelfde vloeibaarheid van de tijd, hoe anders het boek en de film ook zijn. Met name de scène op de hotelkamer, een scène die ik graag vaak terugkijk. De duisternis en het geluid van de regen buiten. De russische dichter Andrej die op het bed gaat liggen en de hond die ineens uit de badkamer opdoemt en de eenzaamheid van de hoofdpersoon accentueert. Hier begint de werkelijkheid in een droom over te gaan, vooral herkenbaar in een subtiele verandering van kleur. Mij brengt het terug naar de alleenzame jaren in Bosch en Duin, jaren die op één of andere wijze verdicht terugkomen in de dagen van nu.

(het fragment begint ongeveer op 0:30; deze donkere beelden kunnen het beste bekeken worden in volledig scherm)

Andre Tarkovsky's Nostalghia Clip--Perfect Rain and Dog Dream Sequence-HQ Film Clip

20 oktober 2011

1082

Gustav Adolph Hennig (1797-1869)
Lesendes Mädchen (1828)

Het portret van Gustav Adolph Hennig is voor mij niet zozeer een portret van een meisje als wel een portret van een lezeres. Het is de soberheid van de afbeelding die mij aantrekt. De donkere leegte van de achtergrond, de afwezigheid van decorstukken. Het plaatst de afgebeelde persoon in het opvallend gekleurde kledingstuk nadrukkelijk op de voorgrond. Ondanks de felle kleur is het portret zeer introvert. Er is geen nadruk op de vrouwelijkheid van de gepotretteerde, integendeel. Het boek lijkt gespiegeld te worden in het kapsel, door de kleur, maar ook door de scheiding die nagenoeg een rechte lijn met het midden van het boek maakt.

Wie is het? De titel van het schilderij geeft geen uitsluitsel en ik weet niet of het bij kunsthistorici bekend is. Wellicht ging het Hennig ook niet om de afgebeelde persoon, maar meer om een universeel portret van 'een lezend meisje'. Het schilderij vertelt ons niets over het meisje. Wat was haar komaf? In welke tijd leefde zij? Zelf heb ik door de kleding vage associaties met de vijftiende eeuw, Italië, maar ook met Dürer (maar ik heb geen (kunst)historische kennis om hier iets zinvols over te beweren).

Wat leest zij? Dat is evenmin duidelijk, maar door de gevouwen handen die losjes op een opgetrokken knie rusten en door het zwart van het boek, is mijn eerste indruk een religieus boek. Een gebedenboek of een bijbel wellicht, de schilder vond het schijnbaar niet belangrijk om het te vermelden, we mogen het zelf bedenken. Het kan dus net zo goed om 'het boek' gaan.

Natuurlijk kijk ik met eenentwintigste eeuwse ogen en wil ik de afbeelding uit een religieuze sfeer halen. Toch kan ik er niet om heen dat het schilderij een devote uitstraling heeft. De neergeslagen blik, de gevouwen (gekruiste) handen, de leeshouding in het algemeen, alles heeft een deemoedige houding. Of toch niet. Misschien verbeeld ik het mij, maar het meisje heeft iets schuchters, achter de samengeperste lippen lijkt nog iets van een glimlach verborgen te zitten.

Nee, het gaat hier niet om de persoon van het meisje, het schilderij gaat ook niet over het boek dat zij leest. In mijn ogen wordt hier een beeld geschetst van het karakter van het lezen zelf. Het lezen als een religieuze, ascetische handeling, een zich terugtrekken uit de wereld, de verinnerlijking van een gelezen werkelijkheid.

7 oktober 2011

1081

Een rijke bron van ressentimentstypen wordt verder gevormd door zekere typische relaties tussen familieleden onderling en tussen de partners in een huwelijk. Voorop komt in dit bestek de niet zozeer belachelijke, als wel tragische figuur van de 'schoonmoeder', in de eerste plaats de moeder van de man, waarbij het sekseverschil tussen de moeder en het geliefde kind de verhouding nog compliceert. Het zonder verdringing van jaloerse haat verduren dat een wezen waarvan je sinds de geboorte hebt gehouden, waarvoor je op alle mogelijke manieren hebt gezorgd, en dat je liefde volledig beantwoordde, zich plotseling richt op een ander wezen, en bovendien nog een vrouwelijk wezen, d.w.z. van het eigen geslacht; een wezen dat nog niets voor het liefdesobject heeft gedaan, en zich toch gerechtigd voelt van alles te eisen; en dat je daarbij ook nog geacht wordt blij te zijn, je gelukkig te prijzen, en de nieuweling zelfs met liefde in de armen te sluiten; dat is een situatie die de duivel niet sluwer had kunnen bedenken om een held op de proef te stellen! Het is waarachtig geen wonder dat in liederen, in sagen en in de geschiedenis van alle volkeren de schoonmoeder optreedt als een kwaadaardig en geniepig wezen.

Max Scheler Het ressentiment in de moraal
Amsterdam 2008, 34

29 september 2011

1080

Het moet op de middelbare school zijn geweest, dat ik de eerste keer over Joseph Conrad en zijn Heart of darkness heb gehoord. Tijdens een les Engels of wellicht geschiedenis. Ik had me voorgenomen dat boek ooit te gaan lezen en elke keer wanneer ik schrijver en titel in andere boeken tegenkwam, herinnerde ik me weer dat voornemen. Ruim vijfentwintig jaar later heb ik het dan eindelijk gelezen, in een Nederlandse vertaling.

Zo'n boek is het, zo'n boek dat je geregeld tegenkomt in andere boeken. Het wordt veel geciteerd. Er zijn veel van dergelijke boeken. De Belijdenissen van Augustinus is zo'n boek, Plato is zo'n filosoof, Madame Bovary kom je ook overal tegen en u kunt vast uitstekend meer namen en titels noemen.

Het is allemaal wereldliteratuur, boeken die de tand des tijds ruimschoots hebben doorstaan en voortdurend gelezen en herlezen worden (of in ieder geval: geciteerd). Ik liep er altijd met een grote boog omheen. Waarom? Omdat ik te vaak hoorde, dat het boeken zijn die je gelezen moet hebben. Als ze al zo vaak gelezen werden, waarom zou ik het dan nog doen? Ja, Nietzsche, die lees ik graag, maar dat is voor mij heel persoonlijk, zijn teksten komen me na, die inspireren en ergeren mij, die zijn als een vader voor mij. Maar al die andere boeken, nee, die staan te hoog op de Olympus.

Toen kwam uitgeverij Athenaeum met zijn Perpetua reeks, een reeks die de 100 beste boeken van de wereld omvat. Om die marketing-taal moest ik wel even grimlachen, toch kan ik er niet om heen, dat de lijst vooral uit boeken bestaat waar ik hierboven over schrijf. Gevoelig voor seriewerken als ik ben, maakt zo'n reeks in een eerste reflex hebberig. Het vraagt erom om verzameld te worden. Afgezien dan van die paar titels die ik al in mijn kast heb staan (ik blijk de afgelopen jaren toch meer zogenaamde wereldliteratuur te hebben gelezen dan ik dacht). In tweede instantie schudde ik mijn hoofd, ik hoef dat toch allemaal niet te lezen? Alleen die Joseph Conrad, die wil ik nog lezen, misschien wordt het eens tijd.

En ik las het boek en terwijl ik het las dacht ik geregeld: daarom dus, daarom is het zo beroemd. Geweldig hoe Conrad de lezer de Kongo laat afzakken, dieper en dieper het oerwoud in. En hoe tegelijkertijd de reis in de ruimte ook een reis naar binnen wordt. Dan kom je voortdurend zinnen tegen die je zou willen voorlezen, of citeren. Uiteindelijk kun je er dan niet meer om heen, dit boek moet iedereen gelezen hebben!

En dit verstilde leven had helemaal niets vredigs. Het was de verstildheid van een onverzoenlijke kracht die dreigend op een ondoorgrondelijk plan broedde. Je werd er wraakzuchtig door gadegeslagen. Later raakte ik eraan gewend. Ik zag het niet meer. Ik had geen tijd. Ik moest blijven gissen waar de vaargeul was. Ik moest de tekenen herkennen, veelal op mijn gevoel, die op zandbanken duidden. Ik keek uit naar stenen onder water. Steeds beter leerde ik mijn tanden keurig op elkaar te klemmen vóór mijn hart naar buiten vloog, wanneer ik door stom geluk rakelings langs een of andere smerige oude boomstam in de rivierbedding scheerde, die dat koekblik van een stoomboot zeker aan flarden gescheurd zou hebben en alle pelgrims de verdrinkingsdood zou hebben ingejaagd. Ik moest uitkijken naar geschikt dood hout dat we 's nachts tot brandstof voor de volgende dag konden hakken. Wanneer je je met dat soort dingen moet bezighouden, met enkel datgene wat zich aan de oppervlakte afspeelt, dan verlies je de werkelijkheid – de werkelijkheid, zeg ik jullie – uit het oog. De diepere waarheid blijft verborgen – gelukkig, gelukkig maar. Maar niettemin was die voor mij voelbaar. Vaak voelde ik me door haar mysterieuze stilte gadegeslagen bij mijn apenkuren, net zoals ze jullie kunsten gadeslaat die jullie ieder op je eigen slappe koord vertonen, voor – hoeveel zou het zijn? – een halve kroon per buiteling...

Joseph Conrad Hart der duisternis, 49

28 september 2011

1079

MADRUGADA - NIGHTLY DISEASE PART I

21 september 2011

1078

Waarde R.,

Nee, je hoeft niet bang te zijn dat er ooit een boek van mij in de handel komt. Ja, er spookt een boek in mij, ik heb zelfs ooit geprobeerd om een begin te maken, maar ik heb geen wensdroom om een boek ter wereld te brengen. Er komen elke dag genoeg nieuwe titels op de markt en er is nog geschiedenis genoeg, dus die paar bladzijden van mij zullen niet gemist worden. Ik heb ook niets te melden, er is niets wat ik een lezerspubliek zou willen aandoen, ik heb geen boodschap. Ik voel ook geen behoefte om iets na te laten. Dat er na mijn dood nog ergens in een obscuur boekwinkeltje – want ooit zullen boekwinkeltjes zeldzaam en obscuur zijn – wellicht nog een exemplaartje van mijn boekje te vinden zou zijn. Geen denken aan.

Als ik je al over 'mijn schrijven' spreek, dan is dat eerder zoals ik in mijn studietijd componeerde. Ik vond het een aangename bezigheid om te werken aan een muziekstuk. Ik kon er herinneringen en ervaringen in kwijt en daarnaast vond ik het boeiend om enigszins te ontdekken wat dat nu was, 'componeren'. Of althans, hoe dat dan bij mij werkt. In ieder geval veranderde het mijn manier van luisteren naar muziek. Zoals men een symfonie van Beethoven beter leert kennen door zelf een pianoversie te spelen dan door tientallen keren te luisteren naar opnames van o zo beroemde interessante orkesten en dirigenten, zo ontdekt men sneller iets over het vak componeren als men het eenvoudigweg zelf probeert.

Op dezelfde wijze ben ik met het schrijven van een boek bezig en ik kan je verzekeren, dat valt nog niet mee. Ik weet ongeveer hoe het verhaal moet beginnen en eindigen, maar hoe ik nu de juiste woorden moet vinden om die twee aanelkaar te knopen, geen idee. Net als bij het componeren geldt hier: ik heb er geen talent voor. Maar ik heb ook geen heilig vuur voor het schrijven. Ik mis het niet heel erg als ik het niet doe, ik ervaar geen noodzaak en als ik een dag niet geschreven heb, dan heb ik daar geen last van. (Met lezen is dat anders. Ik kan onrustig en chagrijnig worden als ik een dag niet of nauwelijks gelezen heb.)

Dus, wees gerust, geen boek van mij in de winkel. Vraag je liever af als je weer eens in een boekhandel bent, wie al die boeken toch moeten gaan lezen? Al die stapels, al die nieuwe titels, wie kopen dat toch? Waarom? Ik begrijp het soms echt niet. Ik gun al die auteurs hun boek en hun roem, maar als al die boeken zouden gaan spreken, dan zou ik gek worden van al die stemmen die aandacht willen van de kopers. Al die visies, verhalen, theorieën, boodschappen, esthetieken, analysen ... ik word er horende doof van en het leidt nergens toe. Dan denk ik wel eens, laat ik dan dat boek maar schrijven, dat boek, dat altijd stil verstopt in een hoekje ligt, dat bij voorkeur nergens over gaat en niets van zijn lezer wil, dat niets te bieden heeft en nooit opgemerkt wil worden – en dat ook beter niet geschreven of gedrukt had kunnen worden. Wel, met dat boek ben ik soms druk bezig, het is mijn leven. Het is niets en het zal nooit wat worden. Ik vind dat zeer geruststellend.

met olijke groeten,
jwl

20 september 2011

1077

Hij is als een schaduw, ieder van ons neemt zijn eigen horizon met zich mee.

Janneke Wesseling Verschijning en verdwijning van de horizon
in: Terras 00, 2011, 20

13 september 2011

1076

Het waren de kleuren die mijn aandacht trokken. Herfstkleuren vind ik mooi en dan vooral de schakeringen rood. Maar toen zag ik haar staan, daar in de boekhandel. Wie is zij? Waar is zij? Waar is deze foto genomen? Wie heeft deze foto genomen? Ik was meteen geïntrigeerd door de verschijning, daar voor een boekenkast, verdiept in een boek.

Welk boek kijkt zij in, wat leest zij? Ik zou wensen dat ze opkeek, de fotograaf betrapte, een glimlach misschien. Herkennen mensen elkaars liefde voor boeken? Zouden zij daardoor verliefd kunnen worden op elkaar?

12 september 2011

1075

Als ik dan al op een warme zomerdag een schaduwplekje zoek in de tuin, dan is dat zeker niet om te lezen. Hoe het komt, weet ik niet, maar ik kan niet goed lezen in de buitenlucht. Is het het felle licht van de zon? Zijn het de geluiden die buiten anders zijn, een andere akoestiek hebben? Is het de vrije ruimte, het gebrek aan een plafond? Of is het een combinatie van deze oorzaken? Hoe dan ook, als ik geconcentreerd wil lezen, dan kan ik beter binnen blijven. Op zo'n warme zomerdag zit ik dan liever met een boek aan de eettafel, de ramen open.

Gelukkig is de zomer weer voorbij. Herfstmens als ik ben, verlang ik naar de vroege schemer, de wind en het aangename geluid van regen buiten als ik me binnen verlies in een boek.

Stanhope Alexander Forbes (1857-1947)
Amongst the Pines (1915)

10 september 2011

1074

Winslow Homer (1836-1910)
Girl in a hammock (1873)

6 september 2011

1073

Aan het einde van de film The Return (Andrej Zvjagintsev, 2003) is de dode vader met het bootje naar de bodem van het meer gezonken. De zonen hebben nog lang staan kijken, vermannen zich en vertrekken met de auto. Er is niemand meer. Niemand? Dan gebeurt het, terwijl het geluid van de wegrijdende auto wegsterft, komt de camera in beweging. Vanaf een hoge positie beweegt deze naar de plek waar de jongens stonden te kijken. Wie kijkt daar, vraag je je onwillekeurig af. Wij in de bioscoopzaal? De wereld? De natuur? Er is een personage, zonder dat er een personage is. Het kijkt even over het water en beweegt dan naar achteren, het bos in. Een schitterend moment, het laat de toeschouwer met het raadsel van de film achter.

The Return (2003) pt. 2

Een vergelijkbaar moment zit in de film The Banishment (Andrej Zvjagintsev, 2007). Er heeft zich een drama afgespeeld in het huis op het platteland, ook ditmaal een dode. De moeder is al begraven en de arts verlaat als laatste het huis. We zien, we bespieden hem bijna, vanuit een andere kamer. De arts maakt zich gereed om te vertrekken. Buiten doet hij luiken voor de ramen. Nog eenmaal gaat de deur open, de sleutel wordt gepakt en we horen de sleutel draaien in het slot. Dan vertrekt er een auto. Er is niemand meer in het huis, alle personages zijn vertrokken, alleen de deur met zijn grote vierkante ogen lijkt ons nog te zien. Wie is er nog? De geest van de overleden vrouw? Wij in de bioscoop? Is het huis zelf een personage geworden? Een enorme gevoel van alleen-zijn overviel mij bij het zien van dit fragment, maar wat is het een mooi moment! Weer die achterwaartse (binnenwaartse) beweging, verder het huis in.

Izgnanie 2007

30 augustus 2011

1072

2

dit is wat was dit is materie
waarmee we uit de voeten kunnen
dit is gekleurd licht op een stuk huid
dit is gereflecteerd verleden water

druppels op een ruit toveren ons regen
voor liegen de hevigheid van de bui
en ik dan? midden in de kamer staan
en haar naar hier denken zoiets

toch zolang zij door glazen en deuren loopt
zolang haar geur mijn pen belet te schrijven
kan ik wensen wat ik wil maar krijg slechts stilte
haar verglijden in een andere tijd

Willem van Zadelhoff
in: Het liegend konijn 2011/1, 255

28 augustus 2011

1071

Onwillekeurig ga je denken: de beste manier om iets te behouden is er geen enkele aandacht aan te besteden. Alles waaraan je je te veel hecht, gaat kapot. Je moet ironisch staan tegenover alles. In het bijzonder tegenover die dingen die je dierbaar zijn. Dan heb je meer kans dat ze het overleven. Dat is misschien een van de grootste geheimen van ons leven. De ouderen kenden dat geheim niet. Daarom raakten ze alles kwijt. We kunnen alleen maar hopen dat de jeugd gelukkiger zal zijn.

Dimitri Sjostakovitsj / Solomon Volkov Getuigenis, 126

Illusies sterven geleidelijk. Zelfs als je denkt dat het plotseling, ogenblikkelijk is gegaan. Dat je op een goede dag wakker wordt en weg zijn je illusies. Alleen aan de zijkant staat nog een stukje van een illusie die is blijven steken. Maar zo gaat het in werkelijkheid niet. Het afsterven van illusies is een lang en vervelend proces. Zo iets als kiespijn. Maar een kies kan getrokken worden en een illusie, zelfs een dode, blijft binnen in je rotten. En stinken. En je raakt ze nooit meer kwijt. Ik draag al het mijne met me mee.

idem., 132

15 augustus 2011

1070

Toen ik vanochtend in de trein de volgende anekdote over een nog jonge, talentvolle regisseur las, vreesde ik te weten over wie het ging, al hoopte ik dat ik me vergiste ...

Dieren in brand steken is iets vreselijks. Helaas gebeurt dat in onze dagen ook nog. Een nog jonge, talentvolle regisseur was bezig een film te maken, en hij had besloten dat hij voor die film een brandende koe nodig had. Maar niemand wilde de koe in brand steken, noch de assistent-regisseur, noch de cameraman, niemand. Toen goot de regisseur zelf petroleum over die koe en stak die aan. De koe stormde luid loeiend weg, een levende fakkel. Het werd gefilmd. Ze maakten die opnamen in een dorp. Toen de boeren erover hoorden, vermoordden ze die regisseur bijna.

Dimitri Sjostakovitsj / Solomon Volkov Getuigenis, 55

... maar een noot bij deze tekst bevestigde mijn vermoeden. Het gaat om Andrej Tarkovski en de gebeurtenis vond plaats tijdens de opnamen voor zijn film Andrej Roebljov. Het is lang geleden dat ik deze film gezien heb en ik herinner me geen brandende koe. (Wel de brandende man in Nostalghia.) Zo blijkt ook Tarkovski menselijk, al te menselijk te zijn. Menselijk, want dieren doen zoiets niet. (Zo kan ik de daad van Anders Breivik niet beestachtig vinden. Dieren plegen geen bomaanslag en schieten geen mensen dood op een eiland, dat doen alleen mensen. Dieren moorden niet, ze doden, niet uit 'idealisme' of uit lust, maar om te overleven.)

10 augustus 2011

1069

LORD WANHOOP

Lord Wanhoop is zo te horen
Geen rock 'n rollmuziek,
Geen blaf, geen brulboei
Van een paar akkoorden,

Geen afgeraffelde riff.

En kun je niet leven
En kun je niet dood,
Kom hier. Kom hier studeren
Om degelijk te leren schreeuwen

In stilte.

Leonard Nolens
in: Het liegend konijn 2011/1, 190

10 augustus 2011

1068

Ja, veeg, meneertje Dao, veeg! En haal die grijns van uw smoelwerk af! Schrijven is een ernstige bezigheid, weet u wel, daar wil ik niet oosters bij lopen grijnzen. Schrijven is vormgeven, zegt men, schrijven is ordenen. Maar bij mij wordt de chaos alleen maar groter! Nee, niet zeggen, dat ik het dan dus verkeerd doe. Schrijven is wat anders dan vegen. Jaja, u ordent ook, u veegt uw straatje, u ordent de bladeren om ze daarna op te ruimen. Maar als ik zou willen schrijven zoals u veegt, dan zou er uiteindelijk niets overblijven! Helemaal niets! Ik zou geen letter meer op papier krijgen en daar zit ik al heel dichtbij de laatste tijd. Wat zegt u? Is dat schrijven? Dat er uiteindelijk slechts een lege bladzijde overblijft? Hou toch op met die irritante oosterse taalspelletjes! Hou op met die hopeloze mystieke onzin, ik kan onderhand geen paradox meer horen! Nog even en ik mieter u van het beeldscherm af, in de beerput voor html-codes. Dus, stop met dat gegrijns! Stop dan!! Ga maar vegen, veeg! en kijk ondertussen de andere kant op als ik schrijf. –

9 augustus 2011

1067

4

Tempels en taxi's en het eeuwige leven
op straat. Had het ongemak van een lijf thuisgelaten
wat moet je met honger en moeheid wanneer je wilt kijken

naar een stilte die inkeert of de sierlijke
jongens, paardenstaartmeisjes en rattenkopjes
die juichend munten gooien naar een geluk
dat hen toelacht vanuit een glanzende vijver.

Vanavond zullen ze elkaar weer ontmoeten
aan de oever van de rivier om onder een spottende
maan karaoke te zingen, hun lichaam te vieren terwijl

– niets nieuws onder de brug – oude liefde arm in arm gaat
een man luidkeels de sterren wil spellen en zich verslikt, muziek
zich mengt met het eigene van de rivier en het trage

geniks van de mensen. Overal zwervers die thuiskomen
in een lijf dat het hunne nog is, hen nog net niet buiten
de huid heeft gezet, dat nog beaamt: je bent er.

Hester Knibbe
in: Het liegend konijn 2011/1, 117

5 augustus 2011

1066

Het is een geruststellende gedachte dat ik het nog kan. Het had wel een aantal dagen geduurd om te ontwennen, maar toen ervoer ik weer die rust en stilte die ik in een ver verleden ook had ervaren. Zo eenvoudig kan het zijn: enkele dagen leven in een stil huis waar afwezigheid heerst, maakt dat men langzaam maar zeker die stilte gaat voelen, dat men het inademt en dat het in het eigen lichaam gaat woekeren.

Het is als het moment voor een concert: de dirigent heeft bij het opkomen het applaus in ontvangst genomen, hij draait zich om naar het orkest en heft zijn handen op, het publiek wordt stil, de orkestleden zitten met hun instrument in de aanslag. Dat is het moment, een moment van stilte en concentratie, waaruit de muziek zal ontstaan. Maar ook de stilte van het lege doek op de schildersezel, de stilte van een onbeschreven blad papier waarop een verhaal of gedicht te voorschijn zal komen.

Het is zo'n stilte waarover ik spreek, zo lang mogelijk uitgerekt, waarin tijd geen rol meer speelt, maar een Bergsoniaanse durée. De motoriek wordt bedachtzamer, de puls van het leven wordt trager. De wereld zwijgt en maakt ruimte. Een ruimte waarin, zo stel ik me voor, contemplatieve monniken hun god zoeken. Een ruimte waarin iets kan ontwaken. Ik maak er geen religie van, ik ga eenvoudigweg aan mijn bureau zitten lezen en laat een verhaal ontstaan. (Of ik kijk naar de film Bin-jip van Kim Ki-Duk, een film die precies in zo'n zwijgzame wereld past.) Maar ik had net zo goed iets anders kunnen doen. Bijvoorbeeld glimlachend mijn pad aanvegen. Zoals mijnheer Dao dat doet.

14 juli 2011

1065

Waar de foto is gebleven, dat weet ik niet, maar het beeld zit nog in mijn hoofd. Vier jonge mannen kijken feestend in de camera, glazen bier in de handen, de armen over elkaars schouders. Vier vrienden die elkaar nog kennen van de middelbare school, maar elkaar pas erna echt hebben leren kennen. Nooit eerder waren we met z'n vieren bij elkaar geweest, ook al hadden we allemaal geregeld contact met één of twee van de anderen. E., W., M. en ikzelf. Het moet op het afstudeerfeest van W. zijn geweest, in één van de werfkelders aan de Oude Gracht. Wat is er van ons geworden?

E. raakte uit beeld. Nadat ik getrouwd was en vader werd, zei hij steeds vaker de afspraken af. Op een gegeven moment besloot ik het initiatief aan hem over te laten, maar hij nam het niet. Ik heb nog naar hem gezocht, maar het is niet gelukt om weer met hem in contact te komen. Hij wil het ook niet, denk ik. Was het jaloezie? Was hij verliefd geworden op mijn vrouw? Heb ik eens wat verkeerd gezegd? Geen idee. Jaren later vernam ik dat hij leerkracht was geworden op een lagere school in het verre noorden, een neefje van mij zat bij hem in de klas.

Tussen mij en W. was het hartelijk, maar echt vrienndschap wilde het niet worden. Toen we allebei getrouwd waren, werd het nog lastiger: de vrouwen lagen elkaar niet. Desalniettemin hadden we soms spaarzaam contact, we woonden ook niet ver vanelkaar vandaan. Op een dag vertelde hij mij, dat hij met zijn vrouw naar Ghana ging, hij ging vanuit een religieuze organisatie ontwikkelingswerk doen. Het was iets dat ze allebei wilden, daar hadden ze als het ware naartoe gewerkt. Toen ze in Ghana waren, kreeg ik nog wel eens een mailtje, maar daar bleef het bij, het lukte me indertijd niet door eigen problemen werkelijk moeite te doen om het contact te onderhouden. Een tijd geleden waren ze weer in Nederland, ik kreeg een verhuiskaart. Ze hadden twee kinderen geadopteerd in Ghana. Het laatste nieuws is, dat ze nu in Kampala werken, in Oeganda.

En dan M., arme M. Hij woont in het oosten van het land. In mijn studietijd zochten wel elkaar wel eens op. Ik heb hem brieven geschreven, maar hij was geen schrijver. We zagen elkaar soms lange tijd niet. We trouwden allebei. Hij kreeg vier kinderen, waarbij de eerste helaas niet levend geboren werd. Als we elkaar zagen was het goed, de vrouwen konden ook erg goed met elkaar opschieten. Vorig jaar zocht ik ze op met de kleintjes, het was erg gezellig en ik kon de sores uit mijn eigen leven even kwijt. Ongeveer een maand geleden belde ik ze weer, ik kreeg zijn vrouw aan de lijn. Een dramatisch verhaal volgde en ik weet nog steeds niet wat ik ermee moet. Ik denk dat ik M. ook niet meer zal zien, wat hij gedaan heeft is te erg. Afgelopen woensdag was de zitting bij de rechtbank, over twee weken volgt de uitspraak. Ondanks alles zou ik hem nog wel willen spreken, zijn verhaal horen. Of schrijven. Ik kan vrienden niet loslaten...

8 juli 2011

1064

Ergens in 1995 ben ik ermee begonnen. Ik vormde toen nog samen met een aantal anderen een leesclub. Eén clubgenoot hield in een aantekenboekje bij welke boeken hij las en ik besloot dat idee over te nemen. Zo kon ik altijd terug vinden wanneer ik een boek gelezen had zonder maar wat te hoeven gissen. Ik nummerde de boeken meteen, zodat ik kon bijhouden hoeveel ik las.

Allemaal ijdelheid natuurlijk, maar ik doe het nog steeds. Alleen de boeken die ik daadwerkelijk uitlees, alle andere boeken blijven onvermeld. Sommige boeken zal ik nooit uitlezen, andere staan eenvoudigweg in de pauzestand, ooit zal ik ze vervolgen. Las ik een boek tweemaal, dan noteerde ik ze ook tweemaal.

Helaas is de lijst niet compleet, een enkele titel ben ik vergeten te noteren. Ook gedichtenbundels noteerde ik niet, want ik vond dat een gedichtenbundel nooit uit was. Daar ben ik ondertussen vanaf gestapt. Daarnaast ben ik de laatste jaren, zo ongeveer vanaf het einde van 2006, steeds meer (literaire) tijdschriften gaan lezen. In 2009 heb ik besloten ook deze aan mijn lijst toe te voegen. Dag- en weekbladen, zoals het NRC Handelsblad en De Groene Amsterdammer, laat ik onvermeld.

Nu heb ik de lijst online gezet . Aan de hand van mijn dagboeken wil ik ooit proberen de lijst voor 1995 te reconstrueren, maar wanneer dat zal lukken weet ik niet.

6 juli 2011

1063

Het bureau is een kwartslag gedraaid, zodat ik nu, wanneer ik opkijk uit mijn lectuur, naar buiten kan kijken. Ik zie dan de achterzijde van de huizen aan de overkant en het groen van de vele bomen. Ik hoor duiven koeren, zo nu en dan een andere vogel fluiten en het ruisen van water bij de buren in de tuin. Verder gebeurt er weinig in de wijk.

Ik lees Eichmann in Jeruzalem van Hannah Arendt, niet bepaald een vakantieboek, maar ik ben niet iemand die zijn lectuur afstemt op het seizoen. De wens om dit boek te lezen is al oud, het was er alleen nooit van gekomen. Vorig jaar begon ik in de biografie van Hannah Arendt van Elisabeth Young-Bruehl en telkens wanneer een boek van Arendt voorbij was gekomen, las ik eerst dat boek. Na Totalitarisme, De menselijke conditie en Over revolutie stokte mijn belangstelling. Dat had niet zozeer met de inhoud van de boeken te maken, maar wel met de stijl. Hannah Arendt is geen groot schrijfster en dat is jammer, want met de opkomst van zeer rechtse, islamofobe en racistische partijen in Europa, is haar politieke filosofie de moeite waard om kennis van te nemen. Ik sluit overigens niet uit, dat de moeizame stijl door de vertalingen komt. Met name de vertaling van De menselijke conditie is oud, uit 1968, en mag wel eens kritisch tegen het licht gehouden worden.

Een aantal weken geleden besloot ik de biografie uit te lezen en nu lees ik dan Eichmann in Jeruzalem. Waar ik met haar andere boeken moeite had om vol te houden, kan ik met dit boek niet wachten om verder te gaan. Wellicht komt het door het onderwerp, wellicht ook door de ontstaansgeschiedenis van het boek. Hannah Arendt woonde het Eichmannproces bij in opdracht van het tijdschrift The New Yorker. Hoewel Arendt ook hier precies wil formuleren, heeft het niet die weerbarstige stijl van haar politiek filosofische boeken. Hier is meer een filosoof aan het woord die ook journalist probeert te zijn. Het boek vertelt meer, het heeft een eigen stem en is veel vlotter geschreven.

Het is zolangzamerhand echt mijn plekje geworden hier op zolder. Al is de zolder rommelig, mijn hoekje is de plek waar ik me in alle rust kan terugtrekken. Rechts onder het schuine dak staan boekenkasten met onder andere boeken van en over Nietzsche en boeken gerelateerd aan Nietzsche (Richard Wagner, Lou Andreas-Salome, Malwida van Meysenbug) binnen handbereik. Daarnaast handboeken, boeken over schaken, literaire tijdschriften, boeken van Hume, Hobbes en Kant, de pillen van Jonathan I. Israel enzovoort. Mijn bureau is zo leeg mogelijk. Er staat een foto van mijn ouders, een geschilderd lijstje met een kaart gemaakt door mijn dochtertje, de poëzie scheurkalender. Natuurlijk ook de laptop waar ik nu op zit te typen, mijn aantekeningenboekje en het leesplankje met daarop het boek van Arendt. Ik lees het liefste aan een tafel of een bureau. Het leesplankje gebruik ik niet altijd, eigenlijk alleen bij boeken die de neiging hebben dicht te vallen als ik het niet dwing om open te blijven liggen. Zometeen schuif ik de laptop weer naar achteren en pak ik het leesplankje. Dan ben ik weer in Jeruzalem.

5 juli 2011

1062

Het is stil, heel erg stil in huis. W. en de kinderen zijn een week op vakantie naar Vlieland. Ik ben een week thuis en ik wil deze week gebruiken om na te denken, te lezen, te schrijven en om allerlei klusjes te doen die zijn blijven liggen.

Ik wist dat de eerste dagen tegen zouden vallen. Dan is het huis gevuld met afwezigheid. Bovendien, met kleine kinderen in huis ga je nooit zomaar wat doen, je anticipeert altijd op hun aanwezigheid. Dat is niet erg, maar nu ze er niet zijn, merk ik, dat hun afwezigheid zeer onwennig is.

En ik mis ze, vreselijk! Natuurlijk, soms verzuchtte ik wel eens: wat zou ik graag eens een dagje voor mezelf willen hebben, even geen rekening houden met... Nu ik de luxe heb zeven dagen vrij te hebben, zou ik niets liever willen dat ze nu, ogenblikkelijk, thuis zouden komen. Wat zou ik graag de volgende boot naar Vlieland willen nemen, maar juist dat gaat niet en dat doet pijn.

Zo voelt deze leegte om mij heen, de afwezigheid, de stilte, als een generale repetitie voor de toekomst en dat maakt mij somber en verdrietig. Zo kan ik niet genieten van mijn toegevallen vrijheid deze week, al had ik mij voorgenomen dat wel te doen.

4 juli 2011

1061

II

Hij wilde wit worden die dag. Dus zweeg hij
tot een stem om zijn lichaam kroop.

Het was zelden donker geweest
als in zijn stilte. Woorden
werden gestapeld, buiten gezet.

Hij was als de lucht
die hardnekkig weigert te bestaan
zodat alles rondom haar blauw wordt.

Ik ging naast hem zitten, radeloos.
Nog nooit had hij zo lang iets gezegd.

Lies van Gasse Hetzelfde gedicht steeds weer
Amsterdam 2008, 49

30 juni 2011

1060

Virgo

Zij is een wezen tussen vrouw en knaap –
Zij heeft de strakke passen van een jongen
Soms ligt zij als een poes inééngedrongen:
Dan schijnt zij vrouw, en glimlacht in haar slaap.

Haar ogen zijn van amber, en die weten
veel wegen, die haar mond aan geen verraadt –
Zij spiegelt zich in 't water als zij baadt
Haar lijf is rank en koel en nooit bezeten.

Zij houdt van lichte bloemen zonder geur,
lang kan zijn zwemmen in de groene bronnen –
Zij leest veel en aandachtig, zoals nonnen
dat doen, alléén, achter gesloten deur

terwijl het zonlicht aan de wanden fluistert
en 't glas-in-loodraam donker glanst als wijn.
Zij heeft de trots van hen, die eenzaam zijn,
een hart dat wacht en aan de stilte luistert. –

Hella S. Haasse
in: Poëziekalender 2011, zondag 5 juni

13 juni 2011

1059

De spanning dampt boven de tafel en ik denk: door de wand van een plastic bekertje kun je niet zien of het water troebel is. De kinderen spelen met een kassa, de gekleurde muntjes gaan in gekleurde gleuven, de handel wordt rondgedraaid en, ping, de lade schuift open. Ze rekenen af. Ik sluit zuchtend mijn ogen en zie oude sterrenbeelden. Geschiedenis is een film die achterstevoren wordt afgespeeld. Haar hand draagt nog slechts zilveren ringen. Ik zwijg, mijn mond is een goudmijn. O, Socrates!

9 juni 2011

1058

De ideale lezer is de schrijver, vlak voordat de woorden op papier worden gezet.

De ideale lezer bestaat in het moment dat aan het scheppingsmoment voorafgaat.

Ideale lezers reconstrueren een verhaal niet, ze re-creëren het.

Ideale lezers volgen een verhaal niet, ze nemen er deel aan.

(...)

De ideale lezer ondermijnt de tekst. De ideale lezer vertrouwt de schrijver niet op zijn woord.

(...)

Ideale lezers tellen hun boeken niet.

(...)

Elk boek, goed of slecht, heeft zijn ideale lezer.

De ideale lezer leest elk boek in zekere zin als een autobiografie.

(...)

De ideale lezer weet wat het is om ongelukkig te zijn.

(...)

De ideale lezer kan blijven verdwalen in een boek.

(...)

De ideale lezer kan verliefd worden op een van de personages in het boek.

(...)

De ideale lezer wil het boek graag uitlezen, en het gevoel hebben dat het boek eindeloos is.

De ideale lezer is nimmer ongeduldig.

(...)

Er komt een moment dat elke lezer zichzelf een ideale lezer vindt.

(...)

De ideale lezer is de protagonist van een roman.

(...)

De ideale lezer is iemand met wie de schrijver best een avond wil doorbrengen, onder het genot van een glas wijn.

Een ideale lezer moet niet worden verward met een virtuele lezer.

Schrijvers zijn nooit de ideale lezer van hun eigen werk.

De literatuur is niet afhankelijk van ideale lezers, maar slechts van lezers die goed genoeg zijn.

Alberto Manguel De kunst van het lezen
Amsterdam 2011, 207-210

5 juni 2011

1057

Misschien hebt u al gehoord van hoe Joshua Bell, een van de grootste levende violisten, afdaalde in het L'Enfant Plaza-station op de metrolijn van Washington D.C. en zich voordeed als een straatmuzikant die speelde voor een moe gestreste piekuurmenigte die geheel in beslag werd genomen door het zichzelf spelen. Bell bracht een uitvoering van de 'Chaconne in d-mineur' – het absolute hoogtepunt van het onbegeleide vioolrepertoire en een monumentale ode aan de menselijke cultuur. Van de duizenden passanten hield er een half dozijn halt om te luisteren – een handvol forenzen die zich er veel moeite voor getroostte om Orpheus aan te klampen in de onderwereld. Bell verzamelde 32 dollar in 43 minuten. Zijn concert was een prachtige, geënsceneerde krantenstunt, die je doet huilen om de doofheid van de mens.

Richard Powers Wat weet fictie?
in: DW B, 2011/2/258

3 juni 2011

1056

De ideale bibliotheek is bedoeld voor één specifieke lezer. Iedere lezer moet het gevoel hebben dat hij of zij uitverkoren is.

(...)

De ideale bibliotheek bevat vooral, maar niet uitsluitend, boeken. Er zijn ook landkaarten, afbeeldingen, objecten, muziek, stemmen, films en foto's in verzameld. De ideale bibliotheek is een plek om te lezen, in de breedste betekenis van het woord.

(...)

De ideale bibliotheek houdt een belofte in van alle mogelijke boeken.

In elk boek in de ideale bibliotheek weerklinken echo's van andere boeken.

(...)

In de ideale bibliotheek is het taak van de lezer om de gevestigde orde te ondermijnen.

(...)

Zelfs als ze is opgebouwd uit muren, planken en boeken bevindt de ideale bibliotheek zich in de geest. De ideale bibliotheek is een herinnerde bibliotheek.

(...)

In de ideale bibliotheek voelt geen enkele lezer zich ooit ongewenst.

In de ideale bibliotheek is elke pagina de eerste. Geen enkele de laatste.

(...)

De ideale bibliotheek symboliseert alles waar een maatschappij voor staat. Een samenleving leunt op haar bibliotheken om te weten wie ze is, omdat bibliotheken het geheugen van een samenleving zijn.

De ideale bibliotheek kan eindeloos doorgroeien zonder meer fysieke ruimte op te eisen, en kan kennis van alles wat er is bieden zonder meer fysieke tijd op te eisen. Het is een prachtige onmogelijkheid, maar de ideale bibliotheek onttrekt zich aan tijd en ruimte.

(...)

In de ideale bibliotheek heb je geen kompas nodig. Haar fysieke verschijning valt samen met haar intellectuele structuur.

De architect van de ideale bibliotheek is bovenal een ideale lezer.

De onmogelijke taak van iedere tiran is om de ideale bibliotheek te verwoesten.

De onmogelijke taak van iedere lezer is om de ideale bibliotheek weer op te bouwen.

De ideale bibliotheek bevat (zoals elke bibliotheek) ten minste één regel die speciaal voor jou is geschreven.

Alberto Manguel De kunst van het lezen
Amsterdam 2011, 357-360

1 juni 2011

1055

Ik plaatste het gedicht donderdag van Miriam Van hee in het labyrint en werd opnieuw getroffen door de woorden: ik wilde schrijven maar / de woorden kwamen niet / ik dacht aan jou aan het / verband tussen de dingen / dat je niet hier was / maar god weet waar dat ik / daarom de bomen zag / de korenvelden en de lucht / dat alles treurig was / vergankelijk en prachtig.

Treurig, vergankelijk en prachtig.

Soms zou je de planeten op hun schreden willen laten terugkeren, zou je ze in hun baan terug in de tijd willen laten gaan, tot die constellatie zich aandient van de dag dat je wellicht een andere afslag had kunnen nemen. Hoe zou het verder gegaan zijn als ik, toen, dat of dat had gedaan.

Na jaren van afwezigheid keert hij vanuit Europa terug naar zijn geboorteland Chili. Hij bezoekt een verjaardagsfeest om haar weer te zien, maar als zij er niet is, besluit hij het feest vroegtijdig te verlaten. Zijn vertrek wordt steeds uitgesteld, omdat hij keer op keer in gesprek raakt met oude bekenden. Ondertussen arriveert zij en ontmoeten zij elkaar. Een onwennig weerzien na lange tijd. Langzaam maar zeker komt er een geschiedenis tot leven, een verhaal waarin zij een liefdesrelatie hadden die tot een einde komt, omdat hij naar Europa vertrekt. Hij leeft nu als een toerist in het leven, zij heeft gekozen voor een man en kinderen. Ze hebben allebei een andere afslag genomen, maar hoe zou het gegaan zijn als ... toen ...

Dit is grofweg het gegeven van de film La vida de los peces van Matías Bize. Een film waarin alles op zijn plaats valt en die, ondanks het eenvoudige gegeven, spannend is. Het ritme waarin de puzzelstukjes van het verhaal worden aangereikt is afgewogen. De korte zijsprongetjes zijn soms geestig, maar versterken de tragiek van het verhaal. De vele close-ups maken de film kwetsbaar, maar nergens is een storende misser in de details en de lichaamstaal van de acteurs te ontdekken. De stiltes zijn nooit te lang, de muziek is functioneel, de beelden zijn prachtig. De film is melancholiek, treurig en prachtig. Zelden zo'n schijnbaar eenvoudige film gezien die zoveel indruk op mij maakte, waarbij ik moet aantekenen dat herinneringen uit mijn eigen leven de ervaring van deze film versterkte. Ook het ambivalente einde van de film stelde me niet teleur, het was volstrekt overtuigend, terwijl het zo gemakkelijk teleurstellend sentimenteel had kunnen zijn.

La vida de los peces is een film over afscheid nemen, afscheid van een geluk dat ooit was, maar dat door een keuze die indertijd zo noodzakelijk leek nooit meer terug komt. De herinnering en het verlangen blijft. Natuurlijk maakt onvrede met het huidige leven de herinneringen mooier en het verlangen sterker, het verloren geluk wordt geïdealiseerd. Geluk is vergankelijk, men weet niet of het leven wel zo veel gunstiger was verlopen als men indertijd een andere keuze had gemaakt. Maar wat blijft is de herinnering aan een geluk dat vergankelijk bleek, dat onbereikbaar is geworden. Een herinnering die melancholiek, treurig maakt, maar tegelijkertijd prachtig is, omdat het geluk mogelijk is gebleken.

31 mei 2011

1054

Het was al een oud idee: een virtuele verzamelplek maken voor alle teksten, beelden en muzieken die ooit op enigerlei wijze indruk hebben gemaakt op mij, die zich hebben vastgehaakt in mijn geheugen. Alleen, de vorm van zo'n verzamelplek, daar kwam ik niet uit. Er mocht geen suggestie van hiërarchie ontstaan, een volgorde die een rangorde zou aangeven van onderdelen die de grootste indruk gemaakt zouden hebben tot onderdelen die minder indruk gemaakt zouden hebben. Weliswaar zou er wel sprake mogen zijn van enige structuur, maar deze moest willekeurig zijn en intuïtief ontstaan. Eerder zou er sprake moeten zijn van spontane associaties, zoals het wellicht ook in de hersenen werkt (al heb ik eigenlijk geen idee hoe dat precies in een bovenkamer werkt).

Uiteindelijk heb ik een vorm gevonden die vooralsnog goed genoeg is. Het is een labyrint geworden, maar zonder vast begin of einde. Een enkele weg loopt dood, andere wegen splitsen zich en sommige routes komen weer terug op een eerdere splitsing. Het is een doolhof waarin iemand kan dwalen, lezen, kijken en luisteren. Het labyrint breidt zich uit, het is work in progress. Een verwijzing naar het labyrint staat hier aan de rechterzijde.

22 mei 2011

1053

We maakten een stadswandeling door het stadje Wijk bij Duurstede, mijn oudste zoon (S., 14) en ik. We laten ons leiden door een boekje van de VVV en zo nu en dan lezen we de tekst dat bij een genummerde bezienswaardigheid hoort. Er wordt meer verwezen naar wat afwezig is van het oude middeleeuwse stadje dan wat er nog te zien is. Zo kijken we naar een hoop stenen, de fundering, van de molen die Ruysdael ooit schilderde. (Rechts op het schilderij is nog net de toren van de Grote Kerk van Wijk bij Duurstede te zien, waarover het verhaal gaat dat deze in de katholieke concurentiestrijd met Utrecht hoger moest worden dan de Domtoren. Alleen, halverwege de bouw was het geld op.) En zo kijken we naar twee grafzerken uit de negentiende eeuw die resteren van de joodse begraafplaats. De ligging tussen de resten van een oude toren en de singel is melancholiek. De smalle stenen rechthoeken lijken zo uit de hemel gevallen en lijken in een eeuwige slow motion achterover te vallen. Ze doen me niet alleen denken aan de joodse begraafplaats in Praag, maar ook aan een passage in De emigrés van W.G. Sebald.

Er ging een soort schok van herkenning door mij heen bij het graf van de op mijn verjaardag, 18 mei, overleden Meier Stern, en ook door het symbool van de ganzenveer op de steen van Friederike Halbleib, overleden op 28 mei 1912, voelde ik mij geroerd op een wijze die ik, zoals ik tegen mezelf moest zeggen, vast nooit geheel zou doorgronden. Ik stelde mij haar voor als schrijfster, alleen en ademloos over haar werk gebogen, en nu, terwijl ik dit schrijf, heb ik het gevoel dat ik haar heb verloren en daar niet overheen kan komen ondanks de lange tijd die sinds haar dood is verstreken. Tot in de middaguren ben ik op de joodse begraafplaats gebleven en heb ik rondgelopen tussen de rijen graven en de namen van de doden gelezen, maar pas helemaal op het laatst ontdekte ik niet ver van het gesloten hek een tamelijk nieuw grafmonument, waarop onder de namen van Lily en Lazarus Lanzberg ook die van Fritz en Luisa Ferber stonden. Ik neem aan dat Ferbers oom Leo dit grafmonument heeft laten oprichten. Van Lazarus Lanzberg zegt de inscriptie dat hij in 1942 in Theresienstadt is gestorven, en van Fritz en Luisa dat ze in november 1941 zijn gedeporteerd en ten onder gegaan. Ik heb geruime tijd voor dit graf gestaan, waarin alleen Lily, die zichzelf van het leven heeft beroofd, is komen te liggen. Ik wist niet wat ik moest denken, maar voordat ik de plek verliet heb ik, zoals dat de gewoonte is, een steen op de zerk gelegd.

W.G. Sebald De emigrés, 239-241

Een steen op een zerk leggen, dat is wat Sebald met het schrijven van dit mooie boek over vier joodse emigranten en de geschiedenis van hun families heeft gedaan. Ik leg geen steen op één van de twee zerken, maar loop langs de singel terug naar het einde van de wandeling op de Markt in het centrum. Daar eten we nog een ijsje bij een Italiaanse ijssalon voordat we de fietsen opzoeken om terug te fietsen naar Bunnik. Net zomin als ik me op de Markt de bedrijvigheid van honderden jaren geleden kan voorstellen, zo slecht kan ik me een beeld vormen van de drukte op de oude handelsroute over de Kromme Rijn, het riviertje dat we voortdurend onderweg naar huis in de verte zien stromen. Daar hebben we schilders voor nodig, of fotografen, of dichters en schrijvers als Sebald.

10 mei 2011

1052

jwl bestaat ondertussen acht jaar, maar is nog nooit zo zwijgzaam geweest. Ideeën en plannen genoeg, alleen de rust om er eens goed voor te gaan zitten ontbreekt. Als u eens wist hoeveel zorgen de afgelopen maanden mij weerhielden om te schrijven, u zou het begrijpen. Al is de reorganisatie op mijn werk niet mijn grootste zorg, toch heeft het mijn gedachten zozeer opgeslorpt dat ik 's avonds vaak tot niets in staat ben. Weliswaar zijn er signalen dat de reorganisatie goed voor mij uitpakt, zekerheid heb ik nog niet en het rustige kantoorbaantje is nu wel voorbij. Niet dat dat erg is, ik was wel toe aan wat meer taken en verantwoordelijkheden, maar sommige gevolgen vind ik jammer. De locatie in Amsterdam gaat sluiten en in plaats van met de trein naar Amsterdam, zal ik straks met de auto naar Grave (of Rijswijk) moeten. Ik zal die bijna dagelijkse reizen met de trein missen, omdat het mijn vaste tijden waren waarop ik kon lezen. Dat half uurtje heen en het half uurtje terug gaat verdwijnen en het is alsof ik nu optimaal wil genieten van de tijd die nog rest, ik heb lange tijd niet zoveel gelezen als de afgelopen maanden. In de toekomst zullen de momenten om te kunnen lezen niet meer vanzelfsprekend zijn en dat zal ik heel erg missen.

Maar hoe nu verder met deze virtuele plek? Die blijft gewoon bestaan en wacht op betere tijden. Wanneer die zich aandienen? Geen idee, misschien morgen, misschien over een half jaar? Ik zal zien. Wellicht ga ik het anders doen, een vast moment op de dag dat ik hier even terugkeer om wat te schrijven. Dat kan alleen 's avonds zijn en doorgaans ben ik dan te moe om een ordentelijke tekst op het beeldscherm te toveren. Ik heb ook wel gedacht om mijn schrijven aan te passen aan de veranderende tijden, wat meer dagboekachtige notities te schrijven, minder kritisch te zijn, maar vooralsnog heeft ook die gedachte niet veel opgeleverd. Hoe dan ook, op naar de volgende acht jaar!

24 april 2011

1051

I.

Er wordt verteld dat Thales eens, toen hij door een oude vrouw uit zijn huis werd meegenomen om de sterren te observeren, in een kuil is gevallen, en zijn kreet om hulp door de oude vrouw als volgt beantwoord werd: 'Denk je dat je iets over de hemel aan de weet kunt komen, Thales, als je niet eens kunt zien wat vlak voor je voeten ligt?'

Diogenes Laërtius Leven en leer van beroemde filosofen, 25

II.

Midden in het leven was ik van
het rechte pad geraakt. Toen ik mij
hervond, stond ik in een donker bos,
zo wild en woest en ondoordringbaar:
daar zijn geen woorden voor. Als ik eraan
terugdenk, schrik ik wéér! Ja, het is bijna zo
bitter als de dood! Maar om van het goede
dat ik er tegenkwam te verhalen, zal ik ook
spreken over de andere dingen die ik er zag.
Hoe ik in dat bos terechtkwam, kan ik niet
goed navertellen: want ik liep gewoon
te slapen toen ik de ware weg verloor.
Maar toen ik aangekomen was bij de voet
van een heuvel, die grensde aan dat ruige dal,
waar schrik mij om het hart geslagen was,
keek ik omhoog en zag hoe de stralen van
de zon, die de mensen steeds de rechte
weg wijzen, boven over de helling gleden.

Dante Alighieri Mijn komedie: Hel, 45-47

III.

Parsifal Verwandlungsmusik

GURNEMANZ
Vom Bade kehrt der König heim;
hoch steht die Sonne;
nun lass zum frommen Mahle mich dich geleiten;
denn bist du rein,
wird nun der Gral dich tränken und speisen.

(Er hat Parsifals Arm sich sanft um den Nacken gelegt und hält dessen Leib mit seinem eigenen Arme umschlangen; so geleitet er ihn bei sehr allmählichem Schreiten)

PARSIFAL
Wer ist der Gral?

GURNEMANZ
Das sagt mich nicht;
doch, bist du selbst zu ihm erkoren,
bleibt dir die Kunde unverloren.
Und sieh'!
Mich dünkt, dass ich dich recht erkannt:
kein Weg führt zu ihm durch das Land,
und niemand könnte ihn beschreiten,
den er nicht selber möcht' geleiten.

PARSIFAL
Ich schreite kaum, -
doch wähn' ich mich schon weit.

GURNEMANZ
Du siehst, mein Sohn,
zum Raum wird hier die Zeit.

(Allmählich, während Gurnemanz und Parsifal zu schreiten scheinen, verwandelt sich die Bühne, von links nach rechts hin, in unmerklicher Weise: es verschwindet so der Wald; in Felsenwänden öffnet sich ein Tor, welches nun die beiden einschliesst; dann wieder werden sie in aufsteigende Gänge sichtbar, welche sie zu durchreiten scheinen. - Lang gehaltene Posaunentöne schwellen sanft an: näher kommendes Glockengeläute. - Endlich sind sie in einem mächtigen Saale angekommen, welcher nach oben in eine hochgewölbte Kuppel, durch die einzig das Licht hereindringt, sich verliert. - Von der Höhe über der Kuppel her vernimmt man wachsendes Geläute)

GURNEMANZ
(sich zu Parsifal wendend, der wie verzaubert steht)

Nun achte wohl, und lass mich sehn:
bist du ein Tor und rein,
welch Wissen dir auch mag beschieden sein.

Richard Wagner Parsifal akte I
Gurnemanz: Hans Sotin; Parsifal: Siegfried Jerusalem; Chor und Orchester der Bayreuther Festspiele olv Horst Stein

IV.

The Trial: Before The Law

Ten slotte worden zijn ogen zwakker en hij weet niet of het werkelijk donkerder wordt om heen of dat zijn ogen hem bedriegen. Maar wel ontwaart hij in het donker een glans die onweerstaanbaar uit de poort van de Wet stroomt. Nu zal hij niet lang meer leven. Vóór zijn dood verzamelen zich alle ervaringen van die hele tijd in zijn hoofd tot een vraag, die hij tot nu toe niet aan de wachter gedaan heeft. Hij wenkt hem, daar hij zijn verstijvend lichaam niet meer kan oprichten. De wachter moet zich diep tot hem neerbuigen, want het verschil in grootte heeft zich zeer in het nadeel van de man gewijzigd. 'Wat wil je nu nog weten?' vraagt de wachter, 'je bent onverzadigbaar.' 'Iedereen streeft er toch naar de Wet te bereiken,' zegt de man, 'hoe komt het dan, dat er in al die jaren niemand anders dan ik om toegang heeft gevraagd?' De wachter ziet dat de man zijn einde nabij is en om de woorden tot zijn stervende zintuigen te laten doordringen, brult hij tegen hem: 'Niemand kon hier toegelaten worden, want deze ingang was alleen voor jou bestemd. Ik ga nu weg en sluit de poort.'

Franz Kafka Voor de wet
in: Franz Kafka Verzameld werk, 755-756

V.

Door mij gaat men binnen in de stad van smarten,
door mij gaat men naar het eeuwige leed,
door mij gaat men naar de verdoemde mensen.
Uit rechtvaardigheid ben ik gemaakt
door de goddelijke Macht, de Hoogste
Wijsheid en de Eerste Liefde.
Vóór mij bestond alleen de eeuwigheid,
en ook ik ben voor de eeuwigheid gemaakt.
Laat alle hoop varen, gij die hier binnengaat.

In zwarte letters zag ik deze woorden
hoog boven een poort staan. 'Meester,
dat lijkt me harde taal', zo zei ik.
Hij begreep me onmiddellijk en zei: 'Hier
moet je alle angst laten varen en lafheid
heeft hier geen pas. We zijn nu aangekomen
op de plaats waar ik het al over had: daar waar
al die door smart gebroken zielen te zien zijn die de
goede gave van het verstand verloren hebben.'
En toen legde hij zijn hand op de mijne en met
een blij gezicht, dat me troost gaf, leidde hij
me binnen in die geheimzinnige wereld.

Dante Alighieri Mijn komedie: Hel, 72-73

22 maart 2011

1050

Gelukkig was ik niet zoals Thales van Milete in een kuil gevallen, maar door het vele turen naar de hemel waren mijn voeten de weg kwijt geraakt. De weg had mij ver van huis in het niemandsland gebracht, maar in plaats van de andere zijde van de grens te bereiken, was ik nu verdwaald in een dichtbegroeid bos. Hoe verder ik zocht naar de weg, hoe donkerder en woester het bos werd. Aan de voet van een heuvel keek ik omhoog en zag de zon schijnen op het bladerdak. Hoe lang zou het nog duren voordat de zon achter de heuvel zou verdwijnen? Ik liep nog een paar honderd meter en stuitte toen op een uitkijktoren. Monter begon ik aan de beklimming, in de hoop boven te kunnen zien waar ik me bevond en hoe ik de weg terug zou kunnen vinden. Ik was nog niet halverwege toen ik hoogtevrees voelde opkomen. Mijn evenwicht werd onzeker, de angst kroop via mijn benen omhoog, de toren leek heen en weer te wiegen. Ik probeerde mezelf te vertellen hoe irreëel deze angst was, dat me niets kon gebeuren, maar voor de zekerheid hield ik me goed vast. Bezweet van vermoeidheid en angst kroop ik helemaal boven in de toren naar de rand om in de verte te zoeken naar iets wat op mijn weg zou kunnen wijzen. Er was niets te zien dan een woest landschap in het donkerrood van een ondergaande zon.

Er begonnen wolven te janken in de verte. Terwijl ik afdaalde was het donker geworden en leken de wolven dichterbij te komen. Ik besloot de toren niet te verlaten en beneden te wachten op wat komen ging. Hoe lang ik daar gezeten heb weet ik niet, maar plotseling verstomde het gejank van de wolven en zag ik een gestalte tussen de bomen verschijnen. Het was een man die er aanvankelijk uitzag als een hells angel, maar toen hij dichterbij kwam zag ik dat het een boswachter was. 'Hé, hallo,' riep ik, 'kunt u me helpen?' De man leek niet verbaasd mij te zien en kwam zwijgend de trap op. 'Ik zoek de weg om uit dit niemandsland te komen,' probeerde ik. De man reageerde niet, pas toen hij vlak bij me stond, boog hij zich naar mij toe en fluisterde: 'Er is geen weg om hier vandaan te komen, want weet u, zum Raum wird hier die Zeit. Alleen door de tijd kunt u dit gebied verlaten.' Hij draaide zich om en wenkte me om mee te komen.

We liepen nauwelijks en toch had ik het gevoel een grote afstand af te leggen. Zo moeten we de hele nacht verder gegaan zijn, want toen we bij een grote poort aankwamen, diende de zon zich alweer aan in het oosten. Mijn gids draaide zich om en keek me vragend aan. 'Wat is er achter deze poort?' vroeg ik. 'Dat weet niemand,' antwoordde hij, 'niemand is hier binnen gegaan, deze poort is alleen voor u.' Ik deed een stap naar voren en toen legde hij zijn hand op de mijne en met een blij gezicht, dat me troost gaf, leidde hij me binnen in die geheimzinnige wereld.

20 maart 2011

1049

by see

op it folle strân sjout in heit syn soantsje
as it waarme sân oan syn fuotsjes plakt
de fûgel jout har del, sjoch har de eagen
út de holle – ik betocht op dit plak spoar

fan bolsteand stof en lange fearren – en
de hoarizon is wer dy triljende stripe fan
alles simpel as wat – it soantsje sliept no
ûnder de sinne – ik tel de dingen byinoar

it makket him los – de tried ûnder it byld
stadich begjin ik mei dat freegjen – hoe
dat sa is dat sa – dan de stilte yn 'e azem

as de line dit punt wer brekt – is it in seil
in wjuk, it hinderet de wyn net – de fûgel
fleant snaffelfol – ierde dêrûnder - fierder

bij zee

op het volle strand sjouwt een vader zijn zoontje
als het warme zand aan zijn voetjes plakt
de vogel strijkt neer, kijkt zich haar ogen
uit het hoofd – ik bedacht op deze plek spoor

van bolstaand stof en lange veren – en
de horizon is weer die trillende strook van
alles simpel als wat – het zoontje slaapt nu
onder de zon – ik tel de dingen bij elkaar

het maakt zich los – de draad onder het beeld
langzaam begin ik met dat vragen – hoe
dat zo is dat zo – dan de stilte in mijn adem

als de lijn dit punt weer breekt – is het een zeil
een vleugel, het hindert de wind niet – de vogel
vliegt snavelvol – aarde daaronder – verder

Albertina Soepboer de trektocht, 142-143

3 maart 2011

1048

Bosch en Duin 1986-1989 III (1)

Van 11 tot en met 17 juli 1988 was ik voor de vierde maal in Taizé, daarover heb ik eerder geschreven (zie 671). Gedurende die week ontmoette ik iemand die de Tao van Poeh las, in mijn dagboek maakte ik daar een aantekening van. Toen ik aansluitend aan de week Taizé nog een paar dagen bij mijn ouders in Friesland was, heb ik er geen gras over laten groeien. Op de titelpagina van mijn exemplaar van de Tao van Poeh staat Leeuwarden, 23 juli 1988. Ongetwijfeld was ik er meteen in begonnen, maar ik vind er geen enkele notitie over in mijn dagboek. Eigenaardig, want er is bijna geen boek dat zo'n invloed op mij gehad heeft dan juist dat boek.

Wel noteer ik, wanneer ik op 26 juli weer op mijn kamer in Bosch en Duin ben, dat ik begonnen ben in de Wesendonck-Briefe, de correspondentie tussen Richard Wagner en Mathilde Wesendonck: Ik ben hierin op zoek naar passages over oosterse literatuur en Boeddhisme. (...) Wagner heeft nog maar net het "Asyl" betrokken. Het is om mijn eenzaamheid te verlichten dat ik deze zoektocht heb opgenomen (26 juli 1988). Richard Wagner was betrokken geweest bij de opstand in Dresden in 1849. Deze opstand mislukte en Wagner kon met hulp van Franz Liszt vluchten naar Zwitserland. Daar werd hij opgevangen door geldschieter en bankier Otto Wesendonck die Wagner onderdak bood. Wagner was niet te beroerd om vervolgens een geheime relatie aan te gaan met de vrouw van zijn mecenas, Mathilde. De liefde maakte geen kans, bleef uiteindelijk ontbeantwoord. Wagner vertrok naar Venetië en schreef daar zijn Tristan und Isolde. Een onbeantwoorde liefde en een leven in eenzaamheid, een romantisch broeierig relaas, ik zocht het wel op.

Het woord 'eenzaamheid' doemt in die tijd vaak op in mijn dagboek. Ik moest nog de hele maand augustus overbruggen voordat in september de colleges weer zouden beginnen. Weliswaar zag ik P. een keer per week, maar hij had het verder druk met vakantiewerk en zijn nieuwe relatie. Ik moest zelf initiatief nemen en dus verzon ik uitstapjes om de lege dagen in Bosch en Duin te doorbreken. Zo stond ik vrijdag 29 juli vroeg op om naar Amsterdam te gaan. Ik bezocht het Stedelijk Museum en zat heel lang te kijken naar de doeken van Anselm Kiefer en Marc Chagall. Daarna ging ik naar het Van Gogh Museum, maar daar was ik binnen het uur weer vertrokken. Toch al geen fan van Van Gogh, had ik geen zin om over al die schouders van de toeristen heen te kijken om een glimp van de doeken op te vangen. Ik dwaalde nog wat door Amsterdam, ging was boekhandels binnen en luisterde op de Dam naar een aantal slagwerkers. Natuurlijk had ik gehoopt om toevallig H. tegen te komen, maar dat was een illusie. Nog voordat ik de trein terug nam, belde ik haar nog, maar ze was niet thuis. Het uitstapje naar Haarlem dat ik een aantal dagen later maakte, had natuurlijk dezelfde motivatie, maar toeval laat zich niet dwingen. In Haarlem ging ik naar het Frans Hals museum, bezichtigde de Bavo-kerk en keek naar een tapdanseres op de Grote Markt.

Toch zou H. die dag in Amsterdam dichtbij geweest zijn. Ze was die dagen verhuisd naar de Quellijnstraat op loopafstand van het Stedelijk Museum. Er kwam een verhuiskaart: Met ingang van vrijdag 5 augustus heeft Amsterdam er een bezienswaardigheid bij: In het hart van de Pijp (...) Kom snel eens langs. En juist dat laatste besloot ik nu eens niet te doen. Twee dagen had ik zoekend door Amsterdam en Haarlem gedwaald en op het moment dat ik uitgenodigd werd, besloot ik de voorkeur te geven aan de eenzaamheid van mijn kamer. Ik las de Wesendonck-Briefe, maar ook De eerste sneeuw van het jaar van Hubert Lampo, Gödel, Escher, Bach van Hofstädter en Tranen der Acacia's van Willem Frederik Hermans. Het boek dat ik voor mijn studie had gepland, Handbuch der Musikinstrumentenkunde van Curt Sachs blijft ongeopend.

Wanneer ik mijn dagboeknotities uit de maand augustus lees, kan ik geen andere conclusie trekken dan dat mijn leven in die maand langzaam maar zeker in een stroomversnelling raakte. Ik kom nauwelijks aan schrijven toe in mijn dagboek, maar als er geschreven wordt, dan zijn het lange verslagen van de gebeurtenissen die ondertussen hadden plaatsgevonden.

Mijn moeder kreeg half augustus een hartaanval. Het liep goed af, maar meer dan er notitie van maken deed ik niet. Het was een onrustige tijd, waaruit ik me afgelopen dinsdag [16 augustus?] heb losgemaakt door me door pa naar hier te laten brengen. Om te vervolgen met: Hier belandde ik in eenzaamheid. Gelukkig vond ik een brief van H. en een kaart van E. Dat was een troost, maar het eenzame gevoel bleef. Niets verder over die brief van H., terwijl het een brief van acht kantjes was! (Lieve JW. Nu de ergste verhuisdrukte achter de rug is, heb ik mooi even de tijd om de pen ter hand te nemen en je met enkele woorden van informatieve en wellicht meditatieve aard te verblijden (Bent u daar nog?)) Woensdag voelde ik me zo beroerd dat ik een afspraak maakte met een kennis in Amersfoort die ik sinds de zomer in Taizé 1986 niet meer gezien had. Schijnbaar hadden we op één of andere wijze contact gehouden, want ik wist dat hij intern woonde in een verzorgingstehuis voor demente bejaarden (IJselbergh). Donderdagmiddag ging ik bij hem op bezoek, bleef er eten en maakt 's avonds contact met collega's van hem. Vrijdag ging ik naar Utrecht om muziek te lenen uit de bibliotheek (So what van Miles Davis). Toen ik weer thuis op mijn kamer naar de cd luisterde belde H. op. Ik had haar ondertussen een brief gestuurd en naar aanleiding daarvan belde ze. Ze had de avond tevoren ook al gebeld, de avond dat ik naar R. was. Ik kreeg een stortvloed van verhalen over me heen en het duurde flinke tijd, voordat het gesprek kon stoppen, daar Van der K. al ongeduldig te kennen had gegeven, dat ze een telefoontje wilde plegen. Gisteren [20 augustus] ben ik dan afgereisd naar de Quellijnstr. al waar ik een aardige dag heb doorgebracht. Ik kon blijven eten en 's avonds zijn we naar de stamkroeg van H. gegaan. (...) Op een gegeven ogenblik merkte ze op, dat ze het zonde vond om op goede vrienden verliefd te worden, daar ze bang was, dat als het uit zou gaan, het een verloren vriendschap zou blijken.

27 februari 2011

1047

Het was lang geleden dat ik gelegenheid had om ongestoord achter de piano plaats te nemen en mijn handen hun weg te laten vinden. Want zo is het, niet ik speel als ik improviseer, maar mijn handen en vanmiddag lukte dat bijzonder goed. Ik wist niet wat mij overkwam, er kwam muziek uit mij waar ik geen enkele invloed op had, althans, niet bewust. Improvisatie gaat te snel om met voorbedachte rade elke noot, elke lijn te kiezen. Het was alsof ik naar een optreden luisterde die mijn handen voor mij speelden. Alsof het lichaam een eigen muzikaliteit heeft.

Nog voordat ik noten kon lezen deed ik dit al. Mijn handen zochten naar prettige samenklanken en sloegen zo maar wat aan. Ook nadat ik noten had leren lezen bleef ik dit doen. Nog voordat ik naar de middelbare school ging, leerde ik mezelf uit een boekje de grondbeginselen van de harmonieleer: de toonladders, drieklanken, vierklanken, hun relaties tot elkaar, de basis van de tonaliteit. Er ging een wereld voor mij open. Zo begreep ik ineens waarom er bijvoorbeeld de ene keer drie, de andere keer wellicht vier kruisen bij de sleutel stonden, het was afhankelijk van de toonsoort waarin gecomponeeerd was. Ogenblikkelijk ging ik de regels toepassen in mijn improvisatie, de eerste structuur werd gelegd. Sindsdien doe ik niet anders en wat eerst nog bewust werd uitgeprobeerd, werd langzaam maar zeker een vanzelfsprekendheid, een tweede natuur. Mijn handen weten nu zelf de juiste toetsen, de juiste samenklanken te vinden. Natuurlijk bleef ik experimenteren, uiteindelijk ging ik ook componeren, maar zolangzamerhand denk ik er niet meer bij na, het enige wat ik hoef te doen is achter de piano gaan zitten en mijn handen laten gaan.

Vandaag verwonderde ik me erover en voelde ik weer hoe bevrijdend het werkt om zo te kunnen spelen. Er kwam een associatie bij mij op met het taoïstische begrip wu wei, dat doorgaans als handelen zonder te handelen wordt vertaald. Het is geen oproep tot passiviteit, maar om spontaan te handelen, zonder intentie, zonder doel, eenvoudig doen wat je moet doen. Zo was het ook met mijn improvisatie, ik speelde zonder te spelen. Het is een kinderlijke spontaniteit die schijnbaar achter de piano naar boven komt. Ik besef hoe dit vermogen terugloopt tot in mijn kleutertijd. Als ik improviseer achter de piano ben ik weer kind.

20 februari 2011

1046

Bosch en Duin 1986-1989: intermezzo

Tsja, en daar stond ik dan. Wat had ik dan verwacht? Dat de tijd zomaar tientallen jaren achteruit zou gaan? Dat ik als een Doctor Who in een rode telefooncel, flits, terug kon in de tijd om te zien hoe ik daar 22 jaar geleden de oprijlaan zou aflopen om de post te halen? Je bent nu verdomme drieenveertig, jwl, en daar is helemaal niets meer aan te doen. Sta je daar sentimenteel te doen voor een gebouw waar je ooit tweeenhalf jaar op kamers gewoond hebt. Dacht je nu echt dat er in al die jaren niets veranderd zou zijn? Dat het bevroren in de tijd zou wachten totdat jij weer eens langs zou fietsen?

Niet alleen de verloren tijd was onbereikbaar, maar ook het terrein. Een hoog hek met hagen daarachter, maakte dat ik het gebouw bijna niet kon zien. Een blaffende hond maakte zonodig nog duidelijker, dat er geen prijs gesteld zou worden op al te nieuwsgierige bezoekers. Op Google Maps stond er nog een andere, lagere heg.

Toch kan ik genoeg zien om te concluderen dat het gebouw behoorlijk opgeknapt is. De tuin eromheen is duidelijk onder handen genomen door een hovenier. De oprijlaan loopt nu voorlangs. Aan de achterzijde is een uitbreiding gebouwd, schijnbaar was voor het bedrijf dat er nu huist, de ruimte binnen te krap. Ik mag hopen dat de binnenkant van het huis niet al te zeer veruïneerd is, ik zou het graag eens zien, maar ik denk dat er weinig valt terug te herkennen.

Villa De Horst (1912) is gebouwd door architect Karel de Bazel (1869-1923). Het gebouw maakt een monumentale indruk, niet in de laatste plaats omdat het op een hoge duin gebouwd is. Je moet omhoog kijken als je het gebouw nadert en wie in de halfronde serre of op het halfronde balkon zit, kijkt onwillekeurig neer. Dit gevoel wordt bij mij versterkt door de twee eveneens halfronde dakkapellen aan weerzijden van de hoge topgevel, het lijken net ogen die neerkijken op de voorbijgangers. De villa is gebouwd in een tijd dat het onderscheid tussen heer en knecht nog niet volledig uit de mode was. De nabijgelegen tuinmanswoning ligt duidelijk een stuk lager.

Het is niet alleen het ontzag dat de villa wil inboezemen, het is vooral de symmetrie die me stoort. Zelfs de schoorstenen staan gespiegeld op het zadeldak en de klok in het midden zou wel eens het middelpunt van de rechthoek kunnen zijn. De achtergevel heeft ook een topgevel, maar daaronder bevindt zich een loggia met twee zuilen.

In mijn tijd was de ingang aan de rechterkant van het huis. De gang achter de deur liep langs de keuken (rechts) naar de centrale hal. Links de trap die met drie bochten linksom naar de eerste verdieping leidde. Bovenaan de trap links, voor de douchedeur weer links en dan liep ik op mijn kamer af die boven de keuken lag.

Behalve mevrouw Van der K. die er indertijd woonde (ze is ondertussen alweer enige tijd overleden), weet ik niets van de vroegere bewoners. Een artikel uit 2004 in Trouw suggereert dat Willem Oltmans er ooit opgroeide: Toen ik klein was, woonde ik met mijn ouders op de villa De Horst in Bosch en Duin. Het huis was zo groot dat we elkaar alleen bij het diner zagen. Ik had dan zoveel meer te vertellen dan mijn ouders konden aanhoren. Al snel begon ik met het bijhouden van dagboeken, alleen al om een uitlaatklep te hebben. Ik kan me voorstellen dat de villa vanuit kinderperspectief enorm geweest moet zijn. Willem Oltmans was niet de enige die er dagboeken schreef.

Het lukt me met moeite een glimp op te vangen van het raam waar ik vroeger achter heb gestaan, uitkijkend naar de postbode, uitkijkend naar bezoek. Ik vraag me af of de boom er nog wel staat, de boom waar toen zo vaak eekhoorntjes in speelden.

Ik heb er niet eens zolang staan kijken naar het huis, misschien nog niet eens de lengte van het roken van een sigaret. Ik fiets door naar Den Dolder, de route naar het station, en passeer onderweg de brievenbus waar zoveel brieven van mij hun reis begonnen.

Wanneer ik later op de terugweg het huis weer passeer, begin ik me af te vragen waarom ik dit allemaal doe. Waarom teruggaan naar die tijd? Is de overgang van een beschermde omgeving in Friesland naar het studentenleven te groot, te abrupt geweest? Was ik te eenzaam met mijn onbeantwoorde liefde? Moest ik te geforceerd volwassen worden? Of kon ik de vrijheid juist niet aan? Of zijn er parallellen tussen de gevoelens die ik nu heb en gevoelens uit die tijd? Hoe werkt dat toch in mijn hoofd? Gaan mijn hersenen op zoek naar vergelijkbare ervaringen in het geheugen en kom ik dan uit in Bosch en Duin? Ik weet het niet, laat ik er dus maar over schrijven. Ik ga proberen de draad weer op te pakken waar ik het op 27 april 2007 achtergelaten heb.

21 januari 2011

1045

Vanochtend kwam het pakketje met de dvd binnen met de post. Ik had de film teruggevonden op amazon.de en een goede vriend met een creditcard wilde de film wel voor me bestellen. Ik wilde die film zo graag eens terugzien en vanavond, nadat ik de kleintjes naar bed had gebracht, was ik alleen thuis en kon ik naar Du mich auch kijken. Een dierbare herinnering maakte, dat ik deze film terug wilde zien.

De pizza en de wijn deden me goed. We hadden afgesproken dat we nog een film zouden gaan kijken. Ik mocht haar verrassen met mijn keus; later, als ik haar weer eens in Amsterdam zou bezoeken, zou zij een film uitzoeken. Terwijl we naar filmtheater 't Hoogt liepen, vertelde ik haar over de film die we gingen bekijken.

We gingen naar Du mich auch, een Duitse film over twee verliefde straatmuzikanten. Eigenlijk kunnen ze niet samenleven, maar ze willen de pijn van een scheiding ook niet. Wanneer ze bij een schnabbel verdacht raken van moord, moeten ze op de vlucht. Het is een hilarische film, avontuurlijk, in zwart-wit. Nooit zal ik de scène vergeten waarin Julia aan Romeo vraagt Du, Romi, findest du mich noch erotisch?

Terwijl menig stelletje in de filmzaal tegenelkaar aan kropen, bleven wij louter vrienden. Ik was te ernstig en te verwachtingsvol om toe te geven aan mijn gedachten, voor H* zou het te vluchtig zijn en het einde van een vriendschap. Dus gebeurde er niets. We genoten van de film en keken elkaar zo nu en dan lachend aan. (zie 712)

Zo werd ik tijdens het kijken weer ruim 22 jaar terug gekatapulteerd naar mijn studententijd. Zo nu en dan zei ik tegen mezelf dat de film toch wel slecht was, wat vond ik er toen zo goed aan? Misschien al datgene wat de film in mijn ogen nu nog redt: de humor, de vondsten, de frisheid. Het is ook niet eerlijk om na 22 jaar extra filmervaring mezelf af te vragen waarom ik toen onder de indruk was. Eigenlijk is de film niet zo beroerd, hij is eenvoudigweg gedateerd. En misschien was ik toen slechts onder de indruk van mijn gezelschap. O, ik zou willen dat ik weer even terug kon! Of misschien ook niet, want ik zou er willen blijven, alles weer opnieuw meemaken.

Na de film ging ik naar boven om te herlezen wat ik hier in 2007 geschreven had. Een enorm verdriet welt in mij op. Ik blader in mijn dagboek uit die tijd. Op de dag na het filmbezoek, dinsdag 5 juli 1988, schreef ik als eerste: Gisteren was mijn mooiste dag uit mijn leven. Ook tijdens het lezen van Proeven van liefde moest ik vaak aan die tijd denken. Wat was ik toch hopeloos verliefd, wat kon ik er toch slecht mee omgaan en wat mis ik haar nog steeds. Ik zou haar wel willen bellen, maar het is al laat in de avond. Ach, ik ben ook zo'n vreselijke sentimentele veertiger. Ik schrijf het nu maar op, dan zakt het misschien wat weg.

15 januari 2011

1044

Het is alweer een week geleden dat de directeur zijn plannen ontvouwde voor de reorganisatie. Dat deze plannen gemaakt werden, dat wisten wel al een tijd, maar nu was de tijd gekomen om de bom te laten barsten. Voor ons op locatie Amsterdam waren het dramatische plannen: de locatie wordt aan het einde van het jaar gesloten. Voor mij betekent het dat de werkzaamheden van de afdeling waar ik werk verhuizen naar de locatie in Grave. Daarnaast, de onzekerheid over het aantal werknemers die mogen meeverhuizen. De dreiging van een mogelijk ontslag, dat kan ik er nog wel bij hebben. De gesprekken op de werkvloer gaan over niets anders meer. Nog meer ruis.

'Mijn vrouw' is naar een teamvergadering van haar werk, de kleintjes heb ik net naar bed gebracht, mijn grote knul is braaf zijn huiswerk aan het maken (of aan het netwerken in de virtuele zee). Het is vroeg in de avond, een zeldzame avond van rust en stilte in het huis. Ik besluit de televisie stom te laten en het boek Proeven van liefde van Alain de Botton uit te lezen. Een mooi boek overigens, gekregen voor mijn verjaardag van een vriend die het talent bezit om zelf een geschikt boek voor mij uit te zoeken.

Proeven van liefde is een liefdesgeschiedenis waarbij de ik terugblikkend de rise, decline and fall van een liefdesrelatie beschrijft. De Botton vertelt het verhaal van binnenuit, mogelijk vanuit zijn eigen geschiedenis, en stapt daarbij voortdurend uit het verhaal om verwonderd, beschouwelijk, een voor velen herkenbare analyse te maken. Elk hoofdstuk gaat over een fase in de ontwikkeling van het verhaal en elk hoofdstuk is verdeeld in hapklare, genummerde brokken. De witregels tussen deze verschillende stukken geeft het verstrijken van de tijd aan en ook de stap tussen binnen en buiten. Dat zou een boek kunnen opleveren waarbij het verhaal ondergeschikt en louter illustratief is bij een theoretische verhandeling, maar De Botton heeft daar niet voor gekozen. Verhaal en beschouwing lopen zo in elkaar over alsof de beschouwing onderdeel is van het verhaal. Zo blijft de stap achteruit toch heel dicht op de huid van het verhaal en wordt het boek niet nadrukkelijk theoretisch. Tel daarbij op de licht ironische verwondering waar De Botton patent op lijkt te hebben en je hebt een elegant en aanstekelijk boek, waarbij je voortdurend herinnert wordt aan je eigen liefdesgeschiedenissen. Dat kan confronterend, louterend en troostrijk zijn.

Wanneer ik na de laatste bladzijde het boek heb dichtgeslagen, stimuleer ik mijn oudste zoon om zijn bezigheden af te ronden. Bedtijd nadert. We drinken en praten nog wat, lachen om een film op televisie en dan stuur ik hem naar boven. Welterusten jongen, slaap lekker, maak er een mooie dag van morgen.

Weer die weldadige rust en stilte in huis. Ik denk na over het volgende boek dat ik zou willen gaan lezen, maar ik kan nog geen keuze maken. Wanneer ik onder de indruk ben van een boek als Proeven van liefde duurt het bij mij enige tijd voordat ik het kan loslaten om aan een nieuw boek te beginnen. Meestal overbrug ik zo'n periode met kranten en tijdschriften. Ik besluit om nog een paar bladzijden te lezen in Dagboek van een dichter van Leonard Nolens. Dat is zo'n boek dat ik niet achterelkaar kan uitlezen, daar moet ik zo nu en dan in verdergaan. Het is fragmentarisch en soms zo verdicht dat van stug doorlezen nauwelijks sprake kan zijn. Bovendien ben ik vreselijk jaloers op het schrijven van Nolens, ik zou willen dat ik mijn website zo zou kunnen volschrijven.

14 januari 2011

1043

24. Het is teken dat twee mensen niet meer van elkaar houden [of althans niet meer de moeite willen doen waaruit negentig procent van de liefde bestaat] wanneer ze niet meer om hun verschillen kunnen lachen. Humor bekleedde de muren van irritatie tussen onze idealen en de werkelijkheid: iedere grap verhulde de waarschuwing dat er verschil of zelfs teleurstelling was, maar het was een verschil dat onschadelijk gemaakt was – en waaraan dus zonder de noodzaak van een pogrom voorbijgegaan kon worden.

Alain de Botton Proeven van liefde, 87

8 januari 2011